Skip to main content

Full text of "Ons volksleven"

<:^'>sis>i^M 



















^ 








<T^< 


































Digitized by the Internet Archive 

in 2010 with funding from 

Indiana University 



http://www.archive.org/details/onsvolksleven58brec 



Ons "V^olksleven. 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde 

ONDER LEIDINa VAN 

JOZ. CORNELISSEN & J. B. VERVLIET 



Onderwijzer 
te S* Antonius-Brecht. 



Letterkundige 
te Antwerpen. 



« Ei- is nog een rijke oogst op liet veld der gewestspraken voorbanden; 
vele volksuitdrukkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaal opgenomen en 
bewaard te blijven. » 

Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde, Wedstrijd 1874. 
o De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen; 
in één woord, het volk eooals hei is. » 

Yraagboek voor Vlaamsche Volkskunde. 




5"^ JAARGANG 
1893. 



TE BRECHT. 

BIJ L. BRAECKMANS, DRUKKER-UITGEVER. 



JHekinerkürs aan kn iitjfiieii jaargang. 

(1893) G:»^\ 



208020 



E. Adkiaensen 
J. Br. 

J.-Th. de Eaadt 
Alfried Haeou 
Lenaard Lehembrr 

P.-N. P ANKEN 

Hendrik Peetees 

A. V. P.*** 

K. V. S.*** 

E. M. Verbeuggen 

Frans Zand 



te 






Hoogstraten. 

Aarschot. 

Brussel. 

Antwerpen. 

Schelle. 

Bergeik (Noord-Brabant). 

Schaarbeek. 

Sint-Niklaas. 

Rotselaar. 

Merxplas. 

Itegem. 

Brussel. 




BI 


R. 


4 


52 


7 


3 


8 


^.ï' 


44 


•2 


50 


25 


52 


9 


59 


26 


62 


16 


92 


5 


115 


5 


147 


27 


150 


35 


155 


20 



Misdrukt 

ouverzieiis 
moet 

: : :^e\tl .: .. 

8ctefpboeki>2 < 

geschakkeerden 

semei) spraak , 

hun '..' 

naclilan * 

aaiistouijs 

onveraiiderdaagsclie 

eigeschappeii 
de 



lUrukfetleu. 

Verbeterd BI R. Misdrukt 



onvoorziens 

moeten 

mijn 

.' : ; ,^^d. 

'sefhi^phoékige, 

gés'cmikeêrdeji' 

samenspraak 

:.': /.h*,n:,... . 

aanstcTQchi* T 
overanderdaagsclie 

eigenschapijeu 
den 



256 
157 

166 

17b 

,fl9C 

hii^ 

21*0 

ni 

211 

^1 

214 
214 
219 



ceniix 

Cocctnelle 

waterstraat 

18h2 

'. Pulderbsch 

' scHelh.géD 

xV ' Ix'x v.ix 

Iierwertsovóre 
wont 
plaeesen 
Bodd 
bode 
hnnue 



Verbeterd 

cimex 

Coccinella 

waterstraal 

1892 
Fulderbosch 
schellingen 
xv<= Ixxx. ix 

herwertBovere 

wort 
plaetsen 
Bodo 
Bodo 
hunne 




cfc 



*--^A^ 



-5'\ 



T^ 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« Er is uog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel volksuiidrakkingeu dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard 'te'blij ven. » 

ZUIDNEDERLANDSCHE MAATSClIAmj VAN ÏAAIjKWDE.WedstriJd 4874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Vraagboek voor Vlaamsche volkskunde. 



^ 



VIJFDE JAAR. 



EERSTE AFL. 



iete mtï jjet llie^eii. 



.ET is algemeen bekend dat liet niezen, bij het 
r*5^-S. ^*^>1'^' steeds als eene zaak van belang- aanzien 
S^^ is geworden. Van daar dan ook dat er bij den 
gemeenen man verschillende denkbeelden aan 
verbonden, en allerlei wenschen of spreuken bij gebezigd 
worden. 

De meest gebruikte is voorzeker : God segene u; toch 
hoort men ook dikwijls wenschen proficiat of gezondheid, 
waarop dan als dankbetuiging, in 't eerste geval, God Julpe 
u of God loone ti, in het andere eenvoudig daiiJc u, of het 
Fransche merci geantwoord wordt. Merci is dood laten de 
spuiters hierop volgen (i). 

Richt men den vromen wensch tot den vader des huisge- 
zins, te midden zijner liuisgenooten gezeten, dan zal hij niet 
nalaten te zeggen : God zegene ons allen. 

Wanneer men in den Keizerlijken tijd den niezer God 
zegene u wenschte, dan drukte de aangesprokene dikwijls 
zijnen dank uit met de wooi den : God loone u met 100.000 
h-ooïten ; waarop de wenscher dan veelal : met erwten en hoonen 
en 'nen kop van 'nen pekelharing, ten wederantwoord gaf. 

(1) In Vlaanderen heet het : Merci is opgehangen, omdat hij valsch geld sloeg. 



« Ons Volksleven. » 



Niezen wordt doorg-nans in eencn goeden zin genomen. 
Wanneer iemand diij achtereenvolgende lieeren niest, zegt 
men: 't f/asthuis ui f, wat beteekent:ge zijt genezen, 't Is 
henicsd, 't is ivnnr, heet liet, hier en elders, als er iemand 
niest, terwijl men aan 't vertellen is. 

Wanneer in den zaaitijd, terwijl de zon schijnt, de boer, 
die voor het eeist op zijn land komt, niest, en men hem 
God zegenen toeroept, dan is niet alleen ;hij, maar ook zijn 
Innd gezegend; een rijke oogst zal stellig zijn deel wezen. 

De beteekenis die men in Engeland aan iiet niezen hecht, 
verwisselt met den dag af, en wordt uitgedrukt door de 
volgende spreuken : 

Niest ge den Maandag, vreest een ongeluk. 

Niest ge den Dijnsdag, verwacht eenen vreemdeling. 

Niest ge den Woensdag, dien dag ontvangt ge eenen brief. 

Niest ge den Donderdag, 't zal iels beters zijn. 

Niest ge den Vrijdag, verdriet is nabij. 

Niest ge den Zaterdag, morgen komt uw vriend. 

Niest ge den Zondag, heel de week zal de duivel bij u den 
baas spelen, (i) 

Een eenvoudig middel om, in vioeger tijd, iemand die 
betooverd of van don duivel bezeten was, te verlossen, 
bestond hierin, God zeqaie u te zeggen, en een kruis te 
maken, op den oogenblik dat de ongelukkige niesde. 

Zoo ook deed men ten opzichte der zielen of geesten, die om 
de ccne of de andere reden verwenscht, en gedoemd waren, 
om onder bruggen te verwijlen, en aldaar hunne verlossing 
te veibeiden. Wanneer zulk een geest niesde, en een voor- 
bijganger het goede gedacht had God zegene u te zeggen, 
dan werd de kracht der verwensching verbroken, en de 
geest verlost. 

In Duiischhuid vertelt men, doh n de afgescheidene zielen 
tusschcn hemel en aarde, totdat zij de overgangbrug vinden, 
die hun den toegang tot de eeuwigheid verleenen moet. Die 
brug is gloeiend als het ijzer in het laaiend smidsvuur, 
dunner als het haar van uw hoofd, en scherper als de snee 



(1) biekorfl, 185. 



« ÖNS Volksleven. 



van het zweerd. Moede van zwerven, zitten en rusten de 
geesten onder duikers en bruggen. Hoort ge zulk een geest 
niezen, zegt dan aanstonds: ^God .zegene u,r, en niets zal 
hem langer beletten den weg naar zijne bestemming te 
vinden, (i) 

Er is echter een geval waarin het niezen een slecht uit- 
werksel heeft. Wanneer men in den Kerstnacht namelijk 
niest, zoo sterft het vee in den stal. De Dailsche boer zorgt 
dan ook zooveel mogelijk niet te niezen, om zijn vee niet te 

verlieren. (2) 

• * 

Waarom zeggen de menschen nu God zegene u als er 
iemand niest? 

Zien wij eerst wat ons volk daarover denkt, vooraleer wij 
er de reden van bij andere volkeren en in de liooge oudheid 
naspeuren. 

« In ons voorouders tijd, als de pastoors nog zooveel macht 
« niet hadden, en als er nog zooveel gewijd goed niet was, 
« dan waren er veel meer toovcrlieksen nis nu, en die liepen 
« geduiig ro:id om de lieden ongelukkig te maken. Maar ze 
« en kosten geen mensch betooveren, die niet niesde, en 
« niesde er een, dan kosten zij hem nog geen leed toebren- 
« gen, als er iemand omtrent was dié God zegene u zegde. 
« De tooverheksen waren dan al hunne macht kwijt, en 
« moesten wegvluchten. y> (3) 

Ziehier eenige voorbeelden van het uitwerksel door de 
spreuk God zegene u op de tooverheksen teweeggebracht. 

*■ Daar was eens 'ne peerdendief, die uitging om een peerd 
« te stelen. Hij kwam op een pachthof, en zag onder de 
« venster iets aardigs zitten. Lijk hij daar nu zoo beteuterd 
ii stond op te kijken, niesde er binnen 't huis een kind, en 
« üGod zegene u » zei de peerdendief. En zoo 'lijk hij dat gezeid 
« had, sprong dat zwart aardig ding naar hem toe, en riep 
« met eene heesche stem : 



(1) Biekorfl, 184. — (2) Grimm II, 1070. — (3) Meedeeling van deu H"- 
Fr. M.jte Puurs, 



« Ons Volksleven. » 



« Gij leelijke peerdendief, dat is nu al drij nachten dat ik 
» hier zit, om het kind te hooren niezen, en daar komt gij 
55 mij in mijn werk storen ; gij leelijke peerdendief ! « 

« En weg was het aardig ding, dat vast en zeker oene too- 
» verheks was. De vent was zoo gepakt, dat hij niet wist, 
^ waar hij het had. Hij klopte den boer op, en vertelde zoo 
w maar alles rechtuit, wat er kwam te gebeuren. De boer 
« buiten zich zelven van blijdschap omdat zijn kind niet 
y> betooverd was geworden, schonk den peerdendief een 
» peerd en nog veel andere dingen meer » (i). 

« Een wijveken hadde hooren zeggen, eiken keer dat er 
-> iemand aan 't niezen ging, dat het seffens moest zeggen : 
w God segene 't u, om alzoo den niezer te bevrijden van betoo- 
« verd te worden, w 

« Op zekeren dag zat clat wijveken in het huizeke van zijne 
^ gebuurnego. Al met eens hoort het eene zieke vrouwe 
» niezen, die in de kamer te bedde Uig; getrouw aan het 
« vermaan dat men hem gegeven hadde, roept het aan- 
» stonds : « God zegene 't un ! 

« Dat gebeurde alzoo tot drie keeren te reke. » 

« Ongelukkiglijk den zelfsten dag gaat dat wijveken langs 
>5 eenen dijk, maar onverziens wordt het in 't water gewor- 
» pen, en 't hoort eene onbekende stemme die hem toesnauwt : 
r « Ge zult leeren mij beletten van zieke menschen te betoc- 
» veren ! » 

« Op het moord roepen kwam er volk geloopen, die het 
» wijveken uit het water hielpen. « (2) 

« Op zekeren avond ging een boer, die te Puurs woonde, 
» naar huis. Hij kwam van Bornhcm. 't Was zoo pikdonker 
» dat hij geenen steek voor zijn oogen zien kon. Daar of 
-> omtrent halfweg gekomen, moest hij over een beekske 
» gaan, en juist lijk hij meende hetbrugske over te stappen, 
w verschoot hij ineens zoodanig eh! Ge moet weten, hij stond 
» daar nu in 't voile licht der maan, en vlak voor hem zat 

(1) Meegedeeld door Fr. M., te Puurs. — (2) Biekorf 1, 185. 



« Ons Volksleven. » 



r> vee], veel volk — (hij kende er af ook) — te klappen en te 
» lachen en te drinken, terwijl er het schoonste muziek der 
» wereld gehoord werd. Alles, tafels, stoelen en lusters, was 
y> er zoo schoon, alsof het uit een koningspaleis gehaald was. 
» Kom, Daelemans, zet u neer, riep hem eene kennis toe, en 
» hij d'iérf om den duivel niet voorbij gaan. Ze gaven hem 
» dan 'nen prachtigen zetel met kus^iens, daar hij moest gaan 
w in zitten, en hij kreeg ook 'nen roomer met wijn, en dat 
» was drank, man ; zoo iets had hij van zijn grondig leven 
» nog niet geproefd. Nu 'lijk hij daar zat, niesde er een van 
» die mannen, en Daelemans die een brave lansten was, zei : 
y> ^God gegcnc ur,. En in eens gaf het 'n leelijke klets; tafels 
» en stoelen rammelden dat 't schrikkelijk was, en al die 
» tooveraars en vrijmacons (i) waren op 'nen slag en 'nen 
r> keer weg en de gaten uit. Daelemans zat daar nu gansch 
y> alleen in den dohkoi e, en ik laat u raden hoe? Op eene 
» elzenmot, mijn' ziele, over het beekske, met zijne voeten 
» tot tegen 't water, en in zijne handen had hij 'nen padde- 
» stoel. (2) 

« Bij het dorp Mangden, in Zwitserlandsch Argau, dichte 
y> bij eenesteenen brugge en op eene hooge vlakte, woonde 
w er eertijds een koolbrander. Zekeren nacht, terwijl die 
y> man op zijnen looverzak lag en rustte, hoorde liij, met 
» 't slag van den éenen, iemand geweldig niezen. " God helpe 
» nf riep de kool brander. » 

« Maar die genozeii hadde en wiste van geen uitscheen, en 
» het een niezen en verbeidde noch en verliaaide het ander 
«niet; ook weerde hij hem om maar altijd voort van Gocü 
n helpe u te steken. » 

(1) De vrijmagons zijn ma)inen die hunne ziel aan (Jen duivel verkocht 
hebben. Van dien oo^enbh'k zijn zijn zij onder veel opzichten gelijk aan 
looveraars en (ooverheksen. Ze hebben wat ze willen, en zijn zoo rijk als 
't water diep is. 's Is ach) s komen zij ook bijeen, en als ze van de eene naar de 
andere plaats moeten gaan, dan hebben ze maarte willen, en op éen, twee, 
drij zijn ze er. Een kruis kunnen ze niet verdragen, en tegen 'nen God zegene u 
kunnen ze niet, zoo meent het volk. Fr. M. 

(2) Meegedeeld door Fr. M., Puurs. 



« Ons Volksleven. » 



« De koolbrander wierd dat eindelijk eens moede, en ten 
» langen laatsten, scliier tenden asem zijnde, riep hij : ^^ Loopt 
y> nanr den duivel ! r> 

« Op dien zelven stond begon het ie donderen, en het 
y> donderde tot 's morgens vroeg, zoo dat de naastgelegene 
» bosschen er van kraakten. » 

« Wanneer het nu klaar geworden was, ging de koolbran- 
M dor naar zijn koolhof. Maar hout en kolen en hof, 't lag al 
» verzonken, in eeneii diepen put, waaruit een klaar water 
w bortelde, dat tot op den dag van heden getuigen isse geeft 
r van hetgene daar gebeurd is. « 

« Drinken en kan men van dat water niet, want al die het 
» aangaan gevoelen seifens hoe dat het laait en brandt in 
« hunne mage. « (i) 

('/ Vcrvolgl). J. B. Vervliet. 



36ijiriigE tnt tm ïum^iiBrti Stóntirnii. ^'^ 

Afschrijven, w., overg. — Sclirifielijk afzeggen. Ik had 
mijnen oom beloofd naar do kermis te komen, maar ik on 
kan niet van huis : ook heb ik het hem afgeschreven. Als ge 
niet komen en zoudt, schrijf het dan af. Ze hoeft heuren 
vi'ijer afgeschreven. Ik zal mijnen bakker afschrijven. 

Afvatigen, w., overg. — Iemand afvangen, in verlegen- 
iieid brongeii. De beenhouwer heeft mij afgevangen met 
geen vleosch te brengen : nu zit ik Zondag zonder vleesch. 
Vasi. holoven te komen wei ken, en dan toch niet omzien, is 
dat niet 'nen mensch aCvangen? 

— Afgevangen zijn, in verlegenheid gebracht zijn. Als ik 
den irein te laat kwam, ik ware schoon afgevangen. Die man 
is leelijk afgevangen, als zijne zoon moet optrekken (soldaat 
worden). 

Vrglkt Tuerl. 

(1) Biekorf, 1, 184. 

(2) Woorden, woordgedaantcn en woordbeteekenisscu die niet geboekt zijn 
iü de Idioticous van Schuermaus, de Bo, Tuerlinckx en Kutten. 



« Ons Volksleven. » 



Begeven, w , wederk. — Zich onderwerpen. Die koppig- 
aard wilt hem (zich) niet begeven. Wacht maar kerel! ge 
zult u wel moet begeven ! 

— Ztcli hegeven tot, zich overgeven, Fr. s'adonner. Ge 
moogl u nog niet tot slapen begeven. Hij begeeft hem som- 
wijlen tot den drank. 

Bil, z. nw., m. — Spr. : lefs op zijnen lil slaan, zich iets op 
onrechtveerdige wijze toeëigenen. De voerman bracht mij 5 
frank in rekening voor iet dat maar 3 tv. kost; die 2 frank 
heeft hij zeker op zijnen bil geslagen. Geeft dion bode nooit 
te veel geld mee, als gij hem iet laat betalen daar gij den 
prijs niet af en kent; want al dat hij overlieeft, slaagt hij op 
zijnen bil. 

Rutten, iets op zijne JcaaJc slaan. 

Bocht, z. nw., V. — Buitenkot voor een verken. Z Sch. en 
d. B. — Spr. : In de hochi springen, de handen uit de mouw 
steken, duchtig werken. Hij zal daar in de bocht mogen 
springen. Ik moet al mijn werk nog doen en 't is bijkans 
avond : ik zal in de bocht moeten springen om gedaan te 
krijgen. 

Boks, z. nw., m. — Houten afsluiting in eenen peer- 
denstal, waar één peerd in staan kan. In de afspanningen 
zijn de peerdenstallen in verscheidene boksen verdeeld. Zet 
het peerd in den boks. Laat dien schuiver (landlooper) maar 
in 'nen leêgen boks slapen. 

Bij deBo is boh een afgeheind perk voor zwijnen of scha- 
pen. 

Botterik, z. nw., m. — Houten gestel dat dient om eene 
kar te verhoogen. Men zet den botterik op de kar, waneer 
men b. v. hooi of baksel laadt. 

Ook in Limburg gekend, {z. H Baghet in den Oosten). 

Erf, z. nw.. v. — Akkergrond, bouwlaag, Fr. couche arahle. 
Er ligt goede erf op dat land. De erf ligt niet dik op dien 
gi-ond. 

— Men zegt van eenen grond dat hij diep geërfd is, waneer 
hij eene dikke bouwlaag heeft. 

Qeërfd, b. nw. — z. Erf. 



« Ons Volksleven. » 



Gehand, b. nw. — Hoc zijt ge gehand, welke hand ge- 
bruikt ge om te werken, te schrijven, enz.? Ilcben rechts 
gehand, gebruik mijne rechterhand om te werken, te schrij.- 
ven, enz. Sommige mcnschen zijn slinks gehand. 

Hozen, w., onoverg. — Waden, baden, polsen. Door den 
sneeuw hozen. Wij móeten hier door 't water hozen. Ik heb 
geenen zin om een kwartier wijd door 't slijk te hozen. 

Lobberen, w,, onoverg. — Beurzen, plooien, rimpelen, 
gezeid van kleederon die te lobbig, te wijd zijn, of b. v. van 
twee oneveiiiaiige stukken die aancongena.aid zijn. Dat 
kleed lobbert^onder de mouwen. 

Ook gebruikt in Limburg (z. '/ Daghvtin den Oosfen. 

Men zegt ook hcurzen en leipcrcn. 

Massel, z. nw., v. — Rochel, groote fluim. 

Opboeien, w., wederk. — Zich gram maken, Fr. se meiira 
en coVere. Ge moogt u zoo niet opboeien, want dit is slecht 
voor uwe gezondheid. Sommige onderwijzers boeien hun 
(zich) al te lichtelijk op in de school, en verkorten zoo hun 
leven. 

Opzetten, w., overg. — Een verken, een kalf opzetten, d. 
i. aankoopen, om het vet te mesten. Ik ga tegen den winter 
een verken opzetten. 

Overgehaald, b. nw. — Verbasterd, gekruist, door twee 
dieren van verschillend ras geteeld, Fr. hyhridé. Een overge- 
haalde kropper (slach van duif). Eer overgehaalde dog. 

Overtrekken, w., onoverg., met .e?)'». — Naar een ander 
huis trekken, verhuizen. Men gebuur is aan 't overtrekken. 
Waneer trekt ge over? 

Peerdeboka, z. nw., m. — z. Bohs. 

Slammeren, w., overg. — Spreken met eene belemmerde 
tong, stameren. Wat slammert ge daar allemaal? De dronk- 
aard slammerde, zoodat ge er geen woord kost van verstaan. 

— Afl. geslammer, slammeraar. 

Tegendragen, z. nw., o. — Tegenslag, tegenspoed, weder- 
waardigheid, Fr. adversiié, coniraricfé. Die menschen hebben 
in 't afgeloopen jaar veel tegendragen gehad. 



" Ons Volkslevkx. « 



Tetteren, w., overg. — Gau^-en onverstaanbaar spreken. 
Tettert zoo niot, spreekt ti-aagen duidelijk. 

— Afl. qefeHcr^ telteraar. 

— Vrglkt i af er en. 

Toe, voorz. — Wordt gebruikt, evenals ie, om de tegen- 
woordighoid in eene plaats aan te duiden. Hij woont toe 
Brecht. Hij verblijft toe Brussel. Dat is toe Westmalle 
gebeurd. 

Top, bijw., bij sommige werkw. gevoegd, beteekent : heel 
en ganscli. Hij weunt (woont) top in de hei. IW zit hier top 
in 't slijk. De zatlap viel top in de beek. Wij staan hier top 
in 't boscli. 

Verslijmen, w.. onoverg., met zijn. — Wordt gezeid van 
land. dat gedurende 'non zekeren tijd vast gelogen heeft en 
daardoor kiliigon ongezond geworden is. Die plek grond is 
verslijmd. De grond zal vorslijmen, als ge hem niet op tijd 
om en doet. Grond daar schielgroen (raaploof) op staat, 
verslijmt. Die boei' l.iai zijn land verslijmen. 

Zienderoogen, bijw. — Op eene zienlijke wijze, L. eviden- 
ter. Die boer gaat zienderoogen achteruit. Hij wordt ziender- 
oogen van God gcstrafr, 

Zwaffelen, w., onoverg. — Wiggelen, loteren, loszitten, 
Fr. hranlcr. Het wiel van dien kruiwagen zwaffelt. Een mes 
waarvan de lemmoi' zwaffelt in den hecht. Zet eenen stok 
tegen het boom ken, dat daar siaat te zwaffelen. 

Vrglkt. Loquela, i. v. zwcffeleii, weg en weer bewegen in 
't gSiSin, en 0tmhheï en, niet gespannen zijn, ruimte hebben, 
bewegen. 

(Gezant ie St-Antonius-JBrcclit en omsireJccn). 

Jozef Cornelissen. 




« Ons Volksleven. » 11 

ie leerlijkjieiiï 3)larterintjrk. 

Een woord geschiedenis. 

DE geleerde schrijver van « De Heerlijkheden van het Land 
van Mechelen, » — die zoo belangrijke reeks van ge- 
schiedkundige verhandelingen over een der bijzonderste 
deelen onzer provincie, — komt nogmaals den schat onzer 
plaatselijke geschiedenissen met een nieuw werk verrijken(i). 

Ditmaal is het grijze Norderwijck, dat reeds negen eeuwen 
telt, aan de beurt. Inderdaad de eerste melding, die er van 
dit dorp gemaakt wordt, vindt men in een diploom van den 
jare 974, waarbij keizer Otto de Tweede aan de S' Baafsabdij, 
te Gent, het met andere goederen weergeeft, die haar 
M^ederrechtelijk ontnomen waren. Door een-^ oorkonde van 
976 bevestigt dezelfde vorst de abdij in 't bezit der goederen 
van depagus bragbatimis, en schenkt haar de eigendommen 
terug, die haar in de pagi van Haspegouw, Rijen en 
Taxandria ontnomen waren. De bezittingen in Taxandria 
waren Northreuuic en Idingdiem (Itegem). 

Hier vindt de schrijver gelegenheid om eenige welgepaste 
beschouwingen in 't midden te brengen over een onderwerp, 
dat reeds door meerdere geschiedschrijvers, zooals Piot, 
Vanderkindere, Longnon, enz., maar in verschillenden zin, 
behandeld was, namelijk de oude verdeeling des lands in 
pagi, wat men door pagus verstaan moet, zijne indeeling, 
zijn bestier, enz. 

In de XIIP eeuw behoorde Norderwijck aan het geslacht 
der Berthouten van Mechelen. Later, in 1370, bij koop van 
Mathilda, hertogin van Gelder, enz., vrouw van Mechelen, 
ging de heerlijkheid over in handen der familie van Lier. 
Na de dood van Johanna van Lier (1553) werd haar zoon, 
Jan de Plaines heer van Norderwijck, wiens dochter, Anna, 
die later Egidius van Busleyden, heer van Over- en Neder- 
Heembeek trouwde, in 1571 de heerlijkheden erfde. 

(1) De titel van het werk luidt : De Heerlijkheden van het Land van Meche- 
len. Norderwijck en zijne Heeren, </oo;'J.-Th. de Raadt. — Turnhout, Joseph 
Splichal, 1B92. — Fraai boekdeel in-8« vau 94 bladz., met 1 plaat en 2 zegelaf- 
beeldinofen. 



12 •* Ons Volksleven. y> 

De heeren van Norde^v^'ijck, die malkander nog al spoedig 
opvolgden, hoorden beurtelings toe aan de families de Tiras, 
T'Serclaes en de Mesemacre, welke laatste den titel van 
T'SercIaes in baendiryc verhief. 

De geschiedenis der heeren van Norderwijck neemt natuur- 
lijk de grootste plaats in van het werk. 

Nu volgen eenige bijzonderheden over het kasteel van 
Norderwijck, dat, meermaals herbouwd, op geene eigenlijke 
kunstweerde roemen kan. 

De geschiedenis van het dorp zelf geeft ons nog een aantal 
belangrijke bladzijden te lezen. 

Zoo treffen wij opvolgen lijk mededeel ingen aan over den 
naam, de ligging, de uitgestrektheid en de bevolking van 
Norderwijck; over de belastingen aldaar geheven in de 
XVIIP eeuw, over de pest waarmede het dorp geplaagd 
werd in de XIV^, XVP en XVIP eeuw, en tal van andere 
belangwekkende bijzonderheden en gebeurtenissen. 

Tusschen de inboorlingen van Norderwijck, die zich op 
eene gunstige wijze wiston te onderscheiden, verdienen in 
de eerste plaats vermeld te worden, de gebroeders Heylen, 
wier werken over geschiedenis en oudheidkunde nog steeds 
in achting zijn. 

Ook over de zegels van het dorp wordt een woord gezegd. 
Het oudstgekend zegel der kerk (fig. 1) voert in een veld met 




tf Ons Volksleven. »» 13 

arabesken versierd het wapenschild der familie de Tiras (i), 
met S* Baal' als schildhouder, luidens het omschrift: 
S. BAVO. IN. NOORDERWYCK. 
In 1662 ontving de kerk een nieuw zegel (fig. 2) met het 




wapen van T'Serclaes, overtopt van een baronnenmuts, en 
gehouden bij den patroon der plaats, S^Baaf, die in elke 
hand eene banier met het wapen van het schild houdt; 
randschrift : S. BAVO. IN. NORDERWYCK. 1662. 

Nu volgt nog een hoofdstuk gewijd aan de kerkelijke 
geschiedenis van Norderwijck, alsook een paar lijsten van 
de familie- en plaatsnamen in hot boek vermeld. 

Behalve de oorspronkelijke bescheiden nopens bovenge- 
melde geslachten, vindt men er nog een groot getal over de 
volgende : van Berchem, van Berlo, van Broeckhoven, du 
Chasteler, van Immerseel, van Merode, van der Noot, van 
Renesse, van der Stegen, van Yve, enz. 

Wij iiebben zoo beknopt mogelijk den inhoud van het 
werk aangeduid, doch denken ruimschoots het bewijs van 
zijne belangrijkheid geleverd te hebben. 

J. B. Vervliet. 



(1) In blauw een schuinsgeplaatste zilveren visch, gekroond van goud, 
vergezeld van twee zilveren (?) sporen, de radertjes omlaag. 



14 « Ons Volksleven. »» 



1. (4G.) Van eene slimme Spinster. 
^et was in den tijd dat allo vrouwen, jonge en oude, nog 
il sponnen. Eene moeder had eene dochter, die niet en wou 
of niet on kost spinnen. Wel honderd keeren was zij daarom 
bekeven en op zekeren dag wierd het zoo erg, dat de moeder 
haar te buiten joeg, zeggende : «Ge zult u nog zot spinnen!» 
Een heer die daar juist voorbijkwam, had dit gehoord en iiij 
zei tegen het meisken : «Ik zou juist eene vrouw moeten heb- 
ben die goed spinnen kan, want ik heb thuis eene groote 
partij vlas liggen. Ga met mij mede naar de stad, ik zal u een 
deel meegeven. Dit moet gij op acht dagen goed en zuiver 
afwerken en dan bij mij terugbrengen. Ik hen machtig rijk, 
en gij ziet er mij een braaf en schoon meisken uit; wehiu, 
zoo ge mij voldoet, wordt ge mijne vrouw. » 

Ze vielen beiden t'accoord, maar de dochter wist geenen 
raad : zij en kost niet spinnen. Ze ging heel vei drietig van de 
stad naar huis en peisde geduiig in haar eigen, hoe zij het 
zou aanleggen om heur vlas op lijd en stond afgesponnen te 
krijgen en alzoo met den rijken heer te kunnen trouwen. 

Terwijl zij daai- nog gedurig Over nadacht, komt haar een 
heer tegemoet, heelegaar in 't zwart gekleed. «Meisken,» 
zegt die heer, «ge ziet er mij zoo droevig uit, 't is bijkans 
ofdat de wereld tegen uwen dank stond.» 

— «Aciilhoezou ik kunnen blijde zijn! Deze partij vlas 
hier moet ik op acht dagen goed afgewerkt hebben, en ik en 
kan niet spinnen!» 

— «Wel dat is niemendalle! Geef het vlas aan mij, ik zal 
het u binnen de vijf dagen, goed afgewerkt, terugbezorgen, 
maar ge moet mij uwe ziel afstaan. Nochtans, als het vlas 
gesponnen is, moogt go nog drijmaal raden hoe ik heet : 
kunt ge het geraden, dan zijl ge verlost; kunt ge 't niet, dan 
is uwe ziel mijn. Wilt ge ? » 

— «Ja, ik wil wel, » zei het meisken. Daarop was de duivel 
weg, want die vreemde heer was niemand anders als een 
duivel uit de hel. De volgende dagen dacht en herdacht zij 



« Ons Volksleven. » 15 



hoe die heer toch wel heeten mocht, maar ze vond niets. Op 
zekeren dag", in 't grauwen van den avond, komt zij eene 
vriendin tegen die er heel verschrikt uitziet, niet verre van 
de plaats, waar zij den zwarten heer tegenkwam. 

— «Wat hebt ge toch?" vraagt ze hare vriendin. 

— «Ach!" is die heur antwoord, «ik ben strak dood van 
schrik : ginder in dien hollen eik hoorde ik een geronk als 
van honderd spinnewielen, en eene stem die maar gedurig 
zong : Als dat vrouivJien ivist dat ik mispeïstccrtje heef, wat zou 
dat vrouwlien lachen, n 

Dat was de duivel die daar het vlas zat te spinnen. Op den 
gestelden dag kwam hij met zijn garen af, goed en zuiver 
afgewerkt. «Ehwel", zei hij tegen het meisken eji hij lachte, 
«geraad nu hoe ik heet!" Het meisken geraadde tweemaal, 
maar 't was er nevens. «Nog éénen keer!» zei de duivel, en 
hij wreef van blijdschap in zijne handen. 

— «Mispelsteertjew riep het meisken. Toen hadt ge moeten 
zien wat gezicht de duivel trok! Hij liet 'nen ijselijken 
schreeuw, en liep er van door. 

's Anderendaags trok het meisken met heur garen naar de 
stad. De heer stond verwonderd over het schoon en zuiver 
werk dat ze afgemaakt had en trouwde met haar. Toen de 
trouwdag daar was, deed de heer heur al de beste spinsters 
van haar dorp op de bruiloft verzoeken. 

Zij verzon eenen list, om later voor altijd van het spinnen 
af te zijn, want 't mocht anders eens uitkomen dat zij niet 
spinnen en kon en heuren man bedrogen had! Wat deed ze 
mij? Ze noodde al deleelijkste meiskens en vrouwen van het 
dorp : leelijke tolen, hanglippen, echte monstergezichten. 
Toer. heur man al die aardige bakkesen zag, stond hij ver- 
wonderd en vroeg : 

— «Maar wat leelijk volk is dat allemaal!... Zijn dat nu de 
beste spinsters?" 

— «Ja", sprak de bruid, «dat komt van het spinnen. Deze 
vrouwen hebben eertijds schoon geweest, maar met gedurig 
de vingoren aan hunne lippen nat te maken, om den draad te 
bevochtigen, hebben zij zoo'n leelijke hangende lippen en 
zoo'nen scheeven mond gekregen. " 



16 « Ons Volksleven. » 



— « Wel, als 't zoo is, » zei de bruidegom, « dan wil ik niet 
hebben dat ge nog spint. » 
En ze was van 't spinnen af en leefde rijk en gelukkig. 
(Gelioordic Hcisi-opdcn-Berg.) Frans Zand. 



O 



3Énriilirnhntit.0rlie Ingen. 

70. (124.) Het Haspelstraatje te Duisel 

"pAAR men gelooft, is die naam aan een smal straatje 
16 gegeven, omdat men er in den ouden tijd soms eene 
haspelende oude vrouw of eene andere heks ontmoette, 
waarom die plek zooveel mogelijk vermeden werd. Laat in 
den avond versperden eene menigte katten er den weg, en 
als gij er eene aanraaktet of hinderdet, ge kwaamt niet 
zonder een bekrabd aangezicht of bekrabde handen viij. 

80. (125.) Spoken op Kruiswegen. 
p eene menigte nog bekende kruiswegen van ons Kempen- 
land hadden, nog in de vorige eeuw, des nachts of op 
duistere avonden, bijeenkomsten van heksen plaats. Met 
Kerstmis op middeinacht kon eenieder zich daarvan over- 
tuigen. Volgens eene oude sage zou een gewezen student die 
niet aan het bestaan van heksen geloofde, zich op Kerstnacht 
op eenon kruisweg te Eersel, of waar dan ook, geplaatst 
hebben. Het was daar een bekend punt der vereeniging van 
heksen, waarom de bewoners van 't omliggende schrik 
gevoelden er bij avond of nacht te moeten vooi-bijgaan. Ter- 
wijl de student op- en nederwandelt, slaat de dorpsklok 
middernacht. Hij had niets vreemds of schrikwekkends ge- 
zien noch gehoord, en zou zich nu dorp- of huiswaarts bege- 
ven. Nu hoort hij van achter opkomende stappen en ook 
gepraat. Eer hij den tijd heeft van om te zien, gaat hem 
haastig een oud groot moederke voorbij met de handen op 
den rug, er in houdende een schuimspaan en luid prevelende: 
« hoe zal ik klaar komen met koken, ik heb zooveel gasten 
gekregen. » De student roept haar toe : « om te koken daar 



« Ons Volksleven. » 17 

staat uwe oude kromme kont nog wel voor! » Maar daar 
komt de grap eerst aan : een leger miauwende katten over- 
valt den stoutmoedigen student; hij wordt door eene door- 
nenhaag gesleurd, zijne kleedenm worden in flarden ge- 
scheurd en zijn aangezicht tot bloedens toe opengereten. 

81. (126.) De Heksen in eenen boom te Westerhoven. 

BR stond een zeer groote, oude en bi'eedgetoptc lindeboom, 
in hot begin dezer eeuw omgeworpen, aan de zuidzijde 
der straat, omtrent het midden van het gehucht Loveren te 
Wcsterhoven. In dezen hoogen linde vergaderden schier 
eiken avond en nacht eene ontelbare menigte katton, die de 
geburen en voorbijgangers dan allerlei geraas hoorden 
maken en zich met \ ei schillende spelen en dansen bezighou- 
den. Het volk meende dat al deze katten de heksen niet 
alleen van het dorp, maar van den geheelen omtrek waren 
en deze boom eene hunner geliefde bijeenkomsten was, 
alwaar uitsluitend beraadslaagd werd over de geheime 
kunsten die zij uit te voeren hadden. Geen wonder dus dat 
het vertrek, zoomin als de komst dezer katten door de 
eenvoudige lieden opgemerkt werd, daar zij geloofden dat 
eene heks zich willekeurig in eene kat en ook omgekeerd 
kon veranderen en zich voor den mensch onzichtbaar maken. 

82, (127.) De Behekste Pastoor. 

p eenen namiddag kwam de eerweerde heer van Ham, 
herder te Wcsterhoven, f 1807, van de naburige pastorij 
van Riethoven terug. Eensklaps werd hij onderwege in den 
akker, door onzichtbare wezens ten gronde geworpen en 
kon niet meer opstaan. Terwijl hij daar zat, kwam een 
buurman die door de oude lieden nog dikwijls genoemd 
wordt, er vooibij en vond den pastoor ter plaatse; zijne 
pruik, zijn hoed en stok lagen op eenige passen van hem in 
het roggeland. De pastoor verzocht dien buurman spoedig 
naar zijne pastorij te gaan en aan Joanna, do huishoudster te 
zeggen, dat zij hem het boek zou geven, dat op eene door 
den pasioor aangeduide plaats lag. Zoodra de pastoor wat 
in dit boek gelezen had, kon hij zich oprichten en ongestoord 



6 



18 « Ons Volksleven. « 

zijnen weg vervolgen. Het waren de heksen die hem deze 
poets gespeeld hadden, en die allèèn macht over eonen 
pastoor hebben, als hij niet tijdig zijne getijden leest. 

83. (128.) Eene Heks en een Mol. 
T /=AN de kermis van Klein-Breugel naar Westerhoven terug- 
\l kecrende, kwam J. Verkooien eens langs een gehucht 
van Neerpelr, toen eene vrouw hom naderde on hem vroeg 
of hij van Klein-Breugel kermis kwam. Hij wist dat die 
vrouw voor eene iieks bekend stond, verschrikie en ging 
zijns weegs, zonder nauwelijks te antwoorden. Pas eenige 
schreden verder, liep een schoone mol, veel grooter dan een 
gewone, vóór Verkooien over den weg. De heks wist hem 
hiermede erg te ontstellen. 

84. (129.) Van eene Tooverheks verlost. 

6p den Treurenberg te Bergeik werd in 't begin dezer eeuw, 
de vrouw des huizes van eene haar goed bekende toover- 
heks geweldig geplaagd. 

Op raad van een vertrouwd persoon der gemeente, moest 
men eene vreemde kat den huize uitjagen, zoodra die er zich 
weder in zou bevinden. Deze sloeg men nu onbermhertig 
met een dikken knuppel, waarop zo door het schuur- of 
mozegat naar buiten vluchtte en het niet meer heeft, gewaagd 
dit huis te bezoeken, weshalve de betooverde vrouw dan ook 
van kwellingen is bevrijd gebleven. 

85. (130.) Boomen buigen met den top ter aarde. 

WEINIGE menschep, te Bergeik hebben misschien zooveel 
lijkstaties, spoken, hekserijen en al wat meer van 
dien aard zij gezien, dan Goris Hendriks. Dat moet niemand 
verwonderen, daar hij met oenen helm ter wereld gekomen 
was. Zulke menschen ontwaren immers soortgelijke dingen, 
die andoren niet zien, al worden zij zelfs door zoodanige 
peisonen vergezeld, die de verschijningen aan hen dan te 
vergeefs trachten aan te toonen. Onder de vele wondere 
zaken aan Goris Hendriks overkomen, en die hij altijd 
vertelde, behoorde het nederbuigen der berkeboomen, in 
zulke mate dat hunne toppen den grond naderden. Dat zag 



« Ons Volksleven. » 19 

hij bij geheel stil weder, onverwacht, toen hij des nachts 

eene spook phiats voorbijging, waar borkeboomen groeiden. 

(7 Vervolgt). P. N. Panken. 

't Daghet In den Oosten. Vilt, N'^ 9-10. — l.imburgsch Nederlandsch. — 
Limburofsche I'ichtveerdigheid. — Gilden. — Over de Hetsemeunekens. — 
Jau ea Trien. — Uit boeken, brieven en bladeren. — Oude volksgebruikeji. — 
Eenoude brief. — Een oud handschrift (volksgeneeskunde). 

Volk en Taal, V, N'' G — Te ineuwjaar (T. van Heuverswyn). — Bijdrage tot 
den Ncderl. taalschat (F. de Vos). — Van den ouden krijgsman en zijnen 
ransel (L d. C). — Kerstlied (L du Catillon). — Hijijeloof (P. Bernard). — 
't Zaaierskruis (A van Heuverswyn). — De kerstfjok of kerstblok. — Het 
bierhuis van eertijds (C ). — Dietsche belangen. 

Biekorf, III, X''22. — Zak in! Zak uit! (E. J. Callcbert). — Hoe de maan- 
den genoemd? (J. Craeynest). — 't Laatste blad {(t. Gezelle). «'t Fransch in 
Afrika (E. Denys). — Miugelmaren. 

Het Belfort, VII, N"" 12 — Uitgaven der Kon. Commissie voor geschiedenis 
v-\n België (P. J. Goetschalckx). — Tweede vrouw (Adriaan). — Middelne- 
derlandsche rijmsnippers (F. de Potter). — Karel ende Elegast (. W. Orijver). 
— Een Meetjeslasidscli Idioticon (P. Schelstraete eu J van Landschoot). — 
De laatste werken door het David'-fouds uitgegeven (L. Mathot) — De ■vanger 
(A J. M Jaiissens). — De leeuwrik (A. van Poucke). — De apostel van 

Nederland (P. X.). J. Bal's geëllustreerd verklarend woordenboek (E. 

r.). — Historische grammatica der IS'ederl. taal (Th. Stille). — Emilc Claus... 
Indrukken (J. t^eghers) — De laatste dooden (P. Danco). — Boekennieuws en 
kronijk. 

Dietsche Warande. N. R., V, I\'' G. — «Eindelijk,» novelle (M. M.). — Het 
tooneel liij de üriekeu (A. J. Flament). — Levensschets van Herman Jozef 
Beugels (Th Ign. Welvaarts) — Het wapen van 's Hertogenbosch en zijne 
geschiedenis (C. C. V. Verreyt). — Liefdorozen. Uit de legende der zoete 
Heilige Elisabeth (M. E. Belpaire). — Jvunsttentoonstellingen te Gent, 
Muiichen, Mentz. enz. (A. de Ticheler). — Boekenkennis. — Voudeliana. — 
Inhoud van tijdschriften. — Omroeper. — Bijlagen. 

Dietsche stemmen, 1, Kr 5. — El nuevo mundo (O Loosen, S. J.), — De 
misdadigerskuude (J. van Mierlo, S J.). — De kalender (P. Kerkhofs) — 
Landverhuizing (,]. V. W.). — Boekbeoordeeling. — Priesterhaat (!>.). 

Kempisch Museum, 11. K'" 12. — Chronologische en Analytische Oorkonden- 
lijst van Mierde (Th. Igu. Welvaarts). — Een woord over het geslacht Merode 
(T. R.). — Peersse en Vosselaar (P. .T Goetschalckx). 

^zWonxa. Recueil de Littérature populaire Croyances et Usages tradüionnels, 
publié par O. Colson, Jos. Defrecheux et G. Willamk. Bédaction : rue de 
Campine, 184, Liège. Administration : rue Bonne Nowelle, 88, Liège. — Prix : 
3fr. 

I,K''1. — Lc jour des Rois : 1. Le héliètche aux environs de Liège (O. 
Colsou). — Il Chanson de quête du jour des Rois, air nolé (H. Simon). — 
Contes I-H (M. FranQois &G. WilJame). — Légendes. 1-lV (O. Colson).— 
Chansons avec airs notés I-llI (Th. Strivay, J. Defrecheux & O. Colson). — 
Notes et enquêtes (O. C. & J. [).). 



20 « Ons Volksleven. » 



Bulletin de Folklore, I, Premier semestre — Coïncidenccs mythiques.^ L'iu- 
tervciitioM des asires dans )a destiiiée, des morts (Goblet d'Alviella). — Contes. 
Psyc-hé. Yajiante unuvelle, nvec notos de MM. E. M. et Sydr.ey Hartland (A. 
Vièrset). — Flore populaire walloiuie (J. Feller . — Médcciiie populaire. Les 
iuscriptioi 8 d'Epidaure (K. L'oisacq) — I. e culte populaire de S' Donat (E. 
Polaiu). —Jeuxd'enlaDts. Rillies des doigts (CJ. Jorisseuiie). — Usages de 
culte : Clous et épingles (K. Mouseur). — Revue des livres (E. M. — h?ociété 
de folklore walloii. 

Revue des Tradilions populaires, VII, K"" IL — La mort dans riconographie 
{P. Séljülot). — Les Météores. L l.e feu Saint Elme (R. Basset). — La chanson 
deReiiüud. V1-MI(J Tiersot). Février la l.une (A «irteux). — I-iii)liogTaphie 
des Usages et. des Iradit. pop. du dépari. de rOnie (L. de l:i Sciotière). — Les 
Espadoiicrs t!e Sall)ertra:.d (E Maisoii) — (iargaitua. IX (C. Tisseraud). — 
Petites légendes clirétiennes IIl-lV (R. .M. I.acuve). — Les outils tradition- 
nels. IL La botte iL. Morin). — I es enipreintes merveilleuses (R. Basset) — 
Coutumi'8 de mariage. XII (C. Rubbens). — Lis esprits forts a la campagne. 
Ui (L. Morin). — J'radit . superst , el coutunius de la Siirthe (Mtn^ Pestriclié) 

— La legende napoléonienne. V. (P. S.) — Les rites de la constructioii. XX 
(R Basset) — Coutes de l.uxembourg (P. Marcliot). — Rites et usages funé- 
raires. XI (Y. Guyot) — Necrologie. (P. S.). — Bibliographie. 

La Tradition, VI, X-^^ f).io. — La Rosé dans la légende ( -\ . Frauce). — Coutr s 
et Kables d'Animaux II (Th. Povidsou). — Les deux qui sont morts (Bérenger- 
Féraud). — La Xaissauce. I. En Belgique (J. Lemoine). — Congres des 
Traditiütinistes a Chicngo (Fl S. Basset). — Aui Vong 1'hu (M. Dorville). — 
Mélusine, pasquille (A Desrousseaux). — Le Folklore polonais, 11, vj (M. de 
Zmigrodzki). — Chansons du Quercy. XXIII (F. de Beauiepaire) — Folklore 
des pelits enfants (H. Carnoy) — La Courtisane et les Talismans (F. J. 
Melville). — Le Folklore de Conslantiiiople II, viij (J Nicolaïdcs). — Contes 
nioqnenrs. 1 (S. I'rato). — Vieilles chansons. X (V-^ de Colleville) — Uriël, 
légende draniatique (Cli. Lancelin). — 1 e bon Dieu et Saint-Pierre (A. Harou). 

— Contributions au Folklore de la Belgique (11 C). — Bibliographie. 

Mélusine, VI, K"" 6. «- Airs de dansc du Morbihan (M" E. de Schoultz- 
Adaiëvsky). — L'Opératioii d'Esculape (H. Gaidoz). — La Vierge aux sept 
glaives (H. Gaidoz). — Les lécorntions (11. G.). — t a Fascination : C), Théra- 
peutique (.L Tuchmann). — l.e Berger et la Bergère (E. Rolland). — Le 
Piongeur (II. Güidoz) — Biljhographie. 

Zeitschrift des Vereins lür Volkskunde, II, N' 4. — Marchen in Saxo Gramma- 
ticus (Axel OIrik) — Aus dem Abcr-und Geisterglaiiben der Chinesen (Arendt), 

— Maehtrag (Arendt) — Handwerksliraueh in der Iglauer Sprachinsel (Piger)! 

— Zur i.eugriechischeu Volkskunde (I)'" A. Thiuub). — Zwergsagen aus 
Nordfriesland (Chr. .Tensen). — Kcinhold Kohier (Prof. I)"" E Schmidt). — 
Sprichwörter und Redensarteu (K. E. Ilaase). — Kleine' Mitteilungen (J. 
Zingerle, K. Wt-inhold, u. s. w.). — Aus dem Sitzungs-ProtokoUen des 
Vereiiis für Volkskunde (A. Brückner). — Litteratur des Jahres 1891 (D'' M. 
Laue). 

Am Ur-Ouell. UI, K'' 11 — Per Kultwald in der Volkmedizin fD"" M. Höfler). 

— Der Dales (R. B. Mordcchai Brainin). — Zu Frankels studie über V. 
Scliiemann. — Sagen aus der Prignitz (K. Ed. Haase). — Wc ist der Pferde- 
liimmelV(A. Trciche'). — Pastlösereime (Böhm u. Glöde). — Ilexenleiter 
(H. Volksman). — Xordfricsische Riitsel (Carsteusen). — Geheime sprachwei- 
scn (Kissliuger u. Kaindi). — Siebeiil)ürgisch-deutsches Volkslied (H. v. 
Wlislocki). — Kleine Mitteilungen (Knauthe u. Glöde). — Vom Büchertische. 



TIJDSCHRIFT 
voor Taal-, Volks- en Oudlieiclkunde. 



« p]r is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel voiksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven, n 
ZuiDNEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN Taalkxjnde, Wedstrijd 187 A. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Vraagboek voor Vlaamsche volkskunde. 

♦ VIJFDE JAAR. ♦ TWEEDE AFL. '♦^ 



Sete niitr lirf Mt}tn. 

{Vervolg). 

fl^wELK is nu volgens de geschiedschrijvers de 
v'-'^^W. oorzaak van den wenscli, dien men den nie- 
zenden persoon toestiert? 

Volgens de Rabijnen komt aan Adam de eer toe van het 
eerst geniesd te hebben. In dien tijd moet het niezen een 
slecht voorteeken, zelfs dat van de aanstaande dood geweest 
zijn. Dat duurde zoo voort totdat Jacob, niet verlangende te 
sterven om zulke nietige reden, God bad, in dien stand van 
zaken verandering te brengen. Volgens sommige schriftge- 
leerden is het gebruik, den niezende gelukwenschen toe te 
stieren, hieraan toe te schrijven. 

Fam. Strada meent het invoeren van dit gebruik aan 
Prometheuste moeten toekennen. Dit fabelachtig personage 
had een beeld gemaakt dat nog slechts het leven moest 
ingeblazen worden om volmaakt te zijn. Prometheus ving 
eene zonnestraal op, en liet ze in de neusgaten van zijn 
beeld glijden, waarop het aanstonds begon te niezen. 

Carolus Sigonius en Polydoor Virgilius verwerpen echter 
die fabeltjes, en verhalen dat er ten tijde van den H, Grego- 




22 « Ons Volksleven. ^ 



rius den Groote, dat is omstreeks 590, in Italië eene soort 
van pest heerschte, waarvan het kenmerk een aanhoudend 
niezen was. Daar er tegen de ziekte, die talrijke slachtoffers 
maakte, g-een kruid gewassen was, bleefer nog slechts over, 
den aangetaste Gode te bevelen, wat voor den oorsprong van 
ons God zegene u gehouden wordt. 

De twee genoemde schrijvers zijn echter de eerste niet 
geweest, die ons dit verhaal meededen. Waarschijnlijk 
hebben zij hiertoe slechts benuttigd, wat voor hen zekere 
Durand, bijgenaamd Spcculafor, die in de 13® eeuw leefde, of 
vroeger nog, Paulus Diaconus, die in de 8® eeuw zijn «De 
gestis Longobardorum» schreef, te boek gesteld had. 

Wat er ook van zij, stellig is het gebruik overoud, en 
schijnt op te klimmen tot Cyrus en zelfs tot Job. 

Aristoteles zegt dat het niezen een geschenk der goden is, 
en Hippocrates, die de meening van Aristoteles deelt, somt 
zelfs de ziekten op, die door het niezen kunnen genezen 
worden. 

Bij de Ouden werd het niezen nu eens als een goed, dan 
weder als een slecht voorleeken beschouwd, al naarden tijd, 
de plaatsen en de omstandigiieden. Gebeurde het niezen 
tusschen don middag en middernacht, stond de maan aan 
den hemel binnen de teekenen van den dierenriem : den Stier, 
den Leeuw, de Weegschaal, den Steenbok of de Visschen, 
dan was dit een goed teeken; niesde men echter tusschen 
middernacht en den middag, was de maan binnen de 
hemelteekenen van de Maagd, den Waterman, de Kreeft, den 
Schorpioen gekomen; verliet men zijn bed, of stond men op 
van tatel, dan waren dit zooveel onheilvoUé teekens, en 
men mccht zich gerust Gode bevelen. 

Volgens Homeros, Theocrites en Socrates moest het niezen 
langs het linker neusgat als ongelukkig, langs het rechter 
als gelukkig beschouwd worden. Zoo ook meenden de oude 
EgypLenaars. 

Hij de Grieken en de Romeinen gold het als een goed 
voorteeken, dat de niezer zich aan hunnen rechten kant 
bevond. 



« Ons Volksleven. » 23 

Volgens Buxtorf werd den niezenden Hebreeuw « Hajim 
Aobhim yf, een goed leven f of zij het leven voordeelig, toege- 
wenscht. Andere schrijvers halen den wcnsch : Asuthd, 
heil/ ook repudh, geneesmiddel! of tot uwe gezondheid ! aan. 

De Griek, die hoorde niezen, wenschte den niezer Zeus 
Soson f terwiji óe Romein hem Salve! of Volei in later tijd 
Deus te adjuvet! toeriep. 

De oude Duitschers brachten den vromen wensch uit 
helfiu Gof, Christ in helfe, Got helfe dir. Nu nog hoort men dit 
leste in Duitschland; ofschoon het G^o^^ /ieï/e dir sterk afge- 
wisseld wordt met het onchristelijk Gesundheit. 

De Franschman zegt Bieu vous hénissej ook kortweg hénisse, 
bien vous fasse, d votre souhait, of santé; terwijl de Waal den 
niezer gewoonlijk d vos souhaits toeroept. 

Wat de Vlamingen zeggen, hebben wij reeds hooger 

vermeld. 

* 

Bij vele volkeren, zooals de Araben, de Perzen, de Abyssi- 
niëi's, zelfs bij de onbeschaafdste volkstammen van Midden- 
Afiika, bestaat het gebruik den niezer van eenigen rang of 
stand, eenen groet, eene buiging, toe te stieren. 

Zoo zegt de Mahomedaan na het niezen : «Eere zij Allah! » 
terwijl hij eene buiging maakt. WatdeSoeloes betreft, deze 
meenen dat door het niezen, een der geesten die hen omzwe- 
ven, in hun lichaam gedrongen is, en hun alzoo geluk en 
gezondheid aanbrengen moet. Verheugd roepen zij dan ook 
uit : «De geest in mij, ik ben gezegend.» 

Toen de Spaanschen Florida bemachtigd hadden, en de 
Caciek van Guachoia voor den bevelhebber Soto gebracht 
werd, niesde de eerste, waarop al de Indianen van zijn 
gevolg zich ter aarde bogen, en de zon baden, hunnen heer 
en meester met hare schitterendste stralen te verlichten. 

Iets in dien aard vertelt Strada ook van den keizer van 
Monomatopa. Wanneer die machtige vorst niesde, dan 
wierp zijn gansch gevolg zich ter aarde, en wenschte hem 
zoo luidruchtig geluk, dat men het tot buiten het paleis 
hoorde; spoedig vloog het gelukkig nieuws van mond tot 



24 « Ons Volksleven. »» 

mond, van huis tot huis, van stad tot stad, en op korten tijd 
weergalmde het gansche land van heil- en zegeuwenschen 
voor den niezenden keizer. 

Een ander veel zonderlinger verhaal is dat, volgens het- 
welk, wanneer de koning van Sennaar niest, zijne hovelingen 
hem den rug toedraaien en zich eene klets op den rechterbil 
geven. 

Zoo heeft men allerhande gebruiken bij het niezen kunnen 
vaststellen, bij blanken en zwarten, bij de oude zoowei als 
bij de latere volkeren, in alle lijden en in alle werelddeelen. 

Een stellig antwoord op de vraag waarom en sinds wan- 
neer menden niezende eenen wensch, eenen groet, of iets 
dergelijks toestuurt, heeft men nog niet, en zal men wellicht 
nooit geven kunnen. J. B. Vervliet. 

2. (47.) Jan Dom. 

2 IE, 't was in den tijd, dat er toch nog aardige dingen op 
de wereld gebeurden. Er was toen zoo een moederken 
dat met haren zoon huishield. Jan hiet die jongen, en 't en 
was juist geen zot, maar hij zette toch vieze kuren uit. Op 
'nen keer, dat moederke van huis ging, zegde zij : «Jan, 
ge moest de kooien wat vetten. « — « Dit is goed, » zei Jan. 
En als ze fijn weg was, trok Jan de keuken in, haalde 't brood- 
mes, en stak de eenige koei dood, die ze op stal hadden. Van 
dat vleesch kookte hij soep, en 't vet dat er af kwam, goot 
hij op de kooien. « Dat is al gedaan.» zei Jan, «de kooien 
zijn gevet," en hij ging slapen. Een beetje naderhand kwam 
moeder thuis en dan zag ze al de katten uit de geburen, die 
bezig waren met 't vet van de kooien te lekken. «Djeezes» 
roept ze, « Jan !... » — « Wat is 't, moeder? » (want hij was er 
van wakker geschoten) — «Jan, zie toch eens!» — «Ja, 
moeder, katten! » — «Hoe katten? » — «Wel ja, katten; 't is 
niets gekort dat ik de kooien vet, ze lekken het er toch 
allemaal af. » — « Wat ze lekken het er af? »— « Wel 't vet. » 



« Ons Volksleven. » 25 

— « Welk vet? « — « Wei 't vet zeg ik u. Ik moest de kooien 
vetten eh? Ehwel, ik heb de koel dood gedaan en 't vet er op 
gegoten. » — « Genadige hemel! (en 't mensch was om zot te 
worden) wat gaan wc nu aanvangen? » — « De huid verkoo- 
pen, » zei Jan. En seffens had hij schoenen aan en schoof 
naar de merkt. Dat wilde nu ook lukken, maar er kM'^am 
daar juist een rijke zot aan, en die zegt tegen Jan : «Vriend,» 
zegt hij, «wat vraagt ge voor die huid?» — « Nen stuiver 
per haar. v — « Ze is verkocht, » zei de zot. — Als Jan nu 
thuis kwam, had hij zoo veel geld, zoo veel !... « Dat krijg ik 
nooit geteld, » zegt hij ! maar... >» en zoo veel zijne beenen 
maar geven kunnen, loopt hij de geburen in. «Mannen,» zegt 
hij (er woonden daar twee gierige duivels met hunne moe- 
der) ge moest mij uw korenmaatje eens leenen. « Dat was 
goed, maar die mannen zouden geerne geweten hebben 
waar 't ding moest voor dienen, en ze streken den bodem 
van 't maatje vol vet, en als 't vanher thuis kwam, hing de 
bodem vol geld. » « Maar Jan, » zeggen ze, « waar hebt ge 
toch zoo veel geld gehaald?» — « Onze koei dood gedaan, » 
zegt Jan. — « Dat alleen? » — «De huid verkocht aan nen 
stuiver per haar. » — Ge ziet dat van hier : die mannen 
staken hunne koei dood en zij met de huid naar de merkt! 
Er kwam daar een vent aan, en : « de prijs van die huid? » 
vroeg hij. « Ne stuiver per haar,» zegden zij. — «Ge zijt 
zot, » zei die vent, en ze konden hunne huid niet kwijt 
geraken. Kwaad als de horzels trekken ze naar huis, en 
zweren bij hoog en bij leeg, dat ze Jan zullen den nek 
breken. Nu, Jan had er van gehoord. «Daar zijn die kerels 
voor in staat, » dacht hij, en 's avonds : « moeder, » zegt hij, 
« kruipt gij van avond in mijn bed ; 'k zal ik in 't uwe slapen. » 

— « Waarom jongen? » — « Voor eene verandering, » zegt 
Jan. Zoo gezeid, zoo gedaan... 's Anderendaags 's morgens 
lag 't menschke den kop afgesneden. — «Dat zoudt ge!» 
riep Jan, als hij dat zag... "Maar wacht eens...» Daarop 
haalt hij stokskens, koord en neusdoek ; bindt moeders kop 
vanher schoon op heur lijf, zet ze op 'nen ezel en rijdt er 
mee naar de pastorij. — «En nu, » zegt Jan, als hij voor de 



26 « Ons Volksleven. » 

poort stond : «ringeling!... « Hij belde dat heel 't gebouw 
daverde, en liep weg, licm achter de haag versteken.— Straks 
kwam de meid opendoen, en als ze dat wijfken op dien 
ezel zag zitten : « dag vrouwken, » zei ze zoo ; maar ze kreeg 
geen antwoord. « Wat komt ge doen?» vroeg ze. — 't Vrouw- 
ken bleef stom. — « Maar spreekt dan toch! » Niets te doen, 
er was geen woord uit te krijgen. — Gestoord, loopt ze naar 
den pastoor, en : «• Mijnheer, « roept ze, «'dat is me nu een 
vies schepsel aan de deur!... Een wijf dat op 'nen ezel zit, en 
ze gaat noch open noch toe! » — « Wacht, « zegt de pastoor, 
« 'k zal ik dat slot wel doen springen ! » « Moeder, » spreekt 
hij, gelijk hij aan de deur komt,«wat is er van uwen dienst? » 
— Nog geen taal. — « Spreekt dan toch, als ge wilt dat een 
mensch u kunne verstaan ! » — Geen antwoord. — Jamaar, 
de pastoor wierd kwaad. «Zie,» zegt hij, «nu gaat ge 
spreken, of ik sla den kop van uw lijf! Wat belieft er u, 
moederke?!... een. . twee... drij, lap!» en daar gaf hij 
't mensch eene peer, dat haar kop in 't midden van de straat 
wegrolde! — En nu kwam Jan huilende en tierende van 
achter de haag gesprongen. « Mijnheer pastoor, » roept hij, 
« Dat zult ge me betalen !... Wat, gij mijne moeder vermoor- 
den!» — « Jan, maar Jan, zwijgt toch,» zegt de pastoor, 
« zwijgt jongen, zwijgt .. ik zal u zoo veel geld geven als ge 
wilt. » — Dat was goed. Jan ging terug bij zijne geburen 
voor 't korenmaalje en ze streken er weer vet aan. « Maar 
jongen toch, » vroegen ze, « waar haalt ge al dat geld? » — 
« Wel, » zei Jan, « ik heb moeder den kop afgedaan, » en hij 
vertelde dan hoe 't op de pastorij gegaan was. — « Dat we 
dat ook deden, » dachten de schurken, en ze deden 't. Maar 
de pastoor was slimmer geworden en dat ding pakte niet 
meer! — Dat zouden ze Jan toch duur betaald zetten, de 
eerste gelegenheid de beste! 't Duurde niet lang aan of ze 
vonden den deugniet heel alleen in eene herberg en ze staken 
hem in eenen zak. Maar, nu hadden ze percics nood, en ze 
gingen nog eens waar de koning te voet gaat. En Jan lag 
daar nog te spertelen en te permetteeren, als er al met eens 
een scheper binnen kwam. — « Wat is dat hier altemaal? » 



« Ons Volksleven. » 27 

vroeg die mensch. — « Wel, »» zei Jan, «< ze gaan me tegen 
wil en dank koning maken en 'k en kan lezen noch schrij- 
ven ! » « Als 't maar dat is, « zei de scheper, « 'k zal ik wel 
koning zijn.» — «Gauw dan," zei Jan, «want ze gaan 
komen ! » — Op een, twee, drij was de scheper den zak in en 
Jan de deur uit. Nu, hij mocht van geluk spreken, want pas 
was hij weg, of zijne lieve geburen kwamen vanher binnen. 
« Kerel, » zegden ze, terwijl ze den zak oppakten, « we 
zullen u dezen keer een doopsel geven daar ge niet gemak- 
kelijk zult van terug komen! Vooruit nu, en 't water in! « — 
Ja, de sukkelaar had schoon te roepen dat hij kon lezen en 
schrijven, er was daar niet aan te doen : hij wierd verdron- 
ken. — «Nu,» zeiden de mannen, «zal hij ons toch op 
geeno stoopen meer trekken, » en ze gingen naar huis. 
Intusschentijd was Jan naar den scheper zijne kudde getrok- 
ken, en hij verkocht al de schapen. Dat hij geld had kunt ge 
Avel denken. Ook, 't en duurde geen vier, vijf dagen aan, of 
Jan kwam weeral afgestooten voor 't korenmaatje! Dat was 
te sterk! Daar kregen de geburen nu geenen kop meer aan. 

— « Maar Jan, » zeggen ze, « waar komt toch al dat geld 
vandaan ? » — « Oei, » zo\ Jan, « of ge 't niet en wist ! Wel als 
ge mij daar in de rivier smeet, kwam ik juist te rechte op 
eene kudde schapen ! » — « Toch niet waar zeker? r — « Of 't 
waar is?... haddetge mij 'nen voet verder geworpen, dan 
kon ik er nog eene kudde verkens bij pakken !... 't is spijtig.» 

— « En zouden daar nog schapen zijn?» — «Schapen en 
verkens, » zei Jan, « 't zag er daar onder nog zwart van ! Als 
ge er uw paart wilt van liebben, moet ge rap zijn. » — «Jan, » 
zegden de mannen, « doet ons ook eene kudde aan de hand ! » 

— « Geerne, » zei Jan, « komt maar. » Ze trokken dan naar 
't water, de oudste werd in eenen zak gestoken en klots!... 
Jan smeet hem in 't midden van de rivier. En gelijk als 
't water begöst te brobbelen : « gauw, » zei Jan tegen den 
tweede, « gauw of 't is te laat .. zie hij klauwt al naar de 
vei'kens! » Pardaf!... de snul sprong hem na, en ze verzopen 
allebei. Amen, zei Jan, en van toen af leefde hij op zijne 
renten dat het schoon was om zien. J. B. R. 

{Gehoord te Aarschoi). 



28 « Ons Volksleven, j» 

ie §inm m $itmMk\i m |iet f nlkögtlnnl 

I. 

De Maan. 

DEZE planeet was, na de zon, eene der voornaamste godhe- 
den van het heidendom, en, daar zij niet dan 's nachts 
verscheen, vreesde men haren invloed. Vandaar de bezwe- 
ringen die de vrouwen van Crotone en de tooveressen van 
Thessalië tegen de maan uitspraken, en andere bijgeloovig- 
heden van dien aard. 

De Thessalische vrouwen waren vermaard wegens hunne 
tooverkunst en konden, zegt men, door hunne tooverzangen, 
de maan uit den hemel doen dalen. (Plato, Gorg. 513). 

De maan wierd aanbeden in Germanië, in Saksen, in 
Groot-Brittannië, en in Gallië was haar eeredienst niet min 
verspreid. Er bestond zelfs een orakel der maan op het eiland 
Sain, gelegen aan de zuidkust van Neder- Bretanje. Het 
waren Druïd essen, die het orakel bedienden. 

De zesde dag der maan was bij de Kelto-Belgen een heilige 
dag, waarmede de maanden, de jaren en de eeuwen begon- 
nen. 

Bij de Gallen was het meer Gevaudan aan de maan toege- 
wijd, en alle jaren kwam men uit de omliggende landen toe, 
om er de giften in te werpen, die men aan de godin offerde. 
{Dict. des Origmes, t. II, p. 7). 

Sint-Elooi had in Vlaanderen verschillige bijgeloovigheden 
te bestrijden (i). waarvan heden nog overblijfsels bestaan 
onder onze landlieden. Daarover verder. 

Zoo geloofden onze voorouders dat eene maaneklips niets 
anders was dan een gevecht tusschen den wolf i/a /? en do 
maan. Daarom maakten zij alsdan een oorverdoovend getier 
op allerhande getuigen en riepen zege aan de maan, vince 
lunal waneer deze, na de eklips, weer helder scheen. 
Sint-Elooi verhief krachtdadig de stem tegen deze bijgeloo- 

(1) De quelques coutumes païennes combattues par St-Éloi. Annales de la 
Sociétc d'Emulation de Brugcs. (2'"e Série, t. XIII, pp. 107 et 399). 



« Ons Volksleven. •» 29 

vige praktijken, die door het Concilie van Leptinen, in de 
Yllpte eeuw verboden wierden. 

De Arnben en de wilde volksstammen, inzonderheid die 
van den Congo, gelooven nog, waneer zij eene eklips zien, 
dat de maan strijd voert tegen eenen draak, eenen wolf of 
eene andere beest die haar wilt verslinden. Ook houden zij 
een geweldig lawijt, om het kwaaddoende dier te verjagen. 

Den 13^^" October 1856 had er eene maaneklips plaats, 
zichtbaar in Algiers. Nauwelijks hadden de inboorlingen 
het natuurverschijnsel bemerkt, of zij begonnen te bidden 
en met luider slemme te zingen. Dat liielden zij vol gedurende 
een deel van den nacht. Ter zelfdertijd voerden zij een 
helscli ketelmuziek uit op alle slach van keukengereed- 
schappen, ten einde den draak op de vlucht te drijven, die de 
maan dreigde te verslinden. 

Waneer de Indianen van Dakota de maan zien verdwijnen, 
gelooven zij, dat ze door kleine muizen verslonden wordt. 

Waneer men de maan niet meer ziet, beelden de Hotten- 
totten zich in, dat zij hoofdpijn heeft en de hand voor haar 
voorhoofd houdt, om heur gelaat aan 't gezicht der menschen 
te onttrekken. 

De Eskimozen beweren dat de maan op zekere tijden, 
voornamelijk na hare reis afgelegd te hebben, zoo vermoeid 
is en zulken honger heeft, dat zij zich eenige stonden ver- 
wijdert om uit te rusten en wat te gaan eten. Wat haren 
eetlust bewijst, zeggen zij, 't is dat zij na hare terugkomst 
veel dikker schijnt dan vroeger. 

Het Concilie van Leptinen veroordeelt dezen die gelooven, 
dat vrouwen de macht hebben om over de maan te gebieden. 

Die vrouwen stonden bekend onder den naam yüïi Hahrmia. 
't Waren profetessen, zoogezeid bezield door den goddelij- 
ken geest en hebbende in hunne handen het lot der men- 
schen, die zij konden dooden door eenen enkelen hunner 
oogslagen. 

('t Vervolgt). Alpried Harou. 



30 « Ons Volksleven. » 

35eörlinteu ttnnr k êmt^itkum mn %]]ïkmmü 

m ïoenjinnt, mtegEkrs ten tnnnrit 

ntier tttiige srljEiim^egetó kn ^mmim. 

TN 't Kempisch Museum, jaargang 1891, 0^ aflevering, bladz. 
1 287-289, deelt E. A. onder den titel Ryclevorscl eenige 
aanteekeningen mee aangaande de geschiedenis en een 
zegel dier gemeente. 

Hij stelt vast dat men vroeger Vorsel schreef en eerst 
omtrent het jaar 1435 Ryckevorsel begon te zeggen. Wij 
zullen hieronder aantoonen dat in een stuk van 1424 reeds 
de benaming Rilxnvorssel voorkomt. 

De geachte schrijver zegt dat de heerlijkheid Vorsel, 
volgens Gramaye, eertijds eenen « rijken ^, machtigen heer 
zou hebben toebehoord, en dat die naam daarom in Rycke- 
vorsel werd veranderd. Hij acht evenwel deze veronderstel- 
ling ongegrond, maar neemt aan dat Rycke hier niets anders 
beduidt « dan Rik, eene verkorting van Hendrik, of, zooals 
men eertijds placht te schrijven, Heynryclc r>. 

De Hendrik wiens naam men met dien der heerlijkheid 
heeft vereenigd, zou niemand anders zijn dan Hendrik van 
Cuyck, die in 1358 heer van Vorsel werd en in den slag bij 
Baesweiler het leven liet. 

Zeggen wij terloops dat de akte verleend in 1358, op 
Sinie Reders cnde Sinfe Pauwels avonde der apostelen, en 
waarbij Jan, heer van Cuyck en Hoogstraten, het dorp van 
Vorssele aan zijnen broeder Hendrik afstaat, door wijlen 
den eerw. heer C. Stroobant in 't Kempisch Museum, jaar- 
gang 1890, bl. 73-75 is medegedeeld. 

Zonder mij te willen mengen in het debat over de naam- 
afleiding van Ryckevorsel, geef ik nochtans in bedenking 
dat Baron Jacques le Roy, in zijne Notiiia Marchionatus S. 
B. J., verklaart in 't archief der abdij van S. Michiel, te 
Antwerpen, een diploma van Henrick van Cuyck, heer van 
Vorsele ende van Asten, van 1367, te hebben gezien, er bij 



« Ons Volksleven. » 31 



voegende : Gramojus in Aniv. lih. IV, cap. XI. de hoc loco 
scribit sequentia : Vorselarium Richardi, RycJcc-Vorsel, uhi 
eccïesiam dono episcopi Cameracensis Antverpiani Canonici 
procurani. 

Wij hebben hier dus eene derde lezing : Vorsel van RycJc = 
Rijkaard (Richard). 

Wat daar ook van zij, zekerlijk zou 't vreemd klinken dat 
men den voornaam van een heer, wanneer hij reeds veertig 
jaar dood was, op Vorsel zou toegepast hebben! Doch mis- 
schien ontdekt men vroeg of laat oorkonden uit den tijd 
van Hendrik van Cuyck, waarin de naam Ryckevorsel voor- 
komt. Alsdan zou E. A.'s bevestiging blijken gegrond te zijn. 

Een Jan van Cuyck, heer van Hoogstraten, verkocht in 
1424 het dorp Ryckevorsel aan Nikolaas van der Eist, 

Hi Iaat een uittreksel uit de leenregisters betreffende deze 
verkooping, dat tot nogtoe nooit in druk verscheen, hier 
volgen : 

Van Claus van der Eist, die opten lesten dach van Merte xiiij= xxiiij, tot 
Berlair by Antwerpen in Willem Nuets huys, dair by waren als manne van 
leen die joncker van Seyn, Daneel van Ranst, Henrick van Ranst, Jan van 
Mechelen, Willem ^'oyts, Peter van Wyfliet, llenrick van Amersoyen eude 
Henrick van Dordrecht, ontfinc, by cope gedaen jegen heren Janne van 
Kuyck, heere van Hoochstraten, die dorpe van Rikenvorssel ende Wortel ter 
merekeu toe; voir 't hergeweyde x croneu Vrancrycx. (I) 

* 

Thomas van der Eist, zoon van genoemden Nikolaas, 
verkocht Ryckevorsel in 1461 aan Vranck van Borssele, 
heer dier plaats en graaf van Ostervant. 

Deze schonk het dorp, met Hoogstraten en andere, aan 
Ssispdir, ennichsoneiot Culenborch (2), bi^ dezes huwelijk met 
Johanna, wettige dochter van den Grooten Bastaard, Anto- 
nius van Burgondië, wiens ouders waren Filip-de-Goede en 
Johanna de Presle (3). De vorige leenman overleden zijnde, 

(1) Leenhof van Brabant, reg. n' 396, f ° 104. 

(2) Zoon van Gerrit, heer van Culemborg, en van Elisabeth van Buren, 
dier ouders waren Jan, graaf van Buren, eii Eleonora van Borssele. 

(3) Y er gelijk Annales de la Société d' archéologie de Bnixelles, 1S91, bl. 323- 
335 : TIn fragment de conipte de PMlippe Ie Bon. 



32 « Ons Volksleven. » 



werd Jnspar den 15" December 1470 met de goederen beleend. 
Dit blijkt uit de volgende tot hiertoe onuitgegeven oor- 
konde : 

OiitfancJc Jonclcer Jaspars, enniclis sone tot Cuïenhorch. 

Kaerle(l), enz., doen cont allen luden dat opten dach, datum van desen, 
voer onsen lieven getruwen riddere, rade, kemmerlinge ende stathoudere van 
onsen leenen van Rraliant, heren Robbrecht Cotereau, ende onsen mannen 
van leeue hier na bescrevcn, met namen onsen lieven ende getruwen heren 
Petereii van Krymeu, onsen rade, ende heren .Tan Braut, here tot Olmen, ridde- 
ren, mester Jannevau Watermale, onsen rade, Henricke de Witte, Cornelyse 
van Coensborch ende meer andere, quara in propren persoene onse lieve neve 
Jaspar, entiich sone tot Culeuborch, ende ontfiuck om den selven onsen stat- 
houder van ons te leene, by doode wilen heeren Vraucx, in synre tyt heere lot 
Borssele, grave tot Oistrevant, ende vut crachte van der ghiften by den voirs. 
wylen heeren VrancWen in synre levende tyt den voirs. Jaspar in behulpe 
van huweliken, getracteert ende geschiet tusscen den selven Jasparen ende 
onser wailgeminder nichten Jouffrouwe Jehannen, wettige dochter onss liefs 
getruwen brueders, ridders, raid ende kemerlinck, heren Anthonys, bastairt 
van Bourgoguieu, grevo van der Rochen, enz. (2), dair af gedain, dat dorp, 
slot, lant eude heerlicheit van Hoechstraten met allen sinen toebehoirten, tot 
eenen leeue ; dat dorp van Rykenvorssele metten toebehoirten len anderen 
leene ; item dat dorp ende heerlicheit van Minderhout metten toebehoirten, 
ten derden leene, eude die belicht van den dorjDe van Brecht ende van Zundert, 
met allen hueren toebehoirten, ten vierden leene, ghelyck ende in alle der 
manieren de voirs. wylen Vrancke, heere tot Borssele, die in synen tyt van 
ons te leene te houden plach ende onse leenboecken van Brabant dat clairlike 
inhouden ende bcgrypen. Eude dede de selve Jaspar ons dair af mansschap, 
met hulde ende eede van trouwen ende alle andere heerlike ende gewoenlike 
diensten na ons hoefs recht, dair toebehoerende. Ende onse voirs. stathoudere 
in onsen name ontfincken alsoe dair af in onser mansschap, behoudelic ende 
altyt, oft in desen ende allen andereu saken, onser heerlicheit, onsen rechte 
ende eenen iegeliken des syns. Ontbieden hieromme ende bevelen allen am- 
bachten, officyeren, rechteren, mannen van leene, laten, oudersaten, innegese- 
teneu der voirs. dorpen, landen, slote, herlicheiden ende goede van Hoech- 
straten, Ryckevorssele, Minderhout euder der voirs. belicht van de voirg. 
dorpen van Brecht ende van Zundert, dat zij ende elc van hen,alsoe toebehoirt, 
van nu voirtaue den voirs. Jaspar, ennich sone tot Culenborch, kennen, houden 
ende ontfangen voir hueren heerschap der selven dorjjen, lande, slote, her- 
licheiden ende goeden, hem daer af doende manschap, hulde ende eede van 

(1) Kaïel-de-Stoute. 

(2) Die Autonius van Burgondië, bijgenaamd de Groote Bastaard, was 
inderdaad de halve broeder van vaders zijde van Karel-den-Stouten, hertog 
van Burgoudië, Brabaut, enz . in wiens naam de leeubrief werd gegeven. 



« Ons Volkslevbn. » 33 



tt-ouwen, ende hem betalen alle cheinsen, renten ende rechten dair toebehoe- 
rende, glielyc ende in alle d'andere zy en huere vorsaten den voirs. wilen 
hecren Vraócken ende sine vorouderen, heeren ende vrouwen der voirs. 
landen, dorpen, slote ende herlicheideu ende goeden, tot hier toe gedaen heb- 
ben gehadt ende het behoirt, ende des niet en laten, want wy 't alsoe van hen 
ende elc van hen willen hebben gedaen. 

Des t'oirconden hebben wy onsen segel hjer aen gehangen. Gegeven vyfthien 
dage in decembri, in 't jair ons heren dusent vier hondcrt ende tseventich (1). 

* 

Maar Eleonora van Borssele, vrouw van Zuylen en van 
Sint-Martensdyk, echtgenoote van Gysbrecht van Nieuwen- 
rode, vorderde, als eenige zuster des schenkers, de goederen 
spoedig terug. Zij verhief dezelve den 22" Mei 1471. 

Ziehier de akte van verheffing : 

Kaerle, enz., doen cont allen luden, dat opten dach, datum van desen voir 
onsen lieven getruwen riddere, rade, kemmerlinghe ende stathoudere van 
onsen leenen van Brabant, heren Robbrechte Cotlereau, ende onsen mannen 
van lene, hier na bescreven, met namen meester Janne den Groote, onsen 
segelere van Brabant, meester Arnde van der Beken, onsen rade, Willeme 
Schilt, Janne van den Winckele, Cornelyse van Coensborch, Gheerde Brant 
ende meer andere, quam in propren persone onse lieve geminde Jouffrouwe 
Alieonora van Borssele, vrouwe van Zulen ende van Sint-Mertens-Pyck, 
wettige gesellinne Ghysbrechts van Nyewenrode, ende ontfinck om den voirs, 
onsen stathouder van ons te leene, by doode ende als als ennige zuster ende 
van bloots wegen naistbestaende wylen heren Vranex, here van Borssele, greve 
van Oistrevant, dat dorp, slot, lant ende hecrlicheiden van Iloighstraten met 
allen hueren toebeboirten ten eenen leene^ dat dorp van Ryckenvorssele met- 
ten heerlicheiden ende allen sinen toebeboirten ten anderen leene, dat dorp 
ende die heerlicheit van Minderhout metten toebeboirten ten derden leene, 
die belicht van den dorpe van Brecht ende van Zundert metten toebehoerten 
ten vierden leene, ende die heerlicheit ende goeden van Evere met allen hueren 
toebeboirten ten vijfsten leene, ghelyc ende in der manieren die voirs. wylen 
heere Vrancke, huere brueder, die in synere levender tyt van ons te leene 
plach te houden ende onse leenboekeu van Brabant dat clairliker inhouden 
eude begrypen. Ende dede ons de voirs. Jouffrouwe Alienora metten voirs. 
Ghysbrechte van Nyeuwenrode, hueren wettigen man ende momboir, dair af 
man sschap, met hulden ende eede van trouwen ende alle andere gewoenlike 
diensten, na ons hoofs recht dair toebehoerende, ende onse voirs. stathoudere 
ontfinc se alsoe metten voirs. haeren man ende momboir in onsere mansschap, 
behoudelic ons altyt in desen onse hoocheit, heerlicheit eude rechten ende 
eenen jegeliken des syns. Des t'oirconden hebben wy hertoige voirs. onsen 

(1) Leenhof van Brabant, reg. n' 124, fo 130. 



34 « Ons Volksleven. » 



segel hierane doen hangen. Gegeven twee enile twintich dagen in mey, in 't 
jair ons heren dusent vierhondert een ende tsevoi.tich (1). 

* 

Na Gaspard's overJijden, werd Aleydis van Culemborch, 
zijne dochter, in 1504 met Hoogstraten, Ryckevorscl, enz. 
beleend. 

Zij trouwde met Frans, heer van Belle (Bailleul). 

Hare zuster Isabella, wier eerste echtgenoot, Jan van 
Luxemborg", heer van Ville, was gestorven en die hertrouwd 
was met Antonius van Lalaing, heer van Moiitigny, Estrées 
en andere plaatsen, eischte die schoone goederen voor haar 
en verhief ze in 1517 (2). De luitenant en de leenmannen van 
Brabant verleenden haar den P Juli 1519 een vonnis aan- 

(1) Leenhof van Brabant, reg. n° 124, fo 241. 

(2) In zijne belangrijke Notice sur quelques euvres cVart de l'ancienne église 
collegiale de Hoogstraten, stelt de heer P. Génaed, de uitstekende archivaris 
der stad Antwerpen, vast dat Elisabcth van Culemborch in l'ilG met I-alaing 
trouwde en vijftien jaar ouder zou geweest zijn dan hij. Volgens den schrijver 
was ze vrouw van Culemborch, rioogsiraten, Borssele, Eeckeren, Zuylen, enz. 

Aangaande Eeckeren is er eene voorbehouding te maken. Elisabcth bracht 
die heerlijkheid niet in. 

Den 25'» Januari 1518 (n. s.), verhief de Edele ende wel geboren heer, heer 
Antonius van Lalaing, heer van Montigny, door aankoop van jonkvi-ouw Maria 
van Oostende, echtgenoote van Jan van Lyere (heer Wouterszoon), en van 
Maria van Oostende, hare zuster en echtgenoote van jonker Martcn Vylain, 
bijgenaamd van Lie\erck.e, de helft der goederen die VS'illem van Oostende en 
jonkvrouw Anna van Oostende, wettige echtgenoole va" heer Jan, zijne nioht, 
samen hadden bezeten in het land van Aeckeren (Eeckeren), te weten : de 
hooge, middeleen lage heerlijkheid van St.-Jacobs-Capellc en binnen Aecke- 
ren, galge endcputte, met alle' bijhoorighedcn en goederen die den voorschre- 
ven heer Willem alleen hadden toebehoord. Al die goederen maaklen oen 
vol leen uit \a). 

Den 26° September van 't volgend jaar, werd Lalaing nog beleend met een 
derde in de jurisdictie van ï]eckeren en St -Jacobs-Caiielle en zchcre inirtyen 
van cleenen renten, chysen, grondterve, moeien, ex'ploten, boeten, brueken, herge- 
weden ende andere heerlyciie rechten, die hij bad gekocht van vrouw Catharina 
van den Dale, weduwe van Jan van Oostende, ridder, en l)cstuurster van de 
goederen harer dochter Anna, welke laatste ze van liaren vader had geërfd (b). 

Den 31/" Juli 1519, werd Jan C;harlois beleend met een huys ende hof, metier 
borghgrecht ontgraven, metten nederhove, bogaerde, bossche, lande ende driessche, 
dair aen gelegen, binnen Eeckeren. Dat eigendom was een spleel, van de heer- 
lijkheid en goederen, voortgekomen van wijlen \V illem van Oostende. Char- 
luis had hetgekoeht van Antonius van lalaing, graaf van Hoogstraten, ridder 
der Vliesorde, enz. JMet toestemming de.s konings van Castilje, zini het voor- 
taan begeven worden door het leenhof van Hoogstraten (r). 

(«) Rekenkamer van Brabant, reg. n"> 17838. {b) Ibidem, (c) Ibidem. 



« Ons Volksleven. » 35 

gaande 't bezit van 't kasteel met de heerlijkheid van 
Ryckevorsel (i). 

Die oorkonde is buitengewoon lang en bevindt zich in 
reg. n*" 130 van het Leenhof van Brabant, bl. 27-60. Toen ik 
ze ontdekte, lieb ik ze met korte woorden aangeteekend, mij 
voorbehoudende het stuk later te ontleden. Van dat voorne- 
men moet ik echter afzien en ik vergenoeg mij met er de 
aandacht op in te roepen van dengene die eene geschiedenis 
van Ryckevorsel zou willen ondernemen (2). 

Den 15" Juli 1540, verleende keizer Karel open brieven, 
waaruit blijkt dat onse lieve eiide sccr beminde nichtc, vrouive 
Elisabeih van Culcmhorch, gravin van Hoogstraten, weduwe 
van Antonius van Lalaing, ridder van het Gulden Vlies en 
stadhouder generaal der landen van Holland en Utrecht, ten 
kasteele van Hoogstraten had goedgekeurd en bekrachtigd 
de gift door haar en haren voerschreven gemaal aan Filip 
van Lalaing, baron van Schoorisso, lailluiv en kapitein van 
Oudenaarde, ter gelegenheid van zijn huwelijk met Anna 
van Rennenborch, gedaan van 't kasteel en het graafschap 
Hoogstraten, de heerlijkheden Rj^ckevorsel, Minilerhout en 
Eeckeren (1), het stot van Immerseel, te Lier, enz., dit alles 
onder de voorwaarden welke in de brieven van G" Augustus 
1534 waren uitgedrukt. Die brieven zijn in de oorkonden van 
15" Juli 1540 ingelascht. 

[Vervolgt.) J. -Th. DE Raadt. 



8. (131.) Het weergevonden Peerd. 

DE eerweerde heer Johan Samals was van 't jaar 1686 (of 
iets vroeger) tot 1735 pastoor te Westerhoven en be- 
woonde de toenmalige pastorij, len Noord-Oosten van de 

(1) Reg. li"" 2S3 van 't leenhof van Brabant, bl. 55ó, bevat eene Acte van den 
passeringen van den fractaet van liuwelyk tusschen Baüleiil ende Culemborch, 
welke tot dit proces betrekking heeft. 

(2) Het vonnis geeft san Lalaing de titels van graaf van Hoogstraten, heer 
van Montiguy, ridder van het Gulden Vlies en tweeden CamerlincTi des konings , 



36 « Ons Volksleven. » 



Erpestraat, in de nabijheid der aloude parochiekerk gelegen. 
Zeer lang is deze herder bij de ingezetenen in 't geheugen 
gebleven, voornamelijk wegens de macht die hij u\ hooge 
mate bezat en bewees om verlorene, gestolene en andei'e 
goederen, op geheimzinnige wijze aan de eigenaars weer te 
doen komen. Tot omtrent het midden der tegenwoordige 
eeuw heb ik eenige oude menschen in deze parochie, nog 
menig zonderling geval van denzelfden aard hoeren verha- 
len, waar de meesten geloof aan gaven. Natuurlijk vermin- 
deren deze vertelsels van langerhand. 

Onder veel van die verhalen, wil ik hier vermelden hoe 
zeker man, door het gebed en de voorzegging van dien 
vermaarden pastoor, zijn peerd wedervond. 

In een afgelegen dorp der provincie Antwerpen vermiste 
een boer zijn peerd. Een wever uit Westerhoven, die aldaar 
zijn handwerk dreef, raadde den man met hem deiwaarts 
te gaan, om den pastoor te verzoeken, zijn peerd aan te 
wijzen. Toen beide lieden te Westerhoven gekomen waren, 
las de pastoor zijn brevier, al wandelende in een dennebosch, 
niet verre van zijne pastorij. Terwijl de boer op een kleinen 
afstand stond, verhaalde de wever den pastoor, hoelang het 
peerd vermist was, enz. De pastoor zeide dat op dien man 
(den eigenaar van het peerd) eene misdaad kleefde, doch de 
wever verklaarde daar niets van te weten. Hierop duidde de 
gedienstige pastoor hun eene plaats aan, waar zij het peerd 
zouden vinden. De twee mannen gingen nu onverwijld huis- 
waarts en troffen het peerd in welstand aan, gebonden aan 
eenen berkeboom, niet verre van hun woondorp. Later ver- 
nam de wever ook de misdead van zijnen reisgenoot : deze 
had namelijk eenen Tienenaar gedood. 

9. (132.) De Onderaardsche Klok te Veldhoven. 
JTJEN Noorden van Veldhoven, in de richting van Krechsel, 
1 ligt een kuil of eene gracht, waarin sinds zeer lange 
tijden, naar het volksgeloof, eene torenklok verzonken is. 
Velen meenen dat ze eenen keer per jaar een enkelen slag 
doet hooren en wel te middernacht van Kerstmis. Eene 
vrouw uit den omtrek naderde op zekeren tijd de plaats en 



« Ons Volksleven. » 37 



riep : « Oeike » — dit is volgens sommigen de naam dier 
klok — « doe een mirakel. » Oogenblikkelijk kreeg het wijf 
een stijven hals, waarvan ze niet meer is hersteld. Omdat er 
eene klok in dien poel verborgen is, wordt deze « Klokken- 
kuil » geheeten. 
('< Vervolgt). P. N. Panken. 

Een nieuw Tijdschrift voor Volkskunde. — Sinds den 
1" Januari verschijnt te Luik een nieuw tijdschrift voor volks- 
kunde « Wallonia» genaamd, dat door onze wakkere vrienden, 
de heeren O. Colson en Jos. Defrecheux. met de medewerking 
vaa den heer G. Willame, gesticht werd. 

Zooals onze lezers in de afdeeling «Inhoud van tijdschriften n 
reeds meermaals hebben kunnen zien, bestaat er te Luik nog een 
ander volkskundig tijdschrift, dat hoogst belangrijk is, doch 
daar het slechts tweemaal 's jaars verschijnt, geen al te grooten 
invloed op de beweging ten voordeele der volkskunde uitoefenen 
kan. 

Hier zal «Wallonia» iu voorzien, en maandelijks verschijnen 
in fraaie afleveringen van minstens 16 bladzijden. Al wat tot het 
gebied der volkskunde in het Waalsche land behoort, zal beurte- 
lings in het nieuwe tijdschrift vermeld en besproken worden, en 
waar het pas geeft met onze Vlaamsche zeden en gebruiken 
vergeleken worden. 

De eerste aflevering belooft veel voor de toekomst. Eene 
schoone bijdrage met liederen en muziek over de feest der H. Drij 
Koningen opent de reeks; daarna volgen vertelsels, legenden en 
liederen van verschillenden aard met de zangwijzen, verders nog 
vragen en aanteekeningen. Voor hen die het Waalsch niet 
machtig zijn, Verliest het tijdschrift niets van zijn belang, daar 
elk Waalsch stuk van eene letterlijke Fransche vertaling verge- 
zeld gaat. 

Wij wenschen « Wallonia» een lang leven en vele inschrijvers, 
en aan zijne opstellers een volkomen welgélukken hunner loffie- 
lijke pogingen, Et Vwdde di Diewe et d' Saint Lamhiêt! 

J. B. Vesvliet. 

Congres voor Volkskunde te Chicago. 

In den loop van dit jaar zal er te Chicago, en wel tijdens de 
algemeene tentoonstelling, een Congres voor volkskunde gehou- 
den worden. Ten einde den goeden uitslag dezer onderneming 
te verzekeren, noodigt het komiteit alle beoefenaars der volks- 



38 « Ons Volksleven. » 



kunde uit, deel te nemen aan het Congres, wiens werkkring in 
vier groote afdtelingen zal gesplitst worden. 

Deze zijn : I Mythou en vclksovarleveringen. II Gesprokene 
letterkunde en volksmuziek. III Gewoonten, instellingen en 
gebruiken. IV De volkskunde op het gebied der kunsten on in 
het huishoudelijk leven; zinnebeeldige volkskunde. Elk dezer 
vakken bevat eene menigte onderverdeelingen, waarvan de 
opgave ons te verre leiden zou. Wij verwijzen daarom onze 
lezers di<'. belang in de zaak stellen, tot den omzendbrief van het 
komiteit. Wij twijfelen niet of het aanstaande Congres zal met 
hetzelfde welgelukken bekroond worden als die, welke reeds te 
Parijs en te Londen gehouden werden. 

Voor alle inlichtingen en meedeelingen schrijve men aan Lieut. 
Fletcher S. Bassett, M. S Navy, voorzitter van het inrichtings- 
komiteit, 5208, Kimbark Avenue, Chicago, 111. 

J. B. Vee VLIET. 



3Jntkto]3prekiiig. 



Alfred Haeou. — Contributions au Folklore de la 
Belgique. — Vol. IX de la CoUection Internationale de La 
Tradition. Paris, Emile Lechevalier, éiiteur 1892. (Boekd. in-12*' 
van 90 bldz., met het portret van den schrijver. Prijs fr, 3,50). 

De heer Harou, een der onvermoeibaarste vorschers op het 
gebied der Belgische volkskunde, zoo Waalschc als Vlaamsche, 
komt de verzameling van La Tradition verrijken met een nieuw 
boekdeeltje, dat spijts zijnen nederigen titel, niet van belang 
ontbloot is en den beoefenaar der Belgische volkskunde van 
groot nut zal zijn. 

Het werksken is verdeeld in negen hoofdstukken, handelende 
over de volgende punten : Bedevaarten en processiën ; volksfees- 
ten ; militaire processiën; oude feesten; wonderbare indruksels; 
verborgen schatten ; de gouden geit (la « gatte » d'or) ; de 
kaboutermannekens; overleveringen en sagen, aan kasteelen, 
gebouwen en puinhoopen verbonden. 

Gemelde opstellen zijn grootendeels de vrucht van geduldige 
opzoekingen in eenen hoop werken, die wel niet uitsluitend over 
volkskunde schrijven, maar toch menig punt behandelen, dat met 
de studie der volksoverleveringen in betrek staat. De schrijver 
heeft, op eene gansch bijzondere wijze, de werken der geleerden 
bestudeerd, die, van over lang reeds, de oude zeden en gebruiken 
en de overleveringen der Nederlanden hebben verzameld. 



« Ons Volksleven. » 39 



't Was dus een voortreffelijk gedacht eenige van die wetens- 
weerdigbedeu, verspreid in eene menigte boeken en schriften, te 
bewerken en in een bundeltje te vereenigen, tot meerder genot en 
gemak van de beoefenaars der volkskunde. 

Jozef Cornelissen. 

Aleeed Haeou. — Le Folklore de Godarville (Hainaut). 

— Anvers, J. van Caneghem, 62, rue de l'Esplanade, 1893. 
(Boekd. in-12°van 148bldz. Prijs fr. 3; — voorde inschrijvers : 
fr. '2). 

Zooals de titel het aantoont, bedoelde de schrijver, bij het 
opstellen van dit boeksken, de gebruiken en overleveringen van 
een bepaald dorp te doen kennen. Zijn inzicht was niet een 
werk te leveren, dat als een volledig overzicht zou kunnen gelden 
van al wat tot de gesprokene letterkunde en de zeden en gewoon- 
ten van de inwoners van Godarville behoort : hij wilde, voor 
ieder onderdeel der volkskunde, eenige staaltjes geven van den 
folkloristischen schat eener gemeente, die, tot in de leste tijden, 
van de groote gemeenschapswegen versteken, de geplogenheden 
en het wangeloof der vorige eeuwen om zoo te zeggen ongeschon- 
den bewaard heeft, en bijgevolg onder volkskundig oogpunt, wel 
verdient bestudeerd te worden. 

Toch bevat het werksken een ruimen voorraad van allerhande 
volksaardige wetensweerdigheden, gerangschikt onder de vol- 
gende hoofdingen : sterrekunde en weerkunde; de drie natuurrij- 
ken; volksgeneesmiddelen; tooverij ; de almanak; verschillige 
gebruiken; spotnamen en spotrijmen; het volksleven; ingebeelde 
wezens; schatten; (kinder)spelen ; liederen; raadsels en kvvel- 
spreuken ; vertelsels on spotzegsels. De meeste van die hoofd- 
stukken worden nog onderverdeeld. 

Voor den Vlaamschen, zoowel als voor den Waalschen volks- 
kundige is beer Harou's bundeltje van onbetwistbaar nut; want 
do gebruiken, overleveringen en bijgeloovige begrippen, er in 
besproken, zijn niet uitsluitend de eigendom van Godarville, 
noch van het Walenland; maar ook gedeeltelijk de eigendom van 
Vlaanderen, want zij leven, vooreen groot deel, nog voort onder, 
ons Vlaamsche volk. Jozef Coenelissen. 

'l Daghet in den Oosten, VIII, N" 11-12. — Limburgsch Nederlandsch. — 
Iels over afleidkunde. — LimburgBche Dichtveerdighéid. — Kinderspel. — 



40 * Ons Volksleven. » 



Van de zeemertnin. — Van den Losbander. — Kerstgebruiken. — Een oud 
handecbrift (volksgeneeskunde). 

Volk en Taal, V, N' 7. — Heil aan u, Dietschland (A. van Heuverswyn). — 
l'ijdrage tot den Nederlaudschen taalscbat (F. de Vos). — Nieuwjaarsliedje 
(L du Catillon) — Dertienavond of koekebak (T. van Heuverswyn). — 
Öezam Sezam, opendoen (T. v. H ) — De begrafenis te Asper en in 't omlig- 
gende (A. van Heuverswyn). — Van Schaper Duitsch (T. v. H.). — Als 't God 
l)elieft (A. V. H). — IJoekbcoordeeling (1'. B.). — Bij 't slaan van 't kruis 
(L. D. C ). — Dietsche belangen. 

Biekorf, IV, N"" 1. — Kerw. Vader Lievens, S. J. (C. D.). — Hans Memlinc 
en de vierhonderdste verjaardag zijner dood. — 1494-1894 (H. Rommel). — 
Mingelmaren. 

Het Belfort, MII, K"" 1. — 1893 (G. Gezelle). — Een uitstapje naar de Maan 
(J. B. Mai teiis.) — Beatrijs (F. W. Drijver). — Historische inleiding tot de 
Gerraaansche en NederlaLdsche taalwetenschap. Vervolg (Th. Stille). — 
Savitri (C. Lecoutere.) — Aan Hildebrand (J. de Kas). — Tvveeëeuwige 
dagwijzer(A. G. \an Zustersteden). — Op den Karmel(.l. P. v K.). — Een 
praatje over kerkelijke kunst (B. Me(s). — Levensstadiën (P. Danco). — De 
Staat en de maatschappelijke hervormingen (F. Drijvers). — Driemaandc- 
lijksch overzicht (J. Cl.). — Davidsfonds (P. D ). — Onze brabauQonne (l)"" 
H. Claeys). — De laatste dooden (P. Danco). — Boekennieuws en kronijk. — 
Philologische bijdragen. 

De Student, XIII, Kr 1. — Kieuwjaar. — Kerstlied. — De Student. — 
Brief uit West-Vlanderen. — Over gehoorzaamheid. — De banneling van 
Erin. — Losse gedachten. — Avondschemering. — Nacht. — Is hei Waalsch 
eene taal? — Een edel verwantschap. — Mengelingen. 

De Kabouter, VI, N' 1. — Lodewijk van Haeken. — Vlaamsche studenten- 
bewegiiig. — loj de stool. — In de gestichten — Vader en zoon. — Onder- 
wijs. — De Franschen in België en de Belgen in Frankrijk. — Priester en 
vaderlander, -- Heynrijck van Veldehen. — Arago en Stevin. — Van bieren 
daar. 

Het Familieleven, II, N'l. — Kronijk der maand. — De ridderschap in de 
middeleeuwen (J. Vinckenberg). — Wat ik bemin. — De ouderwetsche 
kamer (VV. v. Bosschade). — Lentelied (J. C.j. — De ongcluksclub (J. 
Vinckenbergh). — Leven van Maria de Courtebourne. 

Jong Brabant, 11, N' 3. — Vlaamsche volkspartij. — Een schaatsenrit. — 
Korte oogslag over de Nederlandsche letterkunde. — Geschiedenis. — 
Vlaamsche stemmen (K. Quaedvlieg.) — Van de zweep!? — Van zeker 
bijblad. — Hier en elders. — De katholieke Vlaamsche studentenbeweging 
en de Geestelijkheid, 

Revue des Traditions populaires, VII, N» 12. — E. Wolter et ses travaux con. 
cernant Ie peuple lithuano-latavien (H. WissendorfK — Inscriptions sur les 
livres d'écoliers II (M">e De8triche|. — La mort du soldat, chanson limousine 
(A. lierthier). — Le mensonge puni (R. Basset). — Superstitions et coutumes 
de pêcheurs. V. (P. S.). — Bibliographie des usages et des traditions du dép. 
de rOrne (L. de la Sicotière). — Trad. et superst. de l'imprimerie. I. L'im- 
primerie et les sortilèges (L. Morin). — Les villes englouties. XCVI-CXIl 
(R. Basset). — Devineties russes (L. Sichler). — AUusions a des c ntes popu- 
lains. IX-X (R. Basset). — Les jeux de 1'enfance (A. Certeux). — Les tradit. 
pop. du pays batque (J. T.\ — Légende de Madagascar. Superei. bambara. 
— Jiécrologie. — Kotes et enquêtes. 



-~^ ÖDg VÖMMiEVEU. ^— 

TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« pjr is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden; 
veel volksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. « 

ZüIDNEDEKLANDSCITF, MAATSCIIArPIJ VAN 'ÏAA-LKVS^DE.Wedstrtjd ^874. 

«De sludie der folklore heeft voor doel ons volk iu zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, iu zijn innig geloof en karakter te leereu kennen, 
in één woord, het volk zooals liet is. « 

Vraagboek voor VI aamsche volkskunde . 

♦ VIJFDE JAAR. ♦ DERDE AFL. ♦''^ 

Sete mt €nmktktn. 

allen tijde heeft het geh-jof bestaan, dat men, door 
het lezen van zekere boeken, toover boeken gehee- 
ten, de macht bekomt om over de helsche geesten 
te gebieden, door wier hulp men dan de wonderbaarste 
dingen kan uitwerken. 

Opmerking verdient het, dat bijna al die boeken aan voor- 
name personen toegeschreven wierden. Adam, Abel, Salomon, 
Daniël, Hippocrates, Plato, Alexander, Galiënus, Hermès, 
St. Thomas, St. Hiëronymus, Leo III, Honorius, Albrecht de 
Groote waren, in het gedacht van lichtgeloovigen, schrijvers 
van looverboeken. 

Verreweg het grootste deel van die tooverboeken zijn 
onverstaanbaar, maar juist daarom wierden zij bewonderd 
door de onwetenden, op wie de onbegrijpelijke woorden en 
de geheimzinnige teekens, die zij er in aantroffen, eenen 
bijgeloovigen indruk maakten. 

Be Encyclopédie tliéologique, inibliée luir M . V Ahhé Miffite, 
vermeldt verschillige werken, die over tooverij en toover- 
kunst handelen. Niet al die schriften zijn echter eigenlijke 
tooverboeken, d. i. boeken, waarin men de zwarte kunst 
aanleeren kan, 't zij door de tooverspreuken te lezen, die er 




42 « Ons Volksleven. » 

in vervat zijn, 't zij door de toovermiddelen aan te wenden, 
die er in voorgeschreven worden. Eenige zijn verhandelingen 
over de onderscheidene soorten van tooverij, over de too ve- 
raars en tooverheksen, over de betooveringen of de kwade 
hand, en daarom zullen wij er hier niet over spreken. 

TooverboeUen, in den hooger gemelden zin, schijnen de 
volgende : 

l°De Ware zwarte Tooverkunst of Hei Geheim der Geheimen (i), 
handschrift gevonden te Jeruzalem, in het graf van Salomon, 
inhoudende vijf en veertig talismans, met de wijze om er 
zich van te bedienen en hunne wonderbare eigenschappen; 
mitsgaders al de tooverteekens, tot op den dag van heden 
bekend. Vertaald uit het Hebreeuwsch van den wijze Iroé- 
Grego. Rome, 1750. 

Dat ongerijmd werk, hetwelk voornamelijk bezweringen 
bevat, wordt voor een geschrift van Salomon gehouden. 

20 Trinum magicum of VrrJicmdeling over de geheime toover- 
middelen(i). Die boek begrijpt opzoekingen over de natuurlijke, 
kunstmatigeen bijgeloovige tooverkunst; de talismans, de 
orakels van Zoroaster; de mysteriën der Egyptenaars, 
Hebreeuwen, Chaldeërs, enz. en wierd gedrukt te Frankfort 
in 1673. 

Volgens J. CoUin de Plancy, Dictionnaire infernaJ, zijn de 
drie volgende tooverboeken de meestgekende : 

1° TooverboeJc van Paus Honorius, met eene verzameling van 
de wonderbaarste geheimen (s). Rome, 1670. Boekd. in- 16°, 
versierd met figuren en toovercirkels. 

De vijftig eerste bladzijden van dit boekske behelzen enkel 
bezweerformulen. In de «Verzameling der wonderbaarste 
geheimen r> vindt men onder andere den toovermiddel, waar- 
door men drij juffrouwen dwingen kan 's avonds in eene 
kamer te Uomen dansen. Alles moet in die kamer gewasschen 
zijn, en men mng er niets zien hangen. Over de tafel spreidt 
men een wit ammelaken, waarop men drij tarwebrooden 

(1) La Vérilable Magie mire ou Ie Secret des Secrets. 

(2) Trinum magicum ou Traite des secrets magiques. 

(3) Qrmoire (eic) du pape Honorius, avec un recueil des plus rares secrets. 



« Ons Volksleven. » 43 

legt en drij glazen water zet. Ook moeten er drij stoelen 
staan. Vervolgens leest men eene zekere bezwering, en de drij 
personen die men zien wil, komen de kamer binnen, gaan 
eerst wat op de stoelen zitten en beginnen daarna te dansen. 
Op klokslag van middernacht verdwijnt alles plotseling. 

2** Grimorium verum, vel prohatissimce Saloinonis claviculce 
rahhini hthraici, in quibiis ium naturalia turn supernnturalia 
secreta licet ahditissima, impromptu appareni, modo operator per 
necessaria et contenta faciat; sciat tarnen oportet dcemonum 
potentiadumtaxatperaganti(r[\).OvQYgezeX:mi\'\tiRehveiQ\xw^Q\\ 
door Plaingière, met eene verzameling geheime toovermid- 
delen. Te Memphis, bij Alibeck den Egyptenaar, 1317, in-lö** 
[sic omnia ) Op de keerzijde van den titel staat : Les véritahles 
C^avïcwZc? de S'aZomo»; aMemphis,chez Alibeck l'Egyptien , 1317. 

3° l)e Groote Tooverboeh met den qrooten Clavicula Salomonis (2) 

en de zwarte tooverkunst of de helsche macht van den grooten 

Agrippa, om de verborgen schatten te vinden en zich te doen 

gehoorzamen door al de geesten; gevolgd van al de toover- 

kunsten. Boekd. in-18°, zonder jaartal of drukmerk. 

• 
■*• -f 

Het volk gelooft nog aan het bestaan van boeken, waarin 
men kan leeren toe veren. Er zijn, meent het, groote en kleine 
tooverboeken. Die een van deze leste bezit, kan wel eenige 
kleine tooverijen uitwerken, maar wil hij in de zwarte kunst 
volleerd zijn, dan moet hij een grooten tooverboek zien te 
krijgen. 

De volledigste van al, verklaarde mij een ouderling, is de 
Bublele Amhrosius (3) : die dezen boek gelezen heeft, is in 

(1) Dat is : Waarachtige Tooverboek of allerbeste « Claviculae Salomonis » 
van een Hebreeuwschen rabbijn, waarin zoowel de natuurlijke als de boven- 
natuurlijke geheimen duidelijk te voorschijn komen, op voorwaarde dat de 
verrichter het noodzakelijke en hierin bevatte doe ; men dient echter te weten, 
dat die dingen enkel door duivelsmacht uitgevoerd worden. 

(2) Le Grand Grimoire avec la grande clavicule de Salomon. 

(o) Volgens anderen mij verklaren, zou de Dubbele Ambrosius geen toover- 
boek zijn, maar eenvoudig een oude bieboek, dien men nog bij sommige 
bieboereu aantreft. 



44 « Ons Volksleven. »» 

staat om alle « kwade perten » uit te voeren. Kleine toover- 
boeken zijn hier en daar nog wel tegen g-root geit te bekomen, 
doch aan den « Dubbelen Ambrosius w is zoo gemakkelijk 
niet aan te geraken. Mijn zegsman verzekerde mij nochtans, 
dat er in Holland nog wel afdruksels van zouden te vinden 
zijn, en geloofde dat veel pastoors er eenen bezitten, maar er 
geen gebruik van maken en hem ook niet voortleenen. 

De tooverboeken, naar het volk geloofr, bevatten geene 
voorschriften; zij behelzen aleen tooverspreuken en geheim- 
zinnige bezweringen van eene groote kracht, die men maar 
uit te spreken heeft om de eene of de andere tooverij of 
u kwade pert » te verrichten, 't Schijnt dat bij de meeste for- 
mulen aangeduid st;iat, voor wat soort van toovertoeren men 
ze gebruiken moet. 

Er bestaan talrijke sagen over de tooverij bij middel van 
Jcwade hoeken, zooals het volk de tooverboeken wel eens 
noemt. 

« In het begin dezer eeuw w^oonde er, op een der schilder- 
achtigste gehuchten van Ileist-op-den-Berg, een schoen- 
mnker, die veel kwade boeken bezat en zeer bedreven in de 
tooverkunst was. Deze kunst leerde hij aan al die bij hem ter 
school wilden komen. Die school nu, wierd 's avonds door 
nlleslach van vieze kerels uit den omtrek, en zelfs uit de 
omliggende dorpen druk bezocht. Hun getal beliep soms wel 
veertig en, al kenden ze ook geene letter, zoo groot als een 
huis, op eenige weken tij ds kosten ze lezen, schrijven, ja, 
van alles, maar voornamelijk de zwarte- of duivelskunsten. 
Het gebeurde meermaals dat verscheidene van die lieden, bij 
den schoenmaker, op den hooischelft bleven vernachten; zij 
sloegen er vuur en rookten dar, het een aard had, zonder 
vrees van iet in brand Ic steken. 

w Twee knechten van eene naburige hoeve waren stand- 
vastige bezoekers van die goddelooze school. Op zekeren 
laten avond keerden ze samen naar huic en moesten dooreene 
hooge dreef, om iiunne hoeve te bereiken. Het was een dood- 
stille zomernacht; geen blad bewoog, maar opeens begonnen 



« Ons Volksleven. » 45 

de takken der boomeii zoo geweldig door elkander te 
slingeren, als wierden zij dooreen hevig orkaan beroerd. 

« Op eenen anderen keer vonden zij den hooischelft, waar 
zij thuis op sliepen, geheel verlicht en hoorden ze een 
geknetter, alsof alles in brand stond. Ze gingen te bed en 
trokken het deksel over hunne hoofden, om niets meer te 
zien; doch een der mannen had nog de stoutmoedigheid van 
te roepen: « Nu meent ge zeker dat wij vervoerd zijn!» 
Eenige oogenblikken later was do klaarte verdwenen en 
hield bet geknetter op. 

« Maar een veel vreeselij ker voorval volgde weldra. 

« Zekeren nacbt van de tooverschool huiswaarts koerende, 
zagen ze in de dreef die ze te volgen hadden, een grooten 
zwarten hond, wiens oogen vonkelden gelijk gloeiende 
kolen. Deze was niet te verjagen en volgde hen bedicht op 
de bielen. In de schuur gekomen, waar zij sliepen, bemerkten 
zij met ontzetting dat de hond daar ook was, zonder dat ze 
wisten hoe hij er binnen mocht geraakt zijn, want ze hadden 
de deur seffens gesloten. « Wacht, » zegt de eene knecht tot 
den andere, « ik weet raad. Als we beiden boven zijn, zullen 
we de leer optrekken. » Zoo gezeid, zoo gedaan. Vergeefsche 
moeite! De hond was even gauw boven als zij, en bleef hen 
aanstaren met zijne vlammende oogen, zonder hun evel eenig 
leed te doen. Van den ganschen nacht dorsten ze geene oog 
sluiten, maar toen de dag in de lucht kwam, was de hond 
plotseling verdwenen. 

« Onze mannen waren door die vreemde voorvallen zoo 
zeer aangedaan, dat zij niet meer naar den schoenmaker 
gaan dorsten, om er in zijne tooverboeken te lezen. Met der 
tijd ging de tooverschool te niet, en vele der bezoekers 
kwamen ongelukkig aan hun einde » (i). 

* 

Velen gelooven dat do duivel verschijnt als ge in 'nen 
tooverboek leest ; maar dan moet ge zorgen iets bij der hand 
te hebben, dat ge naar zijnen kop kunt werpen : eenen 

(1) Meegedeeld door Feans Zand. 



46 « Ons Volksleven. » 

schoen, eenomuis, cene vod of iets dergelijks, want anders 
zou hij u den nek kunnen omwringen. (i) 

Als ge, door nieuwsgierigheid gedreven, te verre leest of 
verkeerde tooverspreuken opzegt, dan gebeuren er soms 
aardige dingen en ge kunt u ernstige moeilijkheden op den 
hals halen, indien ge — wat nog erger is — door Heintje Pek 
niet wordt weggevoerd. 

Wordt men gewaar dat men te wijd gegaan is, dan moet 
men aanstonds « terug lezen », en de betoovering houdt op. 

« Reeds veel jaren geleden, woonde er op de Goorschrans, 
onder Busschot, een boer, die zich veel met too verhoeken of 
kwade boeken bezighield. Het gebeurde eens dat hij, van de 
stad terugkeerende, heel het dak van zijn huis vol ZM'arte 
vogelen vond zitten. Hij zag al seffens wat er geschied was. 
Zijne zonen hadden, boven verbod, in zijne boeken zitten 
lezen on waren reeds zoo verre, dat de duivelen, in de 
gedaante van zwarte vogelen, op het dak kwamen. Wat deed 
de boer? Hij liep aanstonds naar den zolder, nam een meuken 
spurriezaad en goot dit door de houtmijt. Daarop bevool hij 
de helsche geesten het zaad er uit te rapen. Seffens zaten nu 
de vogels op de houtmijf, om den boer zijn bevel te volbren- 
gen en, terwijl ze daar mee doende waren, nam de boer 
zijnen tooverboek en las terug om de duivelen te verjagen. 
Toen hij gedaan had, waren de vogelen verdwenen. 

« 't Gebeurde ook niet zelden, waneer de zonen in den 
zomer moesten gaan sirooisel hakken in het bosch, dat zij in 
den lommer lagen te slapen, terwijl hunne hak geheel aleen 
maar voorthakte. 

« Op zekeren dag deden zij met eenige werkliê het mest uit 
den koeistal. De kar was zoo zwaar geladen, dat het peerd 
ze onmogelijk uit den stal kon krijgen. * Wacht eens, » zei 
een der zoons, « ik zal het peerd uitspannen, on zelf de kar 
uit den stal trekken, als gijliê maar wat stoot. y> Hij nam de 
plaats in van het peerd en trok de kar zonder moeite builen, 

(1) CoLLiN DE Plancy. Dictiontiaire infernal. 



« Ons Volksleven. » 47 

al hadden de anderen ze ook tegengehouden, in plaats van 
ze voort te stooten. 

« Deze en meer andere kunsten, hadden de zonen in hun 
vaders tooverboeken geleerd. » (i) 

« Een boer van Waver (2) reed op eenen zaterdag met eene 
vracht aardappelen naar de Mechelsche merkt. Nadat hij 
zijne aardappelen verkocht had, wandelde liij eens door de 
stad en kocht op de Oude Merkt eenen boek dien hij niet 
kende. Zonder het te weten, had hij eenen tooverboek ge- 
kocht. In 't naar huis rijden, begost hij er tot tijdverdrijf wat 
in te lezen, terwijl hij op zijn gemak op de kar zat. Het 
waren zulke aardige dingen die hij las en ze boeiden der- 
mate zijne aandacht, dat hij hoorde noch zag. Toen hij 
eindelijk eens even opkeek, bemerkte hij, o schrik! dat zijne 
kar tot aan de dommen door slijk en water reed en zijn peerd 
trok en zweette dat het haast bezweek. De oorzaak radende, 
las hij aanstonds St. Jans Evangelie, ontstak een fosfoor- 
steksken en verbrandde den boek. Daarop verdween de 
betoovering, en de baan wierd weer schoon en droog gelijk 
van te voryn. » (3) 

« Eene vrouw, die in 't gevang te St. Bernard (4) zat, las te 
verre in eenen tooverboek en had den tijd niet meer om 
terug te lezen. Eensklaps wordt zij omringd door 'nen hoop 
duivels, die de ongelukkige vastgrijpen en mee naar de hel 
sleuren. Men gaf uit dat de vrouw schielijk gestorven was en 
bestelde eenen lijkdienst. In de kist lei men, in plaats van 
heur lijk, hout en steenen » (5). 

(H Vervolgt). Jozef Cornelissen. 

(1) Meegedeeld door Fbans Zand. 

(2) O. L. Vrouw-Waver of Ste Kathelijne- Waver? 

(3) Meegedeeld door Frans Zand. 

(4) Schelle. 

(5) Ons Volksleven, lil, 98. Meegedeeld door M. Lenaakd Lehembbe. 



48 « Ons Volksleven. » 



ie Jïlaria-Crnnti. 



TN de vallei dei- Kleino-Netho, eeiie halve uur gaans van 
1 Grobbendonk, treft men eene zonderlinpj'e hoeve aan, 
« Den Troon » genoemd. Deze hoeve was eertijds eene bloei- 
ende kloostorgemecnte, waarvan de stichting dagtcekent uit 
het begin der XV^ eeuw. Op eene kleine hoogte gelegen, 
omringd van eene brcede en diepe gracht, omgeven langs de 
eene zijde door de Kleinc-Nethe en de vaart, langs de andere 
zijde door woeste bosschen, barre heiden en zandheuvelen, 
heeft « De Troon » een waarlijk schilderachtig uitzicht. De 
gebouwen boslaan een aanzienlijk vierkant in den omtrek, 
met in 't midden eene opene plein. Ze zijn met tusscheni'uim- 
ten door hooge muren aan elkander verbonden, waarin eene 
ronde ingangpooit is aangebracht. Rechts van deze heeft 
men de voormalige kerk, met de koor langs het Oosten, 
omtrent eene gewone dorpsparochiekerk groot en nu in 
schuur herschapen. Zij is nog zeer merkweerdig om bezich- 
ligen. Men vindt er nog overblijselen van den autaar, den 
predikstoel en van verscheidene grafzerken. Welk zonderling 
kontrast! Waar eertijds de vrome zangen en gebeden der 
monniken ten hemel stegen, hoort men nu het eenlonig 
geklank der dorschvlegels. — In de achterste gebouwen, het 
eigenlijk klooster, vindt men nogschoone, doch heel verval- 
lene kamers, die nu dienst doen als peerden- en verkens- 
stallen. Daaronder liggen merkweerdige en uitgestrekte 
kelders. Men ziet daar ook nog de ingemetste grafsteden der 
klooslerlingen. Het eigenlijk woonhuis is nieuwerwetsch en 
later bijgebouwd geweest. Er bestaat ook nog een kelder die 
over verscheidene jaren gevonden én geopend is geweest, 
doch daar het licht dat men er inliet, telkens uitging, dorsi 
er niemand in gaan en heeft men het gat met aarde weer 
dichtgeslopt. Naar den klank te oordeelen gelooft men dat 
geheel het gebouw moet ondermijnd zijn en dat er nog ver- 
scheidene onbekende onderaardsche gangen of kelderingen 
bestaan. — Op zekeren lijdslippen van het jaar gebeurt het, 
dat rond middernacht de schuur (de voormalige kerk) geheel 



« Ons Volksleven. » 49 



en al verlicht wordt. Het ingeschuurd graan of strooi dringt 
in het midden der schuur op oenen hoop te zemen, om ron- 
dom vrijen doorgang te laten, en eene talrijke schaar van 
monniken gaan, elk met eene brandende flambeeuw in de 
hand en godgewijde gezangen zingende, processiegewijs rond 
in de ontheiligde kerk. Ook zijn er eertijds meermalen hoeve- 
knechten, die in de kloostergebouwen sliepen, van schrik uit 
hun bed gaan loopen, omdat er lichtende gedaanten en doods- 
hoofden door hunne kamer zweefden. — Ziehier over « Den 
Maria-Troon ^ nog eenige geschiedkundige inlichtingen (i). 
De Priorij der Kanoniken regulier van « Mariën-Troon ^ 
werd tenjare 1414, in het dorp Ouwen, thans Grobbendonk, 
op de rivier de Nethe, eene uur gaans van Herenthals, 
gesticht door Arnold van Craeynhcm,heer van Grobbendonk, 
en zijne gade Johanna van Stey voort. Zij rees op in 't midden 
eener zeer woeste en onvruchtbare streek. Maar het ontbrak 
haren kloosterlingen aan geene vlijt tot het doen ontginnen 
van gronden, en dank aan hunne bezorgdheid, nam hunne 
gemeenie weldra in bloei en aanzien toe. Doch tenjare 1578 
werd het Godshuis door de Hollandsche krijgslieden van het 
garnizoen van Herenthals aangevallen en geheel en gansch 
in asch gelegd. De monniken werden genoodzaakt een 
zwervend leven te verkiezen. Na eenige jaren te Brussel, Lier 
en Leuven gewoond te hebben, vereenigden zij zich, den 20 
April 1587, met de kloosterlingen der Priorij van St-Marten 
in laatst gemelde stad. Frans Zand. 

fdBï^nkn mm k ferttiekuis tiati UlijrktiinrBel 
• m ïnetitjaut, tiiitegakrs m lunnrii 
ntrer mi^t m^tpn}t^t\B kn ^mmikn, 

(Vervolg). 
Ziehier aangaande Ryckevorsel nog eenige bijzonderheden 

(1) Mengelingen voor de Geschiedenis van Brabant, door Edward Van Even. 



50 « Ons Volksleven. » 



welke ik in een register der XVIIP eeuw iieb aangetroffen : 

Dat dorp van Ryckevorsel ende een deel van Wortele, te wetene van 
Houterlohoeck, streckende totter mareken toe, ende 't slot tot Rykevorsel 
metten lieerlic!ieydeu, hooge, middel ende leeghe, met reuten, chytisen, 
pachten, moelenen, opcominghen, vervallen ende alle andere buereu toebe- 
hoorten, enz., ende behoort noch totter voors. heerelyckheyt de cleyn marcke 
ende alle andere wilde, visscheryen, vogelryen, waranden, foretten, patrize- 
ren, lamoengên met allen haeren toebehoorten, breeder gespecificeert in den 
hooftleenboeck fol. 290 recto. 

M'her xvicolaus Josephus Leopoldus Ringraff, 31 december 17ü9 by doode 
van syiie grootmoedere. 

M'hcr Maximiliaen Frederiek, I'rince van Salm öalm ende van het heyligh 
Ryck, hertouh van Hooghstracten, enz., 5 february 177(), by doode van synen 
heère \aeder bovengeschreven. Syne seretiissime Iloogheyd, Myn Heer 
Constantin Alexander, Prince van Salm Salm ende van 't heylig Ryck, Wild- 
en Rheiii- Graeve, Hertog van Honghstraeteu, 2o Jauuary 1789, bij doode 
van synen her vader bovengeschreven (1). 

't Is alles wat ik over Ryckevorsel heb aangeteekend. Niet 
voorjiemens zijnde de geschiedenis dier plaats te schrijven, 
wil ik ook mijne opzoekingen niet voortzetten, maar deel 
deze nota's mede zooals ze zijn, aan hen die er belang in 
zouden stellen. 

Eene plaat, door E. A. bij zijn artikel gevoegd, verbeeldt 
het wapen van Ryckevorsel's gemeynen dorpsegelc van 1761 : 
een schild met een op een punt staande scherphoekig drie- 
hoek, beladen met drie ruiten en vergezeld rechts van een R 
en links van een V. 

E. A. zegt naar aanleiding daarvan dat : « de drie ruitjes 
doen denken aan de graven van Hoogstraten uit het huis 
van Lalaing, in welks wapen men 10 dergelijke zilveren 
ruitjes vindt in een rood veld. Waarschijnlijk was Rycke- 
vorsel dus in 't bezit van dat wapen in het begin der 16^- 
eeuw y>. 

Tusschen het zonderling wapen van Ryckevorsel's gcvoon 
dorpzegel en het wapen der Lalaing's is het onderscheid te 
groot om a priori aan te nemen dat het eerste eene verbaste- 
ring van liet andere zou zijn. Onmogelijk is het niet, doch 
onwaarschijnlijk. 

(1) Leenhof van Brabant, reg. n"" 81, f" 764. 



« Ons Volksleven. " 51 

Een voorbeeld van denzelfden aard wordt ons misschien 
gegeven door het wapen der gemeente Lillo, provincie 
Antwerpen : gedeeld ; «/ in blauw een gouden meerblad (of 
omgekeerd lindeblad, zonder steel), />/ van Dale, maar de 
uitkomende man van blauw op goud en de sterren van goud 
op blauM^ (i). 

Het blad van 't eerste gedeelte van dit wapen is waar- 
schijnlijk ontleend aan het wapen van Gemert, welke familie 
drie zulke bladeren, van zilver, voerde in een zwart veld. 

In 't wapen van Lillo zijn dus de kleuren valsch. In mijn 
opstel over de onnauwkeurige Nederlandsche gemeentewa- 
pens, waarvan lezing werd gehouden op 't Geschied- en 
Oudheidkundig Congres te Brussel, in 1891, zijn bijzonder- 
heden dienaangaande te vinden. 

Om het pleit te beslissen, zou men andere zegels der 
magistrant van Ryckevorsel en meer oorkonden rakende de 
geschiedenis dier plaats moeten ontdekken. 

Het dorp heeft tegenwoordig geen eigen wapen. Ik zou de 
gemeente niet aanraden dat van het zegel van 1761 aan te 
vragen, zonder dienaangaande beter ingelicht te zijn. 

In de hooger aangehaalde memorie, heb ik mijn gevoelen 
over gemeentewapens uitgedrukt. Ik ben zoo vrij de aan- 
dacht van wie het aangaat er op in te roepen (2). 

* 

De plaat in het Kempisch Museum vertoont ook drie zegels 
der magistraat van Loenhout; doch E. A. zegt geen woord 
om ze toe te lichten, schoon die zegels te belangrijk zijn om 
nieteenige ophelderingen te verdienen. 

Het eerste, dat aan oorkonden der jaren 1463 en 1470 is 

(1) RiETSTAp's Armorial général beschrijft onnauwkeurig het wapen van 
van Dale. lu mijn werkje Berlaer et ses seigneurs heb ik gezegd hoe het moet 
zijn, en deelik bijzonderheden mee over de geslacliten van Gemert en van 
Dale, die de heerlijkheden Berlaer eu Lillo hebben bezeten. 

(2) In mijn opetel over onnauwkeurige gemeentewapens heb ik den wensch 
uitgedrukt, dat de verzameling «egelt die sindB eenige jaren naar het Konink- 
lijk Museum van Oudheden ii overgebracht, tot ket Algemeen Rijksarchief 
terugkeere. Ik hoop eertang zoo gelukkig te zijn te kunnen mtdedeelen dat die 
wenach zal vervuld worden. 



52 « Ons Volksleven. »» 



gehecht, vertoont een schild met een kruis, 't Is het wapen 
der dynasten van Crainhem-Bouchout, die in de XIV^ 
eeuw, door het huwelijk van Jan, heer van Bouchout, met 
Johanna van Hellebeke, vrouw van Loenhout en Ophem, de 
heerlijkheid Loenhout in hun bezit kregen, 't Is dezelfde Jan 
van Bouchout die in 1362 het burggraafschap van Brussel 
verwierf (i). 

Het tweede zegel, hangende aan eene oorkonde van 1503, 
vertoont een schild meteen geschakkeerden dwarsbalk, die 
overtopt is met een halven, uitkomenden leeuw (la Marck) 
en waaronder zich eene gothische 1 bevindt. 

Het derde zegel van Loenhout, van 1552, vertoont insge- 
lijks het wapen van la Marck, doch zonder den leeuw en 
met eene groote Romeinsche L waarop de balk is heenge- 
trokken. 

Inderdaad, Margareta van Bouchout, echtgenoote van 
jonker Everaard van der Marck, werd den 19" Maart 1466 
(n. st.) met de heerlijkheid Loenhout beleend (2). 

De zegels der van der Marck vertoonden beurtelings den 
dwarsbalk met en zonder den halven leeuw. 

Engelbrecht II, graaf van der Marck, had op zijn ridder- 
zegel een schild met dwarsbalk, zonder den halven leeuw, en 
op zijn tegenzegel hetzelfde wapen met den halven leeuw (3). 

In mijn meergemeld opstel over gemeentewapens heb ik 
aangetoond dat de magistraten van heerlijkheden in 't alge- 
meen hunne zegels met het wapen hunner respectieven 
heeren versierden. Door de zegels van Loenhout wordt mijn 

gevoelen eens te meer bevestigd. 

* 

Nabij Loenhout bevond zich de villa Poppendonck, die 
van ouds de heeren des dorps toebehoorde. 
Ziehier een stuk van 24"^ September 1444, waarbij Filip-de- 



(1) Zie de beschrijving van een zegel en tegenzegel van 1309 bij Demay, les 
Sceaux de la Flandre. 

(2) Zie Jacques le Roy, Notitia Marchionatus S. R. J . 

(3) Zie mijne opstellen Itegem et ses seigneurs (handschrift) en Wavre-Notre- 
Dame et ses seigneurs. 



« Ons Volksleven. » 53 

Goede Poppendonck en andere g-oederen deed verbeurd 
verklaren, omdat Jolianna van Bouchout en Jan, heer van 
Wesemael, haar man, ze zonder oorlof van den leenheer 
hadden verkocht of belast : 

Philips bi der gracie Goids etc. Want t'o; ser kcunissen commen is, dat onse 
wailgeminde joffrouwe Johaniie van Bochout met Janne, here van Wesemale, 
hoeren man ende momboir, 't hof van Po2)endonc, by I. oenhout gelegen, die 
herlicheiden ende manscapen van Santhoven ende den chyns tot Duffle met 
allen hoeren toebehoirten van ons te leene houdende is, sonder onse wille, 
weten of consente dair toe te geven, vertiert, vercocht, belast endo becom- 
mert heeft met alrehandu erfrenten ende lyfrenten, ten liive van diversen 
personen, ende sonder ons ons rechten en iiergeweiden dair af te betalen of 
enige andere gewoenlike dienste te doene, als ot.s dair af sculdich is gcdaen te 
werden, in groten achterdeele van ons ende vermindernisse onser hoger her- 
licheitjdwelck ons niet en sleet te lydo,soo ees 't dat wy U ontbiede,met ernste 
bevelende, dat ghi, terstont dese onse brief aengesien, sonder eeuicli vertrock 
alle die voirs. goede van Popendonc, die herlicheiden ende manscape van 
Sauthoven endeden chyns tot Duffle met allen hoeren toeb' hoirten van onsen 
wegen in Uwen handen nempt ende bestlaet, tot onseu behoef, ende die hout 
ende regeert of doet houden ende regeren by yemand anders, die U nut ende 
onbelet selen duncken, ende ons dair aff goot bcwys et reliqua selen weten te 
doene, t'allen lyden, als sy des van onsen wogen selen werden versocht, sonder 
die eenichsints t'ontstlane of over te geven, totter lyt toe dat sy ons sal heb- 
ben voldacn ende ghy andere bevele van ons selt hebben. Van welcken alsoe 
te doene ende des dair ane cleven mach, wy U geven volcomene macht ende 
sunderlinge bevele mit,desen onsen brieven, ontbiedende ende bevelende allen 
onsen ambachtenen, rechteren, dienaren ende onderseten, dat sy U hier inne 
t'uwen versueke, in sterkernissen onser hoger herlicheit,onderdanich, bisten- 
tich, gehoirsam ende bereet syn, sonder ander gebot van ons te ververden, 
want wy 't sonder verdrach alsoe gedaen willen hebben. Gegeven in onser stad 
van Bruessel, xxiiij dage in septembri, in 't iair ons heren duysent vier 
hondert vier ende viertich (1). 

In eene studie over de heerlijkheid genaamd het Land van 
Mechelen, stel ik mij voor verdere bijzonderheden mee te 
deelen aangaande Jan van Wesemael en zijne vrouw, 

Intusschen verzend ik al wie iets naders over hen wil 
vernemen, naar het fraaie boek van den hoer Eügène 
PoswiCK : Je comié de FaUais (2). 

J.-Th. de Raadt. 

(1) Leenhof van Brabant, reg. n" 119, f" 61. — (2) Luik, 1890. 



54 



« Ons Volksleven. » 



fnlteliekreti. 

Van dr ij Maagdekens. 



« 



i 



^ 



E$É 



4e==^=i 



5: 



'k Kwam lest -maal in klein Am - ster - dam, Draai om ; En 'k 






ÊEêE 



meen - de da'k in den he -mei kwam, Draai om; 'k Kwam lest-maal 



in klein Am-sler-dam Eu 'k meen-de da'k in den he-mel kwam, 



Draai om, draai om, draai om, Draai om, draai om. Draai om. 

1. 

'k Kwam lestmaal in klein Amsterdam, 

Draai om ; 
En 'k meende da'k in den hemel kwam, 

Draai om ; 
'k Kwam lestmaal in klein Amsterdam 
En 'k meende da'k in den hemel kwam. 
Draai om, draai om, draai om. 
Draai om, draai om, draai om 
2. 
Daar stonden drij maagdekens voor een deur, 

Draai om ; 
En 'k meende daar stonden drij engeltjes veur, 

Draai om ; 
Daar stonden drij maagdekens voor een deur 
En 'k meende daar stonden drij engeltjes veur. 
Draai om, draai om, draai om; 
Draai om, draai om, draai om. 
3. 
En de eerste die was in den witten satijn, 

Draai om ; 
En de tweede die was in het rood karmozijn. 
Draai om : 



tf Ons Volksleven. »» 55 



En de eerste die was in den witten satijn, 
Gelijk alle de stadsche madammekens zijn, 

Draai om, draai om, draai om ; 

Draai om, draai om, draai om. 

4. 
Eu de derde was in het gebloemd katoen, 

Draai om ; 
Gelijk alle de stadsche madammekens doen. 

Draai om; 
En de derde was in het gebloemd katoen, 
Gelijk alle de stadsche madammekens doen, 
Draai om, draai om, draai om; 
Draai om, draai om, draai om. 
5. 
En ik trouwde daar met die katoenen juffrouw, 

Draai om ; 
En ik dacht : wat geluk overkomt er mij nou? 

1 'raai om ; 
En ik trouwde daar met die katoenen juffrouw 
En ik dacht : wat geluk overkomt er mij nou? 
Draai om. draai om, draai om; 
Draai om, draai om, draai om. 
6. 
Maar ik had ze uog geen zes weken gehad, 

Draai om; 
Of ze zag al gelijk een beruifelde kat, 

Draai om ; 
Maar ik had ze nog geen zes weken gehad, 
Of ze zag al gelijk een beruifelde kat, 
Draai om, draai om, draai om ; 
Draai om, draai om, draai om. 
7. 
Ja dan zijn er die stadsche madammekens schoon, 

Draai om; 
Maar die edel boerinnekens spannen de kroon, 

Draai om ; 
Ja dan zijn er die stadsche madammekens schoon. 
Maar die edel boerinnekens spannen de kroon. 
Draai om, draai om, draai om ; 
Draai om, draai om, draai om. 

{S^ Antonius-Brecht). Jozef Cornelissen. 



56 «Ons Volksleven. »» 



Mnnröhralintiterjie ing^tt. 

10 (133.) De Klok in een Ven 

BR zijn verscheidene plaatsen, ook in deze streken, waar 
eene sage te huis behoort, als zou eene torenklok in een 
ven, een moeras, eenen kolk, een diepen kuil, enz. verborgen 
zitten. De ouden vertellen op verschillende wijzen, hoe de 
klok daar in kwam. Van eenige wordt verhaald dat bij een 
vreeselijk onweder, hetwelk over den toren en het dorp 
losborst, eene klok den toren uitgevoerd en door de lucht op 
de door hen aangeduide plaats neergedompeld is. Van 
andere, dat inen ze in den toren had gehangen zónder ze te 
wijden ofte doopen : wanneer ze 's middernachts ophield 
met de uur te slagen, rukle de duivel ze los en vloog er mede 
weg, tot op de plaats waar hij er mee in de diepte verdween, 
Bij het langzaam uitsterven der sagen, hoort men thans 
zelden daarvan iets meer, dan dat die klok eenmaal in den 
toren hing en, sedert haar verblijf in de diepte, en allèèn op 
Kerstnacht om 12 ure slaat. Dit wordt nog van velen geloofd. 

Men verhaalt dat er eene torenklok begraven is : 

1° In lut Fressivcv, waar vroeger en later tijd veel in 
geveend is. In dat ven is eene bijkans onpeilbare diepte. Het 
ligt onder Bergeik, een kwartier van 't dorp. 

2° In den Brcêpui (Breeden put) in de heide onder Wesferho- 
vcn. 

3** In liet Malpieven onder Borhel. 

4° In Tiet Goor ie Sfeensel, waarin van onder diepe putten. 

5" In den Knttenkuil ie Budcl. — Toen de parochiale kerk 
te Budel aan den Hervormden godsdienst overging, brak eene 
der vijf klokken, toen in den toren hangende, vanzelf los en 
zweefde door de lucht heen, tot boven een water, op eenigen 
afstand van de kom des dorps gelegen, waarin zij neder- 
plofte en nog verzonken ligt ; want met Kerstmis slaat zij 
middernacht. Velen gelooven dat de klok ter eere van O. L. 
Vrouw gewijd is geweest. De diepe kuil waarin ze verdoken 
zit, heet nog als van ouds de «Kattenkuil. y> 



« Ons Volksleven. » 57 

6** In den Hondshosch en aan den Witicnherg ie Achel. — 
Noordwaarts de genoemde kerk is in den akker oene laagte 
die, volgens de overlevering, oudtijds een ven was, en 
waarin toen eene klok is gesmeten, die op Kerstnacht 12 ure 
slaat. Sommigen gaan er dun naar luisteren. 

Zoo ligt er ook eene verzonken klok in een diep ven, den 
Hondsbosch geheeten, onder Achel, en ook bij den Witten- 
berg, in een daarbijliggend ven, eveneens te Achel. 

1^ In den Khkkcnkuil onder Veldhoven (zie de vorige sage). 

8° In het Rondvcn, ie Dommelen. 

9° In hei Klokven, oosiwaaris van Leende, in de heide naar 
Soerendonk en Leen derstrijp. 

10*' In den Doodeiipui onder Luiksgesiel aan Bergeik's grens. 

11° In de Diepriji, in de gemeenie Sirijp. 

11 (134.) Twee Engelsche Soldaten 
te Veldhoven gehangen. 

OMTRENT twee eeuwen geleden, zouden Engelsche soldaten 
eenigen tijd hun verblijf gehouden hebben op het heike 
nabij het gehucht de Heers, op dezelfde plaats waar ik in 
1871 en vorige jaren, veel Romeinsche penningen en andere 
oudheden heb opgegraven. 

Tijdens de legering dezer Engelschen te Veldhoven, wer- 
den twee hunner van zekere misdaad beticht, doch beide 
zwoeren, voor hunne rechters gebracht, bij den Schepper 
dat zij onschuldig waren aan het hun te last gelegde feit. 
Weldra ontdekte men in den shako of hoed, dien de beide 
soldaten onder het zweren op het hoofd hadden gehouden, 
oenen eetlepel, waarmede zij den schepper bedoeld hadden 
en, dewijl hunne euveldaad bewezen was, weerden zij terstond 
tot de dood verwezen en opgehangen. Hunne lijken werden 
bij hel begin van eenen akker begraven, die thans aan J. B. 
van den Hurk toebehoort. Deze akkerligt ter linkerzijde van 
den weg, die van het tegenwoordige dorp naar het gehucht 
de Heers gaat, en wel nabij den Vlierbosch, die over 27 jaar 
(1865) afgekapt is. De bedoelde akker heet nog de Vlierboom. 

Ct Vervolgi). P. N. Panken. 



58 « Ons Volksleven, j» 



Do volgende heeren uit België zijn benoemd tot lid van de 
Advisory Council, bij het Congres van Volkskunde te Chicago : 

D' EuGÈNE MoNSEUE, boogleeraar, voorzitter van de Société 
de Folk-lore tvallon, te Brussel ; 

AüG. GiTTÉE, bestierder van Volksicunde, leeraar in het 
Koninklijk Atheuseum te Luik ; 

Pol de Mont, bestierder van Volkskunde, leeraar in het 
Koninklijk Athenseum te Antwerpen; 

J. B.Vervliet, bestierder van Ons Volksleven, letterkundige 
te Antwerpen ; 

Jozef Coenelissen, bestierder van Ons Volksleven, onder- 
wijzer te St. Antoijius-Brecbt; 

Joseph Defkecheux, bestierder van Wallonia, leeraar te 
Luik ; 

D' Maueice Wilmotte, leeraar te Luik. 



3JnektoB|irekitig. 



t ÏH. Ion. Welvaarts. — Postel's Biographisch Woor- 
denboek van de XII" tot de XIX° eeuw, met vijftien gravuren. 
— L. Braeckmans, drukker-uitgever, te Brecht 1892. (Boekdeel 
in-8° van 274 bldz. Prijs : 5 fr.). 

De betreurde schrijver der Geschiedenis van Postel en van 
zoo menige andere Geschiedkundige uitgave, stelt in het hier 
besproken werk de beknopte levensschetsen, te boek van de 
Postelscbe kloosterlingen, die gedurende een tijdperk van zeven 
eeuwen, de abdij bewoond of elders geleefd hebben. 

Postel's Biographisch Woordenboek dankt zijn ontstaan aan 
langdurige en moeitevolle opzoekingen in de handvesten van het 
klooster. Tot het verzamelen dier levensschetsen heeft de ver- 
dienstelijke man niet min dan twee duizend handschriften, zelfs 
vele van de XIP eeuw en nog met ongeschonden zegels, uit het 
archief der abdij te voorschijn gehaald, en met een onvermoeibaar 
geduld geschift en doorpluisd. 

Door het raadplegen en benuttigen van deze oorspronkelijke 
bescheeden, die de zuiverste bronnen zijn, waar de geschiedvor- 
scher de kennis van het verleden uit putten kan, is de schrijver 
in staat geweest om oen werk te leveren van groote historische 
weerde. 



« Ons Volksleven. » 59 



Niet aleen leert men hier het leven en streven kennen van de 
Norbertijnen, die tot Po^tel's klooster behoorden; hunne 
levensschetsen werpen ook een helder licht op de gebeurtenissen 
die in hunnen tijd voorvielen, gebeurtenissen, nu eens gelukkig, 
dan weer rampspoedig voor don godsdienst en het vaderland. 
Het geheel is daarenboven eene bijdrage, niet enkel tot de 
geschiedenis van de aloude en roemrijke abdij, maar ook tot die 
van veel omliggende dorpen en tot de kennis van een aantal edele 
familiën, die het Godshuis van Postel beschermd en begiftigd 
hebben, of wier leden ei het kloosterkleed hebben gedragen. 

Het werk is opgeluisterd door vijftien schoone platen, voor- 
stellende (Je abdij, wapens, zegels, de beeltenissen van beroemde 
Norbertijnen, het portret van den schrijver, enz. 

Wat de stoffelijke uitvoering betreft, zij laat niets te wenschen 
en doet eer aan de drukkerij Braeckmaus. Het papier is fijn on 
helder, en de druk klaar en goed verzorgd. J. Coenelissen. 

Jan Broeckaeet. — Mededeeling van eenen bundel 
Bederij kersgedichten der XVI*^^ eeuw. — Gent, A. Siffer, 
1892. — Vlugschr. in-8« van 18 bladz. 



Het verslag des hoeren Broeckaert, opgesteld voor de Kon. 
VI. Academie, waarvan de schrijver een der werkzaamste leden 
is, handelt over een handschrift in klein 4° formaat van 124 
bladzijden ; het geschrift behoort gedeeltelijk tot het einde dor 
XVI«, gedeeltelijk tot het begin der XVIP eeuw. 

De bundel bevat 18 stukken, te weten een tafelspel, een spel 
van zinnen, eene geschiedkundige semenspraak, vijf geestelijke 
en wereldlijke liederen en tien refereinen. 

Van dit alles is nog slechts weinig uitgegeven; en ofschoon in 't 
algemeen de werken onzer rederijkers onder letterkundig oog- 
punt maar zelden het middelmatige overschreden hebben, toch 
ware het te wenschen dat de bundel van den heer Broeckaert 
spoedig het licht zago. Dergelijke stukken toch bevatten meestal 
eene menigte bijzonderheden, die voor de kennis der vroegere 
zeden en gewoonten onontbeerlijk zijn ; menig duister punt uit 
het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorvaderen is reeds 
daardoor duidelijk geworden. 

Het uitgeven der hoogergemelde stukken ware tevens eene 
goede aanwinst voor de liefhebbers onzer oud-VIaamschc lette- 
ren, daar onze gedrukte letterschat uit de bloeitijd der rederij- 
kers zekerniet te groot is. J. B. Veevliet. 



60 « Ons Volksleven, j» 



Sujintó Hnti CijiïBrlirifttn, 

Wallooia, I, N"- 2. — Cuisine nivelloise. La « tarte a l'djotte » et les « dou- 
pes »(G. Willame).— Débats. II. Le seigneur et la bergère (air noté) (Jos 




Simon et O. Colson). — Notes et enquêtes (J. D. et O. C), 

Revue des Tradilions populaires, "VIII, N' 1. — Littérature orale de la (iuyane 
fran^aise. I. Contes populaires (G. llaurigot). — Traditions et superstitions 
de la boulangerie.il (P. M. Lavenot). — Chansons du renouvellement de 
1'aunée III(M™''M. A. Beau).— L,a chanson de Hricou. XI (P. Yves-Sébil- 
lot) — Les Urdalies (R. Basset). — Prières populaires. VI. B,4gique flamande 
(Joi. Corneliss Ml) — Miettes de folk-lore parisien. XXI (H. Lebrun). — Con- 
tes recueillis a Tunis (A. Ferme). — Traditions et superstitions des ponts et 
chaussées. II. Les chemins de fer (Joz. Coruelissen). — L'aue au moulin. I. 
Version bourguignonne (Ch. Lecocq). — II. Ancienne version f J. Tiersot) — 
Petites légendes chrétiennes. V. La cathédrale de Dol (Abbé Dynes. (Poésies 
8ur des thèmes populaires (C. Mendès) — Les saints et les pendus (A.Certeux). 
— Légendes des oiseaux, Houmanie (Art. Gorovei). — Noms, formes et gestes 
des lutins. IV. Normandie. V. Lorraine. VI. Poitou. VII. Picardie (P. Sébil- 




Rialle). — Périodiques etjournaux. — Notes et enquêtes. 

La Tradition, VI, N" 11-12. — Le soleil a la Sainte-Bauraa.de Provence 
(Bcrengcr-Féraud). — Prières populaires. I(F. Ortoli). — Le carnaval. XVII 
(11. Carnoy). — Contes pour attraper les auditeurs. XI (S. Prato) — Les 
proverbes de Jacob Cats, 111 (E Ozenfant). — Noël wallon (.1. Lemoine). — 
Trois léorendes pour la Noël (E. Blémont). — Chansons populaires de l'Espa- 
gnc. I (M. 11. F.). — Cantique de l'enfant prodigue (C. de Warloy). — Origine 
de lan^lit^.M. Guignet). — ün ieugrec a RodostofJ. Nicolaïdes). — Devinet- 
tfs picardes (II. Carnoy). Unc fégendc morte-née (L. Combes). — Chansons 
du Quercy XXVII (F. de Beaurepaire). — Le folklore de Constantinople. II. 
ix (J. Tsicolaïdes). — Sorciere et soreières en Belgique (A. Harou). — Mélan- 
ges traditionnistes (C. de W ). — Vieilles chansons, XVI (V^^ de Colleville) 
— A. Desrousseau (H. C). — Bibliographie (R. Basset, A. Certeux. 

Zeitschrifi tür Volkskunde, IV, N" 11-12. — Aktenstücke zur deutscheu Sa- 
geniorschung und ihren Vertretern (Pröhle). Der llaustrunk im Thüringer 
NVald (II. Matthias). — Vorabend und Tag St Johannis des Taufers (E. Ve- 
ckcnstedt) — Volkslieder aus Liegnitz und Umgebung (F. Sommer). — Aus 
den italienifchen Spruchweisheit. Parömiologische Skizzen (L. Freund). — 
Der Aberglaube (Is'ottrott). — Aus dem Festkaleuder von Vehlitz bei Magde- 
burg (F. A. Wischeropp). — Bücherbesprechungeu. 



_ ,-. ,. — Handwcrksbrauch in der Iglauer Sprachinsel in 

Mahren (F. P. Piger) — /ur neugriechischen Volkskunde (Dr. A. Thamb). 
— Zwergsagen aus Nordfrieslaud (Chr. Jensen.) — Rcinhold Kohier (Prof. 
Dr. K. Schmidt). — Sprichwörter und Redeusarten aus der Grafschaft Rup- 
pin (K. E. Uaase). — Kleine Mitteilungeu. 



TIJDSCHRIFT 
voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde, 



« Er is iio<ï een rijke oogst op het veld der gevvestspraken voorhanden ; 
veel volksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtia-heid of oudheid verdienen inde schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZuiDNEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN '[!AAhKVtiDE,Wedsirijdi874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals hel is. » 

Vraagboek voor Vlaamsche volkskunde. 

♦ VIJFDE JAAR. O VIERDE AFL. 4^^ 

Sete mx €uutxktktn. 

{Vervolg). 

iANEER men zonder er^ eenen tooverboek 
zou aannemen of koopen, niet wetende dat 
het een tooverboek is, dan kan men hem 
gemakkelijk verscheuren of verbranden. Maar 
kent men den aard des boeks, dan zou men zeer onvoorzich- 
tig handelen met hem te aanvoerden ofte koopen, want in 
dat, geval knn men er niet meer van af gei-aken, evenmin als 
men de helsche macht vorliezen knn, die men bekomt met 
er in te lezen, tenzij door de tusschenkomst van eenen 
geestelijke. 

Men heeft goed den tooverboek in stukken te scheuren of 
in het vuur te werpen : altijd vindt men hem gaaf en onge- 
schonden in zijnen zak weder. Waneer men zich echter door 
eenen geestelijke laat bezweren, dan kan men den toover- 
boek vernietigen en is men geen tooveraar meer. 

Zoo gingen eens twee inw^oners van Sint-Antonius (i) op 
zekeren Zondag naar de vogelenmerkt te Antwerpen, en 

(1) S». Antonius(Brecht). 




62 « Ons Volksleven. » 



kochten daar eenen tooverboek, dien zij tusschen veel 
andere boeken zagen liggen. 

Terwijl ze nu de volgende dagen in een bosch aan 't werk 
waren, zetleden zij zich dikwijls neder om in dien boek te 
lezen, in plaats van te werken. Ze waren al zoo ver gekomen, 
dat ze de boomen uit den grond konden blazen. 

Het hoogtijd van Paschen naderde, en onze twee gasten 
moesten er aandenken hunnen Paschen te houden. Eerst 
vooral wilden zij hunnen tooverboek vernietigen len scheur- 
den hem in kleine stukskens. IJdele moeite! De stukskens 
kwamen terug aaneen. Nu groeven zij hem in de aarde, twee 
steken diep, en toen dit nog niet en iiolp, wierpen zij hem 
in 't vuur. Het eerste was zooveel gekort als het leste, want 
iederen keer vond een der mannen den tooverboek in zijnen 
zak zitten. Ten einde raad, legden ze hun geval uit aan den 
pastoor, die er hun van af hielp. 

Een inwoner van het gehucht Schoot, onder Tessenderloo, 
ging eens naar het naburig dorp Vorst (i) ter kermis. Hij 
dronk en danste daar zoo dapper, dat zijn geld spoedig 
verteerd was, en hij al redelijk vroeg naar huis moest 
keeren. Of hij 't geerne deed? Neen, hij liadde liever geble- 
ven. Toen hij, in zijn eigen grommelende, huiswaarts stapte, 
ontmoette hij tusschen Vorst en Schoot, op eene plaats waar 
het alle avonden vreeselijk spookte, een oud wijf, dat hem 
aldus aansprak : 

« Mijn vriend, ge ziet er niet heel vroolijk uit, maar ik ken 
de oorzaak van uvie ontevredenheid. Go moet de kermis 
verlaten, omdat ge geen geld meer en hebt, en dat valt u 
hard. Maar ik wil u helpen. Hier hebt ge een boeksken : 
gaai er mee naar den eersten den besten houtkant, trekt er 
zooveel bladeren af als ge maar wilt, en ik verzeker u, ge 
zult geld overhoop hebben. Onthoud/ nochtans goed wat ik 
u zeg. Als ge weer op de kermis zijt, ziet dat ge altijd voort 
drinkt, want anders zal uw geld weer in bladeren verande- 
ren. 5! Dit zeggende, reikte zij hem een tooverboeksken over. 

(1) Groot' Vorst, Vorst-S*. üertrudis. 



« Ons Volksleven. » 63 

De ongelukkige, reeds min of meer door den drank verhit, 
nnm het boeksken aan, en de oude tooverheks verdween 
plotseling. Van nu afwas hij in de machtvan den Booze. Hij 
ging naar eenen houtkant langs den weg en plok van eenen 
struik oene handvol goudstukken ; vnn eenen anderen, eene 
handvol zilvergeld; van eenen derden, eene gelijke hoeveel- 
heid nikkelstukken en eindelijk, van eenen vierden, eene 
greep koper, zoodat zijne tesschen zoo vol zaten, dat ze 
dreigden te bersten. Nu keerde hij terug naar Vorst en dronk 
en zwiei'de er tot in den vroegen morgen. Toen hij in zijne 
zakken tastte, vond hij wel bladeren, maar geen geld meer. 
De tüoverboek stak er bij.... 

De paaschtijd was in, en onze man zou te biechte gaan. 
Reeds had hij alle middelen beproefd, om zich van zijnen 
tooverboek te ontmaken, en toen hij daar niet in gelukte, 
ging hij naar de pastoor zijner parochie, die evenwel ver- 
klaarde hem niet te kunnen helpen. Dan legde hij zijn geval 
^it aan den pastoor van Vorst (i), die heinde en verre ver- 
maard was, omdat hij reeds veel menschen van tooverij had 
verlost. Deze geestelijke zeide hem : «Kom^ dien dag, op die 
uur bij mij in den biechtstoel, en ik zal u helpen. » 

Waneer de tooveraar op den bepaalden tijd te Vorst in de 
kerk kwam, zat de pastoor reeds in zijnen biechtstoel, en 
zeide hem : "Ik blijf hier zitten, terwijl gij driemaal rond de 
kerk zult gaan. De eerste ronde zult gij dit gebed lezen; de 
tweede, dat gebed, en de derde, een ander gebed. » — Hier 
noemde de pastoor de gebeden die de tooveraar bidden 
moest, en vervolgde: «Op uwe reis rond de kerk zult ge 
ongetwijfeld schrikkelijke dingen aanschouwen, maar wee 
u, indien gij terugkeeren zoudt, alvorens drijmaal de ronde 
gedaan te hebben; want dan konde ik u niet helpen, en ge 
waart voor altijd verloren! » 

De eerste ronde liep tamelijk goed af, maar bij de tweede 
ging het erger. De weg was overal belemmerd en 't scheen 
den man, alsof er te allen kante vlammen uit den grond 

(1) Groot-Vorst. 



64 « Ons Volksleven. « 



opstegen. En bij de derde ronde! Allerlei afgrijselijke mon- 
siers, rezen vóór zijne voeten op, en wilden iiem doen terug- 
keeren. Ofsciioon het angstzweet hein van alle kanten 
uitbrak, stapte hij niettemin al biddende voort en trad, 
meer dood dan levend, de kerk binnen. 

Daar sprak hij zijne biecht, en toen de pastoor hem de 
absolutie gegeven had, zeide deze : « Beziel mij nu eens wel. » 
Hij bezag den geestelijke en bemerkte vol ontsteltenis, dat 
er geen enkel haarpijl op het hoofd van den biechtvader 
stond, dat niet doornat was van het zweet. 

Schrikkelijk was de strijd geweest, dien de pastoor tegen 
den duivel had moeten leveren, maar de Booze was overwon- 
nen en de man verlost. 

Er was eens een mulderszoon te Borsbeek, die een brief- 
ken aangenomim (i) had, daar woorden uit eenen tooverboek 
op geschreven stonden. Nauwelijks had hij die gelezen, of 
hij kon velerlei duivelsche kunsten verrichten. Zoo nam hij 
den molen van de teerlingen en droeg hem een heel eind 
verder. Zijne ouders waien daarover zeer bedroefd; zij 
ondernamen bedevaarten en deden veel andero goede wer- 
ken, om hunnen zoon te verlossen, maar 't was al vergeef- 
sclie raoeile : de jongen en wou of en kon het niet laten. Ten 
einde raad, besloten de ongelukkige ouders de hulp in te 
roepen van eenen geestelijke uit de omstreken, die den 
jongen bezwoer en hem van zijne duivelskunstenarijen 
afhielp. 

» ♦ 

Ik eindig dit opstel met eené vermakelijke anecdote, 
getrokken uit. den hooger vermelden Dictiomiairc infcrnal 
van J. Collin de Plancy : 

^ De heer van zeker dorp vroeg eons aan zijnen schaap- 
herder eenen tooverboek te leen, waarmede deze zich 
beroemde den duivel te dwingen om voor hem te verschijnen. 

De heer, nieuwsgierig om den duivel te zien, trekt naar 
zijne kamer en begint de bezwering te lezen, die den geest 

(1) Aiulcre vertellers zeggen opgeraapt. 



« Ons Volksleven. » 65 

der duisternis verplicht zich te vertoonen. Terwijl hij vol 
gejaagdheid die krachtige woorden uitspreekt, vliegt de 
deur, die slecht gesloten was, eensklaps open, en de duivel 
verschijnt, gewapend met zijne lange horens en gansch met 
zwarte haren hedekt... Op dat gezicht ploft de nieuwsgierige 
heer schier dood van schrik op den vloer, maar hij heeft 
toch nog het besef om een kruisteeken te maken. Lang bleef 
hij liggen, zonder dat er iemand kwam om hem op te rech- 
ten Eindelijk opende hij de oogen, en zag met verwoond ering 
dat hij in zijne kamer lag. De duivel was verdwenen. Hij 
ondei'zoclit de meubelen, om te zien of er niets goschónden 
was, en bem(Tkte dat een spiegel, die op eenen stoel stond, 
in duizend stukken lag. Geen twijfel : dit was het werk van 
Satan! Hetgeen echter, jammer genoeg, de schoonheid der 
vertelling merkelijk vermindert, is dat men eenige stonden 
nadien den heer kw^am boodschappen, dat zijn bok ontsnapt 
was, maar dat men hem gepakt had aan de deur van dezelfde 
kamer, waar hij zoo meesterlijk voor duivel had gespeeld. 
In den spiegel eenen anderen bok ziende, was het dier er 
naartoe gesprongen om er tegen te vochlen, en had den 
spiegel in duizend stukken gestooten. Jozef Cornelissen. 

êmx IjEt Sermitikeit ati|er |^lnatennmtti, 

^N de Vlaamsche nieuwsbladen van Brussel vind ik den 
naam zijner noord-oostervooi'stad : S. Joost-ien-Oodc, 
'^■^ 4erwijl de overheden der gemeente haren naam 
schrijven : S. Joost-ien-Noode, — fen-Noodc in he't 
Fransch en in het Vlaamsch. 

Wie heeft gelijk, de Vlaamsche nieuwsbladschrijvers of 
de gemeente overheden? 

De Vlaamsche nieuwsbladschrijvers meenon, volgens 
mijne ingewonnen inlichtingen, dat oode cene onbebouwde, 
onbewoonde plaats beteekent. Dat is zoo : locus iuhahifatiis, 
locus inculius, zegt Kiliaen. Het woord is bij ons in onbruik 



^s 




66 « Ons Volksleven. » 



geraakt. Maar oodc was vrouwelijk gelijk ó'(?e het nog is bij 
de Duitschers, die degeslacliten liunner zelfstandige naam- 
woorden beter bewaard hebben dan wij. 

De zelfstandige naamwoorden, gemaakt van het prseteri- 
tum van een werkwoord, waren aanvankelijk vrouwelijk. 
Oo-cn (later ooden) beteekent : onvruchtbaar, onbewoond 
maken, en had voor praeteritum oode. 

Ter wordt gebruikt voor een vrouwelijk zelfstandig naam- 
woord in het enkelvoud; ten voor een mannelijk of onzijdig 
in het enkelvoud, en voor de drie geslachten in het meer- 
voud. 

Onze voorouders zouden gezegd hebben, in geval oodc een 
onbebouwden grond beteekent, ier-oode en niet ten-oode; ook 
wij zeggen ter school gaan en niet feu scJiool gaan, wat eene 
grove doodzonde is tegen de spraakleer. 

Noode was een mannelijke oude Germaansche persoons- 
naam en daarom ini. Men vindt dien naam terug bij de 
Brabandsche Walen in Nodchais (beek van Nodo) en Nvduir.cz 
(weg van Nodo.) SintJoosi-fen-Noode beteekent hidpJaais^ 
toegewijd aan S. Joost op Noode of op Jiet goed van No- de. Nu 
insgelijks bezigt men den naam van een persoon, om zijne 
woning aan te duiden en men zegt: « Als gij aan Janssens 
zijt, hebt ge nog een boogscheut te gaan. » 

Noode is nu familienaam: in het Annuairc Bozez 1889, 
onder Brussel, slaat de geslachtsnaam Node (gelijk de Fran- 
schen Noode uitspreken), ook de verbastering iVoo?/ en, onder 
Turnhout, Noodens (kleinzoon van Noode) boekhandelaar. 

Ik meen te moeten aanmerken, dat de oude Waalsche 
plaatsnamen van oude Germaansche persoonsnamen afko- 
men : de Walen waren Germanen als wij. 

Het Nodmves van de Walen werd door de oude Duitschers 
Nodoiveg geschreven, omdat de aanvankelijke naam van den 
bezitter Nodo was, waarvan de eind-o scherplang of oe wordt 
uitgesproken. De wortel der oude Germaansche persoonsna- 
men eindigen moestal op o; sommigen echter op a on i. 

In de tweesylbige namen viel de klemtoon op de eerste 
lettergreep, als Géro, Dodo, Bvédo, tSchdlko, enz. De eind-o 



« Ons Volksleven. » 67 

was toonloos en veranderde licht in e of verdween : Ando- 
werpia werd Antwerpen In den naam van het dorp HohoTcen 
bleef de eind-o bestaan. De lijst der oude noorder persoons- 
namen in Kiliaen geeft Dode en Dodo. 

De Walen hebben de eind-o beter bewaard dan wij ; men 
ontmoet nog bij hen eenige persoonsnamen, eindigende op 
o, die voor plaatsnamen dienen, maar zeer veel uitgaande op 
on, dat is o met bijvoeging van n, wat de Franschen insge- 
lijksgedaan hebben met de Latijnsche eigennamen, eindigen- 
de op o; Nero en Cicero werden Néron en Cicéron.^dX is ook bij 
ons gebeurd met de eensylbige Germaansche persoonsna- 
men, als zij familienamen zijn geworden. 

De Franschen zetten den klemtoon op de laatste letter- 
greep en daarom hebben zij de eind-o bewaard; zij zeggen 
Nerón, Cicerón. Waar wij den klemtoon op o zetteden, dat is, 
bij de eensylbige namen, werd o of oe bewaard. Van Go of 
Goe hebben wij den plaatsnaam G^oc.9 (Zoeland) en den familie- 
naam Goens; van ho of Jcoc hebben wij den plaatsnaam 
Koedijk (in Holland bij Alkmaar) en den familienaam Goens; 
van Lo hebben wij in ons Limburg den plaatsnaam Loon of 
Loen en den familienaam Loens; So geeft den plaatsnaam 
Socsf (Holland) en den geslachtsnaam Soens, enz. enz. Al die 
familienamen zijn voorhanden in het Annuaire Bozez 1889. 
In het Fransch werd So Son (zelfde Annuaire). Een bisschop 
van 's Hertogenbosch heette Soes, zoon van Soe of So. 

In de Waalsche plaatsnamen, samengesteld uit een eensyl- 
bigen persoonsnaam en een uitgang, die het voorwerp der 
bezitting aanwijst, is de o veelal bewaard ; bij ons altijd niet. 
Bij voorbeeld Soignies, in het Vlaamsch Zinnih of Zmnich. 

Soignies staat voor So-ing-ich. Ing beteekent afstammeling 
en is uit honderden onzer plaatsnamen verdwenen. Ich is 
zooveel als eigen, eigendom. So-ing-ich beteekent dus : Goed 
van den afstammeling van So. In het Vlaamsch spreekt men 
uit : jongclin-en on niet jongelin-gen, en daarvan Zinnich 
met verdwijning der g. 

De nq is ééne letter en dat leert ons het Fransch, dat g 
voor n zet en echter ng ófnj uitspreekt, zelfs in de overne- 



6S « Ons Volksleven. » 



ming van Duitsche woorden. Eertijds schreef en sprak men 
uit soiffn Yoorsoin (zorg). Soign is ons zo-ivg van het werk- 
woord zo en, waarvan afkomt het bijvoeglijk naamwoord 
zo-er-ig, dat zorg heeft gegeven. Be-zo-ing (bezorging) werd 
in het Fransch hesoigne, later besogne. 

De uitgang ich veranderde bij de Walen soms in ies Onze 
ch en onze s hadden vroeger met elkander veel overeen- 
komst. Mechelcn (voor Mechelingen) werd geschreven in 910. 
Maslinas, in 980 Moslincs, in 1155ilfa5?/jms. Oudtijds schreef 
men lachfer voor laster. Is ons dochter niet dosicr, dat is de 
vrouwelijke uitgang ster en de wortel van het werkwoord 
do en (doen, maken, vormen, voortbrengen, telen)? zoodat 
dochter, /re/s/t'r (Uinderteelstei) beteekent. 

Niet alleen de ch, maar ook de twee andere keelletters g 
en k veranderden bij de Wnlen in s of z, wij hebben reeds 
genoemd Nodehais (beek van Nodo) en Noduwcz (weg van 
Nodo). 

C/i verdween soms geheel. Mechelen werd ten jare 10C)G 
Malinas geschieven en nu in het Fransch Malincs. 

Nog een woordje over ten van S. Joost tm-Noode. 

Ten is de samenstrekking van te den. 

Waarom zegt men : « Ik ga naar dtn Bosch, naar den Haag » 
als men 's Hertogoihosch en 's Gravenhage bedoelt? Het 
gemeen zelfstandig naamwoord hosch is onzijdig en haag 
vrouwelijk. De voorvoegsels 's Hertogen en 's Graven hebben 
geen invloed op de beteekenis van Bosch en Haag; ze zijn 
van late ren tijd. 

Bosch en Haag zijn twee mannelijke persoonsnamen en 
daarom het mannelijk lidwoord. 

Nu nog, vooral te Antwerpen, stelt men het lidwoord voor 
eigennamen van personen en men zegt : De Rik, de Jan, de 
Frans, de Mertens, de Janssens, de Niels, enz. 

In het Hoogduitsch gebruikt men nog, naar de spraakleer, 
het lidwoord 1° wanneer men met zekcie vertrouwelijkheid, 
of ook met minachting van personen spreekt : i^er Gustav 
ist nachlassiger als der Wilhem; 2° wanneer men den naam 
in de plaats van de werken eens schrijvers zet : Ich habe mir 



« Ons Volksleven. » 6» 

den Schiller gekauft; en 3° voor de uitheemsche eigennamen : 
Das Heer des Xerxes. 

Wanneer de Germaansche persoonsnamen enkel toena- 
men waren, zooals Kiliaen schrijft, dan werd het lidwoord 
ongetwijfeld gebruikt; wij bezigen het heden nóg en wij 
zeggen : « Ik heb den Lamme gesproken ; de Kromme is ver- 
huisd, " en nooit : « Ik heb Lamme gesproken; Kromme is 
verhuisd, r 

's Hertogen bosch heet in het testament van den H. Wille- 
brord Buslofh (voor Bussloi) slot van Bufiso of Boso, die 
wellicht het slot heeft opgericht, en l)ij latere Latijnsche 
schrijvers Busciim voor Busiughmi, (verblijf van den afstam- 
meling van Busso of Boso). Ik vind een Boso als getuige, op 
het jaar 834, bij eene gift aan de kerk van Utrecht l Batavia 
sacra, deel 2, blz. 535). Een Boso was graaf van Autun in 
879 en naderhand hertog van Burgundië. In den stamboom 
der graven van Reinstein komt een gvaaï Busso voor. Busso 
is thans geslachtsnaam, als men zien kan in het Annuaire 
Itozez 1889. 

Hetzelfde kan van 's Graven hage gezegd worden. 

Echter vindt men het vrouwelijke /ervoor een mani)elijken 
persoonsnaam; doch dan had men het oog niet op den per- 
soon, maar op zijn eigendom. En wie weet hoeveel uitgangen 
verloren zijn geraakt? 

Ik verlangde te weten, wie het eerst /S. Joost-fen-Oode 
geschreven heeft en men wees mij een oud-seci'etaris aan 
van het Willemsfonds, afdeeling Schaerbeek-S. Joost-ten- 
Noode, Ik heb hem de reden zijner verandering gevraagd; 
hij blijft mij het antwoord schuldig. 

Onze Vlaamsche plaatsnamen zijn reeds te erg verminkt. 
Wil men ze onerkennelijk maken? Van Boifsforf heeft men 
Boschvoorde gemaakt. Ik geef de overlieid dier gemeente 
gelijk, wanneer zij weigert eene plakkaart té onderteekenen, 
waarop die knoeibenaniing voorkomt. Zij heeft ten plicht 
hare plaatsnamen, zooveel doenlijk nog, en vooral in opzicht 
hunner beteekenis, te bewaren. Op den naam Boiisfort kom 
ik later terug. De Heer Burgemeester van S. .loost-ten-Noode 



70 « Ons Volksleven. »» 

zou moeten handelen als het gemeentebestuur van Water- 
mael-Boitsfort. 

Met de namen onzer straten is het even roekeloos geschied. 
Te Schaeibeek stond nog voor ettelijke jaren op den hoek 
van het strnntjc nevens het oud kerkhof Sticht imjstraai (rue 
de la fondation), ter oorzake eener stichting; men veran- 
derde de oude benaming in Grondvestsiraat (rue des fonde- 
mentsi. Men verzekert mij, dat de uitvinder van Boschvoorde 
ook do uitvinder is van Grondvestsiraat. 

Waarom heeft het gemeentebestuur van Schaerbeek zich 
vooraf niet overtuigd, dat de personen, wien het zijn ver- 
trouwen schonk, het verdienden door hunne bekwaamheid? 
Voor het geringste plaatsje eischt het een examen. 

In alle geval zou het beter zijn, de plaatsnamen te laten 
wat ze zijn, dan ze door taalfouten te verminken, gelijk in 
S. Joost-teii-Oüde 

Schacrheel-, M<ert 1893. Hendrik Peeters. 

(^m mi^t mtk irjinnlgehrmte. 
I. 

DE Maandag in de Goede Week hict oudtijds te Brugge 
Kdlfdoff. Men gaf den bijnaam van Kalf aan het kind 
dat dien dag laatst in de school kwam, en daarom door zijne 
medeleerlingen geplaagd word. Men sloog het ook met eene 
vod of eenen lap, dien men insgelijks lalf noemde. 

In 1760 verdronk een kind in het kanaal, toen het over 
het water bukte om het lalf te wasschen. (i) 

II. 
Het gebeurt wel eens dat de schoolgasten, in plaats van 
recht naar de school te gaan, zich onderwege in het spel 
vergeten, en dan veel te laat, ofwel in 't geheel niet in de 
school komen. 

(1) «Kalldag, kalfmaandag : die laatst in schele komt, is "'tkalf.» Men 
maakt de gedaante van een kalf, verlieeldendo den Yastt n, den winter, 't oud 
heidendom, et» men versmoort het,r (1 ■" (ixido Gezeij.e"s DvilinlmanaTi). 



« Ons Volksleven. »» 71 

Te Ath had men eenen middel om dat misbruik te beteu- 
gelen, door namelijk eenen jager aan te stellen, die voor 
last had de kinderen, die haagschool hielden, op te zoeken 
en te achtervolgen. 

Dat ambt wierd afgeschaft in 1757. 

III. 

Overeen dertigtal jaren nog, waren er scholen, waar men 
de luie of onoplettende leerlingen groote papieren ezelsoo- 
ren opzette en ze zoo, voor hunne straf, in 't midden der 
klasse op hunne knieën plaatste. 

IV. 

Oudtijds droeg men, op den 8" Mei, te Edingen de reliquie- 
kas van St. Niklaas naar het gasthuis over. 

Die plechtigheid gaf aanleiding tot eene uitspanning voor 
de schoolkinderen, die met hunne meesters in de naburige 
bosschen mochten gaan wandelen, om er meitakken te 
snijden en lentebloemen te plukken. Dat is wellicht de 
reden, waarom die heilige de '^ groene Sint-Niklaas»' gehee- 
ten wierd. 

V. 

De eerste Zondag van den Vasten was te Zoningen bekend 
onder den naam van «gelukkig vuur. w 

De schoolkinderen gingen van hoef tot hoef, om strooi en 
andere brandbare stoffen rond te halen. Na het gekregene 
op eene hoogte gedragen te hebben, staken zij het in brand, 
dansten al zingende rond het vuur en sprongen ten laatste 
over de gloeiende kolen, (Th. Lejeune. L'anciennc vilJe de 
Soignies). 

VI. 

Tot op het einde der XVP eeuw vierde men in dezelfde 
stad de feest derOnnoozele Kinderen. 

De kanoniken der collegiale kerk stonden dien dag, gedu- 
rende den dienst, hunne plaatsen af aan de koorkinderen. 

Een der kinderen droeg het gewaad van deken, terwijl de 
andere in kanoniken verkleed w^aren. 

Na de plechtigheid moest de eerstgenoemde zijne gezellen 



72 « Ons Volksleven. » 



onthalen met het geld, dat te zijnen voordeele in de kerk 
rondgehaald was. (Arehives dti Chapifrc de Soignies). 

('t Vervolgt). Alfried Harou. 



1. (8) Klakske. 

DE jongens, die aan dit spel deelnemen, moeten van eene 
kl;ik, pet of pots voorzien zijn; al die hoofddeksels wor- 
den opeengestapeld to ren sge wijze, en zoo hoog mogelijk. 
Dan vormen de jongens eenen kring, geven malkander de 
hand, en beginnen rond den hoop te loopen. Ieder tracht bij 
't ronddraaien zijnen gebuur tegen de klakken te trekken. 
Springt men in dat geval over den hoop, dan moet men er 
nogmaals achterwaarts over, wat niet zelden voor gevolg 
heeft dat door eenen snellen, maar verkeerden sprong, de 
klakken uit elkander geschopt, langs alle kanten rondvlie- 
gen. 

Die loslaat of eene klak doet vallen, verlaat den kring, en 
wacht, om zijne strafte krijgen, totdat het spel uit is; het 
omverwerpen van den ganschen hoop, stelt een einde aan 
het spel. Dan volgt de straf. 

Die er (uin zijn, moeten met den lesten verliezer aan het 
hoofd, door de spifaJcdr. Nu nemen de overige jongens op 
twee reien plaats, en vormen aldus eene haag of spitskar. 
De spelers zijn gewapend met eenen neusdoek, halsdoek, 
sjerp of eene klak, waarmede zij op de schuldigen troeven 
mogen, terwijl deze drijinaal heen en drijniaal weer door de 
spitskar loopen. In neus- of halsdoek of sjerp mag men een 
paar knoopen leggon, om de slagen gevoeliger te maken ; 
het is echter verboden ergens anders dan op den rug tf 
slaan. 

Soms gebeurt het ook wel dal uien op vooi'hand afspreekt 
de slagen met de twee vuisten ie gelijk te i>even. Die Mijze 



Il /. Om VnlkslfiKi'». \.)>h,]7..m. :-.!. -',. - - IM. Lladz. 101, 126. 1: 



« Ons Volksleven. » 73 

van spitskar loopen is echter niet veel in zwang, daar zij 
heel gemakkelijk aanleiding geeft tot twist en tweefiraciit 
tusschen de jongens. 

{Ani werpen). J. B. Vervliet. 

12. (135.) De Hardlooper te Eersel. 

T ENAARD Vervest, op het gehucht Heestort te Eorsel woon- 
J_^ achtig en aldaar in 18** overleden, bezat het vermogen 
om verbazend spoedig en lang achtereen te kunnen gaan of 
loopen, waarom hij dan ook den naam van hardlooper droeg. 
Omtrent 50 jaar geleden, ging hij eens, met het voornemen 
om ossen te koopen, Jiaar de merkt te Neerpelt, doch daar 
hij er geene van zijne gading vond, verliet hij om 10 ure deze 
plaats, na zijne schoenen uitgetrokken te hebben, nam te 
zijnen huize met der haast eenige verversching en liep naar 
Oosterwijk, waar hij op de merkt om half één des middags 
reeds beesten had gekocht. Hij keerde nog denzelfden dag 
huiswaarts en had daarin ongeveer 18 uren afgelegd. Veel 
dergelijke zaken worden van hem, en in waarheid, verhaald, 
die ik niet onder de «sagen» zou opnemen, ware het niet, 
dat sommige lieden zijne verwonderlijke vlugheid allèèn 
kunnen gelooven, omdat zijne vrouw hem daarbij «gelicht», 
d. i. op eene onzichtbare of tooverachtige wijze zal geholpen 
hebben. 

13. (136.) Een Bloedende Grenskei (i). 

AN Simons veld te Duisel lag tusschen twee perceelen een 
hoog uitstekende kei, voor afscheiding van eigendom 
aldaar in ouden lijd geplaatst. De spelende knapen vermaak- 
ten zich menigmaal door op en rond dien kei te loopen en te 
springen, waai door het wel gebeurde dat de veld vruchten, 
tot ongenoegen der eigenaars, beschadigd en plal getrapt 
werden. Ouders en andere bejaarde personen wisten aan 

(1) Grenskei =^ arduinen grenspaal of grenssteen. 



74 « Ons Volksleven. » 



sommige jongens voor dien kei eenig- ontzag in te printen 
door te beweren, dat bij het inprikken van eene naald of 
speld, er bloed uit vloeide. Men vertelt zulks van menigen 
groeten of vreemdsoortigen kei, vooral van dezulke aan 
grenzen gelegen, zoowel in deze als in andore stroken, o. a. 
van den reusachtigen,platvormigen kei, gelegen op Belgisch 
grondgebied, niet verre van de Nederlandsche grens, in de 
nabijheid der zeven heerlijkheden en de Kempische vaart. 

14. (137.) De Doodenput onder Luiksgestel. 

WAAROM dit moeras of soort van vijver — het is sedert 
onheuglijken tijd aan drie zijden met een walleken 
omringd — in de heidede Amprijt dien naam draagt, is 
geheel onbekend. 

Aan den Doodenput (Doóput, Dooiput) verbindt het volk 
eene legende, die op de volgende wijze verhaald wordt. 

Eens kwam daar een militaire ruiter, op weg naar een 
dorp. Tot welk leger of rijk hij behoorde en wanneer het 
geschied is, weet men niet meer, want het moet heel lang 
geleden zijn. Hij bemerkte (ot zijne vreugde dat waterrijk 
ven, waaruit zijn dorstig poerd drinken ken, en terwijl liet 
zijnen dorst loschte, bleef hij er op zitten, maar langzamer- 
hand geraakte het voizonken in het moeras en verder in den 
put die omtrent het midden van het ven bestaat, zoodat man 
en peerd daarin de dood vonden. Van dien tijd af wordt dat 
ven, hetwelk vi'oeger geenen of eenen anderen naam zou 
gedragen iiebben, de « Dooiput « gehoeten. Het moet oudtijds 
nog dieper geweest zijn; want door het roten van vlas, 
kemp of hout en door andere omstandigheden werd mogelijk 
de bodem eenigszins hooger. 

15. (138.) De Gloeiende Paap. 
Eene legende uit het Postelsoh bosch, door Lens. 

6NDER bevenstaanden titel is in 1868 te Herenthals een 
romantisch boekje van 63 bladz. gedrukt, waaruit ik de 
voornaamste gebeurtenissen boknoptelijk overneem. Volgens 
het verhaal eener vrouw, die in genoemd jaar ruim 87 jaar 



« Ons Volksleven. » 75 



was, hadden ze plaats ten tijde van den vader van don 
grootvader heurs overgrootvaders vader. 

Op eenen avond der maand September, reed een jonge 
ridder, die op een kasteel tien minuten ten Zuiden van 
Valkenswaard (i) gelegen, te huis behoorde, door den langen 
en somberen weg, die in eene oost-wesielijke richting het 
donker en uitgestrekt Postelsch bosch dooisnijdt. 

De jongeling voerde twintig duizend roebels bij zich, eene 
erfenis, om die naar zijnen oom te brengen, die in de omstre- 
ken van Herenthals woonde. Hij hield zijnen geest bezig 
met menigvuldige afgrijselijke gebeurtenissen, die door het 
volk aan dit alom gevreesde bosch waren verbonden. 

Omtrent middernacht hoorde de beangste ridder Berthold 
uit de diepte van het woud, een gefluit, hetwelk spoedig van 
de andere zijde van het bosch herhaald werd. Nu steeg een 
aanhoudend fluiten van alle kanten op. Vijf vermomde 
mannen sprongen eensklaps in de baan en versperden ze met 
hunne vlammende fakkels. Heldhaftig sloeg de jonkman 
met zijnen degen door de bandieten heen, ten einde zich 
eenen weg te banen. Dat gelukte hem niet. Een roever 
sprong met zijne brandende toorts liet peerd te gemoet, dat 
zich verschrikt op de achterpooten richtte en zijnen afge- 
matten ruiter half bewusteloos achter zich op den grond 
wierp. De bandieten grepen het peerd, knevelden des ridders 
handen pijnlijk op zijnen rug en verbonden zijne oogen met 
eenen zwarten doek, waarna een verveeiiijke roover hem 
bevool te peerd te stijgen en vervolgens achter den edelman 
in den zadel sprong. Andere struikroovers verdw^enen met 
den buit in het bosch. Na eenen raadselachtigen omweg van 
eene halve uur, in de wildste vlucht, hield Huigebaard, de 
hoofdman, het peerd waar de jonkheer op zat, nabij het 
roovershuis stil, hielp den ridder uit den zadel, geleidde 
hem in de woning der bandieten, en ontdeed hem van den 
blinddoek en wat later van zijne boeien. Het peerd w^as 



(1) Voor zooveel men weet, stond er oudtijds nooit een kasteel onder 
Valkenswaard, maar wel onder Waalre. 



76 « Ons Volksleven. y> 



inmiddels aan een toegetreden persoon overgegeven. Drie 
maanden geleden hadden de roovers, in don diepsten schuil- 
hoek van dit gevreesde boscli, hunne spelonk gemaakt en 
waren toen reeds meer dan vijftien maai vanstreek veran- 
derd, om beter aan de vervolgingen van het gerecht te 
ontsnappen. Des nachts ontwaarde de ridder iii dit hol 
allerhande moord tuigen en moest van de roovers verschrik- 
kelijken angst doorstaan. Behalve Bello, de zestigjarige 
vrouw van Huigebaard, bevond zich in deze rqo verswon ing 
eene schoone maagd van twintigjarigen leeftijd, die, vol 
medelijden jegens den lidder, van haar gewaaiulen vader, 
den rooverskapitein, verlof kreeg om hem in het vertrek te 
bezoeken, waar hij in opgesloten zat. De ridder wordt over- 
tuigd dat deze goedhertige dochter op het kasteel harer 
ouders uit de wieg was geroofd, toen de bandieten veel 
andere kostbaarheden, waaronder familiewapens, mede- 
voerden. Berthold had eenigc van deze laatste in dit moord- 
hol ontwaard. Zij was de dochter van den graaf van Leliën- 
daal, die, alsmede zijne vrouw ontzettend veel geleden had 
dooi" het ontvoeren van hun dierbaar kind Clara. 

De jonge ridder en de maagd welen uit het verblijf der 
binders in het Postelsch bosch, door het kreupelhout heen, 
te ontvluchten. Berthold brengt Clara bij hare ouders en 
begeeft zich voorts tot de zijnen, die mede in de uiterste 
droefheid verkeeiden, wegens zijn te lang uitblijven van de 
ondernomene reis. Later treden Berthold en Clara, beide 
eenige kinderen, in het huwelijk, waartoe zij door hunne 
ouders reeds van in hunne teederste jeugd waren bestemd 
geweest. 

Het roovershol in Postelsch bosch wordt niet lang nadien 
ingenomen, de bandieten ontsnappen op wonderbare wijze, 
en Bello wordt, volgens de stiafwetten van dien tijd, ver- 
brand aan eenen hoek buiten het bosch, aan de zuidzijde, op 
eenen kleinen heuvel die aan eene aloude grafterp gelijkt. 
Deze plaats noemt men hoi graf der verbrande tooverheks 
en wordt soms nog door kinderen vermeden, als zij uitgaan 
om boschbeziën te plukken. 



« Ons Volksleven. » 77 

Naar luid der overlevering, hadden de roevers bij de 
verdwijning uit hunne spelonk in hei Postelscli bosch, zich 
opnieuw verzameld in eeno krocht bij het Liraburgsche dorp 
Lummen. Hier zwoeren zij, in eene nachtvergadering, het 
innemen hunner spelonk en Bello's pijndood bloedig te 
wreken. De onmenscholijke Huigebaard had eene buks 
waarin 13 ballen en hieronder éen met bloed geverfd, ter 
stemming op de tafel gelegd en riep onder meer vreeselijke 
verwenschingen : 

« Hij brande en loope gloeiend de velden rond, die bij het 
lot eonen oogenblik zou durven aarzelen ! » Hij haalde den 
rooden \ioge\ te voorschijn, en nu zou hij zijne verschrikke- 
lijke wraak ten uitvoer gaan brengen, «of zijne voorzegging 
zou in volle geweld op zijne laffe ziel werken, n 

Als pelgrim verkleed, komt hij op het kasteel van Bert- 
hold, waar hem de beminnelijke bewoners een goed nacht- 
verblijf verleenen. Te middernacht begon Huigebaard zijn 
ijselijk voornemen ten uitvoer te brengen, doch dit werd 
verijdeld, voornamelijk door den moed der getrouwe dienst- 
boden Roza en Gasper. Deze laatste deed hem, onder het 
schot van zijn vuurwapen, op het voorhof des kasteels 
nedervallen en zag zijn lijk door de andere roevers in het 
bosch voortsleuren. 

Sedert dien rijst er in de omstreken van Postel, bij donkere 
nachten, eene gloeiende menschengedaante uit de moerassen 
op en zweeft eenzaam en verlaten over de onafzienbare heide, 
totdat zij in een en kolk verdwijnt. 

Het volk noemt deze schim «de Gloeiende Paap», en 
erkent in haar den rampzaligen Huigebaard, die het ellendig 
lot zijner verwensching moet boeten. 

Deze gevreesde schim was natuurlijk niets anders dan een 
overgroot dwaallicht dat uit de moerassen van Postel opsteeg 
en door den wind werd voortgedreven. Door het graven der 
Kempische vaart, in het jaar 1844, is wellicht het moeras 
verdwenen, waaruit het dwaallicht ontstond. Het verscheen 
niet meer. 

Ct Vervolgt), P. N. Panken. 



78 « Ons Volksleven. » 



3Jnekto0pnkiïïg. 



Chicago Polk-Lor e Society 's publications. N" 1. The 
Folk-Lore Manual, by Lieutcnaut Fletcher S. Bassett, U. 
S. N., Secretary of llie Society. Gbicago, lil., 1892. — Klein 
boekd. in-12° van 87 bladz. 



Kort na het ontstaan van The Chicago Folk-Lore Society was 
een dor eerste zorgen van dit geleerd genootschap, voor zijne 
leden en n,'inlil<'vers een Vraaghoek voor Folklore uit te geven. 

Dit vraauboek, tot welks samenstelling do werken van G, L. 
Gom me {Hand hook of Folk-Lorc) on Paul Sébillot {Instructions 
et Quesiionnaires) ruimschoots benuttigd worden, wijkt echter in 
sommi(j:e deelon ver af, van wat wij in dien zin roods bezitten. 
Doch dit kan ook niet anders, daar do opsteller rekening te 
houden had van den a:ird zijns volks en der Indiaansclie stam- 
men, wier /oden en gewoonten in volo punten hemelsbreed van de 
on/o verschillen. D.iar de Amerikanen op het gebied van handel, 
nijverheid en uitvindingen een zeer vooruitstrevend volk ziin, 
vond de verzamelaar hier nogmiials stof tot het verrijken van 
zijn Vraaghoek. 

Het werkske, dat zoo beknopt mogelijk de verschillende pun- 
ten aanroert, zonder voorbeelden te geven, is voorafgegaan van 
een woord tot inleiding, eene kleine verhandeling over de wijze 
waarop mon de stof der folklore verzamelen moet, en eindelijk 
oenige wenken over het nut van den bibliographischeu arbeid in 
zako van volkskunde. 

Dit hoogst nuttig boekske eindigt met eene lijst der voorwer- 
pen, in vijf reeksen verdeeld, die in eene folklorevorzamoling, 
beter gezegd in een Museum voor volkskunde, dienen opgenomen 
Ie worden. J. B. Vervliet. 

%\^nï itati Cijferlirifteti. 

't Daghet in den Oosten, IX, N""» 1-2. — Limburgsch Nederlandse h. — Iets over 
afleidkunde. — De drie Ruitertjes. — lu de drie Peerdskoppen. — Wangeloof. 

— Onze vogels. Limbui-gsche namen. 

Volk en Taal, V. N"- 9. — Bijdrage tot den Nederl. taalschat (F. de Vos), — 
Vertelsels : Sneeuwwitje (T. van Heuverswyn). — Voorbij eene kerke (A. van 
Heuverswyn). — rarochiewacht te Eine, 17« en I8«eeuw (K. van Caeneghem). 

— Boekbeoordeeling(P. B.). 

Biekorf, IV, N'' 6. — Van Jaaksken en Jakinneken (L. Waltere). — Kneipp's 
geneeskruiden (J. Samyn). —Slaapt gij uog?(G. Gezelle). — Kokte (A. 
L>a88onville). — Sapinen (G, ü.). — Mingelmareu. 



« Ons Volksleven. >» 79 



Het Belfort, VIII, N"" 4. — Shakespeare-Bacon (O, Loosen). — Een terugblik 
op 's Pauses juhelfeesl (B. Mets). — Lick's observatorium in Californië (J. B. 
Marteus) — Eemo:e woorden over kerkschildering (ü. van Pokseele). — 
Het slot Liniburff (Hilda Ram). — Hist. inleiding lot de Uerm. en Nederi. 
taalwetenschap (Th. Stille). — Paus en werl<man (K. Manman). — Als de vos 
de passie preekt, boeren wacht uw ganzen (J. Truyts). — Bij de eerste 
communie van jufvr. Maria R... (.1. Bal). — Driemaandelijkcch overzicht 
(J. Cl.). — De laatste dooden. — Boekennieuws en kronijk. 

Oietsche Warande, VI, IS"" 2. — De christelijke 'J'ypologie in beeld, in woord 
en in handel 'ng (J Gr. R Acquoy). — De Maria- Al a^idalenekerk ie Amster- 
dam (A. A H.) — Eeiie Nederduitsche kolonie bij Trier (M. Keuffer) — Iets 
over narden scliilderwerk (H. Biegehiar). — Een ciborium als lijkbus, met 
menschei'hert, opgedolven in Limburg (0. Ubaghs) — Kunstvvegen. Oor- 
spronkelijke novelle (L. Stratenus). — Een zoenbrief van de XIV* eeuw, 
betreffende de familie van der Noot (J. -Th. de liaadt). — O Eerdentroost. .! 
(G üezelle) — De psalmen in gezangen (Em Hiel). — Boekennieuws. — 
Inhoud van tijdschriften. — Vondeliana — Omroeper. — Bijlage 

Kempisch Museum, III, N"" 2. — Chonologische en analytische oorkondenlijst 
van Mierde (Th. 1. Welvaarls). — Eenige trekken uit de geschiedenis van 
Grobbendonck. — Wechel-ter-Zande en Vlimmeren. Schrikkelijke misdaad 
aldaar gepleegd in den nacht van 23-21 Maart 1667 (J. Michielsen). — In 
memoriam (J.-Th. de Raadt). — Scheiding der begijnen- en parochiekerk van 
Hoogstraten (P. J. Goetschalckx). 

Dietsche Stemmen, 1, N'' 6. — p]en kijkje in Jan Ilolland's laatste werken 
(Matthieu) — El nuevo munde Tooneelsluk van Lope de Vega (O Loosen, 
S. J). — Een nieuw boek over het Mahabharata. Slof(C. Lecoutere). — Eene 
nieuwe vertaling van Cornelius Nepos. — Naklank van boeken en tijdschrif- 
ten. — Boekbeoordeeling. 

Jong Antwerpen, strijdend Vlaatnschgezind Studentenblad. Bureel : Ketsstraat, 
61, te Antwerpen Prijs : t fr. 

I, N''8. — 's Pausen jubelfeest. — Zalige herinneringen. — Eigen taal, 
eigen zeden. Familiefeest. — Schoolnieuws — Vlaamsch in 't onderwijs. — 
Jakob van Maeilant — Godsdienst en moedertaal. — Overzicht der Viaam- 
sche werking. — Adelfons Henderickx in den Nederduitscheu Bond. 

Verslagen en Mededeelingen der Kon. VI. Academie voor Taal- en Letterk., 1893, 
N"" 1. — Toespraak van den heer P. Génard. — Bibliographische aanteekening 
(J. Micheels). — Lezing : Iets uit den taalstrijd te Antwerpen op 't einde der 
XVIll«eeuw(L. Mathot). 

Annales de laSociété d'Archéologle de Bruxelles, VII, N"" 1. — Le pélérinage 
d'Olympie (Buis). — Notes sur quelques ol)jets de 1'eglise de Vlierzele (S. de 
Schryver). — L'excursion d'Enghien et de Hal (E. Nève). — Vestiges du pre- 
mier age du fer a Bologoje (Russie) (P" 1'. Ponijatine). — Essai sur la liberté 
de la presse en Belgique durant la domination frai.gaise, 17P2 1-14 (P. Ver- 
haegeu). — I a villa belgo-romaine de Nouvelles (E. de la Roche de Marchien- 
nes) — Le cimetière franc de Harveugt (E de la Roche de marchiennes). — 
Un eouvercle de coffret en cuir estampé du XV^ siècle (J . van der Linden). — 
1'rocès-verbaux des séances. — Bibliographie. — Mélanges. — Quostions et 
réponses. 

Wallonia, 1, N"" 3. — Un usage fétichisteaBraine-l'Alleud (C. J. Schepers). — 
Quelques usages similaires (O. Colson). — Coutes mervcilleux (F. Sluse, J. 
Marlin). — Débats. III (L Loiseau) — Les Pourquoi (M C. Renard, O. Col- 
son). •— Notes et enquêtes (J. D., ü. C). 



80 « Ons Volksleven. » 



Revue des Traditions populaires, VIU, N"" 2. — Imagerie populaire russe. 
L'all)um Hitine (A. Rammelmeyer). — Le portrait de la maitresse (M™« C. 
üras). — Coutumes scolaires (L. de la S et A. Tausserai). — Les Mines et les 
Mineurs. XX (R Basset). — Légendes et superst. préhistoriques. XV-XVl 
(G. Fouju et A Harou) — Le Carnaval de Dnnkerque (A Desrousseaux). — 
Contesrecueillis a Tunis (A. Ferme). — Poésies sur des thèmes popul, XXVI 
(J. Richepin). — Tradil. et superst. de l'Aujoti (G. de Launay). — Les Moza- 
rabes (E. Mrtison). — Les Tradit. pop et les éerivains Iraugais XI. Scarron 
(P. Sébillot) — Miettes de folk-lore parisien XX. Les chiffonniers (A l'er- 
teux). — Légendes lalaviennes. XVlll (H. Wissendorff). — Littérature orale 
de la Gnyan". 1. II. Contes et devinettcs (G. Haurigot). — Seconde vue et 
intersigncs. IV-Vl (l'. Sébillot). — Pastiches de chansons pop. (J, Tiersot). — 
Bildiographic (P. S ) 

Mélusine, VI, ^.''■7. — la fille qui fait la morfe ])Our son hcnneur garder 
(G. Doncieux) — üblations a la mer et présagt>s (11. (i ). — Airs de danse du 
Morbihan (.\."« E d(! Schoultz-Adaïevky) -- Viser et atteindre 1'idóle (H. G ). 

— Le salut et la i olit' sse (II. G.) - La fascination : e) Thérapeutique (.1. 
Tuclimann). — Les Védas réduits a leur juste vakur (A. Barth). — ChansouB 
pop de la BsseBrctagne (E Ernault). — iJibliographie. 

Am Ur-Ouell, IV, N"" 1 — Ueber den Zauber mit nienschlichem Blut und 
dessen Cereitionial-Gebrauch bei den Indianern Amerikas (Ü"" A. F. Cham- 
lierlain) — Der 'l'anz im nlten Aegypteii ( \. Wiedemann). — Warum gehen 
Spukgeister kopflos um? (H I*'. Feilberg) — Besprechungsformeln der 
Wotjaken (D'B. Muncaksi) — Eliah der Prophei (B. W. Schiffer). — Der 
Tadèl des Zuvielredens in Sprichwort und Volkai.schauung (D"" L. Frankel). 

— Ueber Reisigliaufung an Mordstellen (A. Treichel). — Tod und Toienfeti- 
schc im Volkglauben der Siebenbürger Sachsen (D"" H. v. Wlislocki) — 
JJeruisches Volklied (O. Schell). — Der IMann im Monde (A. Treichel u Pr.). 

— Türiische Volkratsel (D<' I. Kunos) — Sagen aus Mecklenburg (K. E. 
Haa'^e'. — Südslavisclie Volkmedizin (F. S. Krauss). — Bastlösereime (O. 
Schell). — Die Stirne im magyarischen Volkglauben (L. Kalmany). — Kleine 
Mitteilungen. — P.ücherliesprechungen. 

Biatter fUr Pommersche Volkskunde, Monatschrift für Sage tmd Mareken, 
Siite und Braurli, Schnank und Stretch, Zied, Ratsel und Sprachltches in 
Ponimern. Herausgegehen von O. Knoop und I)' A . Haas Preis : i M. 

Ij.N'l — An die Leser — Neue Voll<ssagen aus Pommern (O Knoop). — 
Auf dem broiten Steii e stehcn (D"" A. Haas). — Aus Colbergs Ehrentageu (Df 
A. Jlruuk). — Uuhkaüking von Halberstadt. — Abzahlreime (II. Dassow). 

Is'i' 2, — Keue Volkssagen aus 1'ommern (ü. Knoop). — Schimmel und 
Schappbock im l'yritzer Weizacker (l)'' Blasendorff). — Einladung zur 
llochzeit(A. Pommerening). — Volkslieder aus 1 ommern (D"" A. Brunk). — 
Zwei neue llimmelsbriefe (Dr A. Haas). — r Pommersche Marcheu. — Scherz 
und Spiel. — Pommerland im Ratsel (O. Ki.oop). — Abzahlreime (A. Dassow). 

— Litteratur (H ). 

The Journal of American Folk-Lore, V, Jvr 19. — Folks-songs of the civil war 
(A. M. Williams). — Ithymes fromold powder-horne (W. M Beauchamp). — 
A Mississaga legend of 5,anibaju (A. F. Cliamberlain). — Nambozhu in Siou- 
an mylhology (.). Owen Porsey). — Epitapiial inscriptioLS (D. P. Penhallow). 

— Folk loi'e from N'aine (G. Decrow) — .\oteson the chinese in Boston (M. 
Chapman). — Old English soiigs in American vcrsiojis (W.W. Kewell). — 
Folk-lore scrap-book (M. V.. Chamberlain). — Notcs and Queiiis. — l.ocal 
meetings and other notices. — Bibliographjcal notes. 

DRUKFEIL. — In nr 3 van « Ods YolkBleveii » komt eene niisplaatBing voor. De nota 3, op 
bl. &2, moet voor nota 1, en du nota 1 moet voot nota 3 gelezen worden. 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« P> is iiopf oen rijke oogst op het veld der gewestsprakeu voorhanden ; 
veel volksuiulrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZuiDNEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN 'ï AA1,KV!'> DE. Wcdstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk iu zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, hel volk zooals het is. » 

Vrnagboek voor Vlaamsche volkskunde. 

^ VIJFDE JAAR. ♦ VIJFDE AFL. "♦^ 

%t\% mn 'Cnntierlineketi, 

(Nalezing) 
De Toover- of Pintjesboeken te Antwerpen. 

^E boeken, noodig tot het uitvoeren van zwarie 
Irunsicii, heet men hier iooverhoekcn of pi nfjesboe- 
hen. Over 40-50 jaar hoorde men er nogal veel 
over spreken te Antwerpen. Zij die zulk eenen 
tooverboek verlangden, gingen dan met Putte-Kermis naar 
HoUandsch-Pütle, en kochten er voor éenen of meer gulden 
eenen pintjesboek. Die handel werd echter maar onder den 
dekmantel gedreven, en was men niet goed op de hoogte 
gebrachtdoor den eenen of den anderen gedienstigen vriend 
van tooverij, dan kon men te vergeefs de gansche jaarmerkt 
afzoeken, zonder aan eenen pintjesboek te geraken. Had men 
den rechten man gevonden, dan moest men den tooverboek, 
groot of klein, — en natuurlijk alles naar zijn geld, — 
koopen zonder aanraken en zonder afdingen. Over de boeken 
lag een doek gespreid ; de kramer nam den doek weg, en 
men wees met den vinger den boek aan, dien men ver- 
langde. Den titel kon men niet lezen, daar de boek recht 
naar den kramer gekeerd lag. Was de pintjesboek betaald, 




82 « Ons Volksleven. 



dan Qiocht men hem niet opnemen, maar moest hem uit de 
handen des kramers ontvangen, en aanstonds in den zak 
steken. 

Pintjesboekcn kon men ook in den Jodenhoek te Amster- 
dam gaan koopen. Of er behalve liet afdokken der giüdens 
nog formaliteiten in acht te nemen waren, is mij onbekend. 

De bezitters van pintjesboeken konden eene menigte 
zwarte Ininstcn uitvoeren, waarvan wij enkel de eenvoudigste 
zullen opnoemen. 

Ging zoo'n man 's avonds op zijne pintjes, dan had hij niet 
noodig den sleutel der huisdeur in zijnen zak te steken. Hij 
liet bij het heengaan de deur wagenwijd openstaan, en om ze 
in 't nachtslot te hebben, had hij er maar met zijne klak 
naar te wijzen. Kwam hij thuis, dan wierp hij zijne klak 
tegen de deur, die aanstonds openvloog. 

Die klak kon hem nog al meer dienst bewijzen. Wierp hij 
ze in eenen boom, dan regende hot geld uit de kruin. Dit 
loste geschiedde ook, als hij den boom schudde. Er dient 
echter aangemerkt te worden dat dit geld vlieqend (jclcl was, 
on uit de zakken verdween, op den oogenblik dat men thuis 
kwam. 

Wierp hij zijne klak op den grond, dan kon hij, evenals 
Lange Wapper, haar in oenen ijzeren pot doe:i veranderen. 

Als hij aan tafel zat, on < ene g^ede flesch uit den kelder 
verlangde, dan moest hij maar eventjes zijne klak oplichten, 
om de bedoelde flesch op tafel te zien verschijnen. 

Al die, on veel moer andere zwarte kunsten, kon men 
uitvoeren, als men eenen pintjosboek bezat, on die macht 
bleef u bij lot op uw sterfbed, tenzij men zijnen boek door 
oenen priester liet verbranden. J. B. Vervliet. 

KLUDDE is een groote hond met groote klauwen aan de 
pooton, en oenen broeden kop, waar uitpuilende oogen 
in staan ; hij is heel en gansch met ruig haar bewassen ; heel 



« Ons Volksleven. » 83 



zijn lichaam hangt vol ijzeren ketting-en, die hij van lijd tot 
tijd laat slepen over den grond. 

Kludde woont in de holle hoornen. Als ge 's avonds of 
's nachts voorbij zijne woning komt en hij is er in, dan verge- 
zelt hij u, zonder u nochtans leed te doen, totdat gij ergens 
binnengaat. Somwijlen springt hij met zijne voorste pooten 
op uwen rug en klemt zich sterk aan u vast, zonder dat het 
u gelukt hem van uw lijf te schudden. Zijnen kop legt hij op 
uwen schouder te rusten, en zoo moet gij hem dragen, totdat 
ge aan uw huis komt. En hoe langer ge dien last draagt, hoe 

zwaarder hij wordt. (Schelle). 

* * 

Kludde heeft te Schelle ook lange jaren alle nachten op 
een brugsken gezeten, aan cenen eenzamen weg. 

Zoo was er eens eene juffrouw die langs dien weg 's avonds 
laat naar huis ging. Opeens springt Kludde op haren rug, 
slaat zijne sterke klauwen om haren hals en legt zijnen 
breeden kop op haren schouder. 

De juffrouw begint te schreeuwen en om hulp te roepen, 
maar Kludde laat niet los. Ze sleurt, zooveel ze sleuren kan, 
met Kludde tot aan haar huis. Daar sprong het monster van 
heuren rug en liep er van door. [Schelle). 

* * 

Een zatlap keerde in 't laat van den avond naar huis. 
Onderwege kwam hij Kludde tegen en zei hem : « Kom, 
manneke, ga gij met mij maar mee. « 

Kludhond ging mee; de zatterik streelde hem, zeggende : 
" Maar manneke, wat hebt gij ruw haar! Kom, manneke, 
ga gij met mij maar mee. » 

Aan zijn huis gekomen, klopt de man op de deur, al 
roepende : « Doe maar gauw open ! » — « Blijf gij nu maar 
buiten, manneke, » zegt hij tegen Kludhond, toen de deur 
open was. Kludde bleef buiten staan. Daarop ging de 
dronkaard door de zoldervenster liggen, en zie! Kludde 
stond er nog! ^ Nu manneke, » zei de zatterik, » ga nu maar 
voort, ik ga slapen. » 



84 « Ons Volksleven. » 



Eii hij sloeg de zoldervenster dicht. Maar zijn broeder die 
hem de deur geopend en Kludde herkend had, zei tegen 
hem : «Jongen, hoe durft ge toch zoo iets doen, hebt ge 

dan niet gezien dat het Kludde was? » (Schelle) 

* * 

Op 'nen avond zat eene vrouw van Boom op het gemak. 
Eensklaps hoort zij een gerammel van ijzeren kettingen, dat 
al dichter en dichter komt. In den halven donkere ziet zij 
Kludde naderen en bemerkt bescheelijk zijn zwart haar, 
zijne roodgloeiende oogcn en spierwitte t;inden... De vrouw 
zit te daveren van schrik. Ziet! Kludde staat Jaar vlak voor 
haar. Ze springt schielijk recht en... er was geen levend 

wezen meer te zien. {Schelle). 

* * 

In een huis Ie Schelle heeft men vroeger van Kludde weten 
te spreken. 

's Avonds zat men daar gewoonlijk lustig in de keuken te 
klappen. Op zekeren keer dat het gesprek over Kludde liep, 
hoorde men eensklaps in den gang van het huis het geram- 
mel van zware ijzeren kettingen. Ieder zwijgt en luistert 
met injiehouden asem, maar niemand die het hert had om te 
gaan zien. Men begon te bidden en het gerucht in den gang 
hield op. Van den heelen nacht kon niemand eene oog 
toedoen. 

Dat gebeurde zoo lederen avond. Die zonderlinge geschie- 
denis komt aan de ooren van den beenhouwer, die recht 
over dit huis woonde. « Als het nog gebeurt, » zei deze, 
« komt mij dan eens langs uwe achterdeur verwittigen. " 

's Avonds klonk weer hetzelfde schrikwekkend gerammel 
in drn gang. De man des huizes loopt aanstonds naar den 
beenhouwer. Deze komt net een scheip kapmes den gang in 
geschoten, en ja... daar zat Kludde, met zijne groote vlam- 
mende oogen wijd open. De beenhouwer schrikte niet en 
wierp zijn kapmes vlak in 't lijf van het gedrocht. Kludde 
vluchtte huilende en schreeuwende weg, en is sindsdien 
nooit meer in dit liuis teruggekomen. (Schelle). 

(H Vervolgt), Lenaard Lehembre. 



« Ons Volksleven. >» 85 



36ijkagE tat nu Eem|ii0rli ^tóntirnti. 



(O 



Blad, z. nw , o. — Tong-. Ze kan lieur blad roeren. Dat wijf 
liecft een venijnig blad. Go moogt uw blad zoo niet laten 
gaan . 

Blader (iiitspr. hloar), z. nw., v. — Dit w., hetwelk Kiliaan 
verouderd noemt, wordt nog gebruikt, nanst het onzijdige 
hlad, doch enkel in de beteekenis van blad eener plant, eens 
booms. Daar valt eene blaar van den boom. 

Does, z. nw., m. — Doef, rugslag in de kinderspelen. 
Willen we eens voor doezen spelen? Ik moet u drij doezen 
geven. 

Doezen, w., overg. — Doezen geven, Kil. pulsare impeiu 
& fragorc. 

Doorjager, z. Sch. In de Kempen wordt dat w. op zijn 
Hoogduitsch, met zware e : deur jager, dcurjeger uitgesproken. 

Eerd (zware t), z. nw., m. De vloer van het huis, elders 
ere, nere, eren, neren. Komt niet meer op mijnen eerd. Hij 
staat hier alle vijf voet op den eerd. Ik zal eens gauw den 
eerd wat opkuischen. 

Ees, aas (zware c], z. nw., o. — Het voedsel waarmede de 
voj:elen hunne jongen spijzen. De vogelen brengen èès aan 
hunne jongen. De zwaluw vliegt met èès in beuren bek. 

Eigenmondig, bijw. — Met eigen mond. Hij heeft het mij 
eigenmondig verteld. Ik heb het hem eigenmondig hooren 
zeggen. Vrglkt eigenhandig. 

Ezen, azen (zware e), w., overg. — Spijzen, voeden, van 
vogels gezeid. De oude vogelen komen hunne jongskens 
èzen. 

Pas, z. nw., V. — Bakkebaard, Fr. favori. Z. Sch. 

Ik geef dat w., hoewel het in Sch. voorkomt, omdat hij 
het, naar ik meen, verkeerdelijk afleidtvan het Latijn fascia. 
Ik zou het liever in verband brengen met hetOudhoogduitsch 
fachs, fahs en het Angelsaksisch feax, dat haar beteekent. 

(1) Woorden, woordgedaanten en woordbeteekeuissen, die niet geboekt 
zijn in de idioticoiis vau Schuermaijs, de Bo, Tuerlinckx en Rutlen. 



86 « Ons Volksleven. »» 

Hertslop, z. nw., o. — Opening aan een hemd, voor op 

de borst. 
Kreaal (klemt. op-«fl/), z. nw.,m. — Kind of jongeling 

iSoprano of tenor), die voorzingt op het oksaal. Onze nieuwe 

kreaal kan hoog zingen. Koben zit te zingen gelijk een 

kreaal. 
Kriöler, IcorjoJer, zegt de Jager, beteekent in 't Holsteinsch 

een schreeuwer. 

Musschengriel, z. nw., m. — Kleine hagel, kleine looden 
korrels, waarmede men vogelen schiet, de Bo nnisschcnhiel . 

Overtuikelen, w., onov. — Overtuimelen, overbuitelen, 
Fr, cidlnicr. Kunt gij op uwen kop gaan staan en zoo over- 
tuikelen? 

Ruigt, z. nw., V. — Uitschot, bucht, iets dat klein en 

gering is. Ruigt van volk. Ruigt van eerdappelen. Kleine 

ruigt van boonon. 
De woordenb. vertalen riiigi door hrousailles, mauvaises 

Jierhcs. 

Schade (uilspr. schoa), z. nw., v. — Schaduwe, Hgd. 
ScliaUcn, Mddln. scadc, schade. De scha van dien boom valt 
vlak op den muur. Een dief is bang van zijne eigen scha. 
« ....Om te verlichtene deghene die sitten in demsternissen 
ende in den schade van der doet... « {Leven van Jesus. 
Zacharias' Loflied). 

Versaken, w., o verg. — Hetzelfde als verzaken, dat met 
gehoord wordt. In het Doopsel hebben wij aan den duivel 
moeten versaken. Speelt gij troef uit? Neen, ik versaak. 

Zoeten (uitspr. zu'en), w., onov. — Zoet maken, zoetigheid 
geven. Suiker zoet niet genoeg : ge moet er honing bijdoen. 
Dat is slechte suiker : hij zoet niet. Kandijsiroop zoet goed, 

<S' Anionius-IWccht. Jozef Cornelissen, 

(Durr k krarjit nnn Ijft nirrlilniirrig lUnutrtilnii 
nf k , jUnutmi iiirr; 



IJ 



n 



w 



ET volk hecht eene bijzondere kracht aan het vierbladerig 
klaverblad, « klaveren vier » genoemd. Dat blad heeft 



« Ons Volksleven. » 87 

juist de gedaante van een kruis en wordt maar zelden in een 
klaverveld aangetroffen. Snijdt eene vrouw klaver en vindt 
ze cene « klaveren vier », 't is een teeken dat ze dien dag 
geluk zal hebben. Indien ge zulk blad bij u draagt, is er geen 
enkele goochelaar bekwaam om uwe oogen te beguichelen 
of te verblinden, en ge ziet alles geheel natuurlijk en gelijk 

het inderdaad gebeurt. 

* 

Het was jaarmerkt te Itegem. In het midden van het dorp 
staat een dikke lindeboom en daaronder was een goochelaar 
bezig met, voor eenen grooton hoop volk, allerhande won- 
dere toeren te verrichten. Onder andere kroop hij herhaalde 
malen dwars door den boom. Het volk kon zijne oogen niet 
gelooven. Een pastoor kwam daar voorbij, en glimlachte 
eens met de gapers die er op stonden te zien. De goochelaar, 
die dit bemerkt, had, hield voor eenen oogenblik op, totdat 
de priester voorbij was. Daarna begon hij weer opnieuw. 
Daarop komt er een oud vrouwken aan, met ecne bussel kla- 
ver op heur hoofd. Zij ziet een weinig het spel aan en zegt : 
« Wel gij zotte menschen, waar gij op staat te zien! Die man 
kruipt door den boom niet; hij gaat er maar rondom. » De 
goochelaar, dut hoerende, komt naar heur toe, stoot het pak 
klaver van haar hoofd, en herbegint zijnen tour de force, 
zooals hij het noemde. « Wel, hemelsche deugd! » roept het 
vrouwken, ^^ hij kruipt er algelijk toch door! » 

In de bussel klaver was een vierbladerig blad verborgen, 
waardoor de vrouw alles heel natuuilijk zag gebeuren, maar 
toen de klaver van haar hoofd was, werden hare oogen 
beguicheld, zoowel als die der andere menschen. 

* 

Eene andei'e maal was er M-eer een goochelaar bezig op de 
dorpsplaats. Hij liet zich met koorden, drij,- vierdubbel 
genomen, op eenen stoel binden, en brak ze over als spin- 
newebben. Hij sloeg de menschen hunnen hoed of hunne 
klak af, en de hoed of klak kwam weer vanzelf op hun hoofd. 
Een toeschouwer, die een vierbladerig klaverblad in zijnen 



88 « Ons Volksleven. » 

kerkboek staan had, stond met den kunstenmaker te lachen. 
Hij gaf het blad over aan eenen man die nevens hem stond 
te gapen en vroeg : " Ewel, wat ziet ge nu? " — « Wat ik 
zie? » antwoordde deze, « ik zie dat de «schamotenrw zich 
met stroopijlen lant binden, en dat hij den hoed of de klak 
der toeschouwers niet aanraakt. » 

• 

Op de jaarmerkt te Boisschot stond eens een goochelaar. 
Hij had eenen haan bij, aan wiens poot eene zware dennen 
spar vastgemaakt was, waarmede de beest de merkt rond 
sleurde. « Wel gij sukkelaars, « zeide een onder 't volk, waar 
gij op staat te zien ! De haan heeft een strooipijl aan zijn 
been hangen ! « De man die zoo sprak, had eene " klaveren 
vier w in zijnen zak zitten. Frans Zand. 

Ijng m 'iBniiriï mtx %i\ïktmMÏn 







M den twijfel weg te ruimen, dien de heer J. Th. de Raadt 
op bladz. 50 doet ontstaan, rakende het wapen van 
Ryckevorsel's gcmcynen clorpsegele van 1761, geef ik het 
volgende : 

Vóór het jaar 1518, wanneer Hoogsiraeten tot graafschap 
werd verheven, bestond de baronny, land en heerlijkheid 
van Hoogstraeten, uit 3 leenverheffen, (e weten : 

1" De stad en parochiën van Hoogstraeten, Meerle, Wortel 
en Meir; 

2" Minderhout; en 

3° Ryckevorsel. 

Nu, dit laatste, zijnde het derde lecnverhef, ontleende drie 
ruitjes aan het wapen van Antoon van Lalaing. Tot staving 
hiervan, vind ik dat Hoogstraeten iii het begin der XVP* 
eeuw één zelfde ruitje in zijn wapen draagt. 



« Ons Volksleven. » 89 

Wasde heeiiijkiieid Ryckevorsel vóór dit tijdstip in liet 
bezit van een ander eigen zegel? Hierop zal later weerge- 
komen worden. E. A. 



flnnriïlirEhatiterjie $^m. 

16. (139.) Hoe het Dorp Bakel in Peelland 
eenen naam kreeg. 

rY7)EN vertelt het volgende over den naamsoorsprong van 
èib het Meierijsche dorp Bakel : 

Het dorp had nog geenen naam en reeds was er eene 
kerk gebouwd, die door de bevoegde overheid in oogen- 
schouw werd genomen. Maar... wat zien ze daar? Op den 
omloop van den toren groeit jiias! Goede raad was hier 
duur. Gelukkig hing er nog aan de spits een lieiblok en een 
touw, en de wijze Raad besloot een reeds grasvretend kalf 
naar boven te hijschen, om dit het gras te laten afeten. Die 
daarmee belast werden, sloegen het touw met eene lits om 
den hals van het kalf en trokken het naar boven. Het kalf 
begon nu uit alle macht te bulken : boal; hoake, hoali-el, en 
« halt! riep de voorzitter, halt! zeg ik, want hier geeft een 
onnoozel diereenen naam aan ons dorp; het zal Boakei 
(uitspraak van Baliel) heeten. « Iedereen nam daarmede 
genoegen, en nog heet het Bakel. (i) 

17. (140.) Wilde, Rebelsche of Helsche Jacht. 
rr OMMiGE lieden hooren soms geschal, muziek en ander 
)© rumoer in de lucht. Als ge bij onweer en storm door een ' 
bosch gaat, 's nachts in den donkere of 's morgens eer de 
zon op is, zoo zult ge dikwijls in 't gewaai van de boomen, 
boven uw hoofd, of nog al hooger in de lucht, een fel toeten, 
bassen, smakken, roepen, joelen en ketteren hooren. Dat 
verveerlijk gerucht is de Wilde Jacht die boven u rijdt. 
Niemand weet goed wat het is. Eenige zeggen, liet zijn de 



(1) Navorscher, 18(32, bldz. 156. 

Vrglk. hiermee Ons Volksleven, I, bldz. G2. 



90 " Ons Volksleven. » 

heksen die op den bezemstok door de wolken rijden; anderen 
geloovon dat het de Wilde Jager is, enz. (i) 

18. (141.) Een Teut uit Bergeik in Duitschland 
vermoord. 

RUIM ecne eeuw geleden, verbleef een zeker Teut, Ooms 
geheeten, in Duitschland. Toen hij eensmeteenen zijner 
knechten om handelszaken op reis ging en in een groot 
bosch kwam, dat zij moesten doortrekken, schoot die knecht 
hem van achteren een kogel door het lichaam. Ooms stortte 
ter aarde, waarna de knecht hem nog zoo veel slagen 
toebracht, dat hij hem dood waande. Nu beroofde de moor- 
denaar hem van al het geld dat hij bij zich droeg, en vluchtte 
met ceiie aanzienlijke som naar een afgelegen land. Daar 
trok hij een klooster binnen, waar hij tegen betaling gedu- 
rende een jaar woonde. De zeer erg gewonde doch niet 
overleden Ooms werd kort na den moordaanslag door lieden 
gevonden, die door het bosch trokken en naar het eerste 
huis vervoerd, dat zij op den weg ontmoetien. Deze huizing 
was eene herberg, die de Teuten op hunne reis geregeld 
bezochten en waar zij goed bekend waren. Zulke pleister- 
plaatsen noemden zij dan ook « hunne « lierbergen. Ooms 
werd hier zoo goed mogelijk verzorgd; men ontbood twee 
geneesheeren, die verklaarden dat zijne ingewanden zoo 
vreeselij k doorschoten en gekwetst waren, dat zijne dood 
nabij scheen. Hij ontving van eenen geestelijke de volle 
bediening en leefde nog zes of acht uren naden moordaan- 
slag. Te Bergeik liet hij eene weduwe, éénen zoon en twee 
dochters na, waarvan nog afstaujmelingen . en veel verre 
bloedverwanten bestaan. 

Eene zijner dochters was, naar het volksverhaal, er met 
zekeren Peter van Otten gehuwd : de andere dochter zou 
twee keeren getrouwd geweest zijn. 

De moordenaar, later in Duitschland in de handen van 
het gerecht geraakt, ontging zijne welverdiende stiaf niet : 
aan eenen paal gebonden, werd hij levend verbrand. Ook 

(1) Vrglk. hiermee Ons Volksleven, II, bldz 'J. 



" Ons Volksleven. » 91 

van hem werden bloedverwanten in zijne geboorteplaats 
aangetroffen, doch kieschlieidshalve wilden de kinderen of 
kleinkinderen van den vermoorde aan hunne kinderen, veel 
minder aan anderen, zijnen naam bekend maken. 

Van den oenigon zoon van Ooms wordt mede eene zonder- 
linge geschiedenis verhaald. Deze, naar Frankrijk vertrok- 
ken, werd er, na een verblijf van eenige jaren maireoï meier 
zijner woonstad. Toen de Kozakken en andere vijandelijke 
soldaten aldaar wreedelijk liuis hielden, verborg hij een 
deel zijner aanzienlijke schatten in een bosch, waarheen hij 
zich te dien einde, van eenen vriend vergezeld, liad begeven. 
Deze vluchtte bij het naderen van eenen troep soldaten, 
doch de meier verdedigde zich ridderlijk met zijn wapen, 
toen zij hem aanvielen. Deerlijk door de Kozakken gewond, 
werd hij aan den steert van een peerd gebonden en in dien 
toestand stadwaarts gesleept; want zij meenden in hem 
eenen spion te zien. Als zoodanig werd hij zelfster dood 
veroordeeld. 

Toen de terechtstelling zou gebeuren, stond daarbij, zooals 
men denken kan, eene gioote menigte volks, waaronder 
ook een paar Teuten uit Lommei, die in dat land handel 
dreven en den ter dood veroordeelden meier zeer goed 
kenden. Deze Teuten, van Ooms' onschuld overtuigd, en 
wellicht ook anderen, verzochten en verkregen uitstel van 
de uitvoering van het verschrikkelijke vonnis, zoodat de 
veroordeelde naar de gevangenis werd teruggebracht. Toen 
na onderzoek de beschuldiging valsch bleek, werd hij vrij 
gelaten. De wonden die de soldaten hem toegebracht had- 
den, waren toen, bij het vi-eugdevol wederkeeren tot zijne 
vrouw en kinderen, reeds eenigen tijd genezen. 

Van deze twee geschiedenissen zijn mij geene bewijzen 
bekend, waarom ik ze eenigszins romantisch beschouw en 
legendarisch behandelde. P. N. Panken. 



92 « Ons Volksleven. » 



t ^mm,^'^ 



19. (142.) Het Paddeschoothof te Sint-Xiklaas. 
TN vroeger tijd woonde er op 't hof van Paddeschoot te 
1 St. Niklaas, eene oude meid, die zich vnn alle menschen 
afzonderde. Het scheen dat zij zicii met tooverij bezighield. 
Na de dood van heuren heer, sprong zij in den wal en ver- 
dronk. Sedert dien rijdt er alle nachtan om 12 uren, een 
vurige wagen, verveerlijke geesten zweven rond en voor de 
vensters van 't kasteel bemerkt men dikwijls afgrijselijke 
gedaanten. 

20. (143.) Nog van 't Paddeschoot. 

^ET Paddeschoothof was sedert eenigen tijd verlaten; 
il niemand durfde er nog wonen, want 's nachts gebeurden 
er verveerlijke dingen : vreeselij ke spoken kwamen voor de 
vensters kijken, en een geweldig groote hond lag alle nach- 
ten door de bovenste venster te bassen en te huilen. Sedert 
men het hof opnieuw is gaan bewonen, heeft men niets meer 
gezien. 

21. (144.) De zwarte Vogel van 't Paddeschoot. 

BEN boer die op 't Paddeschoot woonde, had de gewoonte 
vnn dikwijls zijne verkens op den hof te laten losloopen. 
Maar sedert eenigen tijd zat daar altijd een leelijke zwarte 
vogel in de boomen, wiens ras niemand kende. Op zekeren 
dag dat de verkens weer losliepen, kwam de vogel neder, 
vloog tegen een der zwijnen en verdween daarna spoorloos. 
Wanneer men het verken beschouwde, zag men dat de 
gedaante van dien gruwelijken vogel op zijn lijf stond 
afgedrukt. Toen men het later slachtte, bemerkte men dat 
de kam van den vogel op 't hert van 't verken was gegroeid. 

22. (145.) Het Spook der Pumbekedreef. 

JTJE Sint-NJklaas, waar 't kasteel van Pumbeke gestaan 

1 heeft, ligt nog altijd de dreef, door 't volk «Pijkene^, — 

d. i. Pumbekedreef genaamd. Daar ziet men alle nachten 

een oud vrouwken, in 't zwart en somtijds ook in 't wit 



(1) Vcrvolf,' van hl. 172, i*" jaar. 



« Ons Volksleven. » 93 

g-ekleed, dat de voorbijgangers eenige akkers verre achter- 
volgt. Nog nooit heeft het echter iemand leed gedann. 
23. (146 ) De vurige Koets op de Varenwijk te Belcele. 
ET was op eenen meiavond. Het volk uit do omstreken 
van de Varenwijk had den meiboom geplant. 't Ging 
rond den twaalven van den nacht zijn, en alles was nog in 
volle vreugde. Maar eensklaps worden de ooren van de 
nachtelijke feestvieiders door een vreemd gedruisch getrof- 
fen, en zie, uit de dreef van 't oud kasteel van Varenwijk 
komt er eene vurige koets gereden ! Er stonden geene peer- 
den voor gespannen : zij reed van zelf, 't Was al vuur en 
vlam dat men er aan bemerkte, en daarbij een dikke rook 
die er boven dreef. In de koets zaten verscheidene heeren, 
de vroegere eigenaars van het kasteel, die alle nachten, om 
12 uren, de wijk afreden. Het volk liep over heg en haag 
naar huis, waar iedereen deuren en vensters dichtsloot. 
24. (147). Het Spook van de Varenwijk. 

DE Varenwijk te Belcele staat bekend als eene benauwelijke 
streek. Wanneer iemand zich daar in 't laat met kar en 
peerd of andere dieren betrouwt, wordt liij zeker met zijn 
gespan of met geheel de kudde die hij daar voorbijdrijft, 
van een wit spook opgenomen en van den weg geworpen 
of in 't water gesmeten. 
(7 Vervolgt). A. v. P. 



i^att imt tMt IJrnehra. 

Eene middeleeuwsche legende. 

BR waren eens twee edele broeders. De rene was kluize- 
naar en bracht zijn leven met bidden en vasten door. 
Zijn leven was zoo heilig, dat een engel uit den hemel hem 
alle dagen zijn voedsel bracht. De andere leefde op het 
voorvaderlijk kasteel, was roover en mom^denaar en ging 
met den duivel om. Hij had zijne ziel aan den Boozc verkocht, 
op voorwaarde dat deze hem gehoorzaam zou zijn en stipt 
de bevelen zou uitvoeren, die de heer hem beliefde te geven. 



94 « Ons Volksleven. » 

Niet verre van daar woonde een arme man, Jacob gehee- 
ten, die bij de geboorte van zijn achtste kind zoo arm was 
als Job, ja, geheel zonder middelen van bestaan w as. Hij 
maakte dan met don duivel een verbond, waardoor hij de 
zielvan zijn pasgeboren docliterken afstond, zoohaast liet 
kind twintig jaar oud zou zijn. In ruiling moest de duivel 
hem geld en rijkdom verschaffen. 

Het meisje groeide op, was bovenmate braaf en de vreugde 
zijner ouders. Het goddeloos verbond met Satan begon den 
vader te berouwen ; hij kon zijn dochterken niet aanzien 
zonder tranen te storten, had dag noch nacht rust, en weelde 
en rijkdom konden hem geen genoegen meer vei schaffen. 

Jacob had hooren spreken van den heiligen kluizenaar die 
in hetbosch woonde, en ging dezen op zekeren dag bezoe- 
ken. Hij kloeg hem zijn leed en smeekte hem om raad en 
hulp. 

«Mijn vriend,» zei de heilige man, «gaat bij mijnen 
broeder op het kasteel en verzoekt hem, dat hij aan den 
duivel het door u goteekend briefken weervrage. Maar let 
op, gij moet 's nachts slillekens aan het kasteel zi(^n te 
geraken en zorgen dat gij eerst roept; zonder dat zijt gij 
verloren, w 

Vol hoop en vrees trok Jacob, rond middernacht, zoo stil 
mogelijk op het kasteel af. De heer, die wakker in zijn bed 
lag, zeide tot zijne vrouw : " Ik ben bijna zeker dat iemand 
het kasteel nadert.» — "Ik hoor niets,» antwooi'dt de 
vrouw. 

TerwMJl dit gesprek plaats had, riep er eensklaps iemand 
aan de poort : « Hela ! doet spoedig open! » De heer stond op 
en opende do poort voor Jacob, die seffens op zijne knieën 
viel en den rijken man met de tranen in de oogen bad en 
smeekte toch het geteekend briefken aan den duivel terug 
te vragen. 

De heer was ontroerd. Hij ging in ecne zijkamer en kwam 
kort daarop terug mot oenen man, heelegansch in 't zwart 
gekleed. Hij gebood dezen, die niemand anders was als de 
duivel, het geschreven verbond aan Jacob terug te geven. 



« Ons Volksleven. » 95 

«Komt dan met mij mee, » sprak de duivel tot den verschrik- 
ten man. Ze ging-en de poort uit en kwamen in in een dicht 
en onafzienbaar bosch. Na uren gaans, stonden ze voor eenen 
gloeienden oven, die zonder einde scheen, zoo groot was hij. 
Daar kroop de duivel in en verscheen weinige oogen blikken 
later met het briefken in de hand. 

« Daar, » zeide hij tot Jacob, en hij reikte hem het stuk 
over. « hij die mij het briefken heeft doen teruggeven, zal 
binnen korten tijd hier in moeten. ^ Dit zeggende wees hij 
in den laaienden en vlammenden oven. 

Toen verdween de duivel, en Jacob geraakte, na lang 
dwalens, het bosch uit en kM'am op den bekenden w^eg. 
Vooraleer naar huis te gaan, wou hij den heer van het kasteel 
gaan bedanken. « Wel, » vroeg deze, « heeft de zwarte heer 
van mij niet gesproken? » — « Ja, '•> was Jacob's antwooid, 
« toen hij terug in den gloeienden oven kroop, heeft hij 
gezeid dat gij daar binnenkort ook in moet. « — « Heeft hij 
dat gezeid? « — « Ja, dat heeft hij gezeid ; God moge u gena- 
dig zijn ! » 

De too veraar was gansch ontroerd. «« Komt dezen avond 
eens weder, » sprak hij, « ik heb u eenen dienst bewezen; 
aan u er mij op uwe beurt eenen te bewijzen. » 

Jacob deed wat de heer van hem vei-langde. « Ziet gij daar 
dien pilaar? » vroeg hij dien avond aan Jacob. «Welnu ik 
heb er zoo menigmaal onschuldigen en ongelukkigen aan 
gebonden en dood gemarteld. Riemt er mij nu ook aan en 
geeselt mij op het bloote lichaam, dat het bloed er afdruipt » 
In den eerste wilde Jacob niet gehoorzamen, maar de heer 
liet niet af en zeide dat hij wou gegeeseld worden om bootc 
te doen voor zijne misdaden. Eindelijk liet Jacob zich over- 
halen, en de boeteling smeekte het hem als eene gunst af, 
dagelijks de geeseling te komen hernieuwen. 

De voormalige roover begon met al het gestolen goed terug 
te geven aan de wettige eigenaars, sleet zijne dagen in aan- 
houdend gebed en strenge boetveerdigheid en stierf einde- 
lijk als een berouwhebbende zondaar. 



96 « Ons Volksleven. » 

Op den dag dat de boeteling stierf, verscliocn de engel niet 
aan den kluizenaar, om dezen zijn dagelijksch voedsel te 
brengen, en wanneer de heilige man 's anderendaags naar 
de reden vroeg van des engels wegblijven, antwoordde de 
hemelsche bode : « Mijn vriend, ik was door God aangeduid 
om van het getal der duizenden engelen te zijn, die gisteren 
uwen broeder aan de poorten des hemels zijn gaan afhalen. » 

Toen kwam de duivel der hooveerdij in de ziel van den 
heiligen kluizenaar gevaren. «Mijnen broeder inhalen!» 
riep hij uit, « dien groeten roover en looveraai-! Met hoeve- 
len zult ge mij dan wel komen afhalen? ^ — « Ik allèèn, » 
sprak de engel, « zal u den hemel in leiden. » — « Dan wil ik 
ook een roover worden, » sprak de ongelukkige. Nadat de 
engel die woorden gehoord had, verdween hij, zijn aange- 
zicht met beide handen bedekkende, en verscheen niet weder 
aan den kluizenaar. 

De eertijds zoo heilige man ging terug de wereld in, leidde 
voortaan een losbandig leven en stierf als een godvergeten 
booswicht. 

(Gehoord te Hcist-op-den-Berg.J Frans Zand. 



3JnBk(ie0|ir£kittg. 



Het Bargoensch van Boeselare, een bijvoegsel nan Is. 
Teirhnck's Woorderiboeh van Bargoensch, door H. de Seyn- 
Vehhougsteaete. — Roeselare, 1&90. (Vlugschr. iQ-8° van 19 
bldz. Prijs 0,75 fr.). 

Bargoensch, bier (o lande ook wel Kremcrslaiijn en in I1o11;jth1 
Koeterwaalscli j^elieeten, is de nnani dien men in de Nedeilnnden 
aan de dieveiita.-.l geeft, 't Is hetgeen de Franschen Argof, 
Baragouin, do Duitsclien Rotwelsch, Gauner- of Jenische 
Sprachc, de Eiigelschen Cant, de Italianen Gergo en de Spau- 
jaards Jerigonza noemen. 

Op welk lijdsiip het Bargoensch in onze laai ontstaan is, kan 
moeilijk uitgemaakt worden : nochtans is het zeker, dat de 



« Ons Volksleven. »» 97 



gielers-of dieventaal hier reeds langvóórdeXVIP^ eeuw bestond. 

Het Bar^oensch, zooals het in ons land gesproken wordt, is 
eeu mengelmoes van do meest verschillende bestanddeelen. Het 
bevat 1° woorden, afgeleid van algemeen gebruikte Nederduit- 
sche woorden ; 2° gewestelijke woorden en uitdrukkingen; 3° 
Duitsche en Fransche dieventermen ; 4° woorden van Joodsch- 
Hebreeuwschen oorsprong; 5° bestanddeelen, aan de taal der 
Bohemers of Zigeuners ontleend. 

In zijn WoordenhoeJc van Bargoensch verdeelt Is. Teirlinck de 
Nederlandsche dicventalcn in vier takken : 1° Het oud Bar- 
goensch; 2° Het nieuw of Hollandsch Bargoensch; 3° Hei echt 
of Zeelsch Boodwaalsch; i'^ Het Tcutsch of Limburgsch Rood- 
waalschf dat ces-^htbt wordt in Oosiermaasch of Breielsch Bood- 
waalsch 3n Wesiermaasch oi Echt Teutsch. 

Het schrift van den heer de Seyn-Verhougstraete, al beslaat 
het enkel een klein getal bladzijden, is eene belangrijke bijdrage 
tot Teirlinck's Woordenboek van Bargoensch. 

Zijne lijst begrijpt : 1° Woorden te Roeselare gebruikt, en niet 
in Teirlinck's werk opgenomen; 2° woorden tJ Roeselare in 
denzelfden zin gebezigd als dien door Teirlinck aangegeven; 3° 
woorden te Roeselare ju eene andere beteekenis gebruikt, als die 
door Teirlinck opgegeven. 

Het Bargoensch, eertijds de eigene taal van dieven en roovers- 
benden, is tegenwoordig in België meer verspreid als velen het 
weten. Het wordt gesproken o. a. te Roeselare, Gent, Brugge, 
Veurne, leperen, Meenen, Aalst, Niiiove, Zele en in sommige 
dorpen der Limburgsche en Noordbrabantsche Kempen door 
rondleurders, marskramers en ander zwervend volk. 

Wij wcnschcn dat de heer de Seyn navolgers vinde in de andere 
plaatsen waar het Bargoensch in zwang is, opdat de woorden- 
schat dier zonderlinge taal eindelijk eens volledig gekend zij. 

Jozef CornelissÉn. 

f ragtti m %mluktm^m. 

1. (70.) Begrafenis in China. — De begrafenis van een 

(yhiuecs is niet alleen m<^rkweerdig, maar ook buitengewoon duur. 

Zoodra in eeu gezin iemand is overleden, wordt een priester 
verzocht te komen bidden. 

Men is overtuigd, dat de overledene door zijn gebed van de 

veroordeeling ler helle wordt gevrijwaard en zeker naar bet 
paradijs gaat. 



S 



98 « Ons Volksleven. » 



Vervolgens wordt tle doode zoo kostbaar mogelijk aangekleed : 
in de eene hand wordt eou waaier, in de andere eeu stuk bescbre- 
veu papier geplaatst. Dit papier is zooveel ais een paspoort voor. 
den hemel 

De doodkist wordt zeer sterk gemaakt en nadat de doodo op 
een bed van watten erin is neergelegd, wordt deze met cement 
dicht gesmeerd, om te voorkomen dat de lucht ontsnappe. 

Men besteedt dikwerf langen lijd om eene geschikte begraaf- 
plaats voor eeneu overledene te vinden, omdat men algemeen 
fielooft, d;it als de doode niet tevreden is, hij onheil over de 
familie z il brengen. De keuze van de plaats, waar het graf moet 
zijn, wordt oveigelaten aan eenen aardzoeker, die van den hemel 
eeu bijzonder talent lot onderscheiding heeft ontvangen. 

Als de dag der begrafenis is aangebroken, dat wil zeggen, nadat 
men eene geschikte plaats heeft gevonden, (gewoonlijk kiest men 
een schoenen dag omtrent drie weken na 't overlijden), komen de 
viienden in iiethuis bijoen en leggen hunne geschenken, bestaande 
uit gekookte spijzen, bij de kist neder. 

Dit wordt gedaan met de bedoeling om den geest van den doode 
bezig Ie houden. Men gelooft toch dat de geest des ontslapenen 
rond de kist /wecfr en men wil dien met de spijsofïers afleiden 
en beletten, kwaad to doen aan de levenden. 

Alle lijkbidders, in 't wit gekleed, scharen zich om de kiU en 
werpen zich beurtelings, terwijl de treurmuziek langzaam speelt, 
])lat ter aarde. 

Wanneer dit een tijdje heeft geduurd, wordt de stoet geopend ; 
vv^oruit gaat de kist, gedragen door tal van lieden, op eene gewone 
houten b.iar. Er gaat evenwel nog een voorlooper vooraf, die 
papieren geld uitstrooit, om de welwillendheid to koopen v;in de 
geesten, die gramstorig:; met booze bedoelingen ronddwalen. On- 
middellijk achter het lijk wordt op een bord de geslachtslijst dor 
familie ca doi' vooi'vaderen van den overledene gedragen. Vierder 
volgen nog tal van zinnebeeldige figuten, banieren en borden, 
alles overeenkomstig de weerdigheid en den rijkdom der familie. 

Züodra men aan het graf komt, wordt de kist in de groeve 
neergelaten en onmiddellijk daarna met leem en aarde overdekt. 
Daarna worden eenige lichte schot( n gelost, eenige ambtelijke 
pleegoffers gebracht, alsmede gebeden opgezegd. 

Ten slotte verbrandt men huisjes, kleederen, peerden en 

papieren geld, opdat do overledene in het land der schimmen op 

zijn gemak moge zijn. De Chineezen gaan van de veronderstelling 

uit, dat de mensch alles, wat hij in het leven noodig had, ook na 

. den dood niet kan ontberen. 



« Ons Volksleven. » 99 



Oudtijds werd al bet huisraad van den doode, zijn geliefkoosd 
pcerd, zijne honden, zijne vogels en soins zelfs zijn dienstknecht, 
in één woord, alles wat liij bezat, op het graf ten prooi aan de 
vlammen gegeven. De geesten van deze schepselen moesten im- 
mers die van den meester g^-zelschap houden. 

Wanneer de begrafenis is afgeloopon, doen de familieleden on 
bekenden zich te goed aan de spijsoffers, die om da kist hebbon 
gestaan. 

In enkele gt>valleu worden do lijken in huis bewaard en dan 
eiken morgen en avond met wierookoffers vereerd Deze staan 
dan op schragen in de ingangkamer ofwel in ecu af-^ondeilijk 
vertrek. Dit geschiedt als de familie de begrafeniskosten niet kan 
betalen of als er geon gelukkig plekje voor het graf te vinden is. 

Het Land, 23 Meeit 1891 N'' 82. (Z. B.) 



J. C. 



't Daghet in den Oosten, IX, N" 3-4. — Limburgsch Nederlandsch. — Iets 
over afleidkunde. — De Meiboom. — Onze rijdaasen — Rondedanskens. .— 
Spelen. — Grappen en snakerijen. — Uit boeken, brieven en bladeren. 

Volk en Taal, V, N"" 10. —Bijdrage tot den Nederl. taalschat (F. de Vos). — 
Van Nelleke (L. ü. C). — Iets over de kruisgebruiken (A. d'Hooghe en P. 
van den Broeck). — Gezelschapsspelen (K. van Cauwenberghe). — Boekeu- 
kennis. 

Biekort, IV, N"" 7. — De «dagboek» van Romboudt de DoiDpero 1490-1493 
(H. Rommel). — Oorkomste der gewassen (J. Fové) — Spero lucem ! (G. 
Gezelle). — Mingelmaren. 

De Student, XUl, Jv'" 2. — De vervolging te Mecheleu. — De redevoering 
der kleine Eminentie van de veemarkt. — Don Quichotte. — Rechtveerdig- 
heid. Welvoeglijkheid. Naastenliefde. — Veroordeeld, ja of ueen ! — 's Nachts 
voor Maria's leest. — Losse gedachten; — Mengeliiigen. 

N'' 3. — Kostbare raadgevingen. -^ De Elzenkoning. — Is het Waalsch 
eene taal? — Grooter eieren. — Treurige bekentenis. — Aan de Vlaamsche 
vrienden. — Comedie in Siberië. — Aan 't Mechelsch studentenvolk. — 
Beleefd verzoek. — Vergeven, niet vergeten. — Werken. — Gevondene perels. 
— Lied eener weeze — Wenken en vragen. — Mengelingen. 

Bulletin de folklore. — Météorologie populaire. I Les Orages (A. Harou). — 
Médecine populaire. II. Les maux de dents (E. Polain). — Contes : IV. Les 
Qucstioug (G. Doutrepont). — V. Les musiciens de Brême (E. Polain). — 
Coutumes. I. Les Noces (E. Monseur). — Chansons pop. II-lIl (M. VVilmotte, 
G. Doutrepont). — Revue des livres (M. W.). 

Walionla, I, N"" 4, — P'êtes populaires 1. Notre-Dame de la Souïe a Jodoigne 
(E. Etienue). — II. Tchèsst 1'vèheu, a Stavelot (L. Detrixhe). — Falies (L. 
Loiseau). — Légendes (A. Fassin, J. D., O. C.) — Le Jour des Rois. 11-111 
(H. Dehez, L. Detrixhe). — Notes et enquêtes (Ch. Defrecheux, O. C). — 
Dictons rimés sur les mois. Avril (O. C). — Bibliographie O. C). 



lOÖ « Ons Volksleven. 



Annales de la Sociéfé d' Archéologie de Bruxelles, VII, N'' 2. — Essai sur la 
liberlé (Ie la prc'sse en Belgique duraul la dominatiou fraugaise. 1792-1814 
(P. Verhaegeii). — M"" Le Normaud eü Belgique. Lettre iiiédite de la célèbre 
sibylle (G. IJa<?emaus). — Le jeu de quilli's aux Wastias (Desart). — Uaanciea 
monument gantois (E. IMichel). — Procès-verbaux des séauces. — Bibliogra- 
l^hie. Mélanges — Questions. — Réponses. 

La Traditlon. VII, N'^ 1-2. — Légendes arabes d'Espagne (R. Basset). — 
Uu usage uupiiala Mietcsheim (1'. Ristelhuber). — l>e bien faire le mal viei.t 
A Millieii). — l'olklorc polouais. Vil ij (M de amigrodzki) — Superstitions 
et usagis des Hindous. 1 (15. de Baizieux). — Los proverbes de Jacob Cats. 
(II, iij (K. O^enfant). — Le Carnaval. XXIV (L de la Salie). — Petit Poucet. 
Duimeke (A Harou). — l'evinettes picardes. II, ij (C. di-^ Warloy). — Saint- 
Pierre ci Saint-Crépin (Hérenger-Féraud). Les Noëls vvallous. I (J Lemoine). 

— Chansons de Quercy. XXIX (K de Beaurepaire). —\'ieilles chansons XXII 
(Vict«de Col eville). — L'enfant né le vendredi (M Tliiéry). — Les dictons 
de raui.ée. l (H Mei.u). — Folklore des ^ rabes de 1'Algérie. 1 (H. Carnoy).— 
liibliographie. 

n/lélusine, VI, N'' 8. — I.e préteudu meuriro rituel de la Paque juive (H. 
Gaidoz). — I espieds et les genoux a rebours (II. Gaidoz). — La Fiüe qui fait 
la morte pour son honucur garder (Loqvin Laurent, Feller et H. G.). — Airs 
de danse du Morbihan (M"" E. de Schoultz-Adaïevsky). — L'Etymologie 
et le Folk-Lore (11 G.). — Bibliographie. 

Am Ur-Quel, IV, Nr 2 — Zu ülilands Volkliedern und Simrocks deulsclier 
Mythologie (II. Sprenger). — Ueber den Zauber mit menschlichem Blut und 
dessen Cercmonial-Gebrauch bei den Indianern Amerikas (I)'" A. F. Cham- 
berlain). — Indiau Doctors (.1. Mooney). — Warum gehen spukgeister kopflos 
um? (H. F. Feilberg). — Jüdische Volkniedizin in Ostgalizien (H. Benczer) — 
Eliah der I'rophet (B. W. Schiffer). — Die Sterne im magyarischeu Volkglau- 
ben (L. Kalmauy). - Bcsprechungsformeln der Wotjakeu (I)'' B. MunUacsi). 

— Tod und Tolenlétische im Vo'kglauben der Siebenbürger Sachsen (!)'■ H. v. 
Wlislocki). — Schimpfwörter (M C. Knindl). — Der Maun im Moude (Press, 
Tluen u. Treichel). — Kleine Mitteilungeu. — Vom Büchertische. 

ïs'' 3. — Ueber die Bedeutui g des Ilerdes (C. Rademacher). — Baskische 
Sprichwörter (H. Merkeus). — Ueber den Zauber mit menschlichem Blut und 
dessen Ccrenionial-Gcbrauch bei den Indianern Amerikas (Dï'A. F. Chamber- 
lain). — Bienei.segen (A Wiedfmann) — Der Maun im Moude |H. Volksmann). 

— Tod und Totenfetische im Volkglauben der Siebenbürger Sachsen (D'' H. v. 
NVlislocki). — Lactation beim mannlichem Gesclilechte (A. Treichel). — 
Volklieder aus Mecklenburg (O. Glöde). — Schiiurren und Schnaken aus 
Rügen (O Knoop) — Warum gehen spukgeisler kopflos um? (Spreuger u. 
Volksmann). — Alltagglaubeu und volktümliche Heilkunde galizischer Juden 
(B. W. Schiffer). — Sprichwörter deutschcr Juden (L. Mandl). — Sageu 
galizischer Juden (A. ^'agelberg). — Geheime Sprachwcisen (Krauss). — 
Kleine Mittcilungen. — Bücherl)esprechungeu. 

BiaUer iUr Pommersche Volkskunde. I, N'" 3. — Neue Volkssagen aus Pom- 
mei'n. III (O. Knoop). — Das Windelbahnlést in Stolp und seiue Feier am 
2-' M ai 1890. — FJhemalige lsationaltracht( n der Hiddenseer und Amanzer 
(Dr A Haas). — Scliwank und Slreich — Glückwui sch beim Einbringen 
des Asten(A Pommerenii g).— Besprcchungsformeli. (Dr A Haas). — Litteratur 

IS'"4, — Neue Volkssagen aus Pommeru V. (ü. Knoop). — Ier grosze 
Stein und der Klostcrberg bei Tn ptow a. d. Tollense (Delgrate). — Die Burg 
Cremzow (Fr. Kampfert). — Tierstimmen im Volksmunde (Dr. A. Brunk). — 
Strickgedichte(0. Knoop). — Beitrage zum Aberglaubeu in Pommern. 1(0. 
Knoop), 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« Er is uopf eeu rijke oogst op het velil der gewestsprakeii voorhanden ; 
veeJ volksuiidrakkiupjen dreigen te verdwijnen die om liunne juistheid, 
schilderachtiirheid of oudheid verdienen inde schrifttaa! opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZUIDNEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN TAALKUNDE. Wedstvijd i874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk iu zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leereu kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Vrnagboek voor Vlaamsche volkskunde. 




VIJFDE JAAR. ♦ ZESDE AFL. ^^ 

fan llék, mék nf Elöiik, 

( Vervolg). 
^OND de jaren 1830 was de bovennatuurlijke macht 
^ en vlugheid nog algemeen gekend van den 
^ waterduivel, te Boom en in den omtrek met 
den natim van Klödde aangeduid. 
DieKlödde vertoonde zich onder de verschillendste en 
soms drolligste gedaanten. Nu als een kalf, dan als een opge- 
smukte heer, dan weer als een groote ruige hond, ofwel als 
eene gedrochtelij ke beest met een stuk ketting aan den hals, 
verscheen hij op de eene of de andere plaats. Tegenwoordig 
nog is Klödde in die streek de schrik der jeugd, zooals Lange 
Wapper te Antwerpen was. 

De thans door de steenbakkerijen uitgewerkte gronden, 
te Boom tusschen de Gemeentescholen der Kapelstraat en 
de dreef, leidende naar de Boschstraat, lagen destijds nog 
geheel effen. Op die landen waren er groote moeshoven met 
vele fruitboomen en heerlijke labeurgronden. 

Een gaanpad liep van de Boschstraat, bij de samenvoe- 
ging der Schoorstraat, die nu geheel uitgebakken en ver- 
dwenen is, naar de Kapelstraat en sneed gezegden akker in 
twee gelijke driehoeken. Dit gaanpad was min of meer 



102 « Ons Volksleven. » 

vermaard door het verschijnen van den schrikaanjagenden , 
doch soms grappigen Klödde. 

Enkele personen konden nochtans als oor- of ooggetuigen 
over Klödde spreken. Zijne verschijning was een buiten- 
gewoon geval, waarover men in den eerste met schrik sprak, 
alsof men de wraak van Klödde vreesde. 

Mijn broeder Peer, zoo vertelde oom Nelis, die verschei- 
dene jaren ouder was als ik, had zekeren winteravond ruim 
lang ten huize zijner toekomende Mie vertoefd. Kloek 
gebouwd, in volle jeugd, gewezen soldaat in het Hollandsch 
leger, hoefde hij do duisternis, noch de aanslagen, die wel 
eens plaats hadden, te vreezen. 

Op den voetweg gekomen, waarvan ik hooger sprak, hooit 
hij opeens een geruisch, als van een woest rennend kalf; 
omziende ontwaart hij twee vlammende oogen in de duis- 
ternis, die schijnen dichterbij te komen. Allengskens ver- 
traagde de vlucht en op eenige treden van hem gekomen, 
ging het reeds stapsgewijze. 

Toen zijn eerste schrik een weinig over was, begreep hij 
Klödde tot gezel te hebben. Nochtans zou hij het niet ge- 
waagd hebben den onaangenamen gast eenig leed te doen ; 
— wel integendeel! Hadde hij maai- geweten, met welke 
goede woorden of daden dien menschenschrik van zich af te 
weren! Aldus bereikte hij de Kapelstraat, waar hij Sanders' 
Lei moest afgaan, om langs een bergske aan de huizen van 
Jan Ceulemans, waar wij dan woonden, te komen. 

Rij het keeren van het bergske beneden, om langs de rij 
woningen te gaan, raakte bij toeval zijne hand aan den pels 
van Klödde. 

Buiten zich zelven van schrik, verhaastte hij de weinige 
stappen, die hem van zijne woning scheidden en liet zich 
met geweld op de deur vallen. Vader en moeder, die nog 
niet ter ruste waren, sprongen angstig op, openden onmid- 
dellijk de deur en mijn broeder trad binnen, half zwijmelend 
en zoo bleek als een linnen doek. Vader ging buiten, doch 
ontdekte niet het minste teeken van de tegenwoordigheid 
van eenig wezen : Klödde was verdwenen. 



« Ons Volksleven. » 103 

Des anderendaags eenigszins hersteld van den onderstanen 
schrik, verhaalde mijn broeder dat het vel van Klödde zoo 
ruw was als eene viashekel. Jaren nadien vertelde hij dit 
geval nog juist zooals het gebeurd was, en ik het hier ver- 
haald heb. {Boom). 

* 

Eens gebeurde het, dat men zekeren avond te Boom, in 
een huis der Dirkputstraat, rond het vuur gezeten, over 
Klödde sprak. Zooals men gewoonlijk ziet, was er in het 
gezelschap een ongeloovige. Volgens dezen, bestond Klödde 
niet; dat waren vertelsels door de lichtgeloovigen en bevrees- 
den verzonnen, om andere lieden in hunnen schrik te doen 
deelen, enz. 

Eindelijk was de avond zoo ver gevorderd, dat elkeen aan 
slapen begon te denken. De eene voor, de andere na, keerden 
allen, de ongeloovige er bij begrepen, huiswaarts, om zich 
ter rust te begeven. Nauwelijks had hij duizend stappen 
gedaan, of hij hoort plotseling eenig gerucht achter zich. 
Hoewel hij niet bevreesd was, zooals hij beweerde, verhaastte 
hij niettemin zijnen gang, zonder er nochtans in te lukken 
het naderbijkomende te kunnen voorblijven. Zijne vroegere 
onbeschroomdheid week voor eene toenemende vrees, die 
hem het haar deed te berge rijzen. 

Eensklaps viel er een groot lichaam op zijnen rug, dat er 
zich stevig aan vastklampte. Dat lichaam woog wel 400 pond 
en onder dien last gedrukt, moest hij, tegen wil en dank, 
huiswaarts keeren. Het koude zw^eet brak hem van alle kan- 
ten uit, en toen hij thuis kwam, had hij geenen drogen 
draad meer aan zijn lijf. 

Klödde was nabij de deur der woning bijna ongemerkt van 
zijnen rug verdwenen. De ongeloovige was geloovig gewor- 
den ; tot boete van zijne onbezonnen woorden van dien 
avond, had hij Klödde gedragen. {Boom). 



Een mijner overgrootooms, langs moederlijke zijde, heeft 
lange jaren veerman geweest te Rumpst. In die hoedanig- 



104 « Ons Volksleven. » 

heid zette hij met de groote of kleine veerschuit, volgens 
de noodwendigheid het vereischte, de menschen over den 
Rupelvan Rumpst naar Heindonk of omgekeerd. Dieren, 
karren en alle andere geladen of ongeladen rijtuigen wer- 
den te Boom overgezet, met eene groote veerpont, zooals 
thans nog op Hellegatveer, te Niel. 

Lag nu mijn overgrootoom met de schuit te Rumpst en 
wilde er iemand van Heindonk overgezet worden, dan 
behoefde hij enkel met het klokje te trekken, dat daar te 
dien einde gehangen is. Lag hij te Heindonk dan moest te 
Rumpst hetzelfde gedaan worden. 

Eens in het vallen van den avond, het is misschien wel 
honderd jaar geleden, lag zijne schuit te Heindonk vastge- 
meerd, terwijl hij in het Veerhuis, dat meestal ook herberg 
is, met eenige vrienden bezig was met mosselen te eten. 
Het veerklokje weerklinkt over de stille watervlakte, door 
het samenvloeien van Rupel, Netc en Dijle gevormd. De 
veerman heeft het gehoord, maar zijne maag is nog niet 
genoegzaam verzadigd. Andermaal klinkt het heldere klokje 
en nog is hij niet opgestaan. Eindelijk weergalmt het voor 
de derde maal en thans gaat hij den huize uit, daalt de hel- 
ling af, werpt de schuit los en de riemen nemende, steekt 
hij de breede rivier over. 

Een welgekleede heer heeft gebeld en wenscht overgezet 
te worden. De veerschuit landt te Rumpst en de heer stapt 
in, zonder een woord te spreken; de veerman, die zelf niet 
te wel gezind is, geeft daar geen acht op. Hij neemt zijne 
riemen en begint te roeien terwijl hij intusschen maar spoe- 
dig terug aan de tafel in het Veerhuis wensciit te zijn. 

Te midden der rivier valt zijn reiziger eensklaps uit de 
schuit in het diepe, stroomende water, waar hij onmiddellijk 
in verdwijnt. De veerman, een goed zwemmer, aarzelt geenen 
oogenblik en springt den drenkeling na. Vruchtelooze 
moeite; de man komt geen enkele maal aan de oppervlakte. 

Terwijl de veerman gansch in gedachten verzonken is, 

klinkt hem een schetterend lachen in de ooren, komende van 

• den Heindonkschen dijk. Het was de heer of beter Klödde — 



« Ons Volksleven. » 105 

want het was niemand anders — dien de veerman op den 
bodem der rivier verdronken meende, en nu dezen laatste, 
op een luidruchtig spotlachen over den gespeelden toer 
onthaalde. 

In plaats van door te roeien naar Heindonk, maakte de 
veerman rechtsomkeer en voer terug naar den Rumpstschen 
wal, uit vrees dat de booze geest hem nog andere onaan- 
genaamheden mocht veroorzaken. 

Mijn overgrootoom wachtte zich wel aan zijne makkers de 
grap te verhalen, die Klödde hem gespeeld had. 

Slechts langen tijd nadien vertelde hij zijn geval in een 
gezelschap waar over Klödde werd geredetwist. 

[Boom). E. M. Verbruggen. 







3ete ntier CnanerlinetoH. 

Nalezing. 

p eene hoeve te Westmalle woonde over korten tijd een 
knecht, die zich inbeeldde dat de boer eenen tooverboek 
bezat, waarin hij kon zien hoe het werkvolk op het veld 
zijnen tijd doorbracht. 

Geloofde de boer reden te hebben om eenen zijner knechts 
te m1strouw( n, dan had hij enkel zijnen boek open te slaan, 
en seffens wist hij of de bedoelde knecht vlijtig arbeidde, 
ofwel zijnen tijd in nietsdoen sleet. Onmogelijk dus voor de 
werklieden, hunnen meester te bedriegen. 

De bijgeloovige knecht, die van de waarheid dezer zaak 
innig overtuigd was, verklaarde dat hij niet wilde bespied 
worden, en liever naar eenen anderen dienst uitzag, alg bij 
eenen boer te blijven die met den duivel omging. Hij maakte 
inderdaad zijn pak en trok er van door. (Historiek). 

Jozef Cornelissen. 




106 « Ons Volksleven. » 

1. (6.) Sprietloopen. 

BEN eigenaardig volksspel, vroeger fel in zwang, doch 
sinds een aantal jaren afgeschaft, omdat het nooit of 
zelden zonder ongelukken afliep, was het ^spricüoopen.y» 
Geoefende waterratten en goede zwemmers alleen konden 
er deel aan nemen, daar het minste ongemak, aan het spel 
verbonden, geM'oonlijk een koud bad in de dok was. 

Het spel had plaats aan boord van een schip, gelegen in 
de Oude dok. De boegspriet van het schip, scherphellend 
vooruitstekende, werd met zeep besmeerd ; op het uiteinde 
werd een bol vastgemaakt met gaatjes overdekt, waarin 
stokjes staken met vlaggeskes voorzien. Nevens het schip 
lag eon bootje, met een paar roeiers bemand, gereed om 
aanstonds hulp te bieden, telkens dat een kamper van de 
boegspriet in het water tuimelde. 

De kampers, blootsvoets en slechts met hemd en broek 
gekleed, moesten nu, ieder op zijne beurt, de glibberige 
baan betreden, en trachten tot het uiteinde der boegspriet 
te geraken, om aldaar een der vlaggeskes meestor te wor- 
den, en alzoo eenen prijs te verdienen. Vooraleer zich op de 
boegspriet te wagen, bevochtigde elke kamper gemeenlijk 
zijne voeten, en bestrooide die dan zorgvuldig met zand, om 
daarmede het gevaar van het uitglijden op de ronde zeep- 
baan te verminderen. De eersten die het waagden, — na 
door het lot aangeduid te zijn, — den voet op de boegspriet 
te zetten, rolden gewoonlijk na eenige stappen gedaan te 
hebbon, van den mast in het water. Gelukkig zij die er dan 
met een nat pak van afkwamen. Het gebeurde echter dik- 
wijls dat de kamper uitschoof, te peerd of schrijlings op den 
mast en van daar in de dok viel, en met gebroken ribben, of 
gansch bedwelmd uit het water moest gehaald worden. 
Meer dan een verdronk op die wijze. Het spel geraakte dan 
ook stilaan in onbruik en werd eindelijk voor jioed van de 
lijst der volksvei maken geschrapt. J. B. Vervliet. 

(1) Z. Ons Volksleven, 111, bl. 66, 67, 87, 173, 206. 



« Ons Volksleven. » 107 

Geeselen en Kielhalen. 

0NZE beschrijving van liet sprieüoopen, volksvermaalc dat 
alleen op schepen plaats had, leidt er ons toe, ook een 
woord te reppen over een paar gebruiken, die na de jaren' 30, 
op de schepen onzer haven in voege waren : wij bedoelen 
het gcesdcn en het lielhalen, twee straffen die, evenals de 
stokslagen in het leger, sinds jaren afgeschaft zijn. 

Het geeselen op de schepen werd toegepast op hen, die 
zich aan een vergrijp tegen de tucht hadden scliuldig ge- 
maakt. De kapitein, meester «na God» aan boord van zijn 
schip, gaf aan niemand rekenschap van zijne daden, en deed 
de straf zonder verwijl of beroep, en in tegenwoordigheid 
van al het scheepsvolk uitvoeren. De plichtige werd, met 
het aangezicht naar den mast gekeerd, er aan vastgebonden, 
na eerst van alle kleederen, behalve eene broek, ontbloot te 
zijn geweest. 

Vijf en twintig forsche slagen op den blooten rug met een 
eindje touw, was de minste straf voor hem die gegeeseld 
werd; die een sterk gestel had, kon 50 tot 100 slagen uitstaan; 
maar hij die het hoogste getal, dat is 150 slagen ontving, 
moest niet zelden, na door den scheepsdokter aan boord 
verbonden te zijn geweest, aan wal gebracht en naar het 
gasthuis vervoerd worden, om er te midden van onverdraag- 
lijke pijnen den geest te geven. 

En geen wonder : zij die gelast werden de straf toe te 
passen, wisten dat het eindje touw ook hunnen rug zou 
streelen, indien zij niet hard genoeg sloegen. Elke slag viel 
dan ook sissend op den rug des gestraften, en liet er een 
blauw spoor achter, dat M^eldra opzwol, doch even snel 
onzichtbaar werd, daar spoedig de geiieele rug slechts eene 
bloedende wonde uitmaakte. 

Was het geeselen reeds eene barbaarsche straf, het kiel- 
halen was dit niet minder. Het werd slechts voor zware 
vergrijpen toegepast, daar de schuldige er meestal het leven 
bij inschoot. 



108 « Ons Volksleven. » 

Eerst, werd hij aan armen en becnen gebonden. Dan 
mankte men hem rond de lenden een touw vast, dat op voor- 
hand onder het schip doorgehaald was, en waarvan de 
uiteinden aan elkander gebonden werden. Het touw om va- 
demde het schip, zooals een ring eenen vinger omspant. De 
gestrafte kon dan best den steen in den ring verbeelden. Nu 
werd liet touw aan den eenen kant van het schip gevierd, 
en aan den anderen kant opgetrokken, zoodat de lijder 
noodzakelijk onder de kiel van het schip doorgesleurd moest 
worden. Dit werd 1,2 of 3 maal herhaald, in het laatste 
geval bijna altijd met doodelijk gevolg. 

Op ruwe kerels, als meestal de zeelieden zijn, moet men 
ruwe straffen toepassen. Zij mogen echter nooit lot het 
onmenschelijko gedreven worden, en daarom is hunne 
afschaffing voor de eer der menschheid slechts goed te 
keuren. Nu legt men de wederspannigen aan boord der 
schepen in de ijzers, eene straf die, hoe streng ook, het 
geenszins halen kan bij deze, die wij komen te besch lijven. 

J. B. Vervliet. 



%ïiémiB. 



1*6. Ilolderkabolder 101. Daar is een ding 

Liep over den zolder Dat hangt en winkt 

Met zijnen mond vol menscben- En lonkt en pinkt, 

[vleeech. Kunt gij ook zoo hangen en win- 
(Holleblok). [ken 

OU. Achter den muur En lonken en pinken, 

Stond eon postuur; Gelijk dat ding 

'k Meende het te pakken, Hangt en winkt, 

Maar 't stak in mijn hakken. Lonkt en pinkt? 

(Netel). (Spinnekoj)). 

jO\ Daar is een ding 102. De kwam eens in 'nen bosch ge- 

Dat hangt en linkt on pinkt. [gaan, 

Kunt gij ook zoo hanoen, Ik zag daar een wit kapelleke 
En linken en pinken, [staan ; 

Gelijk dat ding Ik kloptew op de deur : 

Hangt en lii)kt en pinkt? Daar kwam 'nc gele pater vcur. 
(Iloiioge). (Ei). 



« Ons Volksleven. »» 



109 



103. Rolleke bollekea op de baan, 107. 
RoUeke bolleken af de baan; 

Daar is geen^w eeven timmerman, 
Die rolleke bolleke makon,k.an. 
- -. (Ei). . 

104. Witteke witteken op deu berg, 
Wilteke witteken af den berg ; 
Daar is geenen eonen timmerman, 
Die wittt' ke wittekes maken kau. 

(Ei). 

105. Gij dunne magro Iniige. . 
Van waar komt gij gegangeti ? 

üij korte» dikken triptrap, 108. 

Waarom vraagde mij dat. 
[Bene beehen die er over springt). 
lOü. Vier wielewiclewiet, 
Acht pooten wielewoot, 
En 'iie korte» dikzak 
Met ne langen zwikjcwak. 
( Wagen, peer den, voerman en zn-eep). 

109. 



113. 



114. 



{Schelle). 

110. Eerst wit als sneeuw, 
Dan gruuB als gers. 
Dan rood als bloed 
En eet ge 't nu, 
Dan smaak' 'et goed. 
[Kriek). 

lil. Ik kwam daar in een bosch 
[gegaan, 
Ik zag daar e schoon stokske staan 
Ik snee het af en de smid smeedde 

[der aan 115 
En alle menschen geloofden dev 
[aan. 
[Unsel of Romeinsche waag). 
112. Gr??ne jager, witte katoen 

'k Geef u te graden tot margen 
[noen. 
[Bies). 
(Puurs). 



Daar was een juffrouw van de 
[Velde, 
't Wasütet.heur hondje dat ze 
[spe(e)lde ; 
Daar kwamen drij lancierkensaan, 
Ze vroegen -naar 't houdeke zijneii 

[naam; 
's Hoiideketis naam was mij ver- 

[getên, 
Ik heb het drij keeren gezeid 
Kn ge zult hem nog niet weten. 
(Was), 
Tusschou 't Oosten en 't Westen 
Staan 52 nesten ; 
Elke nest heeft zeven jong, 
Elk jong heeft zijnen naam ; 
Die dat kan raden is 't houwelijk 

[bekwaam. 
[De weken van 't jaar en de dagen 

der week). 
Het graf leefde 
Die er in zat beefde ; 
Het graf at, 
Die er m zat bad 

[Jonas in den risch). 
LeNAARD LEHEitlBRE. 
Lange lange ranken ; 
Van hier tot h'ranken ; 
Van hier tot Parijs, 
Is dat geen koningsreis? 

[Beek II/' rivier). 
Ge kunt het met 'nen lepel bedek- 

[keu 
En met al de peerden van Rome 
[niet trekken. 
[MollenJiol). 
Overdag vol 
En 's nachts hol. 

{Kloon of holleblok). 



St. .\]MANDSG1LDE. 



110 • Ons Volksleven. » 



116. Or» rieken 119. Vier hangen der^ 
Rood zien de pieken, Tien trekken dtr 

Ora rak Uit een leeren zaksken 

Zwart zieg'et gat In een koperen baksken. 
Daar ora rieken in stak. ( Vier = de koeidernen; tien =» 

(Pee of mortel). de vingers ; zakske = de uier;: 

117. Keizer Karel had 'nen hond bakske = melkaker). 
Voor gespikkeld en achter bont ; 120, Achter den menlen 

'k Geef het woord in uwen mond : Hunkert een veulen ; 

Hoe hiet Keizer Karel's hond? De paus van Roomen 

(Hoe). Kan het niet toornen. 

118. Daar ging e wijf al over de brug (De donder). 
Met zeven zakken op heuren rug; 

In eiken zak staken zeven katten 

En elke kat had zeven jongen , 121 . Die 't heeft, en kan 't niet geven ^ 

Raadt hoeveel pooten dat er gon- Die 't niet en heeft, kan 't geven, 
[gen. (Het huwelijk). 

(Twee). 

(St-Anionius-Brcchi). J. C. 

(*t Vervolgt)^ 



it "^ngdtti in Ijrt f nltegtlnnl (^) 

VII. 
De Ooievaar. 

IN de vogelwichelarij beteekende de verschijning- des ooie- 
vaars vrede en eemhachi ; zijn vertrek, bij eene ramp, was 
een onheilspellend voorteeken. Paul Diaken zegt dat Attila 
veel moeite deed om Aquilea, waarvan hij reeds het beleg 
ging opbreken, in te nemen, ziende dal de ooievaars uit de 
stad vluchtten, hunne jongen meevoerende. [Buffon). 

— Alex. de Myndes zegt in ^lien, dat de ooievaars,, 
stokoud geworden, naar zekere eilanden in den Oceaan 
vertrekken, alwaar zij, ter belooning hunner vroomheid, in 
menschen veranderen. 

— Men heeft beweerd dat de ooievaars gedurende den 
winter niet verhuizen, maar in het diepste der vennen 
gedompeld blijven, totdat de lente terugkeert. 

(1) Z. Ons Volksleven, II, bl. 50, 65,73, 135; III, bl. 92; IV, bl. 18G. 



Ons Volksleven. »• UI 



Marten Schoockius die in 1648 te Groningen eene verhan^ 
deling over den ooievaar in het licht gaf, is van dat gevoe- 
len. 

— Er bestaat in Holland eene legende over den ooievaar 
van Delft. Toen de stad afbrandde, liet deze vogel zich met 
zijne jongen verbranden, daar hij hen niet redden kon. Ook 
voert de stad Delft eenen ooievaar in heur wapen. 

— Van de hoogste oudheid tot op onze dagen was en is de 
ooievaar een heilige vogel, die geluk aanbrengt aan degenen 
die hem beschermen, en ongeluk aan degenen die hem 
dooden of vervolgen. 

In Thessalië stond de doodstraf tegen dezen dieeenen 
•ooievaar doodden. 

De Mahometanen dragen den ooievaar, dien zij hd-arje 
noemen, grooten eerbied toe; hij is hun haast zoo heilig als 
de Ibis den Egyptenaren, en men zou het als eene heilig- 
schendende daad beschouwen, zoo iemand hem doodde of 
hem enkel eenig letsel aandeed. [Voyage de Shaw, t. 2, p. 168). 

Deze vogel, wien onze voorouders het voorrecht toeken- 
den geluk te brengen over de woningen, waar hij zijnen 
nest bouwde, was daarenboven in hunne oogen het zinne- 
beeld der kinderliefde, der dankbaarheid voor genoten 
weldaden, der waakzaamheid en der gehechtheid aan den 
gastvrijen grond. 

— In Duitschland brengt de ooievaar (Klapperstorch) de 
kerstekinderen in zijnen bek aan. 

Ziehier een rijmken dat men daar zingt bij de geboorte 
eens kinds : 

Papa, Mama, 
Der Klapperstorch ist da. 
Et bat uns diese Nacht 
Ein Schwesterchen gebracht. 

— In Holland zegt men dat de ooievaars, veertien dagen 
vóór hun vertrek, in het blakke veld bijeenkomen, er een- 
maal daags een soort van geiieimen raad houden en einde- 
lijk den dag van het vertrek vaststellen. 

— In Oogstmaand leslleden zag men een onverwacht 



112 « Ons Volksleven. » 



schouwspel in het veM, tusschen de gemeenten Hom en 
Weerd (in HoUandsch Limburg).. Eene groote' vergadering- 
van ooievaars had er plaais; De vogels vormden eene groote 
ronde, in wier midden de ouden elkander raa'dpleegden.met 
veel geschieeuw en snavelgeklepper. ,. , ■ - 

Veel nieuwsgierigen uit Weerd en Horn waren toegeloo- 
pen om dit wonder schouwspel te zien. Men schreef het 
vroegtijdig vertrek der ooievaars toe aan de nadering van den 
cholera. -. , . • 

{'t Vervolpf). Alfried Harou. > 



fnlksüi 

Kerstlied. 

Andantino. 

De - vo - te zii4 die God mint bo - veu al, 

Komt, ziet wie dat ge-bo-rcn is in de-zen stal. Het is de zoon al van 

denoTOD -ten üod, Ge -bo-ren bij de bees - ten in ceu kot. 



Ja en dat zon - dor een deur of slot. 

2. 

De Allerrijkste leithiercp het hooi 

De Koning zelf op een bussel strooi ; 

De stal der beesten is nu zijn salet, 

Een houten kribbe heeft hij nu voor zijn bed, 

Ja, en zoo is z,ijn rijk herzet. [bis.) 



«* Ons Volksleven. y> 113 



3. 

De Heer wordt knecht en de God w ordt mensch. 
Waardoor de mensch nu komt tot zijnen wenseh. 
Ziet hoedat God den mensch bemint, 
Die voor ons is geworden een klein kind 
En hier leit in dezen felh^-n wind. [bis.) 

4. 
r<aar staat Maria, moeder ende maagd, 
Iiie aan heur borst het kindcke Jezus draagt ; 
Zij laat het zuigen van haar herteblood 
Eu zingt een liêken met een rein gemoed : 
Nei, nei, nei, nei, nei, nie, kindje zoet [bis.) 

5. 
Ziet hier Sint-Jozef, dien zeer ouden man, 
Hij dient die zuivre maagd alwaar hij kan : 
Hij klieft het hout en stookt een vuurken aan, 
Hij roert de pa]), en 't wordt door hem gedaan, 
■Ia, in het schijnen al van de maan. (bis.) 

6. 
De Engelen zongen uit het Hemelsch hof, 
Met zoete stemmen een zang van ee.r en lof : 
« Gloria», zongen zij,« aan den hoogstcn Heer, 
« Met peis en vree aan die beminnen zeer, 
« Nei, nei, nei, nei, nei, nei, kindje teer. {bis.) 

7. 
O groote zondaars, acht nu uw geluk, 
Aanbidt hem die u zal brengen uit den druk, 
Yalt hem te voet en dankt den Heer eenpaar, 
Ontvangt dat zoete Kindje altegaar 
Voor eenen zaligen nieuwejaar. (bis.) 

{Rotselaar). K. v. S. 



t 

25. (148.) De verzonken Stad. 
p de plaats waar nu 't «Steenwerkw gelegen is, stond er 
vroeger een zeer groote stad : dat was Belcele. De inwo- 
ners waren zeer ondeugend en bedreven alle slach van 
misdaden en buitensporigheden. Nadat ze lang genoeg den 



6 



6 



114 «Ons Volksleven. » 

Hemel hadden uitgedaagd, was eindelijk de maat van hunne 
boosheden vol, en de uur der goddelijke gramschap versche- 
nen! Op zekeren nacht verzonk de stad met hare booze 
inwoners : huizen, straten, zelfs de kerk, alles werd in de 
aarde verzwolgen. Sedert dien' luiden op Keistnacht de 
klokken der verzonkene kerk onder de aarde. 

26. (149 ) De verzonkene Klokken te Beleele. 

p 't «Steenwerkw woonden er over lange jaren potbakkers 
en aardbewerkers.Weldra werd daareene kerk gebouwd, 
doch wanneer men de klokken in den toren wilde hangen, 
bleven de peerden steken, die aan den reep moesten trekken. 
De voerman, vergramd, begint te vloeken en te tieren. 
Eensklaps scheurt de grond open en verzwelgt voerman, 
peerden en klokken. Van dien tijd afhoort men op Kerst- 
nacht om 12 uren de klokken onder den grond luiden. Ook 
gebeurt het, dat het alsdan in den omtrek verveerlij k 
spookt. 

['t Vervolgt). A. v. P. 

lm|ïkjjü lagen. (i> 

27. (150.) Te peerd naar Keulen. 
p eene hoeve woonden eens twee knechten, een groote en 
een kleine knecht. De kleine zag er zoo mager, bleek en 
afgemat uit, juist gelijk iemand die van de tering lijdt. Ook 
viel hij menigmaal aan zijn werk in slaap. Op zekeren dng 
sprak degrooto knecht hem daarover aan. «Maar jongen, » 
zegt hij, «wat hebt gij?... ge paat met de dood op 't lijf. » — 
«Ja maar, dat gij moest doen wat ik doen moet, ge zoudt 
ook wel slapen. Ik durf het maar slecht zeggen, want ge zult 
mij misschien toch niet gelooven. Ik moet alle nachten, in 
een peerd veranderd, de reis naar Keulen doen. r — u Dat wil 
ik zien,« zegt de andere. «Wij zullen dezen nacht van bed 
verwisselen. Ik ga naar het uwe slapen en gij naar het 
mijne. »» Zoo gezeid, zoo gedaan. Nadat op de hoeve alles in 

(X) Vervolg van bl. 193, 4« jaar. 



Ö 



« Ons Volksleven. » 115 

diepe rust gedompeld was, komt er aan het bed van den 
grooten knecht eene vrouw met cenen toom in de hand. Zij 
wil hem dien toom aandoen, doch de knecht rukt haar dien 
uit de handen en steekt hem de vrouw zelf aan. Daarop 
verandert deze annstonns in een peerd, de knecht springt er 
op en het gaat er, in galop, door heg en haag naar Keulen. 
Te Keulen aangekomen, doet hij het peerd beslagen en 
daarna met dezelfde dolle vaart terug naar huis! Het was 
nog nacht als zij aankwamen. Hij zet het peerd getoomd bij 
het andere in den stal. 's Morgens gaat hij bij den boer en 
zegt : «Kom eens zien wat schoon peerd er nevens het andere 
in den stal staat!» — «Ja maar,» zegt de boer, «het is nog 
getoomd, trek den toom toch af! » — «Neen, » antwoordt de 
knecht, ik doe dit niet, doe i-ij het! » l)e boer trekt den toom 
af en ge kunt denken hoe verslagen hij stond te kijken, als 
hij daar zijne vrouw voor hem zag staan, aan handen en 
voeten raec zware hoefljzers beslagen. De beide knechts 
maakten hun paksken en vertrokken. 
[Gehoord te Hallaar). 

28. (151.) Eene kat den poot afgekapt. 

BIJ eenen mulder Meerden drij gasten achtereen des 
nachts bij het billen of scherpen der molensteenen 
gewurgd, zonder dat men kon te weten komen door wie. 
Hij huurde daarop weer eenen anderen gast, doch verbood 
hem des nachts nog te scherpen. Maar de nieuwe knecht 
drong daar altijd op aan, bij zoo verre dat de mulder het 
hem eindelijk toestond, hem waarschuwende heel voorzich- 
tig te zijn, wou hij niet varen gelijk de andere gasten. De 
gast had gescherpt tot omtrent middernacht, M'anneer ei* 
eene kat op den molen kwam, zonder dat men wist van 
waar; vervolgens eene tweede en zoo voorts, totdat er 
eindelijk wel meer als honderd op den molen waren. Doch 
de knecht hield de eerstgekomene kat maar altijd goed in 
de oog. Deze komt al dichter en dichter bij, totdat zij einde- 
lijk in zijn bereik is. Opeens zwaait hij zijnen « beel » of 
scherphamer en kapt de kat den voorsten poot af. Daarop 
vertrok deze, vreeselij k mauwende en al de anderen volgden. 



116 « Ons Volksleven. » 

Des morgens lag de maalderin met eene afgekapte hand te 
bed. De knecht nam pak en zak en vertrok. 

(Gehoord te Hallaar). 

29. (152.) Van achterna loopen. 
ryj^EN vertelt dat er in vroeger tijd soldaten waren, die de 
óiQ meisjes konden doen van achterna loopen. Het gebeurde 
dan, dat na het jaar 30, wanneer de soldaten nog bij de boe- 
ren ingekwartierd waren, eene dochter kennis had gemaakt 
met eenen soldaat. Korts daarna kregen de soldaten bevel 
naar eene andere streek te vertrekken, en de soldaat vroeg 
aan het meisje een klisken van heur haar. Doch vooraleer dit 
te geven, vroeg zij eerst raad aan hare moeder, die de kwade 
streken der soldaten kende, en deze ried haar aan wat haar 
uit eene zift te trekken en dit aan den soldaat te geven. Dit 
deed zij en als de soldaten aftrokken, rolde de zift hen van 
achterna, en men heeft van deze nooit meer iets vernomen. 

[Gehoord te Hallaar). 

30. (153). Het kwaad Peerd. 

ftCHTER den steenen molen van Hallaar, overblijfsel van 
eenen toren van een eertijds versterkt kasteel (i) ligt 
een nog al uitgestrekte beemd, «Kwaai Peerd» geheeten. 
Daar hebben verschillende lieden rond middernacht meer- 
maals het gedruisch en gedraaf gehoord van een peerd dat 
vreeselijk snorkte en als in dolle vaart door den beemd liep. 
{Gehoord te Hallaar). 

31. (154). Spokerij geëindigd door het vinden 
van eenen schat. 
TN het begin dezer eeuw was er op het gehucht «Mazel,» 
i onder Thielen, een hooge en breede houtkant, ter plaatse 
«Rithaag» genoemd, waar het vreeselijk spookte. Er was 
bijna geen mensch op het geluicht, of hij had er 'teen of 't 
ander gezien. Twee mannen, uit vrijen geweest hebbende, 
kwamen 's avonds laat naar huis. Op die plaats gekomen, 
zagen ze eene tafel opgedekt staan met alle soorten van 
lekkere spijzen en kostelijke dranken, en daaraan verschei- 

(1) Breedcr beschreveu in de 8*'^ aflevering van den 4'^«'> jaargang, onder 
den titel van « Oorsprong vau Hallaar, historische legende.» 



« Ons Volksleven. » 1 17 

dene gasten gezeten, die hen uitnoodigden bij te zitten en 
mede te feesten. De mannen voldeden aan hun verzoek, maar 
een hunner sprak «God lof« uit, en op den eigensten oogen- 
blik was alles verdwenen, en onze mannen lagen beiden met 
hunne beenen omhoog in eenen doornstruik. 

Een andere daar 's nachts voorbij komende, vond er eene 
schoone koets met peerden staan en werd uitgenoodigd in 
te stappen. Doch vooraleer dit te doen, sloeg hij eersteen 
kruis en zag toen, tot zijnen schrik, dat hij in eenen braam- 
struik verward zat. 

Twee jongelingen kwamen 's nachts rond twaalf uren van 
Gierle kermis. Op de «Rithaag» gekomen, zagen zij daar 
eene schoone stad, zonder inwoners, waar alle soorten van 
kostelijke en lekkere dingen uitgestald waren. Zij trokken 
de stad binnen en gingen aan eene welopgedischte tafel 
plaats nemen, toen een der jongens niesde, waarop de andere 
zeide : «God zegene u. » Terstond was alles verdwenen en de 
twee mannen zaten in den hoogen kant in het hout verward. 

Deze plaats bleef lange jaren de schrik van het omlig- 
gende, totdat de eigenaar, een arme man, den hoogen 
houtkant uitroeide en omdolf, en in den grond eenen gehee- 
len rijkdom, in potten gesloten, verborgen vond. Van dien 
oogenblik af was alle spokerij verdwenen. Frans Zand. 

{Gehoord te Thielen). ('t Vervolgt.) 

The Horse in scottish folk-lore, by Rev. Dr. Walter 
Gkegoe, Pitsligo. — BaLffshire, 1890. — Vlugschr. in-12 vaii 
10 bladz. Kleinen druk. 

Tusschen de huisdieren bekleedt het peerd eene eerste plaats. 
Van in de hooge oudheid was dit dier steeds de vriend en hulp 
van den mensch, en is dat ook gebleven. Niemand zal het dus 
wonder schijnen dat het pnerd, in 't algemeen, de beste zorgen 
geniet, en onverdeeld de aandacht zijns meesters op zich trekt. 
Niets van wat het peerd aangaat, ontsnapt aan de scherpzinnig- 
heid zijner verzorgers; doch juist die buitengewone zorg voor 



118 « Ons Volksleven. >» 



het edele dier, het groot belang dat men er in stelt, zijn oorzaaic 
dat de gemeene man zich eerst overdreven denkbeelden schept, 
daarna bijgeloovige gedachten vormt, omtrent eene menigte 
dingen, die alle zeer eenvoudig, heel natuurlijk zijn. 

De hierboven aangehaalde studie is er een sprekend bewijs van. 
De schrijver toont in die weinige, maar met belangrijke aantee- 
keningen goed gevulde bladzijden, wat groote rol het peerd van 
zijne geboorte af in het leven der Schotsche landlieden speelt. 
Beurtelings spreekt hij over de merrie, het veulen, de toover- 
peerden, de nachtmare of nachtwteme, enz. Daarbij haalt hij 
nog eene menigte kinderrijmen, spreuken en spreekwoorden aan, 
waartussclien er voorkomen, die wij hier dikwijls in bijna gelijke 
bewoordingen hebben hooren gebruiken. Het geheel vormt eene 
wetensweerdige bijdrage tot hetgeen ons reeds over dit onder- 
werp meegedeeld werd door Baron L. A. J. W. Sloet {De dieren 
in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik), Angelo De 
Gubernatis {Die Tiere in der indogermanischen Mythologie, 
vertaling van M. Wartmann) en andere schrijvers. 

J. B. Vee VLIET. 

Eenige onuitgegeven stukken betrekkelijk de oorlo- 
gen in de XVIP eeuw. Medegedeeld door J.-Th. de 
Raadt. (Overdruk in-8° van 26 bladz.). 



Reeds meermalen hebben wij gewezen op het groot nut, dat 
charters en gemeentearchieven voor de kennis der zeden en 
gewoonten van ons volk in vroegere eeuwen opleveren. De heer 
de Raadt, een onzer ieverigste vorschers en geschiedschrijvers 
treedt die zienswijze volmondig bij. Zoo zegt hij onder andere in 
de inleiding zijner geschiedkundige mededeeling : «Evenals het 
« bestudeeren der perkamenten van sedert lang verdwenen ge- 
« slachten den onderzoeker inlicht over zeden en gewoonten der 
« vroegere bevolking eener landstreek, en dus eene kostbare 
« bijdrage levert tot de geschiedenis van de algemeene ontwikke- 
« ling der volkeren, zoo geven de archieven, zelfs der kleinste 
« gemeenten, niet alleen ten opzichte van plaatselijke of pro vin- 
« ciale toestanden en gebruiken, maar zelfs voor de algemeene 
« geschiedenis dikwijls zeer belangrijke berichten. » 

Dit is ook hier wel het geval met de 12 akten, door den schrij- 
ver meegedeeld. Alle zijn gedagteekend van de jaren 1622-1668, 
en hebben betrekking op de dorpen Haecht, Keerbergen, Putte, 
Schrieck, Werchter, Grootloo, enz. voor wier geschiedenis, even- 
als voor die der XVIP eeuw, zij eene nuttige bijdrage vormen. 

J. B. Vebvliet, 



« Ons Volksleven. » 119 



Snjjnuö tiEti Cijkrjjriften. 

Volk en Taal, V, N^ 11. — Bijdrage tot dea Nederl. taalschat (Fr. de Vos). — 
Vertelsels. Duimkeu (K. S.). — Waarom boven het wapen vau Oudenaarde 
een bril staat (Th. van Nieuwenliuyse). — Meilied op de bloemen in den hof 
(A.V.H.). — 'sLaudmans avondbeê (A. vau Heuverswyn). — Geschiedenis. 
Prochie- Wacht te Eine. 17* en 18* eeuw (K. van Caeneghem). — Dietsche 
belangen. 

Bickorf, IV, N'" 9. — Van 't verzonken casteel (E. J. Callebert) — Anthonis 
de Rovere. Twee oiitnitgegeveii Gedichten (G.G.). — Nobel's SpreugoJie of 
Dynamitis ( Aug. van SpcybroucU). — Waarvandaan? (G. Gezellc). — .Min- 
gelmaren. 

Het Belfort, VllI, iS"" 5. '— De Staat en de maatschappelijke hervormingen 
(F. Drijvers). — Shakespeare-Bacon(0 Looseu). — Antwerpen Heil ! (Fr. Wil- 
lems). — Het kerkelijk volkslied (B. Mets). — De Borchgravinne van Vergi 
(J. Truyts). — Handboeken, enz. (Th. Stille). — Boererozen (Di'K. de Ghel- 
dere. — Boekennieuws en Kronijk. 

Philologische Bijdragen, II, N''2. — Oost-en Westvlaamsch Gerundium (J. 
Claerhout). — Gabheren (.1. Claerhout) — Eenige gevallen vanj-omklank in 
de omstreken van Kortrijk (A. Dassonville). — Bekendmakingen, J. Cl ). — 
Varia (Am. de Paepe, J. Cl. en A. 1).). 

Verslagen en Mcdedeelingen der Kon. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letter- 
kunde, 18'>3, N'' 2. — Zitting van 15 Meert : Toespraak van den heer K. Stal- 
laert, onderbestuurder. — Vlaanderens Maagd en de schim van ^N illems 
(A. de Vos). — Gedicht (H. Claeys). — Gedicht (Em. Hiel). — ld. van 19 April : 
Toespraak vau den heer K Stallaert. — Proeve van algemeene spraakleer 
(Fr. Willems). 

Dietsche stemmen, 11 , N'' 1. — De wonderen van Lourdes voor de vierschaar 
der wetenschap iJ.van .Mierlo). — Godloocheningen zedelijkheid (Scholasticus). 
• — Christeumoed (Fr. Willems). — De Kalender. Slot {V. Kerkhofs). — Naar 
aanleiding van « Ken officier geworgd « (Wazenaar en J. v. M.). — Naklank 
van lijdschriften : l'hilologie — Boekbeoordceling. 

Dietsche Warande, .\.R, VI, Ni'S. — Een en ander over den zeeschilder H. 
W. Mesdag, met portret (A. C. Cioisetvan der Kop) — Kunstwegen. Novelle 
(L. Stratenus). — Onuitgegeven gedichten van het einde der 16^ eeuw, getrok- 
ken uit het .'Archief van Siuter-(ioelen (J. F. Kieckens). — Een Zoenbrief van 
de XI V^ eeuw, betreffende de familie van der Noot, met heraldieke bijzonder- 
heden (J.-Th. de Raadt). — Het Nederduitsch l'roza omtrent ir)00(F. Jostes). 
— De kunstverzameling van Pater P. A. de Licht, te Antwerpen in 1782 
(Th. C. V. Verreyt). — l>e optocht of Processie van Echternach en andere 
dergelijke dansfeesten (Ad. Reiners). — Kunstgewrochten in goud, zilver en 
koper, alsmede aloude tapijten der abdij van St. Adriaan te Geeraardsbergen 
(K. Piot). — Het verband tusschen de kunst en de zedeleer (If. A. Dupont) — 
Boekenkennis. — Inhoud van tijdschriften. — Vondeliana. — Omroeper. 

Wallonia, I, N"' 5. — L'amour et les amoureux. L I ierlejonc 11. Lesfacéties 
de mai (J Defrecheux). — Chansons d'amour, III (Ó. Colson). — Fêies 
populaires. 111. La Vierge, Reine de mai, IV. IV. Le premier mai a Liéae 
(O. Colson) — Dictons riraés sur Ie mois de mai (O. C.) — Beoliana I. Les 
copéres de Dinant, note (O. C). — II-V. Facéties sur les copéres(F. Sluse et 
O. C). — Notes et enquêtes (A. Boghaert et O. C). 



120 « Ons Volksleven. »» 



Revue des Tradiiions popufaires. VIII, N" 5. — Djemschid et Quetzalcoatl 
(C^" de Chareacey). — 1'oésies sur des thêuies populaires. XXVII (A. Miliien). 
— Légendes el superstitious préhistoriques. XVI. Noms des silex tailles (A. 
Harou). — L'observation du sabbat (R. Basset). — Superstitious icouogra- 
phiques. V. (A. H ). — Usteasiles et bibelots populaires. V. Objets en coquil- 
lages (A. Certeux). Superstitious et coutumcs des pêcheurs. VII. La noyade 
de carnaval (P. S.). — Le tabac dans les iraditious, les superstitions et les 
coutumes. I. Le tabac en générai. II. La pipe. 111. Le cigare (P. Sébillot). — 
Contt's recueillis k Tunis. VI-V1II(A. Kermé). — Légendes, croyances et su- 
perstitions de la Maeédoine (L Douma). — Traditions et superstitious de 
1'Aiijou ((i. de Launay). — Séance du6avril. — Séance du 29. — Bibliogra- 
phie. — Notc's et enquêtes. — Ulustrations. 

Biaiter ilir Pommersche Volkskunde. 1, ]Si''5. — l)er Uaubritter Blankenburg 
(Ivaul). — Tierstimmen im Volksmunde (Dr. A Brunk) — Einladung zur 
Hochzeit (H. Pelz) — Fastiiaclitgebrauche in Pommeru (l)r. A. Haas). — 
Abzahlreime(G. Gaude) — Litteratur. 

N^ö. — l'ommerscheMarchen(H. Plaff). — Zwei Tierfabeln von der Insel 
Wolliu (A. luister) — i'as Bockreiten (Penise). — Fastnachtsgebrauche in 
Pummern (Dr. A. Haas). — Beitrage zum Aberglaube in Poramern (A. Stu- 
benrauch) — Wangeriut-r Originale (A- Petermauti). — Sprachliches aus 

Pommeru (Dr. A. Haas) — Volkslieder aus Pommern (A. Brunk). 

N"" 7. — Neue Volkssagen aus Pommern. VI. Vcrwünschte und ui-terge- 

gangeue bchlösser (O. Knoop). — Die Kat^e im pommerscheu Sprichwort (A. 

Haas). — l'ranzösischeB in pommerschen Abzahlreime (O. Ki.oop). — Be- 

Hprechungslormeln (.\. Haas). — Litteratur. 

N^S. — Neue Volkssagen aus Pommern. Vil. Die Grenze (O. Knoop). — 

Was sich die Leute van Zanow? erzahlen ( NV. Kogliu). Erzahluugea vom alten 

Fritz (Archut uiid Wolff). — Pfingstgebrauclie aus Zwilipp (Asmus). — Braut- 

dienersprüche (U. 1'elz) — Hiuterpommersche Fluchwörter (O. Knoop) — 

Sprachliches aus Pommeru (O. Knoop). — DasVerwunderungslied (O. Knoop). 

Herr Meier legt Eier (l'eunse). — Der Folkloristeukongresz zu Chikago (hr. 

S. Krauss). — Anifrage. 

Am Ur-Quell, IV, N'' 4. — Geister in Katzengestalt (A.Wiedemam.). — üfber 
die Bedeutungdes Herdes (C. Rademacker). — Bibliche Ratsel. lil (A. Trei- 
chel). — Hungernot und Cholera in der Ukraiue(Th. Volkov). — Volkglaubon 
derWotjaken (B. Munkaksi). — Dobschauer Gassenhauer (A. llermann). — 
Volkglaube in Schillers Walleiistein (R. Sprenger). — Alltagblauben und 
volktümliche Heilkuude galizischer Juden (J . Spinner). — Sagen galizischer 
Judeu (A. Nagelberg). — Warum gehen Spukgeister kopflos um? (U. Schell). 
— Tod und Totenietische im Volkglauben der Siebcnbürger Sachsen (H. v. 
Wlislocki). — Schnurren und Schnakeu aus Rügen (O. Knoop). — Lispelnde 
Schwestern (Fitzinger). — Vergrabene Schaize (H. V^olbsmann). — Kleine 
Mitteilungen. 

The Journal of American Folk-Lore, VI, N"" 20. — Fourth annual meeting of 
American folk-lore Socidy — A publication fund. — Human physical cha- 
racteristics in folk-lore and folk-speech (A. F. Chamberlaiu) — A modern 
miracle and its prototypes (H. Carrington Holton). — Signs andomens from 
iNova Scotia (Mrs. C V. Jamison). — The doctrine of souls and of disease 
amongthe Chinook Indians (F. Boas). — A blackfoot suu and moon myth (G. 
B. Grinnell). — TwoBiloxi tales (.]. Ówon Dorsey). — Motes from Ala8ka(\V. 
G. Chasé). — Lady Featherflicht (W. W. Newell). — Folklore scrap-book. — 
Notes and Queries. — Local Meetings and other notices, — Bibliographical 
notes. 



VÖhKUSVEU. - 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 

«Er is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden; 
veel volksuitdrakkingen dreisreii te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtisrheid of oudheid verdienen inde schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 
ZuiDNEDERLANDSCHE M AATSCiiAPi'iJ VAN 'I'aalkunde. Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk iii zijne eigenaardige 
zeden en p;ewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leereu kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. « 

VraagboeTi voor Vlaamscke volkskunde. 

♦ VIJFDE JAAR. ♦ ZEVENDE AFL. ♦"' 

fan Mék, Mék nf Mék. 

( Vervolf/). 
pLÖDDE was een booze geost die de menschen slechte 




r 



-^ 



parten speelde. Wee dengene die in zijne klau- 
^^^wen viel! Het gedenkt mij nog goed wat groot- 
vader daar eens over verteldo. 

Het was op eenen Poederlee-kermisdag. Jan, de knecht 
van Stinus de Meulder, ging iets na den twaalven naar huis. 
Jan schrikte voor niets, want hij had stniische armen en 
handen aan 't lijf. Hij had op de kermis 'nen goeden flikker 
geslagen en eene goede pint gedronken, zoodat hij lustig 
gestemd was en al schuifelende op huis afrrok. Hij was zoo 
wat halfwege, als er op eens een zwarte hond te voorschijn 
kwam, gelijk een kalf zoo groot en wiens oogen gloeiden ais 
vuurkolen! «Ha, Klödde! g.iatge mee?" riep Jan aanstonds, 
zonder zich te bedenken. Nauwelijks had hij die woorden 
gesproken, of de hond kwam en volgde hem. Daarmee was 
Jan echter niet hard in zijnen schik. ^ Men klapt zoo dikwijls 
van Klödde «, dacht hij, « en altijd heb ik er mee gelachen. 
Zou die hond Klödde zijn nu? .. Misschien wel, maar moed 
gevat, verdjanters! »» 



122 « Ons Volksleven. »» 

«Wel beestje», zei liij teg-en den hond, «ik zal u niet 
langer medenemen; ge moogt wederomkeeren. » Maar de 
hond ging recht voor hem op zijne achterste ponten staan en 
berstte in eenen langen schaterlach uit. « Ha, ha, hi, hi, 
ha!... al lang«, sprak hij, « hebt g-ij Klödde uitgedaagd, gij 
geloofdet aan hem niet; welnu, hier is hij !... Gij antwoordt 
niet?! " En wederom schaterde het van : hi! hi! ha! ha! De 
hond wierd wel eenen voet grooter, en Jan's haren rezen te 
berge van schrik. Hij zette het op een loopen om aan Klödde 
te ontsnappen, maar nauwelijks bleef hij wat staan om adem 
te scheppen, of daar hoorde hij denzelfden schaterlach en zag 
hij de verveerlijke beest nevens hem staan. « Wat gedaan? » 
dacht Jan, « nog een beetje moed. Op den iioek van de straat 
staat het kapelleke van Onze Lieve Vrouw van Bijstand; 
welnu, daar naartoe! Ons LieveVrouwke zal mij beschermen, 
wf.nt anders ben ik verloren. » 

En roet! daar stuift hij vooruit, en pardaf! daar valt hij 
vóór het beeld neder. De schaterlach hield op, maar een 
afgrijselijk gehuil en gebrul weergalmde in den stillen nacht. 
Klödde was verdwenen. De dag kwam al in de lucht toen 
Jan opstond om voort naar huis te gaan. Toen hij op de 
hoeve kwam, bezagen de huisgenooten iiem met veiwonde- 
ling en riepen verbaasd uit : « Maar ziet toch eens aan : 
onze Jan heeft dezen nacht grijze haren gekregen! » 

[Vorselaar in de Kempen). A. K. 

Historische volkssage. 

yyjoT omtrent de helft dezer eeuw was ei' langs de breede en 
1 oude heirbaan, die i'echtstreeks uit Holland dwars door 
de Kempen op Mechelen liep, en heden nog onder den naam 
van « Mechelbaan » bekend staat, een druk verkeer. De 
Holiandsche veekooplieden togen langs daar met hunne 
beesten naar de alomvermaarde veemerkt van Mechelen om 
Ie verkoopen, weer anderen om er te koopen. « Schepers» 



« Ons Volksleven. » 123 



of schaapherders volgden de baan en dreven met hunne 
kudden verder op tot Brussel, om ze daar aan den man te 
brengen ; soldaten en andere reizende « passanten » trokken 
er door, zoodat zij bijna nooit, 't zij dag of nacht, zonder 
volk was. Heden, met de opkomst der steenwegen en voor- 
namelijk der ijzerwegon, is de baan zoo eenzaam, doodsch en 
verlaten dat men er des zomers het gras kan op maaien. 

— « Waar volk is, is ook de nering! ^ zegt een Vlaamsch 
spreekwoord. Zoo dachien onze voorouders er ook over. 
Daarom vond men op zekere afstanden langs de baan her- 
bergen of afspanningen, waar men logeerde « te voet en te 
peerd «. Het zij te hunner eer gezegd, het meerendeel waren 
van die aartsvaderlij ko gasthoven, zooals men er nog hier en 
daar, maar zeldzaam, op sommige plaatsen aantreft : eene 
ware voorzienigheid voor de afgematte reizigers, waar deze 
met de grootste gediensiigheid en voor een klein geld, eene 
goede maaltijd en een deugdelijk nachtverblijf konden 
bekomen. Tusschen deze muntten vooral uit door hunne 
gastvrijheid, die spreekwoordelijk was geworden, de drij 
volgende : « Het Hoefljzer r^ onder Putte, « In Holland « en de 
afspanning en brouwerij " De Kroon " (i) onder Heist-op-den- 
Berg, door de gewone kooplieden zeer wel gekend en ook 
gewaardeerd. 

— Doch onder alle koorn is er kaf! Daar bestonden er ook 
andere, die in 't geheim echte rooversholen waren en wier 
bewoners er niet zouden op gezien hebben, iemand bij gele- 
genheid van zijn geld ie berooven en hem daarna van kant 
te helpen. Ook waren op sommige plaatsen de wegen onvei- 
lig en hoorde men meermaals gewagen van baanstroopers, 
die reizigers of kooplieden op eenzame plaatsen aandeden en, 

(1) "Die lieve pk-k waar eens mijne wiege stoud. » — Men hoeft aan te 
merken dat vóór de Fransche omwenteling de gemeente Heist-op-den-Berg, 
onder den naam van « het land en de vrijheid van Heist », het zestiende 
gedeelte van de heerlijkheid Mechelen uitmaakte en iu het bezit was van 
aanmerkelijke voorrechten. Onder andere betaalde men geene de minste 
rechten voor het bierbrouwen. Om die reden ook bestonden er een dertigtal 
brouwerijen te Heist. (Aanmerking van den schrijver). 



124 « Ons Volksleven. »» 



hen van hunne beurs ontlastten. Naar de volksoverlevering 
moet er over tal van jaren tot op het tijdstip der Fransche 
omwenteling zulke verdachte herberg bestaan hebben in 
eene boschachtige streek legen de lieirbaan onder Beersel. 
Dit huis is nu nog onder den naam van « Hondsnest » gekend. 
Aldaar heeft men in 1884 van onder eene « zul w of grond- 
vest die men in den stal uitbrak om eenen nieuwen muur te 
bouwen, een tamelijk goed bewaard geraamte van een kloek 
gebouwd manspersoon gevonden, die daar over vele jaren 
moet onder begraven geweest zijn. Daar er in het bekkeneel 
geen enkele tand ontbrak, zoo moet het een persoon geweest 
zijn in den bloei zijner jaren. Volgens men nog duidelijk kon 
vaststellen, moeten de moordenaar of moordenaars een gat 
onder de « zul » gegraven hebben en er hun slachtoffer met 
geweld op zijne hurken ondergeduwd hebben. De begravene 
zal ongetwijfeld een verre veekoopman of een « scheper » 
geweest zijn, dien men aldaar van zijn geld beroofd, ver- 
moord en daarna doen verdwijnen heeft. Na opzoeking heeft 
men gevonden dat omtrent eene eeuw geleden de weerd dezer 
herberg te Antwerpen is onthoofd geworden. Ongetwijfeld 
dus nog eene zijner misdaden, die verborgen is gebleven. 
In die beroerde tijden bleven de misdaden zoo dikwijls ver- 
borgen ! 

— Het schijnt dat nog al vele lieden, die te dien tijde over 
de baan moesten gaan, tot meerdere veiligheid de kunst 
verstonden om iemand « vast te zetten ». Nochtans werd 
deze duivelskunst maar in den uitersten nood gebruikt, daar 
men er zijne zielezaliglieid mede in groot gevaar bracht. Ook 
was liet noodig dat men de boosdoeners eerst iets gaf of 
voorwierp, eer men daartoe de macht had. Volgens sommigen 
was het genoeg dat zij u groot kwaad wilden doen. 

— In de verlod(Mie eeuw kwam er een « scheper « met eene 
aanzienlijke som gold op zak, opbrengst van eene kudde 
schapen, te Brussel verkocht, rond 10 uien van don avond, 
(ioor do « Mechelbaan w gestapt. Een weinig voorbij «Het 
Hoetijzer ^, waarover reeds gesproken is, lag een uitgestrekt 
bosch. Daar springen eensklaps twee roovers, met een groot 



« Ons Volksleven. » 125 

blinkend mes gewapend, te voorschijn, ondei' den uitroep : 
« Uwc beurs of uw leven »! De « scheper » verliest evenwel 
zijne koelbloedigheid niet, maar haalt eene beurs te voor- 
schijn en werpt ze voor de voelen der bandieten. Deze willen 
ze oprapen, doch op denzelfden oogenblik zet de « scheper » 
hen vast en zij kunnen geenen voet meer van plaats gaan. 
Daarna keert hij terug naar de afspanning « Het Hoefljzer ", 
roept de lieden op, die reeds slapen waren, verhaalt hun 
zijn wedervaren en vraagt eene kamer, alsook vuur en licht. 
Geheel den nacht look hij geene oog dicht, maar wandelde 
al biddende heen en weer door de kamer. Hadde hij moeten 
insluimeren, gedurende den tijd dat de boosdoeners vast- 
stonden, zijne ziel ware de prooi des duivels geworden. 
Zoohaast de dageraad aanbrak, ging hij de overheid van 
Putte verwittigen, en verloste de dieven uit hunnen lastigen 
toestand ; zij werden gevangen genomen en verder aan het 
gerecht overgeleverd. Het bleek weldra dat het oude ver- 
harde booswichten waren, die nog verscheidene moorden en 
euveldaden op hun geweien hadden. Ze werden verwezen 
tot de galg. De strafuitvoering moest te Putte plaats hebben. 
Eene menigte volk van het dorp en uit den omtrek was 
komen zien; er waren zooveel nieuwsgierigen bijgestroomd, 
dat zelfs de boomen vol volk zaten. 

Van eenen dezer boomen brak een tak onder het gewicht 
en een tiental mannen tuimelden naar beneden. De twee 
baanstroopers die, in afwachting dat hun vonnis voltrokken 
werd, aan eenen schandpaal ten toon stonden, schoten in 
eenen luiden schaterlach : « Zie, zeide een hunner, die boeren 
daar zullen nog eer dood zijn als wij », Het volk was over 
deze verregaande boosheid en verstoktheid zeer verontweer- 
digd, en verscheidenen hadden reeds meermaals veel van de 
misdadigers te lijden gehad. Toen de moordenaars aan de 
galg den laatsten adem uitgeblazen hadden, maakle men 
zich van hunne lijken meesier, richtte eenen brandstapel op 
en verbrandde ze tot pulver. Van toen afhebben de Putte- 
naars den spot naam van « verbrande Puttenaars » gekregen. 

Frans Zand. 



126 « Ons Volksleven. » 

35ijkage tnt tm W.m^m\^ ^Mntirnn. 

Vogelnamen. 

Adderspacht (uitspr. oarspncht),m. — Gemeene draailials, 
Fr. torcol vulgaire. Yunx lorquiUa. 

Ballijster, vr. — Slag van groote lijster. 

Berkekster, vr. — Welke vogel is dat? Men heet hem ook 
heekelisier. 

Bieknapper, m. ~- Vliegenvangcr, Fr. gobe-mouche. 
Muscicapn. 

Biemees, vr. Kleinezwarteof kleine koolmees, Fr. petite 
charbonnière Parus atcr. 

Bieteut, vr. — z. Bicme s 

Bloemspacht, vr. — Bonte specht, Fr. pic épeiche. Pktis 
major. 

Bonteklepper, m. —Welke is de wetenschappelijke naam 
van dezen vogel? 

Bontekwet, vr. — z. Kicci. 

Brawier (klemt, op de tweede lettergr.), m. — Wouw, 
kiekendiet', Fr. milan. Fnlc > m'duvs. 

Bremscheer, vr. — Kwakkelkoning, wachtelkoning, Fr. 
rale de genet. Faillus crcx. 

Doover, m. — Slag van watersnep, kleiner dan de gewone 
en ook halfsnep geheeten. Scolopax (jaUimda [l] 

Duif, vr. — z. Oosferschc duif en Tiriclduif. 

Duivenklamper, m. — z. Klamper. 

Dwaasvogel, m. — Eiiropeesche nachtzwaluw, geiten- 
melker, vliegende padde, Fr. engoulevent d'Europe. Capri- 
mulfjiis ntropoeus. 

End, vr. — Eend, Fr. canard. Aiia.<}. 

Fluiter, m. — Vogel van het geslacht der steltloopers. 
't Is, zoo ik het goed voorheb, de wulp, Fr. courlis, L. 
Niimenias arcuata. 

Fransche lijster, vr. — Slag van lijster, zeer gezocht om 
beuren zang. 

Groenspacht (uitspr. gruunspaclif), vr. — Groenspecht, Fr. 
pivert. Picus viridis. 



« Ons Volksleven. y> 127 

Grunsel, vr. — Waarschijnlijk de geelvink, Emheriza 
cifrindla. Denzelfden vogel noemt men hier ook Schrijver. 

Halfend, vr. — Soort van wilde eend, kleiner dan de 
gewone. 

Halfsnep, vr. — z. Doover. 

Hannebroek, m. — Meerkol, roetaard, Fr. gaie. Garrulus. 
Corvus glandarius. 

Hannen, m. — Ekster, inzonderheid tamme ekster. 

Heekekster (zachtl. c), vr. — z, Berkcksfer. 

Heifluiter, m. — Slag van steltvogel. 't Is denkelijk de 
pluvier, Charadrius minor. 

Heiknuiter, m. — Vlasvink, kneu, Fr. sizerin. Fringilla 
linaria. 

Hikster, vr. — z. Hannebroek. 

Hin, vr. — Hen, Fr. poule. Gallina. 

Hinnenklamper, m. — z. Klamper. 

Hondsmakker, m. — Witsteertje, tapuit, duinduiker, 
Fr. traquet motteux. Saxicola cenanihe. 

Huisleeuwerk, m. — Zwart roodsteertje, Fr. rouge-queue 
tithys. Erifhacus iiiliys. 

Kakeduut (klemt, op de leste lettergr.), m. — Spotvogel, 
allezanger, Fr. contrefaisant. Hypolaïs icterina. 

Kèèsmees, vr. — Koolmees, Fr. charbonnière. Parus 
major, 't Is ook de algemeene naam van de meeste meezen- 
soorten. 

Klamper, m. — Algemeene naam der dagroofvogels, 
zooals sperwers haviken, enz. Men onderscheidt voorname- 
lijk den hraivier, den diiivenklamper en den hinnenklamper. 

Knuiter, m. — z. Heiknuiter. 

Koolmnsch (uitspr. köllemusch), vr. — Winterzanger, 
blauwe haagmusch, Fr. accenteur mouchet. Accenior modu- 
laris. 

Koothannen, m. — z. Hondsmakker. 

Koothans, vr. — z. Hondsmakker. 

Kroenekraan, vr. — Kraanvogel, Fr. grue eendree. Grtis 
cinerea. 

Kwet, vr. — Algemeene naam van de grasmusschen, Fr. 



128 « Ons Volksleven. y> 

fauvettes, L. Sylvia Men onderscheidt 1° derjewonc Icwcf, 2'» de 
honiekwef, 3° de Spaniischc kwct. 
Leeuwerk, m. — Leeuwerik, Fr. alouette. AJauda. 

Linnenweverken, o. — z. Kal'cdunf. 

Muurnachtegaal, m. — z. Hiiislcciatwrlc. 

Nachtergaal, m. — Nachtegaal, Fr. rossignol. Erithacus 
luscinia. 

TsTonneken, o. — Venster- of huiszwaluw, Fr. hirondelle 
des fenètres. Hirundo nrhica. 

Oostersche duif, vr. — Wilde duif, boschduif, Fr. pigeon 
ramier. Cohimha polumhus. 

Ossebolleken, o. — Steertmees, Fr. Mésange a longue 
queue. Fams coudntus. 

Ovendekker, m., ovendekkerkeii,o. — Pannemakertje, 
Fr. pouillot siffleur. Fir.edula sihiJairix. 

Retter, m. — Winterkoningsken, Fr. roitelet, ti'oglodyte 
ordinaire. Troglodytes parvulus . 

Roetaard, m. — z. HnmichrocJc 

Roethannen, m. — z. HanndnocV. 

Roodbaardje, o .— Roodborstje, Fr. rouge-gorge. Eritha- 
cus ruhecula. 

Rotzak, m. — z. Hanuchroel'. 

Ruil, m. — Slag van waterho(Ui, Fr. foulque noir. Fulica 
aira. 

Schouwveger, m. — z. HnisJci uwcrl-. 

Schrijver, m. — z. Grimsel. 

Spaansche kwet, vr. — Soort van grasmusch. Welke? 

Spacht, vr. — Specht. Men onderscheidt de hloemspachf, 
de qroenspacht en de adderspachf. 

Tietje, o. — Goudhaantje, sparresijsken, Fr. roitelet 
huppé. Begtdns crisintus. 

Tirtelduif (uitspr. fitieldiuf), vr. — Tortelduif, Fr. tourte- 
relle. Columho iurius. 

Topleeuwerk, m. — Kuifleeuwerik, Fr. alouette huppée. 
Ahinda er i si ai a. 

Tuiltjeskéèsmees, vr. — Kuifmees, Fr. mésange huppée. 
Parus cristatus. 



« Ons Volksleven. " 129 



Tuiltjesleeuwerk, m. — z. TopleeiuverJc. 

Vliegenpikker, m. — z. Bieknapper. 

Waterhin, vr., waterkieken, o. — Gewoon waterhoen, 
Fr. poule d'eau. GolUnula chloropua . 

Weêwaal (gele), m. — Wed u waal, wielewaal, goud merel, 
Fr. loriot. Oriolus qnlbula. 

Wendel, m. — Mannelijke eend. 

Wietek, m. — Zwartkeeltje, Fr. traquetrubicole. Snxlcóla 
rnhkola. 

Zandfluiter, m. — z. Hei fluiter. 

Zoetelieveken (uitspr. ztifelieveJce), o. — Boschleeuwerik, 
Fr. alouette des bois. Alauda arhoren. 

Zwalm, zwolm, m. — Zwaluwe, Fr. hirondelle. Hirundo. 

* * 
* 

Bovenstaande vogelnaraen wierden verzameld in het 
westelijk gedeelte der Ant\veri)sche Kempen, bepaaldelijk te 
St. Antonius, eenige te Brecht (berkekster, hannebroek, 
hondsmakker, huisleeuwerk) en twee te Vorst (hikster, 
kroenekraan). Deze lijst is dus verre van volledig te zijn. Van 
eenige der opgegeven vogelen ken ik den naam niet dien de 
geleerden er aan toekennen, en bij sommige is de weten- 
schappelijke benaming misschien niet juist aangegeven. 

Alle terechtwijzingen die men mij daaromtrent zal zenden, 
en alle inlichtingen, die dienen kunnen om deze lijstte 
voUedigen, zullen met dankbaarheid aanveerd worden. 

Jozef Cornelissen. 



Ingm uit k Eiijiel- m ftjirlkstek, ' 

32. (155.) Van de Doodshoofden. 

De vorige eigenaars van het kasteel Scherpenstein te 
Schelle, kwamen daar nooit verblijven. Daarom koos een 
kluizenaar eene der kamers tot woonplaats en leefde er van 
fruit en wilde kruiden. 
Eens kwamen er twee dieven op het hof geslopen, plokken 



130 « Ons Volksleven. » 

al de appelen van den kluizenaar af, borgen die in eene 
houten kist en vluclitten er mede weg. 

De kluizenaar wist wel wat er gebeurde, maar hij liet de 
schelmen maar betijen. 

Als zij thuis kwamen, riepen ze alleman bij om eens lekker 
van de gestelene appelen te smullen, en openden de kist. 

Maar o wonder! Het zijn geene appelen die zij vinden; het 
zijn doodshoofden, holle doodshoofden, gelijk men er uit- 
graaft op het kerkliof. Hoe eendelijk!... Ieder springt 
achteruit en wordt van bchrik zoo wit als een linnen. 

Wat gedaan! Een der dieven loopt naarden kluizenaar en 
smeekt hem, hen van die doodshoofden te ontmaken, maar 
hij verzwijgt hoe hij er aan geraakt is. 

— " Draagt ze bij hunnen eigenaar terug, « zegt de klui- 
zenaar. 

Na lang verzinnen, besloten de dieven den raad van den 
kluizenaar te volgen. Zij namen de kist op en gingen ze voor 
zijne voeten uitschudden. 

Denkt eens hoe verslagen de mannen daar stonden, toen 
zij, in plaats van de doodshoofden, de gesiolene appelen uit 
de kist zagen rollen ! 

{Gehoord ie Schelle.) 

33. (156). Van eene stoute Vrouw. 

EENE wascli vrouw verliet 's morgens bij winterdag hare 
woning, om in een zeker huis te gaan wasschen. Zij ging- 
overliet kerkhof en zag er cenen witten man staan, onbe- 
wTeglijk als een paal. « Ja, Jan, jongen, maakt mij maar 
bang, " liep zij den man toe, « gij hebt een hemd boven uwe 
kleeren aangeschoten, om mij te doen gelooven dat gij een 
spook zijt. " De vrouw meende niet anders, of het was Jan, 
de zoon uit het huis, daar zij ging wasschen, die heur wilde 
verveerd maken. De witte man gaf geen antwoord. De 
vrouw, getergd, schoot naar hem toe, trok zijn hemd uit en 
nam het mede zonder nog iets te zeggen. 

In het huis gekomen, waar zij den wasch moest doen, riep 

zij : « Waar is Jan nu?... Hij zocht mij bang te maken, maar 

. hij is er niet in gelukt. »» Dit zeggende liet zij het hemd zien. 



•* Ons Volksleven. » 1:3 1 



dat zij den witten man had uitgetrokken. Het was een lijk- 
hemd en daar stonden groote zwarte letters op. De ver- 
schiikte menschen rieden de vrouw met liet hemd naur den 
pastoor te gaan. De pastoor zei dat zij liet hemd terug moest 
gaan aandoen, op dezelfde uur als dat zij het afgetrokken 
had. Zij deed het, maar is uitgeteerd van schrik. 
{Gehoord ie Schelle ) 

34. (157.) Spokerij op een Pachthof. 

¥0LGENS het zeggen der menschen moet een pachthof te 
Schelle vroeger een klooster geweest zijn, en er moet 
veel geld van de kloosterlingen verborgen liggen; daarom 
is 't, dat het er altijd spookt. 

Jaar in, jaai- uit is er iemand van de bewoners ziek, en op 
zekere tijden staat het water der hofgracht in brand. 

Eens kwamen twee knechten dezer hoeve rond midder- 
nacht te huis en stonden niet weinig verwonderd een verken 
op den werf olvorft te zien loopen. Zij maken de bazin wak- 
ker en deze roept hun toe : 

^ Zet algauw de deur van de schuur open en stouwt het 
er in. r> 

De beide knechten openen de schuurdeur en pogen het 
verken binnen te krijgen. Vruchtelooze moeite! Hoemeer zij 
loopen en roepen, hoemeer het van tusschen de litsen ge- 
raakt. 

Ze geven nochtans den moed niet op en werpen eindelijk, 
ten einde geduld, met hunne hoUeblokken naar het domme 
dier. Maar ziet! op den slag loopen er twee verkens; de 
knechts roepen huch!... huch!... huch!... en, o wonder! drij, 
vier, vijf, tien verkens en nog meer komen als uit den grond 
op en vluchten voor hunne voeten weg. 

Nu kregen onze mannen het te kwaad : buiten asem van 
't geweldig jagen en dood van schrik, vluchtten zij naar 
hunne slaapplaats en verstaken zich onder de dekens, want 
het was hun nu duidelijk dat die verkens helsche geesten 
geweest waren. 

{Gehoord te Schelle). - ('t Vervolgt.) 

Lenaard Lehembre. 



132 « Ons Volksleven. »» 



Ipnttiaiïïüti nnti §itku m Hnr^itn, 

1. De Schapenkoppen van Lier. 

TAN IV, liertog van Brabant, die de Lierenaren zeer gene- 
@J gen was, stond in 1420 hun toe hem eene gunst te 
vragen : het stichten eener hoogeschool ofwel het oprichten 
eener merkt. 

De Lierenaren, na rijpen overleg, meer voordeel ziende in 
eene merkt dan in de studenten eener hoogeschool, vroegen 
eene kalvermerkt. Jan IV stond zoo verbaasd over dezen 
keus, dat hij uitriep : 

« O ! die goede lammerboUen ! ^ 

Vandaar de spotnaam Schnijenlwppm. Nu nog zeggen de 
Lierenaars, waneer men de kalveren ter merkt voert : « De 
studenten zijn daar. « (i) 

2. De Spelzakken van Hoogstraten. 

De Hoogstraatschen noemt men in den omtrek Sfelzalihen. 
Ik heb eens hooren zeggen dat die spotnaam hieruit voort- 
komt : De menschen van Hoogstraten zouden geerne hun 
dorp eene slad genoemd zien. Daarom schikten zij zich zoo 
schoon op 's Zondags, dat het oprechte heeren waren, 
ofschoon ze in de week met den zak naar het bosch trokken 
om mastenspelden te halen, wat enkel arme menschen 
doen. (i) 

3. De Brechtsche Struiven, de Halfhouten, 
de Mastendoppen van Brecht. 

De Brechtenaars dragen vanouds den spot naam van BrcchU 
schc Sirniren, omdat zij eertijds, zegt men, de schild van 
Sint-Michiel, hunnen patroon, voor eene koekepan aanzagen. 

Wat de twee andere spotnamen betreft, deze zijn van later 
dagteekening. 't Zijn de Sinjoren die ze de Brechtsche kiezers 
eerst naar het hoofd wierpen. 

Bij uitbreiding heteelientl al f Jwui (eigenlijk gekloven hout 
dat de bakkers gebruiken om hunne ovens te heeten) lom- 

(1) Het land. 



« Ons Volksleven. » 133 

perd, dommerik. Vandaar de vergelijking : zoo lomp als ccn 
hout of 6671 half Jioiit. 

De spotnaam 3Iasf6nclopp6n is eene zinspeling op de talrijke 
dennebosschen die men te Brecht aantreft. 
4. De Pieren van Halle. 

Die van Halle heeten Fi6r6n en hun dorp Mag6rhallc, 
omdat, zegt men, de grond er zoo magor is, dal men er maar 
een enkelen pier gevonden heeft. Deze ligt aan eene ketting 
vastgebonden in den hof van den pastoor. 

5. De Drijvers en de Kluppelaars van Zoersel. 

Eertijds bestond te Zoersel het gebruik de vreemdelingen, 
die het dorp kwamen bezoeken, bij 't vallen van den avond, 
uit de gemeente te drijven. Vandaar de eerste spotnaam. 

Het gebeurde ook meermaals, dat de Zoerselaars de vreem- 
delingen kluppelden, d. i. zich levers verborgen hielden 
achter eene haag, eenen kant of eene houtmij t en naar de 
voorbijgaande vreemdelingen die het dorp verlieten, met 
stokken en k luppels wierpen. Daai'om heeten z\]Klupp6lanrs. 
6. De Krawaten van Lille. 

Die naam heeft, naar het schijnt, zijnen oorsprong gevon- 
den in den oorlog tusschen Oostenrijk en Frankrijk omtrent 
1746. De Croaten zijn een volk, thans aan Oostenrijk onder- 
worpen. Die krijgslieden stonden alsdan te boek voor wreed 
en onmenschelijk. Maar de burgei's van Lille, die juist van 
geen klein gerucht verveerd waren, schijnen zich dapper 
tegen hunne wreedheden verzet te hebben. Er zou te Lille 
een gevecht hebben plaats gehad, waarin verscheidene 
Croaten het leven verloren, (i) 

7. De verbrande Puttenaars (Putte bij Mechelen). 
Den inwoners van Putte geeft men den spotnaam van 
« Verbrande Puttenaars », omdat over veel jaren aldaar ver- 
scheidene boosdoeners op eenen houtstapel verbrand wier- 
den. Er bestaat te Putte nog eene straat, ^ Galgestraat » 
geheeten, alwaar de misdadigers, vooraleer A^erbrand te 

(1) Het Land. 



134 « Ons Volksleven. y> 

worden, aan eene galg wierden opgehangen, (i) 

8. De Beerselsche Brekken . 

Het ware niet geraadzaam in vollen dag met eenen strooi- 
en band zijne broek van onder toe te binden en alzoo door 
het dorp Beersel te gaan, want men zou in gevaar verkeeren 
eene duchtige rammeling op te loopen. Beersel is hoog tegen 
eenen berg gelegen, juist gelijk een mierennest, en de Beer- 
selaars zouden denken dat men met hen den spot dreef, alsof 
men wilde zeggen : Ziet! ik bind mijne broek van onder toe, 
omdat ik bang ben dat de Beerselsche brekken (brekken zijn 
groote mieren) in mijne broek zouden kruipen. Hierover 
een spotrijm dat die van Heist-op-den-Berg tegen de Beer- 
selaars gedicht liebben om ze te tergen : 

De Beerselsche brekken 

Die loopen op stekken ; 

Ze komen den Heistschen toren aflekken.(l) 

9. De Hooveerdige Wavenaars. 

Evenals men den Mechelaren den spótnaam Maanhluaschem 
naar het hoofd werpt en de Antwerpenaars met dien van 
Sivjorcn begroet, zoo hebben de ingezetenen van O. L. 
VrouNv-Waver hunnen toenaam : men heet ze de Hooveerdige 
oï Fiere Wavcraars Ziehier hoe men den oorsprong van dien 
bijnaam verhaalt. In den ouden tijd bezat men te O. L. 
Vrouw- Waver een grof gesneden Lieve- Vrouwebeeld. Het 
toenmalig kerkbestier deed daarom het oude beeld naar den 
zolder verhuizen en stelde in de plaats een ander, dat fraaier 
van vorm en maaksel was. Op zekeren dag dat de koster do 
kerk opendeed, om voor de vroegmis te luiden, vloog het 
verlaten beeld der Moeder Gods heen, terwijl het hem de 
volgende woorden toeriep : «Vaarwel, hoogmoedig Waver! 
Gij hebt mij verstooten, omdat ik niet fraai genoeg ben voor 
u. \k verlaat u, maar in 't vervolg zult ge eenen weg van 
zeven uren moeten afleggen om mij weer te zien. ^^ 

Volgens de overlevering zou het beeld der Moedermaagd 

(1) Meegedeeld door den heer Feans Zand. 



« Ons Volksleven. y> 135 

gevlogen zijn tot. Scherpen heuvel. Daar zou het in eenen boom 
terecht gekomen zijn om later, in de kerk geplaatst, door 
talrijke wonderen, de faam zijner nieuwe woning wijd on 
zijd te verspreiden, (i) 

10. De Katten van Meerhout. 

De inwoners van Meerhout worden Kaften genoemd, omdat 
op het gemeentewapen een kattekop is afgebeeld. 

In een schrijven aan /Ze^ La»rï lees ik het volgende over 
den oorsprong van dien spotnaam : Do volksoverlevering 
van Meerhout beweert dat de spotnaam van Katten, die aan 
de Meerhoutcnaars gegeven wordt, komt van zeven kastee- 
len die vroeger aldaar bestonden en waarvan de heeren als 
katten op malkaar verbitterd waren, en gedurig met elkan- 
der in oorlog lagen. 

11 De Soepweikers van Molle. 

De Mollenaars heeten Socimeikers om de volgende reden : 
« Veel huismoeders dachten dat, om erwten gemakkelijk 
gaar te koken, men ze in rivierwater moet te weeken zetten. 
Daar Molle in gansch zijne lengte door de Molnete besproeid 
wordt, zoo zag men Vrijdags langs alle kanten vrouwen, 
meiskens en kinderen met potten en ketels naar do rivier 
gaan om water te scheppen, om er hunne erwten in te wee- 
ken. Van daar de naam Soepweihers . {Hei Land ) 

In hetzelfde blad wordt nog eene andere uitlegging gege- 
ven : Op zekeren nacht verdronk een jonge haas in de Kleine 
Nete die door het dorp loopt, en de wijzen van Molle gaven 
den raad het dier tweemaal vier en twintig uren in 't water 
te laten weeken, opdat, na dit tijdverloop, geheel de Nete in 
vleeschsop zou veranderd zijn. 

(7 Vervolgt). Jozef Cornelissen. 

(1) Uit Wavre-Notre-Dame et ses «S'tfï^'WMrs, door J. Th. r>E Raadt, eu mee- 
gedeeld in den 3" jaarg. van Ons Volksleven, bl. 77, door J. B. V. 



136 « Ons Volksleven. »» 



fnlksgthrniktn. 

Gebruik op St. Elooi'sdag te Mechelen. 

TN vroegere tijden was 't het g-ebruik te Mechelen, dat op 
1 Sint-Elooi'sdag-, zijnde den P" December, de leerjongens 
van het smedersambacht zich in papieren bisschopsgewaad 
verkleedden, zooals inen thans nog met St-Mertensdag soms 
opmerkt, en dan, met hamer of aambeeld op de schouders, 
bij de smidsmeesters een bezoek gingen afleggen, zingende 
het volgende lied, waarvoor hun een gullen drinkpenning 
ten deel viel : 

Sa meester eude gasten 
Degeen die zijn van stiel, 
Ik kom het u belasten 
Met reden g'heel liabiel, 
Dat gij niet moogt mankeeren 
Van zondag Toor de foei 
Te saam te compareren 
Bij den Heil'gen Sint-Eloy. 
Een mis «ot zijnder eers 
Die zal worden gedaan, 
Die 'tHanswijck (1) verkeerea 
Die zullen wel verstaan 
Als dat zij al te gader 
Mogen nemen hun plezier, 
_ Met Sint-Eloy hun vader, 

In wijn en in 't goed bier. 

Meester en gasten, 

'k Heb de eer u te salueren. 

Sint-Eloy is gearriveerd van Lyons tot Farijs, 
Van Parijs tot Brusselen, van Brussel tot Mechelen. 

Hij is gelogeerd in de Kraan, (2) 
Wilt gij mij niet gelooveo, ge kunt er henen gaan. 
Hij eet aan de Neckerspoel poort 
'k Heb liever een stuiver als een oord, 
'k Heb liever een pot als een pint 
Als het geld maar en klinkt. 
Ten tien ure de mis 

(1) Wellicht werd deze mis vroeger in Hanswijckkerk gecelebreerd. 

(2) De Kraan, oud logementbuis of hotel, thans de woning van M^ Mertens- 
.Janssens, op de Groote Merkt. 



« Ons Volksleven. »• 137 



En al die er niet en is 

Eenen schelling de boet. 
Wilt ge 't opdrinken, 't is ook goed. 

Ge ziet het aan mijn knevel 
Dat ik mag bier en ook genevel(r) 
Ge ziet het aan mijnen baard (uitgespr. baad) 
Dat ik kom uit de straat. 

(Genomen uit : Mechelsch Niemvs- en Aankondiginffshïad, 
10 December 1876). J. C. 



36nekhF£i|irEkmg, 



o. Knoop. — Plattdeutsches aus Hinterpommern. Erste 
Samralunf? : Sprüchwörter und Redensaiten. Zweite Samm- 
luiig : Fremdsprachliclies im hinterporamerschen Platt, nebst 
eiiier Anzahl von Fischerausdiücken und Ekeloamen. (3 Vlug- 
schriften, to zamea 79 bl. in gr. 8°. Posen 1890; Rogasen 
1890-1891). 

In het eerste vlugschrifr. komt een rijke keus spreekwoorden 
en zegswijzen in Achterpommersch dialect. De schrijver heeft er 
niet min dan 610 in verzimeld en alphabetisch gerangschikt. Bij 
het doorbladeren dezer veizameling, heb ik een groot getal 
spreuken aangeteekend, die hier bijna letterlijk dezelfde zijn, of 
wanrvan er in onze streken varianten bestaan. Ik wil er hier 
enkele van aanhalen : «Aller Anfang ist schwer, saed' de Spitz- 
bub' a namm de Ambuss. — Hei lett sik nicli de Botter vom 
Brot naeme. — Du bist so dumm as 't hingerst Eng' voni Schwin. 
— Im Distre sind alle Katte gris. — Hei geht nich fiddcr as ma 
em schifft. — Vael Geschrei un wenig WuU, seggt Ullenspegel 
un schért op de uil Söglosn, enz. 

De tweede «Sammlung» begrijpt, zooals de titel het aanduidt, 
een aantal vreemde uitdrukkingen, die in het Achterpommersch 
Platduitsch gedeeltelijk algemeen bekend en gebruikt zijnr, of 
gedeeltelijk maar in enkele dorpen gebezigd worden. Die woorden 
zijn meestal overblijfsels van het Kassubisch, een Slavischen 
tongval die vroeger in Pomnieren gesproken wicrd, m;i:ir er thai;s 
njigenoeg overal uitgestorven is. Nochtans leven er in sommige 
dorpen nog oude lieden, die zich onder elkander van deze taal 
bedienen. 

Behalve die uitdrukkingen, komen erin de tweede verzameling 
talrijke visscherswoorden voor, namen van vischgerief, benevens 



138 « Ons Volksleven. » 



schimpnamen of scheldwoorden, ook meest vau Slaviscben 
oorsprong. Om volledig te zijn, heeft de schrijver insgelijks de 
Platduitsche woorden opgenomen, voor zooveel die hem bekend 
waren. 

Onder het w. «Bómke» vind ik aangehaald «Buramcn met de 
beteekenis «ein dickes, besonders jundliches Ding von besonde- 
rer Grösze in seiner Art. «'t Is het vermelden weerd, dat wij in 
denzelfden zin het w. "bommel» gebruiken, b. v. « eene bommel 
v;in eene noot», enz. Verder tref ik aan : «Janke d, schreien, 
weinen, besonders von Kiiidern, auch von liundon gebraucht, on 
«Kiijinken, "Kajankc» winselii, besonders von ilundcn», welke 
woorden de schrijver verkeerdelijk afleidt van het Poolsche 
«jekac», zuchten, kermen, stenen. Hot eerste woord is ons 
algemeen Nederlandsch janlcen, dat ook wel in de Platduitsche 
dialecten zal te vinden zijn; en voor « kajinko « of « kajankc « 
zeggen de Kempenaars, in dezelfde beteekenis, Icajonken en 
Jcajonkelen. Onder het w. « Baje » aan de wieg zingen, worden 34 
Pommersche wiegeliederen meegedeeld. 

De besproken arbeid van den geleerden opsteller der «Bliitter 
für Pommersche Volkskunde» is eene allernuttigste bijdrage tot 
de kennis van het Achterpommersche Platduitsch, dat tot hiertoe 
nog niet het voorwerp was geweest van eeu bijzonder onderzoek. 

Jozef Cornelissen. 



f riigBE m aatitektïïingtiï. 

2. (71.) Kegelrijden. — In een klein maar zeer verspreid 
dagblad las ik dat te Nevele (bij Gent), ter gelegenheid van 
kermis, verschillige volksspelen plaats liadden, zooals ring- 
steken, Jcegclrijdev, enz. 

Wie kan mij over dat leste volksvermaak, hier weinig of 
niet gekend, inlichtingen bezorgen? J. B. V. 

3. (72.) 't liied van 't Verken. — Wie helpt mij aan den 
volledigen tekst van het lied, waarvan hier cenige brokstuk- 
ken volgen : 



Ze trokken het heestjeu al op het stroo, 
Het schreeuwde zoo hard eu 't stierf zoo nou. 
't Verken sprak : Och ! laat uie nog wat leven, 

Ueeft me nog wat melk en meel. 

Ik zal er te beter om wegen. 



« Ons Volksleven. » 139 



Refrein. We slagen de beenen van falderara 
Van ave va ! 



Ze vlogen al op de stomme beest, 
Gelijk verwoede honden. . . 



Merten Kriek kwam met 'neu bosterd stroo 
Al om het verken te stoken ; 
't Verbrandde tot een grooter ongeluk : 
't Verbrandden alle zijn knoken. 
Refrein. We slagen, enz. 

Meintje kwikte't met den stcert, 
Hoe zwaar het wei zou wegen, 
De« een e raadden achttien pond 
En de« andere tweemaal negen 
Refrein. We slagen, enz. 

De reuzel die er in was, woog voorwaar 
Geen vierendeel zwaar, 
't Is er niet om sjelogen. 



Merten Kriek ging zijn vrienden nooden 
Op de uitvaart van den doode. 
Kn ieder sneed er een stukskon af, 
En 't verken was al g'eten. 
Refrein, We slagen, enz. 

De laatste stroof luidt one-eveer : 



De vrienden zeiden : Merten 

We moeten u bedanken ; 

Maar als we thuis niet meer en kregen, 

We zouden van honger janken. 

J. c. 

Volk en Taal, V, N"' 12. — Als er iemand gevaarlijk ziek ligt (A. van Heuvers- 
wyii). — Bijdragen tot den Nederl. taalsehat (Fr. de Vos). — Vertelsels. Van 
drie koningsdochters (T. van Heuverswyn). — Zedegeschiedenis (L. da Catil- 
lon). — Eene taalgrens (L. D. C). — Langs banen en wegen. — Dietsche 
belangen. 

Biekorf, IV, N^ 12. — Govaert, of het kind met deu Helme (J. Leroy), — De 
zeewijdirge (C. \\ .) — Eenvoudiger Spraakkunstw oorden. — Mij gelmareu. 



14Ö « Ons Volksleven. »» 



Hel Belfort, VIII, N»" 6. — Eene letterkriliek van het jaar 1849. De Vlaamsche 
Parnassus (D.)- — Op 't Kerkhof (l\ N. Broaws). — Een praatje over kerke- 
lijke kunst (P. B. Mets). — Latijusche uitspraak (Jan Bols). — De taal der 
Nachtegalen, — Vertaling van Dreizehnlinden (A. F.). — De Helleput. Den- 
fJermondsche sage, 1308, ( l'h, van de Voorde), — « Pro Domo» (E. Pauwels). 

— Aan A... (J, ö,), — Boekennieuws en Kronijk. 

't Daghet in den Oosten, IX, N"" 6. — Iets over afleidkunde (3« vervolg). — 
Limburgsche Dichtveerdigheid : Met Si. Martous vuur. Van den herg Hemzi, 
De reus. De betooverde rapen, enz. — De liuilebalken. — Siuto-Luudgarde. 

— Weteusweerdigheden, 

Wallonia, 1, N"" ü. — Sorcellerie. II. Dans l'Eutre-Sambre-et-Meuse (L. 
Loiseau) — Contes facétieux. I (E. M,), — Keotiana. VI. Uu mot sur les 
Copères(0. C.) — VlI-X. Kacéties contre les Dinantais (O. C). — Chansons 
religieuses. Il-lll (J. Defrecheux & (i. Willame). — Kêtes popul, V (J. Mar- 
liu). — Uumour populaire. 111. Le pesage des filles (O. C). 

Revue des Traditions populaires, VIII, N'' G. — Les Oiseaux de Psaphon (R. 

Basset). — Unc caricature égyptienne (O. Beauregard). — Navires et marins. 
VII. Les ames en peine (R. ^tiébel). — l.etabac. 1 V. La prise et ia labatiére. 
V, La chique VI L( s Débits de tabac. Vil, Le tabac dans les contes et les 
chansons (P.Sébillot). — Les üuiils Iraditionnels. III, üutils des sabotiers 
(A. Certeux). — Les Ordalies. Suite (R. Basset), Notes sur la mythologie des 
Lataviei'S. V'. (S'««7e(Wissendorff de Wisssukuok). — .Médecine Superstitieuse. 
VIII (L. Uesaivre) — Bibliographie. — Notes et enquêtes. — lUusti-ations. 

Blïtter für Pommersche Volkskunde. I, N"" 9, — Sagen vom Teufelsberg bei 
Bussin (Fennse) — Pommersche Marchen (G, Gaude). — Volkslieder aus 
Pommern (D'" A. Bruiik) — Schwankund Streich. — Wangeriner Originale 
(A. Petermanui. — Pommersche Flurnamen (H. Dassow), — Besprechungs- 
ibrnieln D'' A Haas). — Bastlösereime (O. Knoop) — Wiegenlieder aus 
Vorpommern (Pennse). — Kolumbus. — Schaferlied. — Der Manu mit der 
Kaiïeekanne. 

Korrespondenzblattdes Vereins für SiebenbUrgische Landeskunde, redigiert von 
Dl' A, Schullerus in Hermannstadt. Preis für Ansland 2 d. RM. 

XVI, N"- f). —Zur Volkskunde. 5. Sagen-Nachlese (Radler). — 6. Bcspre- 
chungen, Aberglaube (D'' A. Schullerus) — Kleine Mitteilungen (F. Bau- 
mann). — Miscellen (!)■• A. Schullerus). — Litteratur, 

N''G. — Villa Rinotel (F. Teutsch). — Ueber die Lostrenuung Salzburgs 
(Vizakna) von der Hermannstadter Provinz (F. Schuller). — Kleine Mittei- 
lungen. — Litteratur, 

Mélusine, VI,N'' 9 — Le grand Diable d'Argent, patron de la Finance 
(H. Gaidoz), — Un livre sur Cendrillon (H. Gaidoz). — Bibliographie. — 
Gravures, 

La Tradition, Vil, N»- 3-4, — La Magie I (Th Davidson). — Folklore polo- 
nais. Vil, (S'«?7e(M. de Zmigrootzki). — Superatitions hindoues. II (H. de 
Baizieux). — Moëls wallons. Il (.1 Lemoine), — La Princesse muette (J, 
JSicolaïdes). — Vieilles chansons. XXVII (V'« de Colleville). — Le Jeu du 
Disque a Dieffenthal (P. Ristelhuber). — Religiou des Indiensdu Brésil 
(M. Suignet) — Devinettes picardes (C. de Warboy), — Ivan le i)ien Avisé 
(R, Stiébel), — Los Relevailles (G l'arnoy). — Le Carême. I (H. Carnoy). — 
Les proverbes de Jacob Cats. IV (E. Ozeniant). — Folklore de la Belgique 
(A. Harou). — Devinette riisse (R. Stiébel) — Chansons du Querey (F, de 
Beaurepaire), — Chantde Quête en Normandie (G. Carnoy). — Folklore des 
Arabes. II, Légendes, XIII (H. Carnoy). — Mélanges traditionnistes (C. de 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



g^ 




« Er is iiojï pen rijke oogst op het veKl fier geweslsprakeu voorhanden ; 
veol volksuiidrdkkingen (ireitreii te verdwijnen die om hunne juistheid, 
scliilderachtigheid oi' oudheid verdienen inde schrifttaai opgenomen 
('II l)ewaard te blijven. » 

ZUIDNEDERLANDSCHE MaATSCHATPIJ VAN 'l'AAhKVÜDE.Wedstrijd 1874. 

«De studio der folklore heeft voor dool ons volk in zijne oigenaardige 
zeden en frewoonteu, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Vraagboek voor Vlaamsche volkskunde . 

^ VIJFDE JAAR. ♦ ACHTSTE AFL. ♦^^ 

^nlteniijjsjinii in %n\\ m Irjjrift. 

^^ ENIGE maanden geleden werden in een sterfhuis 
^w to Antwerpen, een aantal koperplaten geveild. 
^^Eene dezer trok al aanstonds de aandacht van 
eenen kenner. De zeldzaamheid van de oude afdrukken dezer 
plaat, alsook het belang dat zij onder opzicht van het afge- 
beelde oplevert, deden den eigenaar besluiten er eenige 
afdrukken van te laten verveerdigen. Door bemiddeling van 
eenen vriend werd ons een afdruk meegedeeld, waarvan wij 
hier eene beschrijving laten volgen, als bijdrage tot den 
schat onzer volkswijsheid. 

De plaat is met eenen dubbelen rand omzoomd; hare 
breedte bedraagt 62 en 56, hare hoogte 56 en 46 cent., naar- 
male men de boorden al of niet meerekent. 

Tusschen de bovenranden staat in groote letters de Frafi- 
sche titel * 

' PAR CE DESEIN IL EST MONSTJIE 
LES ABVS DV MONDE REN VERSE. 
Evenzoo staat de Vlaamsche titel van onder : 
DESE WTBEELDINGHE V^'ORT 
DIE BLAVWHVYCK GHENAEMT 
MAER DES WERELTS YDEL 
SPRECK WOORDEN BETER betaemt. 



142 « Ons Volksleven. » 



Het woord hc/aemt staat kleiner gedrukt omdat de plaats 
ontbrak. 

De plaat biedt als het ware een vergezicht aan ; de grond 
klimt langzamerhand en daalt dan weer, en is best te verge- 
lijken bij een heuvelachtig landschap, met de zee in 't ver- 
schiet, en aan het uitspansel eene stralende zon, van wolken 
omgeven. 

Groen of boomen ziet men er niet, maar talrijke figuren 
die zinnebeeldig de beteekenisvan de er bij gevoegde spreek- 
woorden moeten weergeven, staan in bonte mengeling, en 
toch geenszins stootend of vermoeiend voor het oog, afge- 
maaid. 

Elke figuur of groep is vergezeld van den Franschen en 
den Vlaamschen tekst der spreekwoorden. De taal dier 
spreekwoorden pleit, bij de Fransche vooral, voor eenen 
redelijken ouderdom ; beide teksten echter zijn dikwijls door 
den teekenaar verminkt en gebrekkig weergegeven. 

Het spreekwoord, dat aan het geheel eenen Vlaamschen 
titel verschafte, staat onderaan, in het midden der plaat, 
afgebeeld. Men zal het vermeld vinden op het einde van ons 
artikel. 

Vooraleer tot eene beknopte beschrijving van al de figuren 
over te gaan, moeten wij nog een woord reppen over den 
kunstenaar die de phiat verveerdigde. 

Boven den rand die den Vlaamschen titel van het overige 
der print scheidt, leest men : ie Coop hij L. FruijHers in de 
Cdmmcsiract iot Aniivcrpcn. 

Is deze Fruytiers, die tevens als etser en kunstkooper 
bekend is, de maker der plaat? Op die vraag kunnen wij 
bezwaarlijk antwoorden. 

Lodewijk Jozef Fruytiers, die noch bij Nagler, Le Blanc of 
Immerzeel voorkomt, en niet verward moet worden met 
Philip Fruytiers (10 Januari IGlOflOJuni 166G) zag het 
levenslicht te Mechelen op 21 Februari 1713. Later kwam hij 
zich te Antwerpen vestigen, en werd er ten jare 1750 lid der 
S'-Lucasgildc, waarvan hij drij jaar later deken gekozen 
M'erd. Hij stierf te Antwerpen den 22" Februari 1782. 

Weinige werken zijn er van hem bekend. Kramm ver- 



« Ons VolksleVeïj. y> 143 

meldt enkel een drijtal portretten, terwijl de fraaie verza- 
meÜDg van Ter Bruggen, behalve een gezicht op de Schelde, 
toegevrozen voor Antwerpen in 1776, nog elf' kleinere plaat- 
jes bevatte. 

Wat nu de " Blavw Hvyck " betreft, deze dagteekent ons 
dunkens, zoo niet van het einde der XVP, dan toch van het 
begin der XVIP eeuw. Het kleedsel der afgebeelde personen, 
— en deze zijn talrijk, — spreekt er borg voor. 

Het zou ons niet verwonderen dat de naam des verveerdi- 
gers met inzicht weggesleten was; een nauwkeurig onder- 
zoek der koperplaat, of een oorspronkelijke afdruk,' zou ons 
misschien daarover kunnen inlichten. 

* 

Het getal der afgebeelde spreekwoorden beloopt 80; wij 
laten ze hier volgen : 

1. Il vault mieulx un oijscau en la main que sept en Vair . 
Het is beter eenen voghel inde hant, dan seuen inde 

locht. 

Een man met grooten hoed op het hoofd, en een zweerd 
aan de zijde, houdt met de linkerhand den nek van eenen 
eendvogel omklemd. 

2. Auec les oijseaux on prent les oyseaux. 
Metvoghelen vangtmen voghelen. 

Een vogelaar heeft eene teerroei op den schouder; met de 
linkerhand houdt hij eenen vogel bij de pooten vast; links 
van zijnen gordel hangen vogels met den nek vastgemaakt. 

3. Ces f ui cnhreune Ie gihe. 
Dese beschijt galghe. 

Aan den voet eener galg staat een man; hij bukt zich zoo- 
veel mogelijk voorover, en houdt de armen gekruist. 

4. Cestui se conseille desou Ie (jihc aucc Ie diahle. 

Dese beraijt hem met de duijuel onder de g a Ighe. 

Onder de galg waarvan wij daareven spraken, en die op 

cene hoogte staat, zit een duivel op een soort van houten 

rustbank. Hij heeft een groot lioofd met vier horens; drij 

staan recht, de vierde steekt zijdelings uit. Zijne armen zijn 



144 « Ons Volksleven, j» 

zeer groot en beginnen achter zijn hoofd. Zijn linkerklauw 
rust op het hoofd van eenen voor hem knielenden knaap. 

5. Cestui a Ie visagc au Soleil, et Vauire en l ombrc. 
D'een heeft de son mede en dander teghen. 

Aan den bovenrand der plaat staat de zon afgebeeld mid- 
den in de wolken. Zij zendt hare stralen loodrecht naar 
beneden en beschijnt eenen man, die den hoed in de hand, 
het hoofd naar liaar opheft. Een tweede man, met den hoed 
op het hoofd, heeft liaar den rug toegekeerd. 

Dicht bij de zon ziet men Icarus die naar beneden valt. 
Zijne vleugelen zijn verzengd, en de was valt in druppels 
er af. 

D aarneven leest men : 

6. Pource que Icare si hauli vóler vouloif, brusla ses aïles et 

tomhoit. 
Icarus van bouen neder valt, doer te hooge vliegen zijn 
veren verbrant. 

7. Le haiser de luda. 
Dese gheeft ludas kus. 

Twee mannen omhelzen malkander. Ondertusschen steekt 
de eene zijnen dolk in den schouder des anderen. 

8. Qui vie(n)dera premier sera moulu premier. 
Die veur komt die veur maelt. 

Twee mannen, elk met eenen zak graan geladen, beklim- 
men eene hoogte, op wier top een windmolen staat. 

9. La femme desrobe par dcricre. 
T'wijf stelet van acht er alwecht. 

Een man schiet langs voren het brood in den oven, en de 
vrouw haalt het er ter zijde uit. 
Bij dezelfde figuur staat nog het volgende : 

10. Ceslui a Irouue le fourne. 

Dese(n) heeft den houen door ghesteken. 

11. A iout bicuco2) de chien est la mort du lieure. 
Veel honden is der liaesen doot. 

Een man met eene lans gewapend, en voorafgegaan van 



« Ons Volksleven. » 145 

vier honden, achtervolgt eenen haas. 

12. Cesiui porie Ie iour dehors auec des hances. 
Dese draegt den dach met mande(n) wt. 

Een man houdt eene mand bij de twee ooren vast, en 
draagt ze met moeite voort. 

13. La foij est plus legiere que la plume. 
Trauwe is lichter dan een pluijme. 

Een man metgrooten hoed op, en eene tesch aan de zijde, 
houdt met de rechterhand eene weegschaal vast. Rechts ligt 
eene hand in de schaal, links eene pluim. De leste weegt het 
zwaarste. 

14. Gestut monte du beuf sur l'asnc. 
Dese climt vanden os op den esel. 

Een man stapt van eenen os op den rug van eenen ezel, 
doch heeft moeite zich recht te houden, en bij het overstap- 
pen niet te vallen. 

Vóór den ezel ligt eene harp ten gronde. Het beest steekt 
er den muil naar uit, als om ze te besnuffelen. Onder leest 
men : 

15. lei on accorde la harpe pour l asne. 

Hier wort de herpe voor den esel ghestelt. 
](i. Oultre la volunie des chiens onne prendra pas les lieures. 

Met onghewillighe honden ist quaet hasen vangen. 
Een man drukt met zijne handen op den kop en den nek 
van eenen hond, om hem 'te dwingen het spoor van het wild 
te rieken. 

17. Cesiui ne peuli pas endurer que Ie Solei luyt en leaue. 

Dese is ghepynt om dat de son int water schynt. 
Een fraai gekleed heer met eenen gepinden kraag om den 
hals, strikken op de schoenen, hozen en flodderbroek met 
Sluiers aan de beenen, en den hoed in de hand, trekt een 
droevig gezicht, omdat de zon van daarstraks (zie Icarus, en 
de 2 mannen, N" 5 & 6) zoo fel in 't water schijnt. 
['t Vervolgt). J.B. Vervliet. 



146 « Ons Volksleven. » 

fan Ihèk, Itók nf Eiiiik. 

(FervolgJ. 

KLUDDE of Kleur c is een soort van boozen geest, zeer wel 
bekend ten platten lande in een groot gedeelte van Bra- 
bant en Vlaanderen. Wat zijne gedaante betreft, die is onein- 
dig veranderlijk. Daarom is bet, dat de boeren voor Kluddc 
zoodanig bevreesd zijn, dat zij 's avonds in geenen beemd, 
bosch, akker of straat zouden treden, waar, volgens het 
gemeen zeggen, Kliidd e zijne verblijfplaats gekozen heeft. 
Dikwijls kan men hardnekkige kinderen beteugelen, aieen- 
lijk door hen te bedreigen met Kluddc s tegenwoordigheid. 
De jonge meisjes sidderen evenzeer voor dat vreesclijk wan- 
schepsel, want zij gelooven dat het een nachtduivel (incuhe) 
is. Zoo men gehoor geeft aan de bijgeloovigbeid, zou Kluddc 
een wnar Proteüs zijn, nu en dan, om op zijn gemak rond te 
zwerven, de aardigste gedaanten aannemende. Hier veran- 
dert hij in eenen boom, eerst zeer klein en tceder, maar 
welhaast groeit hij tot eene onmetelijke hoogte op en ver- 
dwijnt dan in de wolken, gelijk eene schim, alles omver- 
werpende wat er omtrent staat; elders bedekt hij zich met 
de huid van eenen groeten zwarten hond, lo^pt op zijne 
achterste pooten, roert eene aan zijnen hals hangende ket- 
ting, springt onverwacbts op de schouders van al wie hij 
aleen ontmoet in den donkeren nacht, slaat zijn slachtoffer 
ter aarde en vliedt plotseling weg. Meestentijds is Kluddc 
een oud maaier peerd en de schrik van de stalknechten; deze 
vertellen ook dat, waneer zij hunne peerden 's nachts buiten 
in de weide zetten, het hun dikmaals gebeurt dat zij, in stede 
van 's morgens op den welbekenden hengst of de merrie, op 
Kludde's rug springen, die dan met alle snelheid begint te 
loopen, totdat het monster, aan eene beek of eenen water- 
plas gekomen zijnde, er zijnen verveerden ruiter zonder 
medelijden ingooit. Terwijl de arme bloed zich poogt te 
redden, legt Kluddc zich op zijnen buik ter aarde, laat een 
luid spotgelach hooren en neemt de vlucht, waneer de man 
dul en vergramd uit zijn bad komt. 



« Ons Volksleven. » 147 

Volgens de gelegenheid verandert Kludde in eene kat, 
padde, vledermuis of in eenig ander dier. Zijne annkomst, 
zeggen de boeren, kan men gemakkelijk erkennen aan twee 
kleine blauwe vlammetjes, die ook schitterend en huppelend 
voortgaan; die vlammetjes (die men ook statlichteii noemt) 
zijn, zoo men wel kan gissen, de oogen van het wanschepsel. 
Men kan Kluddr, slechts ontsnappen, waneer men voor hem 
zigzagsgewijze vlucht, even gelijk men eene slang vermijden 
zou. Waneer die booze geest vlucht, luidt zijn geschreeuw : 
Kludde! Kludde! Vandaar zijn naam. {Kunsl- en Letterblad, 

1840, bl. 47-48). 

* * 

Eens hoorde ik hier eenen ouderling zeggen tot zijn klein- 
zoontje, dat des avonds nog wou uitloopen : « Pas op! daar 
is Klodde met zijii hellen! » 

Anders heb ik hier in deze streek nooit van Kludde of 
Klodde hooren gewagen, maar wel van den Weerwolf, die 
meer dan éénen trek van gelijkenis met Kludde vertoont. 

Spreekt men in de streken, waar men over Kludde of 
Klodde vertelt, ook van den Weerwolf? En omgekeerd, ver- 
haalt men ook van Kludde, daar waar men van den Tfeer- 
«fö?/" klapt? 't Ware mij aangenaam, zoo eenige dienstveer- 
dige vrienden van Ons Volksleven mij daarover wilden 
inlichten. Jozef Cornelissen. 

I. 

TN vroeger tijd bestond algemeen het geloof onder het volk, 
1 dat de koorts eene ziekte was die door tooveraars of 
tooverheksen aan 't lijf gezet werd. De drijdaagsche of de 
onveranderdaagsche koorts heerschte vóór ruim een veer- 
tigtal jaren, veel onder het volk. 

Daarover de volgende sage : Het kan vijftig jaren geleden 
zijn. De zoon van een landbouwersgezin onder Boisschot had 



148 « Ons Volksleven. »» 

overanderen dag zoodanig de koorts, dat hij zich na een 
tiental dagen met groote moeite nog kon recht houden, zoo 
afgemat was hij. Zijne moeder deed de gelofte van 's mor- 
gens vroeg, drij Vrijdagen lang, voor het kapelleken van de 
«< Drij Maagdekens », (i) samen met haren zoon te gaan bid- 
den en hunne voorspraak aftesmeeken. Den eerstvolgenden 
Vrijdag gingen zij er naartoe en alles verliep nog ;il goed, 
doch den daaropvolgenden Vrijd;ig had de zoon reeds van 
's morgens vroeg zoodanii: de koorts, hoewel het eerst des 
anderendaags zijn koortsdag was, dat zijne moeder hem om 
zoo te zeggen tot aan het kapelleken moest voortsleuren. 
Naaldaar eenigen tijd vurig gebeden te hebben, zien beiden 
eensklaps, vlak vóór hen op den grond, eene muis zitten, 
van meer dan gewone lengie, zonder dat ze bemerkt hadden 
waar ze vandaan was gekomen. De koorts w^as op dit oogen- 
biik lot zulk toppunt geklommen en de schuddingen waren 
zoo hevig, dal zijne moeder hem moest vasthouden, wildo 
hij kunnen blijven zitten. Doch opeens begon de muis (e 
beven en ineen ie krimpen en de koorts verminderde oogen- 
blikkelijk bij den lijder. De ziekte was op de muis overge- 
gaan. Hoe meer deze bij de muis scheen toe te nemen, hoe 
meer zij bij den zoon afnam. Eindelijk, toen de muis geheel 
roerloos bleef, hield de koorts geheel en al op Wanneer 
imn gebed geëindi'^d was, stonden beiden recht, Heien de 
muis stil en ineengekrompen zitten en trokken blijgemoed 
naar huis, want de zoon was volkomen genezen. 
(Gehoord te Boisschuf). Frans Zand. 

II. 

.OK de heksenmeesters kunnen de koorts afnemen en ze 
aan andere wezens, menschen en dieren, overzetten. 

Over een vijftiental jaren was er te Sint-Antonius een 
jong meisje, dat deerlijk van eene kwaadaardige koorts 
geplaagd wierd. De ouders, na vruchteloos alle middelen 
beproefd te hebben om hunne dochter er van te genezen, 

(1) De legende van de « Drij Maagdekens » is breeder omschreven in Ons 
. Volksleven, op bladz. 61., i'^* aflev., 4" jaargang. 



6' 



Ons Volksleven. " 149 



riepen eindelijk de hulp in van eenen vermaarden heksen- 
meester, koperslag-er van stiel, die te Schilde woonde. Deze 
belas het zieke kind en de koorts verdween als bij toover- 
slag. De verheugde vader deed den wonderdokter uitgeleide 
tot op de straat. Op den werf van zijnen gebuur, dien zij 
moesten voorbijgaan, liep een haan met zijne kiekens. « Zie 
eens ^, zei de man tegen den heksenmeester, « wat krijgt 
die haan? Hij doet gelijk zoo aardig! » Inderdaad, de haan 
stond rondte draaien gelijk een top, en viel eindelijk uitge- 
put neder. De heksenmeester glimlachte eens, maar ant- 
woordde niet. Hij wist maar al te wel wat den haan scheelde, 
daar hij de koorts, die hij het zieke meisje afgenomen had, 
op het arme dier had overgezet. 

De man, die zulke kunsten deed, kon ook nog veel andere 
dingen. Geene kwade hand in huis of stal, of hij kon ze 
lichten; geene ziekte bij mensch of dier, of hij kon ze gene- 
zen. Poeders of geneesdranken gaf hij niet : aleenlijk liet hij 
zijne patiënten een metalen plaatje kussen, een heel onscha- 
delijk middel voorwaar, dat hem echter onaangenaamheden 
veroorzaakte vanwege Moeder Justitia, die onzen wonder- 
dokter als een gemeenen aftruggelaar achter de grendels 
deed zetten. Jozef Cornelissen. 



ie llnkken, (^i 
II. 

Gebruiken. {Vervolg). 

rrEDERT de Hervorming is in Engelland de doop der 
t) klokken afgeschaft. Nadat die Katholieke ceremonie 
opgehouden had te bestaan, vervingen de Protestanten den 
doop door onbetamelijke braspartijen. White van Selborn, 
sprekende van de groote feest die in 1735 in zijn dorp plaats 
had ter gelegenheid van de inhuldiging eens nieuwen 
beiaards, zegt dat eene der klokken het onderste boven 

(1) Z. Ons Volksleven, 111, bldz. 110, IV, bldz. 4 en 225. 



150 <^ Ons Volksleven. " 



gekeerd en met punsch gevuld wierd. Dergelijk gebruik is 
tegenwoordig nog zoo goed als algemeen in Engelland. 
(Revue hriliannique, Januari 1855). 

In vele landen zijn de klokken te allen tijde aanzien ge- 
worden als bezielde wezens. In Rusland gaat men nog veel 
verder : in sommige gevallen verbant men daar de klokken, 
als waren het eenvoudig misdadigers. 

Overtijd vierde men in de stad Ouglitche met groote plech- 
tigheid den terugkeer van de klok uit het belfort, die in 
1593 naar Tobolsk in Siberië verbannen wierd door eene 
ukase van den czar Boris Godounoff. Ziehier de misdaad, 
door deze historische klok bedreven. 

De czarevitch, oudste zoon van Iwan IV, den Verschrikke- 
lijke, czar van Rusland, werd in 1591 te Ouglitche vermoord 
door geheime dienaars van Boris Godounoff. 

De moord op den jongen prins, die door het volk zeer 
bemind werd, verwekte eene groote verslagenheid in de 
stad en, op het bevel der overheden, luidde de groote klok 
van het belfort alarm, ten teeken van rouw. 

Boris Godounoff, vol woede, beschouwde dien maatregel 
vanwege de stad als een verzet en, bij zijne troonsbeklim- 
ming, na de dood van zijnen schoonbroeder, den czar Theo- 
door, deed de prikkelbare vorst de overheden van Ouglitche 
ter dood veroordeelen. 

Zijn haat ging nog verder en trof ook de klok, die het 
nochtans niet kon gebeteren. Boris Godounoff liet ze naar 
Tobolsk verbannen om ze te straffen over het luiden van het 
beleedigend alarm. 

Na drie eeuwen ballingschap werd de klok eindelijk weer- 
gebracht in het hersteld paleis van den czarevitch Dimitri. 

De groothertog Sergius w^oonde de plechtigheid bij en 
gansch de stad vierde vreugdevol den terugkeer der verban- 
nen klok. 

IV. 
Klokken die vanzelf luiden. [Vervolg). 

TE Villia, in het koninkrijk Arragon, was eene vermaarde 
klok, bedeeld met wonderbare eigeschappen. Naar 



« Ons Volksleven. » 151 

sommig'en beweerden, was een engel er peter van geweest, 
en anderen geloofden dat de Wandelende Jood of een ander 
geheimzinnig persoon, toen de klok gegoten wierd, een der 
30 zilverlingen die Judas Iscarioth had ontvangen ten prijze 
van zijn verraad, op het kokend metaal had geworpen. Deze 
MoJc begon vanzelf ie luiden, toen een zekere koning van 
Arragon de stad verliet. Zij had geluid bij de dood van 
Ferdinand den Katholieke; zij luidde ook over den keizei', 
zijnen kleinzoon, {ku. Pichot. Charlcs-Quhü. Chroniqiie de sa 
vie inférieure et de sa vie politique, etc. 11"^'^ partie, p. 469). 

VI. 
Volksgeloof aangaande de klokken. 

DE klokken zijn in het volksgeloof bezielde wezens, bedeeld 
met de gave van voorzegging. Zij spreken op zekere 
tijdstippen des jaars, zooals op St. Jansdag, 's middags, en 
op Kerstavond, 's middernaclits. Zij hebben het vermogen 
om te bewegen en naar Rome te gaan, alwaar, volgens het 
geloof der kinderen te Keulen, de paus hen onthaalt. Einde- 
lijk, zij kondigen de dood van dezen of dien persoon aan, 
door vanzelf te luiden. (B°" de Reinsberg. Calendrier hclgc, 
I. 241-42, note). 

— ledere klok wordt bewoond door eenen geest; de groote, 
door den geest die de mannen oordeelt; de kleinere door 
dezen die de rechter is der vrouwen, en de kleinste door den 
geest, die de kinderen oordeelt. 

Die geesten kijken gewoonlijk door de galmgaten van den 
kerktoren; zij zien al wat er in het dorp omgaat, en dringen 
zelfs met hunne blikken tot in het binnenste der huizen. 

Die geesten zijn de zielen der klokken, en die kunnen 
geenen klank geven, waneer de ziel er niet in is. 

Door te luiden met de klokken gedurende het onweder, 
bidt men de geesten ons te beschermen tegen den bliksem 
en het onweder te verdrijven. 

De geesten die de klokken bezielen, hebben van God eene 
zeer groote macht ontvangen. Men heeft menschen zien 
doodvallen, terwijl zij de klokken vervloekten of verwensch- 
ten. Zoo wroken de geesten zich, die de klokken bewonen. 



152 « Ons Volksleven. 



Telken jare, met Paschen, ondernemen de klokken de reis 
naar Rome; 't is te zeggen, het metaal blijft in den toren en 
de geesten aleen gaan naar Rome, Zij vertrekken Donder- 
dags 's morgens, onder de gedaante van duiven, en keeren 
's Zaterdags weder. 

Van Witten Donderdag tot Paaschavond, zou men goed 
de klokken te luiden hebben, ze zouden geenen klank geven, 
omdat hun geest afwezig is. 

De geesten der klokken straffen de kinderen, die leelijke 
gezichten trekken of gebrekkelijke menschen nadoen. Men 
heeft er gekend die gansch hun leven mankten. De geest 
der klokken had deze kinderen eenen manke zien nadoen en 
ze daarom gestraft. Ook zegt de moeder tot haar kind, 
waneer zij het iets dergelijks ziet doen : « Schei uit, kind, de 
geest der klok heeft u in de oog. " (i) {Florenvüle in Luxem- 
burg). 

— De heksen en toovernimfen hebben eenen diepen 
afschrik van den klank der christene klokken en 't gebeurt 
menigmaal dat zij, bij hunne reis door de lucht, de klok uit 
den toren rukken, en deze meteenen afgrijselij ken lach in 
het een of het ander" moeras nederploffen. (H. Heine. Mephis- 
iophela). 

{'t Vervolgt). Alfried Harou. 



{Vervolg). 
12. De Arendonksche Tjokkers en Gorteters. 

De inwoners van Arendonk worden met den naam van 
Arendonksche Tjokkers bestempeld, naar het eentonig 
geluid of het heen- en weertokken hunner oude weefgetou- 
wen ; om dezelfde reden worden zij ook nog wel Tiktakhoffers 

(1) In de Kempen zegt men tot de kinderen : Als ge leelijke bakkesen trekt 
of ge doet 'nen gebrekkelijken mensch na, en 't klokske van Home slaat, dan 
blijft ge zoo staan voor uwe straf. J. C. 



« Ons Volksleven. »» 153 



genoemd en, naar het oud deuntje : 

Havoreofort, 

In 't water gesport, 

Is voor de wevers, 

heet men ze ook wol Gortelers. 

Sedert dat de kousen nijverheid echter geheel vervallen 
en door het sigarenmaken vervangen is, schijnen al die oude 
spotnamen door het meer nieuwerwetschc PinnrJccnsmakers 
verdrongen te Moorden, (i) 



D 



13. De Wolspinners te Desschel. 

E Desschelaars worden veelal WnUpinncrs genoemd, 
omdat sinds onheuglijke lijden, de inwoners dezer 
gemeente de wol sponnen die te Arendonk en Molle, vóór 
het oprichten hunner spinnerijen, door de wevers dezer 
plaatsen verwerkt werd. (i) 

14. De Kortooren van Rethy. 

DE Rethynaren staan bekend onderden naam ynn Korioorcn, 
waarschijnlijk omdat zij nogal schrander, en in 't geheel 

geene ezels en zijn. 

Men beweert ook — en met veel grond — dat zij deze 
benaming gekregen hebben om de menigvuldige en hard- 
nekkige vechtpartij (Ml, die er vroeger tusschcn hen en de 
inwoners der naburige plaatsen geleverd wierden, en waarbij 
die van Rcthy eene voorliefde schijnen gehad te hebben om 
hunne tegenstrevers de ooren te korten, (i) 

15. Het heilig Kavels. 

KAVELS wordt, om de stille en onnoozele eenvoudigheid 
zijner brave bevolking, het Hcilifj Uavcls geheeten. (i) ' 

16. De Janhagelmannen van Peppel. 

gpoTNAAM, die zijnen oorsprong vindt, in het fijn en alom 
geacht gebak, Jauhagel geheeten, dat Ie Poppel verveer- 
digd wordt. 

(1) Het Land. 



154 « Ons Volksleven. y> 

Wie geeft mij besclieed over den oorsprong of de beteeke- 
nis der volgende spotnamen : 

Baasrode : de Kalcfafers, 
Balen : de Kruiers, 
Bornhem : de Boschkrabhcrs, 
Brussel : de KieJccnfrè'crs, 
Buggenhout : de Boschuüen, 
Eikevliet : Groote Suite, 
Eindhout : Ttif, 
Gierle : de Schijters, 
Hingene : de Eters, 
Hoboken : de Strontboercn, 
Hove : de Kèeslioppe'n , 
Liezele : het Overschot van de wereld, 
Loenhout : de Pe^enJcken, 
de Moeszakhen, 
Malderen : de Heeren, 
Mariakerke : de Visschers, 
Meerhout : de KniJckers, 
Meir : de Kneufers, 
Oostmalle : de Joden, 
Opdorp : de Flattrl-cèf^loeicu, 
Poperinge : de KeiJcoppcn, 
Puurs : Kipkap, 
Ruisbroek : de Knhullen (?), 
Sint-Amands : de Gibshcerm (?), 
Sint-Antonius : de Rakkers, 
Steenuffel : de Kloiboeren, 
Tienen : de Kivekers, 
Turnhout : de MuggenbJusschcrs, 
Weert : de SUjkneuzcn, 
Westmalle : de Smouzen, 
Wiliebroek : de Vaartkapoen en, 
Zele : de Scrgiewevers. 
{'t Vervolgt). Jozef Cornelissen. 



« Ons Volksleven. y> 155 

Imtore^iBte ivervohj) (i). 

2. (10.) Overschip 

« T X A^iE doet er mee overschip? Wie doet er mee over- 
l/u schip? » zingen twee, drij kinderen, terwijl zij arm 
aan arm rond de speelplaats wandelen. Het getal zangers 
groeit meer en meer aan, totdat omtrent een dertigtal kinde- 
ren meespelen. 
Aan de twee einden der speelplaats is eene lijn getrokken. 

— Wie zal « overschip » zijn ? 

— Ik! roept een kind. 

Overschip plaatst zich te midden der twee lijnen. 

Alle kinderen komen dansende voorbij " overschip r> ge- 
loopen en zingen : « Voor mijnen eersten keer! Voor mijnen 
eersten keer! » Allen mogen voorbij. Zij keeren terug met : 
" Voor mijnen tweeden keer! Voor mijnen tweeden keer! « 

Ditmaal vangt « overschip « eenen leeiling in de armen; 
houdt hem zoo stevig vast, dat hij zich niet meer verplaat- 
sen kan en klopt hém drijmaal op den rug, zeggende : « Een, 
twee, drij ! overschip! » Deze is er aan. 

Als er twee door « overschip r, gepakt zijn, is deze er af en 
mag hij met den hoop meeloopen. 

De laatst overgeblevenen der vrije loopers, die door de 
tweeden niét gepakt is, is voor het volgende spel « over- 
schip y> of mag er eenen anderen kiezen. (2) 

{Schelle). Lenaard Lehembre. 



IMjkage tot m %m^m^ 'Mniitm. 

Vogelnamen. 

Boutekwet, vr. — Waarschijnlijk de doomgrasmusch, 
Fr. fauvette grisette. Sylvia cinerea. 

(1) Z. Ons Volksleven, I, bl. 30, 31, 87, 88; UI, bl. 101, 126, 127; V, bl. 72. 

(2) Vrglk. Haar en klein beestjes, 1, bl. 31. 



156 « Ons Volksleven. » 

Koeistouwer, m. — Kwiksteert, Fr. hoche-queue. Mota- 
cilla. (Brecht). 

Spaansche kwet, vr. — Zwartkopje, Fr. fauvelte a tête 
noire. Sylvia atricapüla. 

■k * 
¥ 

Namen van Kerfdieren en andere diertjes. 

Ater, m. — Mannelijke honingbie, Fr. faux-bourdon. 

Bartelemees (klemt, op-mef.9, scherpe e), vr. — Groen- 
achtig kerfdier van de orde der halfvleugelio-en {heniipfcrn) en 
het geslacht der weegluizen [cemix). Het heefi eenen onaan- 
gcnamen geur en leeft op het kreupelhout. 

Biezenpeerd, o. — WaterjufFer, Fr. demoiselle, libellule. 
Libellula vulgaia en Lihellula depressa. 

Blinddaas (klemt. op-(7«rts), m. en vr. — Daas, peerden- 
vlieg, Fr. oestre. Hoemalopota pluvialis. 

Brak, m. — Slag van groote bruine mier, die haren nest 
in heiden en bosschen maakt, bij middel van stekjes en 
worielvezels. 

Dazerik, m. — z. Blinddaas. 

Deezekenspeerd, o. — z. Biezenpeerd. 

Dol, m. — Vleeschvlieg, sh»g van groote vlieg, die een 
sterk gegons laat hooren en heure eieren op het vleesch legt. 

Donderbeestje, o. — Zeer klein kerfdier van de orde der 
schildvleugeligen {coleopfera) dat, bij donderachtig weder, op 
de handen of op het aangezicht van den mcnsch dikwijls te 
zien is. 

Duivel (uilspr. duvel), m. — z. PeJcheest. 

Goudsmid, m. — Loopkever, goudkever, Fr. carabe doré. 
C arabus. 

Grondhommel, vr. — Wiite hommel, die hare raten 
onder den grond maakt, Fr. bourdon blanc. Bombus albus. 

Heiteek, vr. — Een geleed dier, van de klasse der spin- 
nchtigen, met een platrond lijt, ter grootte eener kleine erwt. 
Deze diertjes hechten zich aan de huid van katten, honden en 
andere dieren, waarin zij met hunnen kop vastzitten. 

Hemelbie, vr. — KerlTdier van de orde der tweevleugeli- 



« Ons Volksleven. »» wi 

gen [dipiera) dat, bij een oppervlakkig beschouwen, eenige 
gelijkenis mee de bie heeft. 

Houtbijter, m. — Houtkever, een schildvleugeJig insect 
met lange voelhorens, waarvan het masker groote schade in 
het hout aanricht, Fr. longicorne, capricorne. Ceramhyx? 

Knikker, knikkop, m. — Langwerpige, zwarlbruiiie 
kever, die gestadig knikt, waneer men hem, met den kop 
omhoog, tusschen duim en wijsvinger houdt. Legt men hem 
op zijnen rug, dan springt hij scliielijk omhoog, als wierde 
hij dooreene veer bewogen. Fr. iaupin. 

Kopluis, vr. — Luis, die op het hoofd van den mensch 
leeft. 

Kottinneken, o. -- Draaikever, schoenmakerken; blin- 
kend zwart keverken dat bij schoon weder allerlei wente- 
lende kringen op hot water beschrijft, Fr. gyrin. Cyrinus 
natans. 

Liangbeeu, o. — Kreeftspin, hooiwagen, Fr. faucheur; 
goed gekende spin met zeer lange pooten. 

Lievevrouwken, lievevrouwbeestje, o. — Zonnekever, 
lievenheersbeestje, Fr. coccinelle, vulgo béte a bon Dieu. 
Coccinelle. 

Lijfluis, vr. — Luis die op het lijf van den mensch leeft. 
Zij wordt zoo geheeten, om ze te onderscheiden van hare 
zuster die... het bosch bewoont. 

Lol, vr. — z. Dol (Vorst). 

Memel, m. — P Mijt die in het hout zit, meluw. 2° Allerlei 
bladluizen, Fr. pucerons, L. aphis. 'tW. wordt altijd als 
collectief gebruikt. 

Merel, m. — z. Afer. (Brecht). 

Meuldeuteer, m. — Meikever, Fr. hanneton. Scamlceus 
melolontha. 

Moerzeik, vr. — Mier. Formica. 

Moshommel, vr. — Rosse hommel, die haren nest in het 
mos bouwt, Fr. bourdon roux. Bombus riisus. 

Neer (zware e),m. — z. Afer. 

Ovenbeest, vr. —Kakkerlak, Fr. blatte, cafard. PeripJa- 
neia. 



158 « Ons Volksleven. >» 



Peerdeken, o. — , peerdenrijder, m. — z. Biezenpecrd. 
Peerdsharzel (uiispr. pjesliözzel, pershörzel), vr. — Horzel, 
Fr. frelon. CEstrus. 
Feerv/esp {mtST^w peeweps), vr. — Wesp, Fr. gxiê^e.Vespa. 

Pekbeest, vr. — Mestkever, drek kever, Fr. bousier. 
Scarabeus fimetarius. 

St'Antonins-Brechi. ('t Vervolgt.) 

Jozef Cornelissén. 



Sneklie0|ireking, 



Alfeed Harou. — Mélanges de Traditie nnisme de la 

Belgique. (Volume X de la « CoUectiou mteniationale de 
La Tradition. ., Paris, 1893). — Bjekd iti-li" van 150 bladz. 
Pnjs : 3,50 fr. 

In dit werk Ireft de lezer eene menigte bijzonderbcden aan 
over gcbiuikeii, waiipeloot en volksoverleveringen, zoo iti 
VlMamscli als in Waalscli België. 

Meteen voorbeeldig geduld beeft de scbrijvcr talrijke werken 
d'»orsnutï\;ld en alles aangeteekend, wat bij daaiin, nopens zeden 
en gebruiken, volksgeloof en traditie, besclireveu vond. Vee!, 
zeer veel vaJt « r nog op te sporen in boeken en tijdscbrifteu, in 
jaarboeken en verslagen vau letter- en outlbeikundige miai- 
sclijippijen, manr boeveel zijn er, die gelijk ne beer Harou, 
daartoe den moed en 't geduld bebben of er lust voor gevoelen? 

Een deel van die aanfeckeningen, de vrucbt van jarenlang 
opzoeken, beeft de schrijver aangevuld met een groot getal 
wetensweerdigbe('en, uit den mond des volks (»pgescbreven, en 
alzoo een werk geleverd, dat als eene zeer nuUige bijdrage tot de 
kennis der Belgische volkskunde gelden mag. 

Het boeksken is verdeeld in zestien boofdstukkpn : I. Sterre- 
kunde en weerkennis; 11. Het meuscbelijk lichaam. III. Volks- 
geneesmiddelen; IV. Vogelen ;V. Verscbillige dieren ; VI. Ge- 
wassen ; VII. Kermissen, volksfeesten, berbergen; VIII. Dood, 
kerkhoven v\\ besmeltelijko ziekten; IX. Volksheiligen; X. Tafel 
en spijzen; XI. Beken, fonteinen, bronnen; XII. Kinderrijmen; 
XIU. Verscbillige gebruiken; XIV. Sagen, sprookjes, legenden 
t n VolksveiliMlcii ; XV, Oorsprong van sommige gebruikelijke 
Z( gswijzen ; X\ 1. Volkszeg over dorp eu stad. 

Bij ieder uittreksel duidt de beer Harou de bron aan, waar bij 
uil geput beeft, en bij doet wei, waiit zulks verhoogt de vveeidu 
vau zijnen arbeid. 



« Ons Volksleven. »» 159 



Bij n.uler onderzoek zullen echter niet allo a>nlialiiigen juist 
blijken te zijn. Dat is voornamelijk het geval met gebruiken, als 
nog bestaande opgegeven, waarvan er evenwel onder het volk 
geen spoor meer te vinden is. Zoo zijn de poesjenellcnJccldcrs te 
Antwerpen al jaren te niet. Conscience reeds, in de Geschiedenis 
mijner Jeugd, spreekt nr V Sin als van een gebruik, «dat onder 
den invloed der nieuwere beschaving is verloren gegaan. » 

Hetzelfde dient ^'ezeid van sommige bijgoloovigiieden en enkele 
der meegedeelde sagen. Gelooft het volk nog werkelijk aan die 
wangeloovige begrippen? Leven die s igen tegenwoordig nog in 
don volksmond voort? Dat zijn punten, die zoulea moeten 
onderzocht worden. Jozef Cornelissen. 



Dietsche stemmen, 11, ^N*" 2. — De Staatsleer der christelijke Wijsbegeerte 
(F. Drijvers). — Father Walter Croke Robinson. Een bekeerling (Mattnieu). 

— El nuevo mundo. Tooneelstuk van Lope de Vega. Slof. (O. Loosen), — 
Boekbeoordeeliiig. — Mengelingen. 

Bulletin de Folklore, II. N"" 1. — Météréologie populaire. Les orages (A. Ha- 
rou). — Médecine populaire. 1 es maux de dents (E. 1'olain). — Contes. IV-V 
(K. Jlolaiu) — Coutumes. 1. Les noces (E. Monseur). — Chansons populaires 
(M. W., G. Doutrepont). — Revue des livres. 

Wallonia, 1, N"- 8. — Un livre de Magie (F. Renkiu). — Contes facétueux. II. 
(Ch. Bartholomez). — Le jour des Rois. iV. Chanson de quête (H. Simou). — 
Contes merveilleux. III. (L. Loiseau). — Kotes et enquêtes (O. C.). 

La Tradition, Vil, N'' 7. — Le Lavement des pieds (J. Karlowicz). — Une 
légende universaliste de 1'Ukraine (M. Dragomanov). — A. propos du 1'etit 
Chaperon rouge (S. Frato). — Les Rebus de Picardie (A. Ledieu). — Sur Ia 
taille de Roland (F. Ortoli). — Usages et coutumes des Esquimaux (H. Carnoy). 

— Le Vendredi-SainL a Bruxelies (A. Harou). — Usajjes de Pentecóte en 
Alsace (P. Ristelhuber). — Chansons pop. de la Sicile. II (T. Cannizzaro). — 
Chansons du Quercy (F. de Beaurepaire) — Les proverbes de Jacob Cats. v. 
(E Ozenfant). — Le Folklore de Conslantinople. 11. viij (J. Nicolaïdes). — 
Le Chateau suspendu (L 1'ineau). — Lp Jardin du Diable (A. Millien). — La 
Faveur du Sort (J. Salles). — Fêtes traditionnelles (A. Nicot). 

Revue des Traditions populaires, VIII, N"" 7. — Littérature orale des Estoniens, 
I. (A. l)ido). — Analyse des contes de Kreutzwald (A. Dido) — Poésies sur 
des thèmes pop. XXVlll (E. Dubus). — Les Pourquoi. LXXX-LXXXl. Les 
Pourquoi des métiers (A. Certeux). — Tradit., légendes et sup. du pays de 
Dol (F. iiayi;es). — Les Ongles (R. L'asset). — Les nonis des doigis. XV 1. (M™* 
L. Marillier). — l.'obstination des lemmcs. JV. (Morel-Rek). — Le petit 
homme rouge et Kapoléon (P. S.). — La légende napoléouienne. VI. En Russie 
(T. Volkov). — Légei.des danoises. Suïie (V'« de Colleville et F. de Zepeliu) — 
Coutumes de mariage. XV. (O Colson). — Littératnre orale de la Guyane 
fran^aise. lil. (G. Haurigot) — Rites et sacrifices contemporains. 1. Eu 
Belgique (A. Harou). — Bibliographie. — Kotes etenquêtes. 



160 « Ons Volksleven. « 



Mélusine. VI, N"" 10. - I.aFille qui fait la morte pour son honneur gartler 
(Njojra, l>oquiu, Joncieux) — La Mensuratiou du Cou (Peniizet &H. Gaidozj 

— La Fasciiiation : c)Tliérapeutique (J. Tuchmauii). — Le petit chaperon 
rouge. — Bibliographie. 

Am Ur-Quell, IV, N"" <] — Sagen voni Ursprung der Klieken und Moskiten 
(Dr. A. .1. Cliamherlain) — Dor ïadel des Zuvielredeus im SprichworMDr. 
L. Fraukel). — Seemaiiglauhe (K. Knauthe). — Das Zauhergeld. 11 (W. Scu- 
rat). — AUtagglaubeu uiid Volktümliche Hf'ill(Uiide gallizisclier Judeii (H. 
\V. Schiffer). Volkglauben der Wotjakeii (Dr. B. Munckacsi) - Volklieder 
aus dem Spessart (W. Muller). — Kopflose Spukgeistir (l»r. R Sprenger). — 
Klapperkes(K Kuautlie). — Huiigen.ot iu Gross-Ruslatid (Th. V'olkov). — 
(ichoime Spiachweiscn (A. Nagelberg). — Volkriltsel aus Pommern (Dr. A. 
Bruuk). — Kleine Mitteiluiigen. — Bücherbesprcchungen. 

Biatter ?ür Pommorsche Volkskunde, 1, N»' in. — Die Sammlung dtr Volksüber- 
lieferuiigen in Mecklenburg (O Kuoop).— Tiermarchen. — Zwei Teufelssagen 
(Asmus). — Pommersohe Marcheii (Asmus). — Was sich die l.eute von Zatiow 
(Tzahleu (\V. Kogliu). — Ei, Küchlein, Henue und llahn im pommerscheu 
Volksratsel (.\. Brunk). — Ernlebrauch und Erntespruch aus dem Cösliner 
Kreisc. — Ein alles Tanzliet (l'cinise). — Karkaszhauben (A. Küster). 

ZeitschrUt des Vereins iür Volkskunde. III, N-- 2 — Volksthümliche Schlag- 
iichler (W. Schv artz). — .^;olgeIllaudischer Abcrglaube in der römischeu 
Kaiserzeit(H I ewy). — Aus dem laeröischen Volksliben (V. U. llammers- 
haimb). — Sagen und (iebrauche im Stubailhal in Tirol (P. Greussing). — Zu 
den deutüchen Volksiiederu aus Böhmea und aus Nicderhessen (K.Voretzoch). 

— Der Wolf mit dem Wockenbriele. Marclien in Kattenstedter .Muudnrt (E. 
Damköhler). — Die Thorah- Wimpel oder Mappe. Ein Btitrag zur jüdischen 
Volkskunde (G. Minden) — Das Lebi-n Jesu von P. .Martiuus von Cochem als 
(^uelle geistlicher Volksschauspiele (J. J Ammann). — Kleine Mitteiluugen. 

— Bücheranzoigeu. — Aus den Sitzungs-Protokollen des Vereius für Volks- 
kunde. 

The Journal of American folk-lore. VI, N'-21. — Tbc niiraclo play of the Rio 
Grande (J. G. Bourke). — The diffusiun of song-ganies. — DId-time marriage 
customs in New Eiigland (A. Morse Earle) — ^ew l';n;j;laiid weildiugs (Mc 
l'ole). — Report of a visit to Jack Wilson, the Paiute .Messiah(.\. S. Gatschet) 

— Medecine arrows of the Oregon lndiaus(A. S. (ialscliet) — i'a^^nee mytho- 
logy (G B. Grimnell) — 8oiigs from the mountaiiip of Korth Carolina(W. 
Edmonds) — Popular American plaiit-uames(K. D. Beigen). — Wasle-basket 
of words. = Folk-lore scrap-book. — Notes ai.d Queries. — 1 ocal ineetiugs 
and other notices. — Cougresses at the Columbian cxpositiou. — Bibliogra- 
I^hical notes. 

The folk-lorist, I, u" 2-3. — 1 cscription of a Hopi ti-hü (A. M. Stephen). — 
The story of Hépi and Wiiiona. A Dakota legend (K. Iluggins). — Fuueral 
customs among the Cheyenne and Arajoahoe ludiai-s (II. 11. Voth). — Canté 
Sica. A Sioux superstitiou (W™ Cartwrigt). — Tree stories (M. A. Orven). — 
IIow the dog's nioutii cnme 1o be ragged (A Robit son Watson) — A glimpse 
at Korean folk-lore |H. B. Hulbert). — Glimpses of Japauese folk-lore (?) (E. 
W. clement). — '1 hc original of Ui.cle Rem. is' <ar bal)y in Japan (\Vm Griffis). 

— Modern Mexican vvitchcraft (A. T. Graybillj. Some Egyptiau legenda 
and superstitions. — Illinois folk-lore. Some bdiei's of chikiren and youths 
(W. Basselt).— Washington folk-lore (M. Ten-Eyck). — A witchtrap (L. J. 
Vance). — A few East African superstitions (Mrs. French-Slialdon). -— Mis- 
cellauy. — Review of books. — Items.— Articles on folk-lore in periodicai 
litterature. 



TIJDSCHRIFT 
voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



9.É. 



« P> is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel volksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZüIDNEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN TAALKUNDE, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Vraagboeh voor Vlaamsche volkskunde. 

♦ VIJFDE JAAR. ♦ NEGENDE AFL. 7^ 



f nlk0tntj0{iri& m 'Mïii m Irtirift, 

(Vervolg). 

ESTUI ten d au poisson par desou les lacqz. 
Dese vist achter het net. 
Een man met een schepnet gewapend, schept in 
het water, maar haalt niets op. Te midden van den plas is 
een net geplaatst, dat aan de beide oevers vastgemaakt, den 
visch belet naar den kant van den visscher over te zwemmen. 

19. Cesiui qui veult estre caresse du chat il faut quil endure sou- 

vent q'uil Ie grate. 
Wacht u voor de catten die voor lacken en achter 
kr abben. 

Een man draagt op zijne schouders eene kat, die hem m 
zijne linkerkaak bijt. 

20. Ces' ui ei j passé sou temps a grater Ie singe. 
Dese vloeijt den aep. 

Een man zit neergehurkt, en zoekt bieterkens op den 

kop van eenen vóór hem zittenden aap. 

21. Cesiui trouue Ie cJiien en Ie jwf. 
Dese vint den hont inden pot. 




162 « Ons Volksleven. * 

Een ketel met 3 pootjes (pikkeltjes) ligt omgeworpen ten 
gronde, en w^ordt door eenen iiond uitgelekt. Een man komt 
aangeloopen en dreigt den hond met eenen stok. 

22. Lon porie si souvent Ie pot al eau gu alle fin ilse rompt. 

De kruijck wert so lange te water gedragen dat zij eens 
breeckt. 
Een meisje houdt het bovendeel eener kruik bij de oor 
vast. De bodem der kruik ligt op den grond. 

23. Ilz ne sont pas ious cuisiniers qui porte{n1) larges couieaux. 
Ten zijn niet al koeken die lange(n) messen draghen. 

Een man met grooten hoed, breede broek en hozen, houdt 
in de eene hand een mes, waarvan de scheede aan zijne 
rechterzijde hangt; in de linkerhand houdt hij eene schuim- 
spaan. 

24. Cestui serre Ie puis quant Ie veau est noye. 
Dese vult den put alst calf verdroncken is. 

Een dood kalf ligt op eenen uitgespreiden doek; daarne- 
ven graaft een arbeider eenen put. 

25. Cestui cij auec son cschdlc vcult monter par desus tous les 

autres. 

Desen is een geleerdt man. 
Een man heeft het hoofd tusschen de twee middenste 
sporten eener ladder doorgestoken, en draagt deze alzoo op 
de schouders. 

26. lei tire la truijc Ie broche deliors. 
Hier trect die soch den tap wt. 

Een verken trekt met den snuit eenen trog uit een vat, 
zoodat de drank wegstroomt. Een weerd met eene kruik in 
de eene, eenen stok in de andere hand, komt toegeloopen en 
slaagt naar de zeug. 

27. Ie suij hatu de la hrocli san liauoir mange du rosti. 

Dese wert met die spiet gesmeten en heft van gebraet 
nietgheten. 

Een soort van krijger met eenen degen aan de zijde, en 
een braadspit in de handen, achtervolgt eenen man, die al 
loopende zijne onschuld tracht te bewijzen. 



« Ons Volksleven. » 163 



28. Cesttii esireme les roses deuant lesporceaux. 
Dese stroijt roosen voor die verekens. 

Drij verkens komen toegeloopen om de rozen op te eten, 
die een man voor hen uitstrooit. 

29. Cestui kije sur Ie monde. 
Dese beschijt de werelt. 

Een wereldbol met gebloemd kruis bekroond, ligt ten 
gronde, terwijl een neergehurkte man er zijn proper. . werk 
boven veiTicht. 

30. Deux chiens d vn os. 

Twee honden aen een been. 
Twee honden met halsbanden aan, liggen op den grond en 
knagen aan denzelfden poot. 

31. L'vne fait quenouille que l'autre fille. 
Deen roet dat dander spint. 

Twee meisjes met pinmutskes getooid, houden zich met 
eenen spinrok onledig. Het eene meisje zit, het andere staat 
recht. 

32. Cestui est vn soufier d'oreille. 
Die is een oorblaser. 

Een edelman met gepluimden hoed op het hoofd, gepinden 
kraag om denhals, den degen aan de zijde en afhangende 
leerzen met sporen aan, wandelt, terwijl een knecht hem 
volgt; deze houdt eenen kleinen blaasbalg vast, en jaagt er 
wind mee in het oor zijns meesters. 

33. Cestui a l'unpied sur terre et l'autre en la fosse. 

Dese heeft den eene(n) voet op dee rde enden andere(n) 
int graf. 
Een bejaard man met knevel en baard, verders met eenen 
mantel omhangen, staat aan den boord van eenen grafkuil 
en plaatst den linkervoet op den rand. 

34. Cestui ne{n) scait venir de Vun pain a Vautre. 

Dese en can van deen broot aen dander niet geraken. 
Een man kruipt over den grond, terwijl zijne linkerhand 
op een brood rust, en hij met de rechter naar een ander 
brood grijpt, maar het niet bereiken kan. 



164 « Ons Volksleven. « 

35. lei appelle d manger Ie renart la grue. 
Hier noijdt den vos de craen. 

Een vos is bezig met eene schotel leeg te smullen, terwijl 
de kraan er op staat te zien. 

36. Il est mauuais d'aprc{n)dre les vieulz chiens aller au lacz. 
Oude honden zijn quaet bandich te maken. 

Een man met tesch en hertsvanger aan de zijde, doet 
vergeefsche pogingen om eenen hond, dien hij aan eene 
koord leidt, vooruit te duwen. 

37. Ccstui regarde oulire ses doigtz. 
Dese siet door de vingeren. 

Een man draait zich half ter zijde, en houdt de hand voor 
het gelaat, terwijl hij door de vingeren ziet. 

38. Cestui porie Je feu en Vune main et Veaue en l autre main. 
Dese draecht vier in d'een hant, en water in dander hant. 

Een man met gepinden kraag om den hals draagt met de 
linkerhand eenen emmer water, terwijl hij eene vuurpan 
met brandende kolen in de rechterhand houdt. 

89. Le singe dem{e)ure (sic) singe comhii[n) qu'ü seroit acoustré 

en or. 
Die simme blijft een simme al had sij gauwe(n) cleeren 

aen. 
Een aap met een jakske gekleed steekt de voorpooten in 
de hoogte, en schreeuwt het luide uit van pret. In den rech- 
tervoorpoot houdt hij eenen beker. Rond het lijf draagt hij 
eene koord als band, wnni-tusschen een pijpke steekt. Op 
den rug draagt hij een bakske met snuisterijen en afhan- 
gende lappen gevuld. 

40. Ccsiui parle a ious deux hotiches. 
Dese spreect met twee monden. 

Een man draagt in de recliteriiand eene veeren pen, en in 
de linker houdt hij eenen geldzak bij de koord. Hij is gekleed 
met eenen langen tabbaard, en heeft twee aangezichten ; het 
eene is rechts, het andere links gekeerd. 

41. Il ne s'ensoiicie qüel maison qui hrulc quand üs'enpeuli 

chaufer au carbon. 



« Ons Volksleven. » 165 

Dese(n) en achtes, niet wiens hiiijs dat brant als hij hem 
mach wennen bij de colen. 
Een huis staat in vollen brand; de vlammen slaan uit 
langs de vensters en het dak. De voordeur is open, en een 
man op eenen houten stoel gezeten, met hel aangezicht naar 
de deur gekeerd, steekt zijne handen uit, als om zich te 
warmen aan de heete lucht, die uit het huis stroomt. 

42. Cestui voijt par 9 : irouz. 

Desen siet door neghen mosier gaten. 
Een man staat voor eenen muur, waarin negen schietga- 
ten in den vorm van nissen aangebracht zijn. 

43. Les asnes chcvancent sur les niules. 
Desels rijden op muijles. 

Twee ezels zitten heel deftig neergehurkt op den rug van 
twee opgetoomde, stapvoets voortgaande muilen. 

44. Cestui fait net sou cu conire la poort. 
Dese veght sij gat aen de poort. 

Voor de dichtgegrendelde poort van eenen versterkten 
toren, die van schietgaten en kanteelen voorzien is, staat 
een man in gebukte houding. Hij houdt eenen lanteern in 
de hand, en doet het proper werk waarvan het spreek- 
woord gewaagt. 

45. Cestui mord en un pilar. 
Dit is een pilaerbijter. 

Op een voetstuk staat eene kolom met eenen bol bekroond. 
Een man, de armen rond den pilaar geslagen, drukt zijn 
aangezicht tegen de kolom, alsof hij er in wil bijten. 

46. Cestui mange son propre cceur. 
Dese eet zijn hert. 

Een man zit met overeengeslagen beenen op den grond; 
hij opent den mond om in een hert te bijten, dat hij in de 
linkerhand houdt. 



47. Cestui pisse co(n)tre la Lune. 
Dese(n) pist teghe(n) de mane. 



« Ons Volksleven. » 



Een man met blooten kop volbrengt hier in 't groot, wat 
Manneken Pis van Brussel in 't klein doet. De waterstraat 
bereikt de maan, die hoog in de lucht, in haar eerste kwartier 
tusschen groepen wolken afgebeeld staat. 

{'t Vervolgt). J. B. Vervliet. 

hij k mmttlitigm tian ïïmï m i COl . 

/7y;j^et hel aanbreken der XVIl^ eeuw was de Staatskas uit- 
^Tg geput door de aanhoudende worstelingen van het 
Spaansch beheer, tot onderdrukking der Noordnederlanden, 
waarbij de zuiderstaten, zoo niet totaal, dan toch grooten- 
deels, werden verwoest. 

De Spaansche soldaten, die meestal uitheemscho huurlin- 
gen waren, inzonderheid Italianen, Zwitsers en Duitschers, 
ontvingen alsdan niet meer geregeld hunne soldij. Dit ver- 
wekte groote misnoegdheid, en gaf aanleiding tot oproer. 

Verschillende garnizoenen kwamen dan in opstand. Deze 
kozen onder hen hunne oversten, wier bevelen zij moesten 
gehoorzamen, Aan 's lands wetten gaven zij geen gehoor 
meer, en verwierven hierdoor den naam van muiters. 

Doch, van dien oogenblik moesten de oproerlingen in 
hunnen eigen onderhoud voorzien. 

Voor hen was zulks eenvoudig. Zij maakten al de omlig- 
gende dorpen hunner legerplaatsen schatplichtig, en wat 
eenigszins te ver verwijderd lag, werd meermaals afgestroopt 
of geëxecuteerd, zooals men dit noemde. Wee hen, die weer- 
stand durfden bieden! Het waren dus met der daad een 
niou\^e coort van Noormannen, echte bandieten, die liet 
Staatsbestuur en do bewoners van het platte land veel spels 
leverden. 

Op het tijdstip waarover gehandeld wordt, was er een 
dergelijk oproerig garnizoen te Diest. 

Het is van een hunner strooptochten, waarvan Hoogstra- 



« Ons Volksleven. »» 167 

ten te lijden had, dat hier gehandeld wordt, om de macht en 
de stoutheid der Spaansche muiters en de zwakheid van het 
Spaansch beheer te toonen. 

* f- 

Den 3" Januari 1601 kwamen 21 ruiters van het oproerige 
garnizoen van Diest, hiertoe opgestookt te Gheel, de Vrij- 
lieid Hoogstraten binnen om deze te " executeren. » 

Teleurgesteld in hunnen stouten aanleg (want de Vrij- 
heidskas was, evenals elders, uitgeput), trokken zij er liaas- 
tig van door, den Schout medevoerende als gijzelaar, in 
afwachting dat hun voldoening zou gegeven worden. Niet- 
tegenstaande de zware belastingen, waaronder de inwoners 
der Vrijheid reeds gebukt gingen, (i) konden zij weeral 
maar zien, tegen hooge interesten, de som te verzamelen 
welke die boeven als losprijs zouden stellen om de vrijheid 
van den Schout af te koopen. 

De wethouders zonden onmiddellijk « Anihoni, hicchtin de 
Swane, » de i'uiters achterna naar Ryckevorsel, met een 
peerd voor den Schout; want zo hadden hemden tijd niet 
gegund er een te nemen. 

Nauwelijks waren de muiters deze laatste gemeente door- 
getrokken, of zij ontmoetten daar eene partij ruiteis van het 
garnizoen van Bergen-op Zoom, die hen overvielen en ver- 
sloegen, zes krijgsgevangenen medevoerende. 

Bij die schermutseling was den Schout zijn peerd zoek 
geraakt. 

Te huis gekomen, zond hij onmiddellijk eenen bode naar 
Bergen -op-Zoom om het peerd terug te eischen, maar het 
was daar niet geweest. Bij de terugreis vernam de bode te 
Loenhout, dat het peerd aldaar in het veld was opgevangen. 
De geduchte nederlaag der oproerlingen verontrustte de 
geheele Vrijheid. Elkeen was van gevoelen, dat die van 
Diest het feit niet ongewroken zouden laten, en, voor het 

(1) Hoogstraten, op de grenzen gelegen, moest belastingen betalen aan 
beide zijden, dit is te zeggen aan de Spaanjaarden en aan de Noord-Nederlan- 
ders. 



168 « Ons Volksleven. » 

minste eene nieuwe, en levens strengere executie zouden 
doen. De wethouders begaven zich tot den heer (2) van Hachi- 
court, die op het liasteei (3) te Hoogstraten gelegerd was (4). 
Deze zond des anderdaags eenen bode naar Diest tot veront- 
schuldiging der Vrijheid. 

Den 5" Januari gelastten de wethouders aan den Schout 
naar Brussel te reizen om van Zijne Hoogheid den Aartsher- 
tog brieven te bekomen, aan die van Diest, opdat zij de 
Vrijheid niet zoo « rignereuselpcJc souden executeren. » 

Nog dien dag bracht een soldaat van Herenthals een bevel 
dat de Vrijheid de gevangenen tot Bergen-op-Zoom zoude 
gaan lossen, zoo niet, dat zij zouden l-omen moorden en 
branden. Den volgenden nacht vertrokken Jan van der 
Veken en Joachim Dierckx naar Turnhout, met last den 
Schout dezer stad te verzoeken zonder verwijl naar Diest te 
willen rijden om te hooren wat de oproerlingen van zin 
waren, en of er kans bestond van met hen overeen te komen. 

Een ruiter van Bergen-op Zoom, die op liet Gelmelslot 
gevangen zat, werd los gelaten. 

Den 6" Januari kwamen van Diest, over Herenthals, te 
Hoogstraten aan de Schout van Alphen en een schepen van 
Baerlo, brengende eenen brief met bedreigingen van te 
Itomen moorden en hranden. Zij hadden, zegden zij, voor de 
inwoners der Vrijheid te Diest op de knieën gezeten. 

Den 7" Januari reisde Willem Schuermans naar Bergen-op- 
Zoom om te vernemen, of de gevangenen te verlossen waren 
en tevens deze te onderhooren, of werkelijk die te Gheel 
hen hadden aangezet om de Vrijheid te executeeren en, zoo 
doende, hiervan bewijs te verkrijgen. 

(2) Karel van Lalaing, Baron van Hachicourt, na zijnen neef Anthonis III 
van Lalaing, Ao 1G13, Bti* graaf van Hoogstraten, kapitein eener Compagnie 
van Ordonnancie en kolonel van een regiment Waalsche voetknechtcu. Hij 
onJerscheidde zich in den krijg tegen de Noord-Nederlanden. 

(3) Het üelmelslot of het kasteel der graven van Hoogstraten, nu het 
toevluchtshuis der landbouwkoloniën, gelegen op een kwaart uur afstand van 
de oude Stad en Vrijheid Hoogstraten. 

(4) Dit garnizoen diende enkel tot bewaking dezer versterking. Het slot 
■ was diensvolgcns min veilig voor Hoogstraten. 



« Ons Volksleven, " 169 

Denzelfden dag zond ook nog de heer van Hachicourt eenen 
tamhorijn naar Bergen-op-Zooin, en den iamborijn major 
naar Diest. 

Y)Qn S*" Januari bracht de schout van Turnhout de tijding, 
dat de oproerüngen van Diest zes dagen gaven om de gevan- 
genen te lossen. 

Den 10" Januari trok Willem Schuermans naar Diest. Hij 
ging hooren, of er middel was om overeen te komen. Tot 
bewijs dal de tijd niet nutteloos was besteed, nam hij de 
brieven mede die hem de gevangenen te Bergen-op-Zoom 
hadden toevertrouwd. 

Het was kapitein Bal, die bij de oproerlingen bevel had 
ontvangen de nieuwe executie te komen doen, Willem Schuer- 
mans vond hem zeer inschikkelijk en in het voordeel van de 
Vrijheid. Hierom betaalde hij hem een goed hanhet en keerde 
tevreden huiswaarts. 

Bij zijne aankomst, des anderdaags 's avonds, schreef de 
Schout aan den Drossaart van Gheel ie Bergen-op-Zoom., om 
te vragen op welke voorwaarden de gevangenen te lossen 
waren. Twee mannen trokken denzelfden nacht hiermede op 
reis. 

Den VS^ Januari was er nog geen antwoord. Daar er geen 
tijd te verliezen viel, sprong Schuermans andermaal te peerd 
en rende naar Bergen-op-Zoom, De twee boden moesten 
wachten bij afwezigheid des Gouverneurs. Schuermans 
onderhandelde er met den Drossaart van Gheel tot lossing 
der gevangenen. Hij deed er groote verteren met den schrij- 
ver van den Gouverneur, den luitenant Robrecht Fys en 
andere officieren. Den Gouverneur schonk hij oranjeappelen. 

Den 14" Januari liet de Schout van Turnhout verslag bren- 
gen over den toestand der zaken. De heer van Hachicourt 
zond zijnen iamborijn major raar Herenthals met de brieven, 
van den Aartshertog ontvangen, om die verder te bestellen 
op Diest. 

Den 15" Januari is de Schout van Turnhout gekomen. Deze 
verzocht naar het kantoor van Mansdalen (i) een bewijs te 

(1) Het kantoor van deu rijksontvanger. 



170 « Ons Volksleven. » 

zenden van hetj^ene men betaald had te Weert (i). Hij twij- 
felde niet of, indien men de 3 gevangenen van Bergen-op- 
Zoom te Herenthals konde verlossen, het garnizoen te 
Bergen-op-Zoom zou over te halen zijn. Hij ried ook aan den 
graaf de Negro, te doen schrijven aan den aartshertog om 
den Cornet Cornelis Dierckx in vrijheid te stellen. Willem 
Schuermans vertrok dien dag naar Herenthals om te zien of 
de gevangenen van Bergen-op-Zoom te lossen waren. Van 
daar ging hij naar Mechelon bij Cornelis Dierckx en verder 
met brieven van den heer van Hachicourt naar hunne Hoog- 
heden (2) om zelfden Dierckx los te krijgen. 

Den 17" Januari ontving de Vrijheid uit Mechelen eenen 
brief van Willem Schuermans. 

Twee knechten brachten vanwege de oproerlingen van 
Diest het antwoord op den brief van hunne Hoogheden. 

Deze twee knechten vergden nieuwe kleederen. Zij ver- 
haalden hoe zij onderwege waren aangedaan geweest. Inder- 
daad, in den nacht kwam een bode, gezonden door ruiters 
van het garnizoen van Breda, die de twee knechten hadden 
« mV^resc/iö/ew », verwittigen dat de Vrijheid op hare hoede 
zou wezen, doordien de ruiters al zulke brandbrieven hadden 
gelezen. Den volgenden dag schreef Willem Schuermans van 
uit Brussel naar Diest. 

Den 20" Januari ging Jan de Cnodder naar Turnhout en 
kreeg daar eenen bode om eenen brief te dragen aan Aert 
Buyx te Diest, om dezen te verzoeken de inzichten der muiters 
te willen laten kennen, en tevens voor de Vrijheid ten beste 
te willen spreken. 

Den 23" Januari werd Daniel van de Plas naar Brussel 
gezonden met brieven voor de advokaien Jan Raers en Phi' 
lips Peset,om de Aartshertogen een rekwest te overhandigen 
lot lossing van vier ruiters van Breda, waartegen beloofd 
werd de zes ruiters van Diest ook in vrijheid te stellen. 

Den 26" bracht een bode van Diest twee brieven, inhou- 



(1) Te Weert lag er ook een oproerig garnizoen. 

(2) De aartshertogen Albert en Isabclla. 



« Ons Volksleven. ^ 171 

dende dat men « rappoort aoude doen mn ons divoir, tvat men 
was doende tot relaxatie van de ghcvanghenen r> , mitsgnders 
van te " comen accorderen van het verlies van de pierden. •» 

Den volgenden dag trok Hendrik de Cnodder naar Brussel 
met eenen brief voor gemelde advokaten, om deze te verzoe- 
ken geene kosten te sparen tot lossing der ruiters van Breda. 

In den namiddag bracht een irompetrer van Bergen-op- 
Zoom drij ruiters, die aldaar gelost waren op naam van het 
garnizoen van Weert. 

Den 30" Januari vi-erd Michiel Jordaens, te Westmalle 
wonende, ontboden om inlichtingen te komen geven tegen 
die van Gheel. De/e verklaarde van niets te weten, maar 
zegde dat zijn broeder Cornelis de zaken kende. 

Den iersten februari soo is Willem Schuermans te -pierde gereyst met den 
trompet naer Bergen-op-Zoom, ende aldaer gedaen groyte oncosten tot relaxatie 
van de ghevanghenen, ter somme van negenhondert vijf en viertich gulden XII II 
sttiyvers. Be corporaal Pieter Vermeulen tot Bergen, die den voorschreven 
Schuermans ende alle de boden groyte assistencie hadde ghedaen, geschoncken 
eenen dobbelen ducaet (doende 7 gulden 13 stuivers). 

('t Vervolgt.) E. Adriaensen. 




€mn Siiiterjje gekntiteti nnti m Mumm)^ 
mitiml 

/('N de P aflevering van Ons Volksleven las ik met genoe- 
"'^^ gen het vertelsel Van eene slimme Spinster (i). Dit 
gebracht mij twee Duitsche sprookjes te binnen, die ik 
in mijne kinderjaren zeer dikwijls heb hooren vertellen, en 
waarvan ik hier den beknopten inhoud mededeel. 

I. 
De drie Spinsters. 

Bene koningin gaat voorbij een huis, waar eene vrouw 
hare dochter slaat, die te lui is om te spinnen. Op hare 
vraag, waarom het meisje die kastijding krijgt, antwoordt 
de moeder, dat de dochter niet doet dan spinnen, dat zij ze 

(1) Z. Ons Volksleven, V, bldz. 14. 



172 » Ons \'olksleven. » 



niet van haar spinnewiel kan aftrekken, en dat zij niet rijk 
genoeg is om haar al het vlas te verschaffen, dat zij daarvoor 
noodig heeft. 

Opgetogen, verzoekt de koningin aan de moeder heure 
dochter naar het kasteel te zenden, heur belovende dat ze 
daar zal mogen spinnen, zooveel het haar lust. De moeder 
stemt er in toe, en de koningin vertrekt met het luie meisje. 
Op het kasteel gekomen, leidt zij de jongedochter in drij 
kamers, die vol vlas liggen. Er was wel drij honderd jaar 
noodig om al dat vlas tot garen te verwerken. 

« Zoo gij dit vlas kunt gesponnen krijgen «, zegt de konin- 
gin, « wordt ge de vrouw van mijnen oudsten zoon. Ge zijt 
wel is waar arm, maar uwe liefde tot den arbeid is een 
voldoende bruidschat, r, 

Drie dagen verloopen, en de koningin is verwonderd dat 
het meisje nog niets verricht heeft. Deze wendt voor dat 
het verdriet van gescheiden te zijn van de haren, heur heeft 
belet te arbeiden, maar zij belooft met het werk te beginnen. 

Wanhopig over haar lot, ziet zij drie vrouwen aankomen, 
waarvan de eene een buitengewoon breeden en platten voet 
heeft, de andere eene onderlip die beneden hare kin hangt, 
en de derde eenen overmatig breeden duim. 

Het meisje vertelt hun iiaren nood, en de vrouwen belo- 
ven, haar uit de verlegenheid te redden, indien zij hen wil 
uitnoodigen op hare bruiloft met den jonkvorst, en hen voor 
hare moeien wil laten doorgaan. Met blijdschap neemt de 
arme sukkel dit voorstel aan. Aanstonds zetten de drie oude 
wijven zich aan 't werk, en als bij tooverslag is gansch die 
groote hoop vlas in garen veranderd. Daarop gaan de vrou- 
wen henen, niet zonder eerst hunne beschermelinge op het 
hert gedrukt te hebben, niet aan heur woord te kort te 
blijven, «'t Zal uw geluk zijn ^5, zeggen zij haar,» zoo gij 
uwe belofte houdt. » 

De koningin, verrukt over de begaafdheden van het jonge 
meisje, doet alles voor het aanstaande huwelijk gereed 
maken. Van zijnen kant acht de prins zich gelukkig, eene 
.vrouw te kunnen trouwen, die zoo behendig en zoo vlijtig is. 



« Ons Volksleven. » 173 

Beiden, moeder en zoon, stemmen er in toe, de drie moeien 
te verzoeken, waarvan de bruid hun gesproken heeft. 

Wanneer de groote dag daar is, treden de drie wonderlijke 
schepsels de koninklijke zaal binnen. « Zijt welkom, lieve 
moeien. « Met deze woorden begroet de jonggehuwde vrouw 
hen. Maar de prins zegt heur : « Welke leelijke bloedver- 
wanten hebt gij daar?" En wanneer iiij verneemt dat de 
lichaamsgebreken der gewaande moeien voortkomen van 
het overmatig spinnen, zegt hij tegen zijne jonge vrouw, 
dat hij haar nooit zou toelaten nog te spinnen. Onnoodig er 
bij te voegen, dat de nieuwe prinses zeer gelukkig was over 
dit besluit, 

II. 

Rumpelstilzchen. 

BEN arme mulder heeft eene schoone dochter. Op zekeren 
dag gebeurt het, dat hij tegen den koning spreekt, en, 
om een groot woord te hebben, zegt hij hem : « Mijne doch- 
ter verandert al spinnende het stroo in goud." De koning 
wil een bewijs van deze kunst en doet het jonge meisje naar 
zijn kasteel komen. Hij beveelt haar, in éénen nacht, eene 
overgroote hoeveelheid stroo, dat eene gansche kamer 
vervulde, te spinnen en in goud te veranderen. 

Daarop Iaat de koning haar alleen en bedroefd staan. 
Eensklaps gaat de deur open en er verschijnt een dwerg, die 
naar de reden van heur verdriet vraagt. Nadat de zaak hem 
uitgelegd is, doet hij heur het aanbod het stroo in gouden 
draden te veranderen, op voorwaarde van eene goede 
belooning te ontvangen. Het jonge meisje belooft hem haar 
halssnoer, en de goede sul, ten hoogste tevreden, zet zich 
aan 't spinnen. 

Met het aanbreken van den dag, is al het stroo in schoone 
gouden draden veranderd. 

De koning, begeerig om er nog meer van te bezitten, 
brengt de muldersdochter in eene tweede kamer, nog groo- 
ter dan de eerste, en insgelijks vol stroo. Hij bedreigt heur 
met de dood, indien dat stroo des anderendaags niet in 
gouddraad veranderd is. 



174 «* Ons Volksleven. » 

Nadat de koning vertrokken is, keert de dwerg weder en,, 
mits den ring der jonge gevangene te bekomen, doet hij 
hetzelfde wonder van daags te voren. 

Die nieuwe rijkdommen, verre van- den gouddorst des 
konings te lesschen, doen in hem de begeerte naar grootere 
schatten ontstaan. Na de grootste zaal van zijn paleis met, 
stroo te hebben doen opvullen, belast hij het jonge meisje 
uit dit stroo gouden draden te spinnen." Gelukt gij daarin «, 
zegt hij haar, « dan wordt ge mijne vrouw «, terwijl hij 
denkt : « Ofschoon heur vader maar een mulder is, toch zou 
ik geen rijker vrouw dan zij kunnen vinden. » 

Wanneer nu de Kabouter ten derden male verschijnt, 
bekent zij hem geen enkel voorwerp meer te bezitten, dat 
zij hem aanbieden kan voor het te verrichten werk. «Welnu «, 
antwoordt hij, « beloof me, dat ge mij uw eerste kind zult 
schenken, wanneer ge koningin zult zijn. » 

Daar zij te kiezen heeft tusschen de dood en den troon, doet 
het meisje hem de gevraagde belofte, en eenige uren nadien, 
vindt de koning hoopen goud op de plaats waar vroeger de 
stroobussels lagen. Getrouw aan zijn woord, huwt hij de 
muldersdochter. 

Een jaar later bevalt de koningin van een schoon kind. 
Reeds was zij den dwerg vergeten, maar deze treedt eens- 
klaps heure kamer binnen en eischt zijnen verschuldigden 
loon. Vol schrik biedt de koningin hem al de schatten van 
heur rijk aan, opdat hij haar den boorling late behouden, 
maar hij zegt : « Ik verkies een levend wezen boven al de 
schatten der aarde. » Eindelijk, ontroerd door de jammer- 
klachten der ongelukkige moeder, verleent hij haar drie 
dagen uitstel. «Indien gij «, zegt hij haar, «binnen dit 
tijdsverloop, achter mijnen naam kunt geraken, zult gij uw 
kind mogen behouden. « 

Gedurende den nacht overdenkt de koningin al de namen 
die haar bekend zijn. Daags daarna zendt zij eenen bode uit, 
om overal inlichtingen aangaande andere namen in te win- 
nen. Bij de terugkomst des Kabouters, noemt zij hem al die 
namen op, te beginnen met Gasper, Melchior en Balthasar, 



« Ons Volksleven. » 175 

maar altoos krijgt zij ten antwoord : ^ Zoo heet ik niet ! » 
Den tM^eeden dag laat zij ingansch liet omliggende de namen 
heurer onderdanen vragen en, bij het bezoek des dwergs, 
zegt zij hem de buitengewoonste namen op Maar zijn ant- 
woord luidt onveranderlijk : « Zoo heet ik niet ! « Eindelijk, 
den derden dag, verhaalt de bode aan zijne meestei-es deze 
wondere ontmoeting : Terwijl ik voorbij eenen berg ging, 
heb ik, in den hoek van het bosch, waar vos en haas elkan- 
der den goeden dag wenschen, een huizeken zien staan, en 
vóór dat huizeken brandde een vuurken, en rond dat vuur- 
ken danste een belachelijk klein ventje, dat op één been 
sprong en maar gedurig zong : 

Vandaag bak ik mijn brood, morgen brouw ik mijn bier, 
Overmorgen ga ik de kouingin haar kind halen; 
Ah ! wat is het goed dat niemand weet, 
Dat ik Rumpelstilzchen heet! 

Ge kunt u gemakkelijk de blijdschap der koningin ver- 
beelden, toen zij dien naam hoorde. Wanneer een weinig 
later de dwerg verschijnt en heur vraagt : « Vrouw koningin, 
hoe heet ik? » antwoordt zij hem :« Heet gij Kunz? "^ — 
«^ Neen 1 » — « Heet gij Heinz? » — « Neen ! « 

« Heet gij bij geval Rumpelstilzchen ? » 

— « 't Is de duivel die u dat bekend gemaakt heeft ! r> roept 
alsdan de Kabouter uit, en in zijne woede stampt hij zoo 
hevig met zijnen rechtervoet, dat hij tot aan den buik in den 
grond schiet. Vervolgens, razend van gramschap, neemt hij 
met beide handen zijnen linkervoet vast, en scheurt zijn lijf 

in twee stukken (i). 

* 

Zooals men ziet, is het Vlaamsch sprookje eene versmel- 
ting der twee bovengemelde vertelsels, die in Duitschland 
goed gekend zijn. Het is dus van belang die verschillige 
gedaanten met elkander te vergelijken. Alle drie zijn klaar- 
blijkend varianten van een zelfde Germaansch vertelsel van 

(1) Eene variante van dit vertelsel vindt men in de Vertelsels van het 
Vlaamsche Volk, !• deel, door Amaat Joos, bladz, 30 : Van eene oude Spinster. 



VtQ » Ons Volksleven. >» 

hoogen ouderdom, en om deze reden zal mijne mededeeling, 
naar ik lioop, bij de lezers van ons tijdschrift een gunstig 
onthaal vinden. J.-Th. de Raadt. 



Duivelskermis. 

6NDER de feestelijkheden in de wijk der O. L. Vrouw- 
Vankstraat te Brussel, meer bekend onder der naam van 
« Duivelshoek », is deze, waarmee de reeks vermakelijkheden 
begint, zeker wel de eigenaardigste. 

Volgens een oud gebruik, is de eerste dag gewijd aan de 
begrafenis van den ouden duivel en den doop van het duiveltje. 

Ziehier hoe op den 22" Oogst van dit jaar die '^ plechtig- 
heid » plaats had. 

In den namiddag droog men in eenen talrijken stoet, 
samengesteld uit de inwoners der wijk, min of meer op hun 
vastenavondsch verkleed, op eene baar een manneken rond, 
in het kostuum van den duivel, met de traditionneele horens 
en den traditionneelen steert, terwijl eene groep muziekan- 
ten treurmarschen speelde. Dat was de overledene Satan. 

Eene uur later was de mnuve duivel daar, en eene lange 
root rijtuigen volgde denzelfden M-eg, te midden van luide 
kreten en het vreugdig geschal der trompetten. 

In het eerste rijtuig zat de jonge duivel met zijne voedster, 
zijnen peter en zijne peet, die op gansch den doortocht met 
suikeren boonen wierpen. 

's Avonds waren al de straten schitterend verlicht. Eene 
dezer verlichtingen had een half politiek karakter. Inder- 
daad, de socialisten met hunne meetingen onder de opene 
lucht, wierden, eenigen tijd geleden, cp M'einig vriendschap- 
pelijke wijze door de inwoners dezer wijk onthaald. 

Eene rij transparanten hing dwars over de straat en 
verbeeldde verschillige half droevige, half kluchtige toonee- 
len, waaronder kernachtige Vlaanische opschriften. 

Op eenen der transparanten zag men den socialist Firma- 



« Ons Volksleven. » 177 

ment, die eene overgroote zaag droeg, en daaronder las 

men : 

Hij Jcomi weeral sagen, 

hetgeen beteekent : hij komt ons nogmaals door zijn gepraat 
vervelen. 

Kortom, 't was eene zeer eigenaardige volksfeest. 

De Glohc üliisfré, jaarg. 1893, geeft op bldz. 785, platen die 
de duivelskermis voorstellen. Alfried Harou. 



aDijkage tnt een lem^iiBrtj SMntirnti. 

Namen van kerfdieren en andere gelede dierkens. 

{Vervolg). 

Glazenmaker, m. — Tweevleugelig kerfdier, dat best aan 
eene groote mug gelijkt. 

Horlogiemaker, m. — z. Glasenmalier. 

Pepel, m. — Kapel, dagvlinder, Fr. papiUon. 

Platluis, vr. — Luis die zich op de behaarde deelen des 
lichaams vasthecht. Pediculus pubis. 

Rekel, m. — Schubvleugelig kerfdier met een dik lijf en 
eenen langen zuigspriet. Evenals de vlinders, bezoekt dit 
insekt de "bloemen, maar gaat daarbij nooit zitten. 

Ridder van Maltha, m. — z. Biezenpecrd. 

Scheper (zware e), m. — Vleugelloos insect met lange 
pooten, dat met groote snelheid over het water loopt. 

Schieter, m. — Geleed dierken van de klasse der spinach- 
tigen, hetwelk men in oude boeken en papieren aantreft, en 
dat daarin groote schade aanricht. 

Spinhoer, vr. — Spin, spinnekop, Fr. arragnée. Aranca. 
(Heist-op-den-Berg). 

Vetmaai, vr. — Engerling, elft, larve van den meikever. 

Viermaaiken, o. — Glimworm, schildvleugelig kerfdier, 
dat in het duister glinstert, Fr. ver luisant. Lampyris vocfi' 
Inca. 

Vischmoér, vr. — Naam van twee schild vleugelige water- 
insecten. Het eene heet in de Wrdb. duiker, Fr, dytiqiic, en 
het ander, het grootste onzer waterinsecten, uaicrfor, in 't 
Fr. hydrophile. 



17S « Ons Volksleven. « 

Waterduivel (uitspr. waierduvel), m. — z. ViscJimoêr. 

Wildverken, o. — Muurvarken, pissebed, een diertje dat 
tot de groep der kreeftachtige schaaldieren belioort, Fr. 
cloporie. 

Zomervogel, m. — Dagvlinder, kapel, Fr. papillon. 

S^ Anionius- Breekt . Jozef Cornelissen, 



UEkte0|irekmg. 



JosEPH Dejardin, — Dictionnaire des Spots ou Prover- 
bes wallons préoédé d'une étudo sur ie proverbes par 
J. Stechek. 2""® Édition coordonnée et considérablement 
augmentée avcc la collaboration de Joseph Defkecheüx. — 
Tomé II (L-Z), publié par la Société llégeoiso de littérature 
wallonne. — Liége. A. Vaiilant-Carmanne, 18h2. (Boekd. 
in-gr. 8° vau 534 bladz.). 

In den vierden jaargang van dit tijdschrift vestigden wij de 
aandacht onzer lezers op het eerste deel van den Dieiionnaire 
des Spots OU Provcrhes wallons, gaande van de letter A tot L. 
Het tweede deel, verleden jaar verschenen, is het vervolg op het 
eerste en werd op dezelfde wijze bewrocht. Onze lezers die belang 
stellen in dit standaardwerk, verwijzen wij dus naar de beknopte 
bespreking die wij er over gaven op bldz. 196 van den 4"jaarg. 
Dees deel (van L tot Z) bevat 594 spreuken, alsmede een bijvoeg- 
sel met verbeteringen, aauvuliingen, voorbeelden en nota's, en 
eene synoptische lijst van al de onderwerpen, waarover de 
meegedeelde spreekwoorden en zegswijzen handelen. Eene 
alphabetische tafel, op het einde des boeks, vergemakkelijkt de 
opzoekingen van den gebruiker. 

Daareven noemden wij den Dictionnaire een standaardwerk, 
en dien naam verdient hij t<'n volle: 't is het degelijkste, het 
volledigste en het best bewrochte werk, dat wij in dien aard 
kennen. Jozee Coknelissen. 

1898. Feestrede uitgesproken ter gelegenheid der ont- 
hulling van 't standbeeld des dichters Frudens van 
Duyse, door Jan Beoeckaeet, lid der Koninklijke Vlaam- 
sche Academie, secretaris van bet Van Duyse-Comiteit. — 
Dendermonde, F.-J. Du Ctju, Vader. — Vlugschrift van 8 
bladz. op zwaar, getint papier. 



« Ons Volksleven. » 179 



Zoo ooit een Vlaamsch schrijver een standbeeld verdiende, dan 
was het wel Prudens van Duyse. Dichter in den vollen zin des 
woords, was zijne dichtader onuitputtelijk, en bracht hij eeneu 
letterarbeid voort, waarop weinigen bogen kunnen. Voeg hierbij 
zijne begaafdheid als geschiedschrijver, zijne geleerdheid als 
taalkundige, en men vraagt zich af wat men in den zoon der 
Denderstad meest bevorderen moet, of den buitengewonen rijk- 
dom zijner pennevruchten, of de heerlijke gaven waarmede hert 
en geest van den grooteu dichter versierd waren. De heer 
Broeckaert heeft dit alles in gloedvolle woorden herinnerd in 
zijne prachtige feestrede, den beroemden dichter volkomen 
weerdig. J. B. Veevliet. 

Sagen des Luxemburgischen Volkes. Aus belg. Luxem- 
burg und dem Eischthal. Neu bearbeitet und herausgegeben 
von N. Waekek. — Arlon, J. R. Willems, 1893. — Boekd. van 
IV-143 biadz. 

Slechts weinige streken kunnen er op roemen hunnen sagen- 
schat zoo vlijtig te zien bewerken als het Luxemburgerland. Voor 
alle betoog hebben wij, onder zooveel andere, slechfs de namen 
te noemen van E. de la Fontaine, N. Gredt, A. H. Reuland, en 
lastnot least N. Warker, die ons in zijn « Wintergrün « (i) niet 
minder dan 500 sagen, legenden en historische overleveringen 
meedeelde. Doch, even als allen, die hunne geboortestreek boven 
elke andere beminnen, gaat de H"" Warker onvermoeid voort met 
zoeken en verzamelen, en biedt hij ons nogmaals de vruchten 
zijner vlijtige opsporingen aan. 

Eenvoudig en aangenaam vertelt hij de sagen en legenden, die 
hij den volksmond, dit boek bij uitmuntendheid afluisterde, of 
die hij nu eens te beknopt dan weer te veel opgesierd, bij andere 
schrijvers over zijne streek geboekt vond. 

Het werkske van den heer Warker zal eiken lezer bevallen, 
voor wien eenvoud en volkszin geen ijdele woorden zijn. 

J. B. Vervliet. 

Snjinitó nan Cijiisrljriftra. 

Volk en Taal. VI, N^ 3. — Weg met de Fransche prijsboekcu (Th. van Heu- 
verswyn). — Bijdrage tot den Nederl. taalschat (A. van Heuverswyn). — Aan 

(1) Zie Ons Volksleven, 4^* jaarg., bl. 56. 



180 « Ons Volksleven. »» 



iemand die leenen wil (L. Lehembre). — Van eene Abdes. — Hoedat drie 
wildstroopers zich bekeerden (Th vau Nieuweuhuyse). — Bij 't slapengaan 
(G. W. en A"). — Het kruis bij 't volk te Zele (A. van Heuverswyu), — God 
beware u(id) — Fransche tijd te Oudenaarde K. vauGaeneghem). — Üietsche 
belangen. 

Biekorf, IV, IS'' 15. — Anihonis de Rovere (L. Scharpé). — Stabat Mater 
(J. Noterdaeme). — Notebaert (J . Claerhout). — Miugelmareu : Verdietsching 
vau de bevelen in de lijfoefeningeu. 

Hel Belfort, Vni, N'- 8.— Erasmus (B.). — Beleediger en beleedigde (E. 
Pauwels). — Over den toren van Uabel (A. M. J. van Meel). — Romans 
(L. Scharpé). —Gilde en corporatie (A. vanden Broeck). — Zaterdng uch- 
ternoenin Engeland (VV. Riter). — Wenken en vragen (X.). — De grootmoe- 
der (Th. Levens). — Kindertale (G. Gezelle). — Boekeunieuws en Kronijk. 

Dietsche Warande, N. R , N' 4. — Philips II, een kunstbeschermer. Gedeelte 
eener kunsthistorie-studie (H. J. Biegelaar). — Joost Cornelisz Droochsloot 
en zijn zoon Cornelis (,I . H Hofman). — Over de methodische indeeling dor 
doopvonten (l\ Saintenoy) — liet lief, onschuldig kwezelke Eene legende 
(G. R ). — Een latijnsch schoolboek met vlaamsche voorbeelden, te L*^uven, 
rond 1 1F3 gedrul<t (E. Van Even). — Een zoenbrief van de XIV* eeuw, betref- 
fende de familie van der Noot, met heraldieke bijzonderheden (J. Th. de 
Raadt). — Beeldhouwerk van omtrent 15U0 (Alb. Th.). — Uit eene Leyse ter 
eerederH. Maagd .Maria (G Gezelle). — Iets over het tweegevecht van 
weleer (P. B. Mets). — Het « Nederrijusche muziekfeest » te Dusseldorp. De 
psalmen en gezangen (P]m. Hiel). — Boekenkennis. — Vondeliana. — Inhoud 
van tijdschriften. — Omroeper. — Bijlage. 

Kempisch Museum, Til, N^^S. — Eenige aanteekeningen op Molle, Baelen eu 
Desschel ( J Th de llaadt). — XV'= eeuwsch kronijkje van het Land van 
Turnhout (E. T ). — Verzoekschrift der inwoners vau Westerloo voor het 
behoud der kloosters 1796(V. v. d A) — Veiligheidsbrief van den Hertog 
van Alei.Qon. 1582 (F. W Van Spilbceck). — Schouten vau Turnhout vóór 
den vrede van Munster (B. T.). 

Annales de la Société d' Archéologie de Bruxelles, VII, N^ 3. — L'uniforme du 
regiment du roi d'Espagne en 17U2 (A. de la Graiige). — Fouilles exécutées 
sur I'emplocement oü était située l'ancienne ville romaine de Carnuntum (J. 
Presl). — De quelques coiffures militaires (G. Heek). — Découverte de quatre 
stations próhistoriques et de deux cimetières francs aux environs de Bruges 
(B»" Ch« Gilles de Pélichy). — Un ancien vitrail de 1'église de Blaton (G Hecq) 
— Le Sénèca-Berg de Borght-Iez-Vilvorde (Brabant (B"" de Loë & l'. Sainte- 
noy). — les fouilles de Cheseaux et de Morreus (Suisse) (E. Delessert-de Mol- 
lins), — De la classification et de 1'organisation scientifique des musées d'ar- 
chéologie (Bo" A. de Loë & E. de Munck). — Procès-verbaux des séances. — 
Bibliographie. — Mélanges. — Questions. — Rcponses. 

Am Ur-Quell, IV, Nt- 8. — Der fliegende Apis (L. Mandl). - Neulateinische 
Abderitenschwiinke (Dr. L. Friinkel). — Vomtümliches aus Schiller und üöthe 
(R. Sprenger) — Das Wetter im Sprichwort (H Merkens). — Vom deutscheu 
Michel (l)r. B. Saubert). — Alltagglauben und volktümliche Heilkunde 
galizischer Juden (B W Schiffer). — Vier poluische Lieder (A. Treichel) — 
Kopflose Spuckgeister (H. F. Feilberg). — Sprichwörter galizischer Juden 
(J A. Charap). — Bauopfer (H Volksmann). — Sagen aus der Grafschaft 
Ruppin (K. E. Haase). — Erntespruch aus Pommern (O. Knoop). — Bast- 
lösereime (O. Schell). Kleine Mitteilungen. — Vom Büchertisch. 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« p]r is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel volksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZUIDNEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN TAALKUNDE, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Vraagboek voor Vlaamsche volkskunde. 

♦ VIJFDE JAAR. ♦ TIENDE AFL. ♦^^ 



f nlkstniJBJieiö in S^eetó m $ï\init 

( Vervolg). 
" ESTUI vaine les pïumes au vent. 




Dese want plaijmen inden wint. 

E'^n man houdt met beide handen eene mand 
vast, met pluimen gevuld, die bij het schudden gaan vliegen. 

49. Ceuz ei cait sent d Vim l'autrc Vesteuf. 

Dese caetsen deen den andere(n) den bal toe. 
Twee mannen spelen met den kaatsbal. 

50. Cestui tourne d tous ventz. 
Dese waeijt met alle winden. 

Op den rug van eenen kleinen jongen, die op eene hoogte 
staat, zijn 2 molenwieken vastgemaakt in den vorm van een 
S* Andrieskruis. 

51 . Cestui eourre la tette contre Ie mur. 
Dese loopt met hoft tegen den muer. 

Een man loopt gebukt en met het hoofd vooruit in de 
richtingvan eenen muur. 

52. Qui est emharqiie aiicc Je diahlc il faut qiiil passé outre auec 

luy. 



182 « Ons Volksleven. » 

Dese is met den duijvel geschept en hij moeter me ouer 

varen. 

Een bootje zwalpt op het water. Van voren zit een man 

met grooten hoed, van achter zit de schipper, en in 't midden 

bevindt zich de duivel, die zijnen klauw in de hoogte houdt. 

53. Cesiui pendt la huJce au vent. 

Dese hangt die huijck na den wint. 
Een man staat aan den oever der zee, en houdt een wap- 
perend doek in de hoogte, datzeewaarts waait. 

54. Deux sotz en un chapron. 

't Wee sotten in eenen cappruijn. 
Twee (gilde-) zotten, met bellekens aan hun kleedsel, ste- 
ken beide te gelijk hun hoofd in éene en dezelfde zotskap, 
die met twee ezelsooren versierd is. 

55. Cestui alume une chandelle au didhle. 
Dese ontsteect den duijvel een keersse. 

De duivel zit op een bankske; bezijden hem staat een 
blaker met drij keersen. Eene vierde keers wordt hem aan- 
geboden door oenen man, die vóór hem op de knieën zit. 

56. lei comhateni 7. femmes pour une braye. 
Hier vechten 7. wijuen om de broeck. 

Zeven wijven vechten ; twee liggen op den grond te spar- 
telen, twee andere trachten malkander eene broek te ont- 
sleuren, terwijl nog drij andere vrouwen malkander allerlei 
keukengerief op het hoofd slaan. 

57. Cestui regarde sur Veuf de la pouille, et Veuf de Voijson S 

enfuit. 
Desen siet op thinnen eij, en laet het gansen eij loopen. 
Een man houdt in de rechterhand eenen stok, en in de 
linker een ei, terwijl voor hem, op den grond, een groot ei 
op twee vogelpooten wegloopt. 

58. Cestui ahaye conire Ie forne. 
Dese gaept tegen den houen. 

Een man staat gebukt voor zijnen oven, en gaapt in de 
verte. 

59. L'home tient la maison et la femme s enfuit. 



« Ons Volksleven. » 1^3 

De man hauwet huijs het wijf gat loopen. 
Een man werkt uit alle kracht en macht om hot verder 
invallen van oenen zijmuur van zijn huis, en van een afdak 
dat er aan paalt, tegen te houden; terwijl gaat zijne vrouw 
al huilende loopen. 

60. Qui scait pour quoij les oysons vont a piedz nudz. 
Wie weet waerom die ganson ber uoets gaen. 

Zes ganzen loopen al kwekkende door het slijk. 

61. Cestui rosfi Ie harinc por Ie crogz. 
Dese braeyt den harinc om den roghe. 

Een neergehurkt man plaatst op een vuur oenen vierkan- 
ten i'ooster, waarop een haring ligt. In de linkerhand houdt 
hij nog zoo'n lekkerbeetje gereed om het te braden. 

62. La grue a ici appclléd manger Ie renart. 
Hier noijt do craen do(n) vos. 

Een kraanvogel stookt don snavel in eene kruik mot smal- 
len hals, terwijl de vos het spel zit na te zien. 

63. L'une tond les brehis et l'autre les porceaux. 
Deen scheert de schapen en dander de verekon. 

Twee mannen zitten op den grond; de eene hoeft een 
verken op den schoot, do andere een schaap; beide mannen 
zijn bezig met do dieren te scheren. 

64. Cestui prent Vanguüle par la queue. 
Dese hoeft den palinck met den stoort. 

Een man met zwaron baard, de linkerhand onder zijnen 
mantel verborgen, houdt met de rechter oenen paling bij 
den stoort. 

65. Ici est Vamour a la coste du hourse. 

Hier is do liefde op die sijde daor de tesso : hangt. 
Een fraai gekleed man heeft aan den arm eene niet minder 
schoon getooide vrouw. Beide dragon grooto gepinde kra- 
gen ; hunne kleederdracht is die van den rijken burgerstand 
in het begin der XVIP eeuw. De man heeft verders eene 
geldtasch aan de zijde langs den kant der vrouw, die er de 
hand ophoudt. 

66. Cestui cij tient vn chien pour garde de sa gihsierx* 



184 « Ons Volksleven. » 

Den hont siL op zij tesse. 
Een edelman of krijgsoverste met gepluimden hoed op 't 
hoofd, lederen handschoenen Jian de handen, en den degen 
aan de zijde, zit op eenen lagen stoel. Op zijnen schoot ligt 
zijne geldtasch, en daar bovenop zijn hond. 
67. lei est mis Ie sot sur les ceufs. 
Hier broet de sot die eyers. 
Een zot kennelijk aan zijne narrekap, ligt neergehurkt op 
den grond ; achter hem 5 eiers. 
['t Vervolgt). J. B. Vervliet. 

^^ 

InngBtrnten gelitmkerh 
liij k muitdingen nau MM ra 1 601 . 

[Vervolg). 

,M tot overeenkomst te geraken had Schuermans aan 
den Gouverneur beloofd hem « tivee tonnen Hoegaerts hicrn 
te zenden. De luitenant Lieven Fys was zoo gemakkelijk 
niet om te bevredigen geweest. Deze deed Schuermans eene 
obligatie teekenen, die na menige maanbrieven en vele 
moeilijkheden te Breda « in 't groene Schilt » is kunnen uitge- 
keerd worden met honderd gulden, en een paar levende 
« fasanten » of tien gulden. 

Den P Februari werd ook nog een bode gezonden met 
eenen brief aan Pieter Proost, te W echelder sande, om voort 
te bestellen te Weert aan Jan Wielen, om te vernemen hoe 
het garnizoen aldaar zich had verstaan met die van Diest, 
om Hoogstraten te komen executeeren. 

Den 4" Februari werd Nicolaas van Laverson verzocht 
naar Cheel te reizen om, vanwege het Land van Hoogstra- 
ten (i) aldaar protest te doen nopens de executie die zij het 
Land aangedaan hadden. Bij gebrek aan stellige bewijzen, 
moest men van deze vervolging op den duur afzien. 

(1) Het Land van Hoogstraten bestond van ouds uit de Stad en Vrijheid 
Hoogstraten, behevens de dorpen Ryckevoreel, Wortel, Minderhout, Meir 
en Meérle. 



Ö' 



« Ons Volksleven. » 185 

Denzelfden dag kwam Willem Schuermans met de drij 
andere gevangenen van Bergen-op-Zoom. Toen hij hiermede 
te Diest aankwam, werd hij op zijne beurt geknipt. De mui- 
ters hadden nu -wel hunne mannen terug, doch eischten 
thans ook andere peerden. Schuermans zond eenen bode 
naar Hoogstraten om hiervan kennis te geven. De wethou- 
ders gaven dan aan den Schout van Turnhout last om naar 
Diest eene overeenkomst te gaan sluiten, ten einde Schuer- 
mans niet langer te doen ophouden. Wanneer de Schout 
voor Diest kwam, vond hij de stad gesloten : niemand mocht 
er in of uit. Hij kon na lang wachten eenen bode met zijne 
zending gelasten, en verders onverrichtei- zake terugkeeren. 

Na vele beloften en groote verteringen met de oproerlin- 
gen te hebben gedaan, werd Schuermans eindelijk los gela- 
ten. 

Voor de inwoners der Vrijheid Hoogstraten waren nu de 
dagen van groote onrust geweken, want het had er ge- 
nauwd. 

De wethouders waren gedwongen geweest eenen soldaat, 
die alhier op het kasteel lag, te bidden en te smeeken om 
400 gulden tegen 18 ten honderd intrest, « mits dat niemandt 
aen de Vrijheijt geldt wilde Henen, mienende dat wij aliemael 
vermoort ende verhrant souden hebben gcivorden. » 

Er bleven nu nog de onkosten uit deze executie gerezen, ten 
bedrage van ongeveer 1800 gulden, over het Land van 
Hoogstraten te verdeelen. Wortel, Me'r en Minderhout wei- 
gerden echter voor hunne aandeelen tusschen te komen, 
totdat een vonnis van het Hof van Brabant, dat nog ruim 
300 gulden kwam te staan, die gemeenten tot hunne plicht 
bracht. E. Adriaensen. 



6 



Ie mititdingtti ^ fjet ïm\n\ 
te IBnngstratett. — 33eleg ttati jiet ïwAnl 

p den 8" September 1602 ging het garnizoen op het kasteel 
te Hoogstraten, insgelijks aan het muiten, en werd 



186 « Ons Volksleven. » 

weldra versterkt door wapenbroeders van andere plaatsen. 

Het Spaansch-Belgisch bestuur was niet bij machte om al 
deze oproerige benden te tuchtigen. Zij waren daarom ook 
volkomen meester in hun handelen. Daar waar zij genesteld 
waren, als te Diest, Weert, Hoogstraten, enz., versterkten 
zij, zooveel het in hunne macht was, de legerplaatsen. 

Na vruchteloos alle middelen beproefd te hebben om de 
muiters van liet kasteel te Hoogstraten over te halen, sloeg 
aartshertog Albert deze in den ban bij decreet van 15" Sep- 
tember 1602. Dit was ook te vergeefs. 

Het volgende jaar ontving graRf Frederik de Berg last om 
het kasteel van Hoogstraten met geweld te gaan innemen 
en de oproerlingen streng Ie straffen. In Juni 1603 kwam de 
Berg te Hoogstraten aan met een wel ingericht leger van 
7000 voetknechten en 3000 ruiters. De oproerlingen hadden 
hunnen tijd niet verwaarloosd, maar intusschen het kasteel 
heel sterk verschanst. Met hunne legermacht van 2000 voet- 
knechten en 1500 ruiters, allen ervaren mannen, waren zij 
bekwaam om de Staatschen hardnekkig wederstand te 
bieden. 

Tot meerder verzekering hadden zij, zonder verwijl, de 
hulp ingeroepen van Prins Maurits van Nassau. Dej^e aar- 
zelde geenen oogenblik om met de muiters een verbond aan 
te gaan ; want zij waren hem van groeten dienst. 

Op den 8" Juli sloeg Maurits zich met zijn leger te Hoog- 
straten nêor, en reeds twee dagen nadien, den lO'^ Juli, na 
eenen hardnekkigen strijd, die aan beide zijden veel verlies 
(i) veroorzaakte, brak het Spaansch leger in aller haast het 
beleg op. Het knsteel had hierbij veel geleden door eenen 
feilen brand. Dit kortstondig gevecht kostte ook aan Hoog- 
straten nogmaals 36 woonhuizen (2). Wat er toen van Hoog- 
straten nog overbleef, was gemakkelijk om tellen. Buiten 
het Beggijnhof, dat nog slechts door twee oude beggijntjes 

(1) Ende mits de groijte ruine vfinden leger dier was geweest van beyden 
syden, ende de pest tot vele plaelsen begonst te comen, ende groote brant. 

(2) Er waren reeds vroeger 242 woonhuizen afgebroken of afgebrand door 
de legere. 



« Ons Volksleven. » 187 

was bewoond, en een Clarissenklooster, bleven er nog 43 
woonhuizen recht, benevens ongeveer 20 hutten, met eene 
bevolking van nagenoeg 500 inwoners. Dit zelfde jaar, in 
1603, waren 100 personen door de pestziekte ten grave 
gesleept. 

De vroeger zoo bloeiende Vrijheid zag er dan ook lief uit, 
dank aan dat Spaansch galgenaas. 

Nog 3 jaren bleven de oproerlingen in het bezit van het 
kasteel, vooraleer zij met het Staatsbestuur eene overeen- 
komst troffen. 

In 1611 werd het kasteel van Hoogstraten bij de mogend- 
heden onzijdig verklaard en de versterkingen er van onmid- 
dellijk geslecht, waarna de graaf van Hoogstraten, Antonis 
III van Lalaing, er weder vreedzaam bezit van kon nemen. 

E. Adriaensen. 

€mn lageti mtx ^tiUmini ,,fmwV\ 

I. 

ENZAAM en verlaten rijst het aloud kasteel « Horst» 
f^ in de beemden op, die zijne grachten van weleer 
^^ vervan gen hebben. 
Eene sage wordt nog op onze dagen te S' Pieters-Rhode en 
in de omstreken verhaald over den laatsten afstammeling 
der oude heeren van Rhode, die het slot in de XIIP* eeuw 
bezat. Deze heer zou zijne jeugd doorgebracht hebben in 
verre reizen, en eindelijk in het land teruggekeerd zijn, 
vergezeld van eene schoone jonge vrouw, die hij in den 
vreemde gehuwd liad. Oud geworden reeds, zou zijne som- 
bere en verdrietige inborst hem zeer streng ten opzichte 
zijner onderhoorigen en fel jaloersch jegens zijne jeugdige 
echtgenoote gemaakt hebben. Hare gesprekken met den 

(1) Provincie Brabant, arrondiss. Leuven, kanton Aarschot. 




188 « Ons Volksleven. » 

kapelaan maakten zijne achterdocht gaande. Eens werd een 
jong-eling, die 's anderendaags moest trouwen, veroordeeld 
om opgehangen te worden, omdat hij zich aan jachtmisdrijf 
had plichtig gemaakt. In tranen smeltende, kwam zijne 
verloofde de tusschenkomst der kasteelvrouw ten vooi deele 
van haren aanstaanden echtgenoot afsmeeken, en deze 
bekwam inderdaad genade 

Weinig tijds nadien, reden de heer, zijne vrouw en de 
kapelaan in eene koets naar het kasteel van Heverlee, en 
ontmoetten onderwege eenen bruidstoet. De bruid wierp 
haren ruiker op de knieën der edelvrouw, die, diep bewogen, 
de jonggetrouwden door een gebaar met de hand bedankte. 
De kasteelheer, die de oorzaak van de ontroering zijner 
vrouw niet begreep, aanzag heur met verwondering. Zij 
aarzelde om hem te zeggen dat degene, dien zij daareven 
voorbijgereden waren, de boer was, aan wien hij, gisteren 
nog, genade had verleend; w^ant zij vreesde dat haar man, 
die nog eenen wrok tegen den jongen laat behouden had, 
den schrik onder de lieden der bruiloft zou verspreiden. 
Vreozende dat de kapelaan een onvoorzichtig woord mochte 
uiten, deed zij hem teeken om te zwijgen. De heer verraste 
dit teeken van verstandhouding. Zijne vroegere kwade ver- 
moedens ontwaakten, hij verloor het hoofd en doorstak met 
zijnen dolk den ongelukkigen priester, die levenloos achter- 
overstortte. Op dit verschrikkelijk gezicht, viel de vrouw in 
bezwijming. Toen zij de oogen weer opende, had zij het 
verstand verloren en stierf niet lang naderhand. Weldra 
zag de moordenaar zijne noodlottige dwaling in en, gefolterd 
door ijselijke droomgezichten, bracht hij het overige zijner 
dagen door in de eenzaamheid, overgeleverd aan de knagin- 
gen van zijn geweten. Hij stierf zonder nakomelingen. 

Sedert dien tijd, zeggen de dorpelingen, is het kasteel de 
vergaderplaats van spoken en helsche geesten, en 's midder- 
nachts komt eene groote koets, bespannen met zes zwarte 
peerden, uit het bosch gereden, waar de puinen van het 
pershuis liggen, galoppeert de lindendreef door en rijdt den 
toren binnen. Een onheilspellend licht schijnt door de 



Ons Volksleven. » 189 



schietgaten des torens en eenige stonden nadien, rijdt de 
koets opnieuw de ophaalbrug over en keert met dezelfde 
snelheid weder, om in de puinen van het pershuis te ver- 
dwijnen. 

II. 

BENE andere sage veriiaalt dat Amelrijk Pynnock, eige- 
naar van het kasteel en een ieverige volgeling van 
Nemrod, eens aan zijnen kapelaan verzocht, de mis wat 
later te beginnen. Dan ware het hem mogelijk, reeds van 
^s morgens vroeg ter jacht te gaan. De priester stemde daar 
met grooten tegenzin in toe. 

Op eenen Zondag van de jacht terugkeerende, trad Amel- 
rijk de kapel des k asteels binnen, en zag dat de goddelijke 
dienst bijna geëindigd was. Buiten zich zei ven van gram- 
schap, viel hij op den priester aan en doorstak hem met 
zijnen dolk, aan den voet des autaars zelf. 

Sedert dien, zeggen de lieden uit den omtrek, ziet men te 
middernacht, in de kapel en de zalen van het kasteel, de 
schim van Amelrijk Pynnock zweven. 

Deze sage vertoont een e groote overeenkomst met de 
voorgaande. Alle tw^ee schijnen betrek te hebben op de 
moord van een en denzelfden kapelaan van het kasteel 
« Horst r>, door eenen heer van het dorp, op een zeer verwij- 
derd tijdstip. 

(Naar M. Armand de Behault de Dornon en Paul Com- 
BAZ, Le ühateau de Horst, a Bhode- Saint- Pierre). 

J.-Th. de Raadt. 



( Vervolg.) 
Eindhout: Tut.(i) 
ET dorp Eindhout ligt tegen eenen heuvel die vol ijzer- 
steen zit en waarin men over jaren eene bedding heeft 

(1) De Heer D"" L. meldt oes, dat de beteekenis van dien spoinaam te vinden 
Jsop bl. ü3 van den 2° jaarg. van « De Student. » Daar wij dien jaarg. niet 
bezitten, hebben wij de aldaar meegedeelde lezing met deze niet kunnen 
A- erge lij ken. 



190 « Ons Volksleven. »» 

moeten kappen, om er den steenweg naar Vorst te kunnen 
leggen. 't Is aan zijne ligging tegen den « Eindhoutschen 
berg », zooals men daar dien lieuvel noemt, dat het dorp 
zijnen spotnaam verschuldigd is. 

« Ons Heer, zoo vertelt de spotzieke bevolking van de 
omstreken, reed eens uit met eenen wagen, waarop hij al de 
dorpen had liggen. Kwam hij aan eene geschikte plaats, 
dan laadde hij een dorp af en reed verder. Zekeren dag 
kwam hij den Eindhoutschen berg opgereden, maar toen hij 
op den top was, viel er, door het geweldig geschokkel, een 
dorp van den wagen, dat den berg afrolde en beneden in de 
vallei bleef liggen. Dat was Eindhout. Sint-Pieter, die Ons 
Heer vergezelde, had het bemerkt en zeide het hem. Maar 
Ons Heer antwoordde : Tut ! fut! laat het maar liggen! » 

Danrom noemt men het dorp spotsgewijze Tut, een toe- 
naam die, naar het schijnt, het voorrecht heeft, de brave 
Eindlioutenaars in woede te stellen. 

Vorst : de Pootzakken. 

DIE van Vorst dragen den spotnaam van PoofsaJd-en en 
hun dorp heet het Portland, omdat de peeën (wortelen) 
of liever de i>oo/ej2, zooals men die veldvrucht daar noemt, 
er vroeger overvloedig gewonnen wierden. Thans is die 
winning er veel verminderd. De gronden te Vorst zijn zwaar 
en uitnemend vruchthaar, en de pooten wassen er geerne. 
De boeren oogstten er alle jaren eene groote hoeveelheid 
van in, en trokken er een soort van siroop uit. 't Kon dus 
bijna niet anders, of de inwoners moesten door de plaagzieke 
bevolking van het omliggende, PootzaJckcn en het dorp waar 
zooweel pooten groeiden, het Pootland gedoopt woorden. 

['t Vervolgt). Jozef Cornelissen. 

* * 

Ziehier eenige narichten over enkele spot- en toenamen, 
w^aarvan op blz. 154 van Ons Volksleven spraak is. 

Baasrode : de Kalfaters. 

(TEDERT lang bezit Baasrode eene scheepstimmerwerf of 
S) zate, waar de schuiten en booten der beurtschippers en 
visschers hersteld en gekalefaat worden. 



« Ons Volksleven. » 191 

Daar nu de kalefaters met de varenslieden der omstreken 
het meest in aanraking komen, heeft men, pars pro toto, de 
Baasrodenaars hil{e)faters gelieeten. Er dient evenwel aan- 
gemerkt te worden, dat de kalfaters of breeuwers niet veel 
achting genieten op de zate; ze staan tot de timmerlui in de 

verhouding gelijk de diender, handlanger of opperman tot 
den metser. 

Bornhem : de Boschkrabbers. 

BEN deel dezer gemeente (Branst, de Hei, de kleine Hei, 
enz.) was vroeger met kreupelhout en bosch overdekt; 
thans is er veel gerood en in vruchtbare akkers herschapen. 
De bevolking der boschstreek, meestal arme lieden, die 
met moeite eenen A'j?(7^>^}er (een jong rundje), konden kwee- 
ken, gingen in de bosschen voeder plukken of schrafeleii, d. 
i. het magere gras met de sichel opzamelen in eenen vocier- 
zak. Ook gingen zij in den Herfst bladeren rijve.n tot strooisel 
in den stal, tot bedekking der patattenputten en tot be- 
schutting der leemen muren hunner hutten. In de mastbos- 
schen verzamelden zij toppen en spelden voor brand. Dit 
aanhoudend geschrafel en gekrab legt den naam uit van 
boschkrabber, die wederom pars pro tolo aan al die van 
Bornhem gegeven werd; deze storen zich daar niet aan; 
want hun dorp is een van de fraaiste van heel de provincie 
en ook een der rijkste. Wie kent de brouwerijen van dit 
bloeiend vlek niet? (Wie langs het Wargaren in Bornhem 
komt, ontwaart rechts in eenen gevel verscheidene kanon- 
ballen gemetseld. — Vraag eens, wanneer die gekomen zijn? 
Gij zult vernemen wat de Franschen daar uitgericht hebben 
om er vrij en broederlijk de gelijkheid te doen heerschen). 
Buggenhout : de Boschuilen. 

BUGGENHOUT ligt tegen het Buggenhoutsch bosch, waar 
vele lieden werken; daarvan de nsidimvsin Boschuilen; 
doch men besluite hier niet uit, dat die van Biggcnhaat 
uilen zijn; vóórdat de spoorbaan van Mechelen naar Den- 
dermonde daar lag, was er misschien wel iets van. « In 't 
bosch opgebracht zijn » is eene gezegde dat zijne beteekenis 
heefi; maar nu is alles daar veranderd. 



192 " Ons Volksleven. " 

Eikevliet : de groote Suite. 

BiKEVLiET heelt de " eer « genoten den staf van het fran- 
sche leger van Louis XIV te herbergen; in de nabijheid 
ligt nog het gehucht Souvcgour waar de Saiivegardc lag; 
maar de prooic Suife was te Eikevliet; daarvan die naam, 
waarschijnlijk omdat er op die « eer » destijds veel geboft 
werd. 

Liezele : het Overschot van de wereld. 

T lEZELE ligt tusschen de heirbaan van Dendermonde naar 
LI Mechelenen de kasseide van S^-Amands-Puurs-Kalfort; 
het is ook begrensd door de rivier de Eik ; zoodat er zeer 
weinig gemeenschap tusschen deze en de naburige gemeen- 
ten was, en zij om zoo ie zeggen, in eenen verloren hoek 
vergeten bleef; daarvan de spotnaara. Nu is Liezele een zeer 
lief en net dorpje, dat met Puurs verbonden is dooreenen 
fraaien steenweg. Er bestaat een in Klein- Brabant zeer 
berucht spotlied op : « De Gulde (Gilde) van Liezel. » W^ie 
kan dit bezorgen aan Ons Volkalevcn? 

Mariekerke : de Visschers. 
/7QARIEKERKE is ecu visschcrsdorp. De vischleurders van 
èlL dit plaatsje hoort men tot in de Brusselsche voorste- 
den roepen : « Wa' pou.... link Ideiipp^f met stemmen gelijk 
klokken. Deze visschers zijn uitmuntend sterke mannen. 
In vroeger tijd was 't klein Mariekerke nooit zonder kuras- 
siers in 't leger. 

Opdorp : de Plattekeesboeren. 

DE vermaarde Opdorp-jaarmerkt heeft, geloof ik, aanlei- 
ding gegeven tot dezen spotnaam. Dé lieden dezer ge- 
meente zijn grootendeels landbouwers, en deze, gelijk al de 
boeren van dit gewest, maken in den zomer zeer frisschen 
en smakelijken karnemelkkaas. De vreemdelingen, door 
dezen overvloed van platten kaas getroffen, hebben hen 
daarom plattekeesboeren gedoopt. Zooals men ziet, is deze 
titel in 't geheel niet kwetsend. Overigens, de boeren van 
dit aardig dorp met zijn overgroot jaarmerktplein, hebben 
wat meer te koop dan plattekees. Hunne boter, hunne kalve- 



« Ons Volksleven. » 193 

ren en kiekens zijn te Brussel goed befaamd en hunne 
akkers zijn zorgvuldig bewerkt en uiterst vructitbaar. 

('/ Vervolgt). 

aiT het, artikel Le Coq et la Foulc dans VImaq hint ion popu- 
laire, door A. Gittée, verschenen in Revue clc la Belgique 
(1889), knippen wij de volgende uittreksels : 

— In de Scandinaafsche godenleer komt de haan voor als 
de wakende vogel. 

— Bij de Grieken staat een haan aan de zijde van Pluto en 
Persephone, 

— De «Voluspa", een zang der Edda, vermeldt twee hanen, 
die tot de omgeving der goden behooren : de eene, van eene 
helroode kleur, met gouden kam, heet Fialar en zit in het 
« Vogelenbosch «, een deel vnn Ygdrasyl, den « Aardschen 
Esch ». Tijdens den ondergang der wereld, zal hij de goden 
en helden wekken, en door zijn gekraai den wereldbrand 
aankondigen. De andere, donkerrood van kleur, kraait 
onder de aarde, in de zalen van Hel, de godheid der onder- 
aardsclie wereld. (Simrock. Die Edda (34*' en 35® stroof) en 
voornamelijk bl. 358 (nota op de 34"^ str.). 

— Ziehier een gebruik van het oude Germaansche recht, 
aangehaald door Jacob Grimm : «Zoo een man, zonder 
familie levende, na klokslag van middernacht, verraderlijk 
wordt aangevallen, en den misdadiger doodt, neemt hij drij 
stroopijltjes uit het dak, zijnen hond aan den band (of- de 
kat in den heerd), of den haan op den balk (men weet dat 
ieder huis zijnen hanehaUc had; dit woord duidde den groo- 
ten balk aan van het hoogste des daks, in het vertrek zelf 
waar de bewoners verbleven (i),) gaat er mede vóór den 
rechter, legt den eed af en is niet plichtig aan moord, naar 

(1) Ilct w, lianebalk is nog van dagelijksch gebruik. Het beteekeut : Dwars- 
balk, die tusscheu twee scheergebii;ten, aau de gordingen vastgetimmerd is. 



194 « Ons Volksleven, j» 

het geloof dat God hem van valschen eed door het kleinste 
schepsel kan overtuigen. (J. Grimm. Deutsche Bechtsalfer- 
ihümer, blz. 588). 

— Gansch het Germaansch gebied door, wordt de volksuit- 
drukking « de roodc haan Iraait hoven hei dnk r> gebruikt, om 
^Qvlam te beteekenen. (Grimm. Deutsche Marchen, bl. 558). 

Bij deze aanteekeningen van hoogergemelden schrijver 
kunnen wij voegen, dat de boeren in het groothertogdom 
Luxemburg, bij wijze van bedreiging, aan hunne geburen 
zeggen : « Ik zal den rooden haan op uw huis zetten »», d. i. «ik 
zal uw huis in brand steken. " 

In de Antwerpsche Kempen, o. a. verstaat men ook zeer 
goed wat het zeggen wil : « den rooden hoan op iemands daJc 
laten kraaien. » 

Zeggen wij ook, dat onze oude kroniekschrijvers, spre- 
kende van de rampen, waarmede de beruchte Marten van 
Rossum ons land belaadde, schreven : Marten van Rossum 
liet op gansch zijnen doortocht den rooden haan kraaien. 

In het beroemde parallel tusschen Merten Luther en 
Merten van Bossum, zegt Anna Bijns, sprekende van de 
brandstichtingen van dezen laatste : 

Al liet Rossom den haen metten rooden camme 
In Brabant vliegen, zool heeft ghebleken.... 

Baron de Reinsberg-Düringsfeld zegt dat eertijds in België 
(ook in Frankrijk tot aan de Omwenteling) de hanen en de 
katten als zoenoffers opgedragen wierden, en dat men nog 
in verscheidene streken op Sint-Jansdag eenen roodm haan 
onthooften zijnen kop als behoedmiddel tegen den bliksem 

bewaart. 

— Men is het niet eens over den oorsprong en de betceke- 
nis van het haantje dat men op de kerktorens aantreft. 
Julius Lippert, een Duitsch geleerde, beschouwt het als eene 
offerande aan den beschermgeest van het gebouw, als een 
Dauopfer, dat men eertijds in de grondvesten, dikwijls onder 
den dorpel, begroef. 

— In Slavonië begraaft men in de grondvesten een levenden 
haan of eene vledermuis, om den geest der aarde gunstig te 
stemmen. 



« Ons Volksleven. » 195 



— Het gekraai van den haan is in de taal, door alle tijden 
heen, ook het begin van den dag. Jacob Grimm geeft daar- 
van veel voorbeelden, getrokken uit de Westersche schrij- 
vers. Ook de Grieken kenden dit spraakgebruik. 

— In de volkssagen zien wij den duivel de vlucht nemen, 
waneer hij den haan hoort kraaien. Dit gekraai is hem 
bijzonder onaangenaam, daar hij enkel des nachts kan 
werken. 

— De volksweerkunde leert dat men acht dient te geven 
op het gekraai van den haan, die algemeen voor weer voor- 
zegger aanzien wordt. Bij onze boeren is hethancngekraai, 
voornamelijk bij warm weder, een voorteeken van regen. 
« De hanen kraaien omrerfen «, zegt men in Vlaanderen. Dik- 
wijls duidt het enkel verandering van weder aan. 

— Met DrijJconinfjen len(]en de dagen 'nen haneschrcciiiv is 
eene boerenspreuk in Vlaanderen. Elders, in de Kempen, 
heet het : Met BrijJwningen lengen de dagen 'ncn hnncschrce 
(haneschiede). 

— Naast de hanengevechten, bestaat er nog een ander 
volksvermaak, waarin de haan slachtoffer is. 't Is het hane- 
huppen, dat op bl. 77 van den P jaarg. van Ons VolMeven 
beschreven is. 

— Den haan inhalen is een oögstfeest dat gevierd wordt 
bij het inschuren der laatste kar graan, en in Luxemburg bij 
het naar huis voeren der laatste vracht aardappelen. 

Waneer de laatste kar koren geladen is, mag iedereen er 
op gaan zitten. Men steekt er loovertakken, meien op, ver- 
sierd met gekleurde linten, groen en bloemen. Eertijds was't 
't gebruik, dat men aan een' der meien eenen haan hechtte; 
van daar de uitdrukking : den haan inhalen. 

— In sommige streken van Zweden en elders, versiert een 
haan den mei boom. 

[H Vervolgt). Alfried Harou. 




196 « Ons Volksleven. » 

Imprjie lagen, (o 

35. (158.) Het Fluiterke. 

0p de hoeve « de Viesenbosch » te Pulderbosch, die thans 
nog bestaat, woonde over lange jaren een knecht, die 
« iet meer kost « als andere menschen. Waar die knecht ook 
ging of stond in liet veld, altijd was hij vergezeld van een 
wonderschoon vogellje met schitterende pluimen, dat op 
zijnen schouder zat of op den zaal van zijn peerd ging 
rusten. De menschen hieten dat vogellje het «» fluiterke ». 
Was de knecht van huis, dan zag men het fluiterke niet : 
het hield zich verborgen in eenen vlierstruik. Zong de knecht 
een liêken, het fluiterke zong het na, en floot hij een deuntje, 
het vogeltje floot het ook. Eens wierd er te Pulderbosch 
door eenon pater eene missie gepredikt, en de lieden der 
hoeve zeiden tot den knecht, dat hij eens aan den pater 
moest vragen, wat hij over dit wonder vogeltje dacht. De 
knecht beloofde zulks te doen, maar toen hijging om den 
pater te spreken, hoorde hij het vogeltje op treurigen toon 
zingen: Vaartvd! vaarivel!... O ! hittcr scheidtn, dat eeuwig, 
eeuwig duren moet! 

De pater ging aanstonds mede en zag het fluiterke zitten. 
Hij sprak het aan en zeide: « Fluiterke, fluit! " maar het 
vogeltje zweeg. Dan zeide hij :« Fluiterke, zingt! « maar 
het fluiterke bleef stom. Toen sprak de pater tot het flui- 
terke : « Als ge niet meer fluiten of zingen en wilt, zult ge 
in der eeuwigheid niet meer fluiten of zingen. » 

Na deze woorden verdween het. M^onder vogeltje, en 
sedert dien zag men het niet meer weder. 

[Pulderhosch). 

38. (159). Onze-Lieve-Vrouw van Pulderbosch. 

TN de kerk te Pulderbsch bei'ust een wonderbecld van O. L. 
i Vrouw, 't Is een uit hout gesneden b(^eldje, eene span 
hoog, dat door den ouderdom eene zwartachiige kleur ge- 

(1) Vervolg vau bladz. 118. 



« Ons Volksleven. » 197 

kregen heeft. Aan den hals draagt heteenen zijden draad. 
Aan dit beeld is de volgende legende verbonden : 
Een man van Santhoven vond het beeldeken te Pulder- 
bosch, ter plaatse « het Heiblok », dat te dien tijde eene 
baan was, met boomen en strunken bezet. Hij nam het mede 
naar huis en sloot het in zijne kist. Toen hij het er den vol- 
genden morgen wou uithalen, zag hij, tot zijne groote ver- 
wondering, dat het verdwenen was. Eenigen tijd nadien, 
kwam de gilde van Santhoven te Pulderbosch en deze vond 
het beeldeken op dezelfde plaats, waar de Santhovenaar het 
opgeraapt had. Men nam het mede naar huis, maar het 
verdween ten tweeden male en keerde naar zijne vorige 
plaats weder. Er was alsdan een zijden draad gespannen van 
het beeld tot aan de plek, waar heden de kerk staat. Spoedig 
wierd daar eene kapel gebouwd, die thans verdwenen is en 
waar tegenwoordig de koor der kerk oprijst. Deze kapel 
wierd met der tijd eene druk bezochte bedevaartplaats, waar, 
in de octaaf van O. L. Vrouw- HaH'oogst, processiën van 
Ma'^senhoven, Viersel en andere dorpen naartoe kwamen. 
Uit dien toeloop van volk zou de vermaarde jaarmerkt ont- 
staan zijn, die nog telken jare door de inwoners van de 
omliggende dorpen druk bezocht wordt. Thans is er van 
eene bedevaart of begankenis geen spoor meer over. Als te 
Pulderbosch de processie uitging, bestond eertijds, zegt 
men, liet gebruik, dat gildebroeders van Santhoven het 
beeld droegen. 
{Naar eene mondelinge overlevering ie Piildcrhosch) 

Jozef Cornelissen. 

37. ^160.) Op een dwaalkruid getrapt. 

TNDIEN men, bij avond of naclit, het ongeluk heeft op dwaal- 
1 of doolkruid te trappen, dan is het stellig dat men dien 
nacht niet zal thuis geraken, al ware men dan ook maar vijf 
minuten van huis verwijderd, maar den geheclen nacht zal 
ronddolen. Gelukkig dat dit kruid zeer zeldzaam is. 

Het kan ruim twintig jaar geleden zijn. Een boerken uit 
mijne geburen had op eenen zondagavond, in het najaar, 



198 « Ons Volksleven. » 

met de kaart zitten spelen bij eenen ouden jonkman, een 
tiental minuten van zijne woning, en koerde rond den tienen 
huiswaarts. Er stond geene maan aan aen hemel, maar het 
was toch niet « balkdonker «. Na eenige boogscheuten gaans 
kwam hij aan een zijstraatje dat hij insloeg, hoewel hij nu, 
zonder het te weten, meer en meer van huis afdwaalde. Hij 
gaat straat op, straat af, den eenen weg in, den anderen uit, 
maar zonder den rechten weg naar zijne woning te vinden. 
Dan komt hij weer aan een hem bekend huis, doch durft de 
lieden niet wakker maken, uit vreeze van 's anderendaags 
uitgelachen te worden. « Nog een beetje geduld, y> denkt hij 
in zijn eigen, « ik zal er toch wel komen «, maar 't is verlo- 
ren : hij vindt zijnen weg niet. Uitgeput van vermoeienis, 
komt hij rond vier uren van den morgen weer aan een gebu- 
renhuis, trekt zijne stoute schoenen aan en roept de lieden 
op. Hij vertelt hun zijn wedervaren en zegt dat hij als 
betooverd is, en den weg niet kan vinden, hoewel hij erkent 
maar eenige minuten van zijn huis te zijn. Een der lieden 
vergezelt den verdwaalde tot aan zijne woning, opdat hij nu 
toch zeker niet meer zou verloren loopen, ofschoon de dage- 
raad al begon te schemeren. De verdoolde man had op een 
dwaalkruid getrapt. 
{Gehoord Ie Heist-Goor). Frans Zand. 



IJflekteBprekiHg. 



XJn Usage fétichiste a Braine-PAUeud. I. La Croix S^-Zé; 

qui était S*-Zé ; un usage populaire, par C. J. Schepees. 
II. Quelques usages similaires, par O. Colson. (Extrait de 

Wallonia, ia-8° de 8 pag. Liége, 1893). 

Ooder bovenaangehaalden titel deelen de Heeren Schepers en 
Colson eene merkweerdige bijdrage mede tot wat men « de spel- 
den en nagels in 't volksgeloof » pleegt te noemen. Reeds vroeger 



« Ons Volksleven. » 199 

(ziet Ons VolJcsleven, deel III, bl. 57) hadden wij gelegenheid om 
eenige woorden te zeggen over het bijgeloovige volksgebruik, van 
de ziekten, voornamelijk de koorls, aan hoornen of andere voor- 
werpen, bij middel van spelden of nagels vast te spetan, om zich 
zei ven of anderen to genezen. 

Dat het gebruik overoud is, blijkt gereedelijk uit de aange- 
haalde voorbeelden, alsook uit de beschouwingen door den Heer 
Colson erbij gevoegd. Ook wij bezitten over dit belangrijk onder- 
werp eenige aanteekeningen, die wij bij gelegenheid in ons tijd- 
schrift zullen mededeelen. J. B. Veevliet. 

JosEPH Defeecheux. — VocabulairG de noms wallons 
d'aminaux (Liége, Luxembourg, Namur Brabant, Hainant), 
avec leurs équivalents latins, francais et flamands, suivi d'une 
table alphabétique de ces dénominations. 3^ édit. ornée de 
nombreuses gravures. Liége, H. Vaillant-Carmanne. — Fraai 
boekdeel van 174 bl. in-8° met talrijke figuren in den tekst. 



Een der beste werken, zoo niet hot belangrijkste van al, door 
den nog jeugdigen, maar reeds gunstig gekenden hulp-bibliothe- 
caris der Luiksche Hoogeschool uitgegeven, is voorzeker zijn 
Vocabulaire de noms wallons d'animaux. Dat het boek op 
betrekkelijk korten tijdeene 3® uitgave beleeff, dat het verders 
van Staatswege voor prijzen, school- en andere boekerijen aan- 
geprezen wordt, pleit stellig in het voordeel van den schrijver, 
die zorg noch moeite gespaard heeft, om zijn werk zoo volledig 
mogelijk, nuttig en aantrekkelijk te maken. 

Van elk dier of diertje, vogel, visch of insekt, waarvan de 
Waalsche benaming hem bekend is, geeft hij de nevengedaanten 
van het woord, in de Waalsche gouwspraken voorkomende. Hij 
voegt er tevens de Fransche, Latijnsche en Vlaamsche namen bij, 
met eene korte, maar zakelijke beschrijving van het vermelde 
dier, waarvan niet zelden de afbeelding den tekst vergezelt, en 
aldus aan dezen meer duidelijkheid bijzet. 

Eene lijst der geraadpleegde werken, en eene tafel der Latijn- 
sche, Fransche en Vlaamsche diernamen besluiten het werk, dat 
wij onzen lezers volmondig aanbevelen. 



200 « Ons Volksleven. » 

De Heer Defrecheux is overigens een dier rechtgeaarde Walon, 
die bij iedere gepaste gelegenheid voordeel weet te trekken uit 
zijne kennis van het Vlaamsch, wat zijne werken niet weinig in 
belangrijkheid doet winnen. Menig Waalsch woord toch, draagt 
bij nader onderzoek, gemakkelijk te herkennen sporen van 
zijnen Vlaamschen oorsprong; voorwaar geen gering bewijs van 
het nut, dat de kennis onzer taal aan de Walen verschaffen moet. 

J. B. Vervliet. 



gtitifluiï tiati CijkrjirifteiL 

Volken Taal, VI, Nr 4. —Het volkslied (P. van den Hroock). Bijdrage 
tot den Nederl. taalschat (A. van Heuverswyn) — Het Kiemspel (J. van 
\ Herbergen). — Strijdlied der Vlaamsche veldbewonei's (A van Heuverswyn). 

— Sint-.Marten (P. van den BroecU en A. d'Hooghe). — 't Kruiskapellekeu of 
de sprekende Lieve Heer (D. M.). — Fransche tijd te Oudenaarde {vervolg). 

Biekorf, IV, N"" 17. — Over de cholera (D"" A. Depla). — Creator alme 
siderum — De Ooge der Oostzee (J. van dé Kerckhove). — Alcarazza (J. 
Claerhout) — Mingelmaren. 

Nr 13. — Over de cholera (D'' A. Depla). — De zaadfooie (B v. N.)- — De 
Ooge der Oostzee fj. van de Kerckhove). - Uit de Germaansche Godenleer 
(J. Claerhout). — Gedicht (G. Gezelle). — Mingelmaren. 

Het Belfort, VIII, N""" 9-10, — llypnotism (J. van Campeu). — De christe- 
lijke geest in man en kunstenaar (M. de Baets). — Het ontzet van Sint-Berte- 
v^ius (E. de Lepeleer). — Gilde en corporatie (A. van den Broeck) — 
Vacantiefei sten (Y en Z) — Wenken en vragen (L S ). — De Godsdienst, zijne 
vijanden en onze plichten (J.M. Bergmans) — Tehuis van Arnhem (D'' Claes). 

— Driemaandelijksch overzicht (L. CL). — Boekennieuws en kronijk. 

Wallonia, I, ^"'■ 10. — Contesmerveilleux. IV. Jean de Berueau (F. Yseren- 
tant). — Beotiana XV. Le cuisson a distance et Ie crapaud recalcitrant (F. 
Ramboux). — XVI Les chasseurs de mouches (J. Bury). — XVII. La croix 
qui butte (O. C). — Fables. 111. (Z. Henin). .— Noles et enquêtes (O. C.) — 
Bibliographie (O. C). 

Revue des Tradilions populaires, VIII, N"" 10. — Jeux et fêtes des saiaons. I. 
Les jeux de 1'Espérouqaère dans la Chalosse (J. de Laporterie). — II. 
L'aubade de la St. Laurent en Champagne (F. Fertiault). — Le portrait de la 
maitresse. VI (J. F. Bladé). — Miettes de folk-lore parisien. XXVI (H. 
Lebrun). — Les villes englouties. CXIII-CXXVI (R. Basset). — Le feu II. Le 
symbolisme du soleil et du feu (M"^^ II. Murray-Ayi.sley) — La Belle au 
jardin d'amour(Ch. Beauquier). — Coutes estoniens II. Analyse des contes 
de Kreutzvvald 111. Contes estoniens. (A. Dido). — Les pastiches de chansons 
populaires. IV (D. Bourchenin et P. S.). — Les Pourquoi LXXXVI Pour- 
quoi S^«-Anne est la patronne des menuisiers (F. Duynes). — Les empreintes 
merveilleuses. XXIV-XXXIX (R. Basset). — Bibliographie. — Notes et 
enquêtes. — Réponses. 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« JCr is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel volksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZUIDNBDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN TAALKUNDE, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk iu zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. n 

VraagboeTi voor Vlaamsche volkshunde. 

♦ VIJFDE JAAR. ♦ ELFDE AFL. ♦^^ 

( Vervolg). 

;sESTUi est un flateur. 

Dit is een pluijmstrijcker. 

Een deftig gekleed heer gaat zijnen weg, eenen 
gemeenen man afwijzende, die den hoed in de eene hand, 
met de andere eene pluim over den arm des edelmans strijkt. 

69. Cesiui porie la mort d son poiirinc. 

Dese draecht de doot in syne(n) boesem. 
Een man met langen mantel, en als een geleerde afge- 
beeld, draagt op zijne borst een masker in den vorm van 
een doodshoofd. 

70. Le naturel du cJiat c estprendre des souris. 
Twilt al muijsen wat van catten comt. 

Eene groote ineengedrongen kat loert op een muiske, dat 
al snuffelende vóór haar heenloopt. 

71. Cesiui pendi au chatie la soneite. 
Dese hangt die catte de belle aen. 

Een jongeling zit neergehurkt bij eene jonge kat; met de 
rechterhand heeft hij haar bij den kop vast, terwijl hy in de 




202 « Ons Volksleven. » 

linker een belloken houdt, dat aan eenen band hangt. 

72. Ccsfui venït aller fout droit au monde. 

Dese wilt met rechtverdicheijt doer die werelt comen. 
Een gerechtsdienaar met het zweerd aan de zijde, en eene 
spies in de hand, staat in rechte, stokstijve houding. 

73. Il m'en fault ahhaisser poiir aller au monde. 

lek moet mij crommen sal ick door de werelt commen. 
Een arme man staat, als op de knieën kruipende afge- 
beeld, in eenen wereldbol, met een kruis bekroond. 

74. Ceux ei Jcijeni ious deux par un irou. 
Dees twee schyten door een gat. 

Twee jonge mannen met afgestroopte hozen, zitten rug 
tegen rug neergehurkt. Tusschen hen in ligt er eene.... 
geurige pastij op den grond. 

75. Cestiii a deux hlancz pieds 
Dese heeft twee witte voeten. 

Een fraai gekleed heer met langen puntigèn baard, pin- 
kraag en versierden mantel schijnt in gesprek te zijn. Aan 
zijne voeten draagt hij witte lage schoenen met eene roos 
versierd. 

76. Cesiui quij veult prendre du miei il faut q 'uil endure que 

les mouches lepiequent. 
Die hoonick wilt eeten, moet lijden dat hem de biien 
steeken. 
Een boer heeft eenen biekorf omgeworpen en wordt nu 
van de bieën aangevallen. 

77. Cesiui fait fourner Ie monde sur poulce. 

Dese doet de werelt op sijn dujanke(n) drayen. 
■ Een rijk gekleede edel- of krijgsman houdt de rechterhand 
opgeheven, en laat op zijnen duim eenen wereldbol met 
Kruis rusten. Hij draagt eenen gepluimden hoed op het 
hoofd; rondden hals heeft hij eenen kanten kraag, enz. 
Zijne linkerhand rust op een rapier. 

78. Cesiui sist enire deux chairs en cendres. 
Dese sit tuschen twee stoelen in d assen. 



« Ons Volksleven. » 203 

Een man ligt, half opgericht, op den grond, die met assche 
bestrooid is. Zijne armen rusten op twee omgeworpen hou- 
ten stoelen zonder rug. 

79. Il se monstre co[mm)e tenaijlle sur vn porceau. 
Het sluijt ghelijck een tanghe op een vereken. 

Een zwijn loopt al snorkend rond met eene tang op den 
rug. 

80. Ceste pent la bleu huke a son mari, 

Dese hangt haren man die blau huijck om. 

Een man in krijgsmansdos met eene haren muts op 't hoofd 
en eenen sabel aan de zijde, staat marschveerdig. Terzijde, 
eenigszins achteruit, staat zijne vrouw in fraai huisgewaad. 
Met de rechterhand houdt zij eene huik vast waarmee zij 
haren man gansch overdekt. 

Die leste afbeelding staat van onder in het midden der 
plaat, en heeft, zooals wij reeds gemeld hebben, haren 
naam aan het geheel gegeven. 



Hiermede is de beschrijving der plaat ten einde. Wij heb- 
ben met inzicht bij elk spreekwoord eenige woorden uitleg 
omtrent het afgebeelde gevoegd. Het valt den lezer alzoo 
gemakkelijk de woordspeling te vatten, te meer daar de 
figuren letterlijk den tekst der spreekwoorden weergeven. 
De beteekenis, natuurlijk, is heel wat anders; doch daar het 
hier slechts spreekwoorden van dagelijksch gebruik geldt, 
is de zin er van gemakkelijk te vatten, en hoeven wij er niet 
verder over uit te weiden. 

De tekst van enkele dezer spreekwoorden is wel wat plat; 
doch om der volledigheidswille waren wij verplicht alles 
mede te deelen, wat de plaat bevat. Men merke overigens 
aan dat het volk, zoo min nu als vroeger, er geene doekskes 
om windt ; en is men nu in hoogeren stand wat kieskeuriger 
in uitdrukking dan eertijds, de zeden zijn er niet te beter 
om. In vroeger eeuwen stoorde men zich minder om het 
woord dan om de daad ; nu, met onze zoo geroemde besoha- 



•I» 



204 « Ons Volksleven. » 

ving,veroordeelt men het woord dat aanstootelijk is, en weet 
men voor de daad, hoe gemeen of slecht zij ook weze, steeds 
allerlei verontschuldigingen in te brengen, als de plichtige 
het maar zoo weet te schikken, dat de opspraak vermeden 
wordt. 

Andere tijden, andere zeden. Indien er te kiezen viele, dan 
zou menig rechtschapen man liever de eenigszins ruwe zeden 
van vroeger, toen men het hart op de tong droeg, verkiezen, 
boven de schijnschoone zeden van onzen tijd, waarin men 
dikwijls denkt eenen engel bij den kop te hebben, terwijl 
men eenen duivel bij den steert houdt. 

J. B. Vervliet. 



MtMüg tnt k güBrjiietoiiiH kr jjeteeii-^rnaMeE 
iti k llekrliitikti, m k X? m k W mm. 




erwijl ik de rekeningen der Schouten van Ant- 
werpen en Markgraven van den lande van Rijen 
doorliep, vond ik daarin eenige aanteekeningen 
betrekkelijk rechtsgedingen van gewaande tooveressen. 
Vermits die aanteekeningen ons wetenswaardige bijzonder- 
heden leveren over eene stof die, niet' ten onrechte, een leven- 
dig belang inboezemt aan degenen die de studie der vroegere 
zeden Ier harte nemen, zoo haast ik mij ze aan het oordeel 
der belanghebbenden te onderwerpen, en meen daartoe niet 
beter te kunnen doen, dan de teksten ongeschonden open- 
baar te maken. Ze zijn er des te welsprekender om in hunne 
vreeselij ke naïveteit. 



« Ons Volksleven. » 205 



Onderzoek ten laste eener diefegge en eener toover- 
heks.Deze laatste maakt te haren voordeele gebruik 
van de toegevendheid , waarmede de eerste behandeld 
werd. 

« Van eender armen diefeggen, geheeten Heius, des scrynmakers 
wyf, van dat zy in 't vleeschuys vleescli gestolen hadde, dair mede 
zy bevonden werdt.Ende mits dien, na behoirlycke examinatie ende 
dat men aen liuer anders niet en vant, zy billicx dair af op te cake 
behoirde gestelt te wordenen ende gecorrigeert, anderen ten exemple 
openbairlic, ende soude alsoe tot eeweegen daigen gescoffiert ende 
bescaemt hebben geweest. Ende want huer man een goet scamel man 
is, die gherne mit God ende mit eeren duer die werelt geraken sonde, 
mit jongen kinderkens, die hy van hner heeft, den sconthet oitmoe- 
delick gebeden heeft om zyne gratie ; soo ees 't, die selve schouthet, 
aengesien d' onnoselheyt ende armoede van den goeden man, mits 
oic dat men anders op huer niet en vant dan voirscreven is, ende heeft 
hner die selve criminele pugnitie verdragen mits crigende dair af, 
tot myns genedichs heeren behoef, x Rynsguldenen, qiii valent ij 
pond, X schellingen groten, » 

« Van twee touveressen, geheeten (i), van dat zy op die selve 

tyt gevangen worden als waerseggerssen ende insgelics mits huerder 
vouverien (2), sonder hebben gestaen op te cake als voere, mair mids 
dat de sconthet der diefeggen voirscreven gratie dede, mits der 
voirscreven compositien, soo heeft hy oick dese in gracie genomen, 
mids geloeften die zy hem deden van nymmermeer mit huerer 
vouverien (2) omme te gane noch t' Antwerpen te commen, ende dair 
toe tegevenen, tot myns genedichs heeren behoef, x Rynsguldenen, 
qui valent ij pond x schellingen groten » (3). 



(1) In blanco. (2) Of bouberiën. Wat beteekeut dit woord eigenlijk? In 
Kiliaen is het niet te vinden. (3) Kekening van Jan van Ymmersele, ridder, 
burggraaf van Aalst, heer van Itegem, enz., loopende van Kerstmis 1498 tot 
den 4° November 1499. (Zie over dit persounage J.-Th. de Raadt, Les Seig- 
neuries du pays de Malines. Itegem et ses Seigneurs (onder druk). Bekenkamer 
van Brabant; Algemeen Rijksarchief, register N"" 12904. 



206 « Ons Volksleven. » 

Beschuldiging van tooverij , ten laste van Anna Faes 
en van hare moeder, Elisabeth Stuypen, te Nijlen. 
De eerste op de pijnbank gelegd en veroordeeld. 
Loslating harer moeder, onplichtig erkend. 

« In den iersten, alsoe de voorscreven schout eth van Lyere op den 
xxvj®° Aiigiisti anno xv^'lxxx.ix gevangen heeft genoemen Anna Faes, 
brosis, met Lisken Stuypen, haer moeder, woonende tot Nylen, om 
dat se befaempt waeren te wesen tooveressen, soe is de selve Anna 
Faes hy den voorscreven schouteth in rechte beticht ende aengespro- 
ken, die tegen haer genomen heeft capitale conchisie cum clausuia 
capitulari. Welcke Anna Faes met vonnis van borgermeester ende 
scepenen der voors. stadt is op den xix"" ApriUs anno xv*^ tnegentich, 
midts haere joncheyt, soe te presumeren is, als gheen vyfthien jaren 
oudt wesende, alleenlyck gecondemneert te doene honorable 
amenden, blyckende by den vonnisse, daer aff synde. Ende alzoe de 
selve Anna Faes van den xxvj'"' Augusti anno Ixxxix gevangen is 
geweest tot den twintichsten April daernaer, wesende twee hondert 
xxxvj daghen, betaelt den cipier voor haer montcosten vier ende 
eenen halven stuyvers 's daechs, beloopt voor de voors. ij'^xxxvj da- 
gen, liij pond xj schellingen. « 

Op den kant stond : 

« Ghemerckt by den vonnisse, in den text geruert, die voirs. Anna 
Faes is van haere gevanckenisse geabsol veert geweest, eensdeels 
midts haere jonckheyt,vergeffenisse te bidden die justicien ende een 
heel jaer des vray daechs te vasten, te watcre ende te broode, soe 
schynt die gevangene genoech vuyt gratie gerelaxeert geweest te 
zyne, soe dat naer alle redelyckheyt zy wel hadde behoven te betae- 
lene die coesten van haere gevanckenisse, sover die alhier te bringhen 
ten laeste van wylen Zyne Majesteyt, om welcke redenen soe woerdt 
die party e hier geroyeert, laetende desen officier in zyn geheel die te 
verhaelen, daer ende alsoe hem dat goet duncken sal. » 

" Item alsoe die voors. Lisken Stuypen is bevonden nyet culpabel 
te wesen, is de selve naer dyeu sy xxv dagen hadde gevangen ge- 
seten van der hachten ontslagen. Betaelt aen den cipier voor de 
voorscreven xxv dagen montcosten, tegen iiij V2 stuyvers 's daechs 

V pond xij 1/2 schellingen. « 



« Ons Volksleven. » 207 

Op den kant stond : 

« By zekere billet van coesteu, geverifficeert by schepen der stadt 
Liere, onder het hanteecken van J. Courtois ende der stadt zegel, 
op 't spacium der selver gedruckt, dienende voer meer andere par- 
tayen hier naer, dan alsoe die voirscreven Lisken by de voirscreven 
scepenen is van haere gevanckenisse ontslagen, als nyet culpabel 
wesende, soe dat schynt, dat dese ende dyergelycke coesten behoiren 
te commen ten laeste van den officier, die zyne aprehentie qualyck 
heeft gedaeu, dan alsoe deselve zyn gedaen in faveur van jiisticie, 
soe is ten bevele geordineert., met interventie van d'officie fiscaal, 
dese ende dyergelycke coesten te passeeren. » 

« Item betaelt Peeter van Arent, weert in de « Roose », tot Lyer, 
drye gulden ende seven stuyvers, die verteert heeft den scherprech- 
ter, doen hy binnen Lyer gecomen was om Anneken Faës, brosis, 
te pynigen, blyckendeby quitancie; aldus hier . . . . 

iij pondvij schellngeu. » 

« Item betaelt aen den procureur, die inde saecke van Anna Faes 
den voorscreven schouteth heeft gedient ende gemaect de scrifturen 
ende gehouden diverschetermynen, als blyct by quitantie, daer aff 
synde, acht Ryusgulden ; aldus hier . . viij pond »(i). 

* * 
Vervolging ingespannen tegen Katharina van den 
Bulcke, bijgenaamd Paesschynens, en haren zoon. 
De moeder op de pijnbank gelegd, veroordeeld en 
gerecht door de koord en het vuur. De zoon vrijge- 
sproken. 

« lerst, alsoe wylen Joncker Willem Brant, schouteth der stadt 
van Lyere, in den jaere xV^ ende Ixxx.ix, in Novembri, gevangen 
heeft gehadt een toovernesse, by name Catlyne van den Bulcke, die 
men hiet Paesschynens, soe heeft de voorscreven schouteth in rechte 
tegen de voorscreven Catlyne geconcludeert ten eynde dat by von- 
uisse van borgmeester ende scepenen der voorscreven stadt van 

(1) Rekening van Hendrik 't Seraerts, markgraaf van den lande van Rijen, 
loopende van den 17° September 1585 tot den 6° November 1599, sterfdag 
van dien persoon. Hekenkamer van Brabant, reg. N' 12908. 



208 tf Ons Volksleven. » 

Lyere de voorscreven Catlyne soude vercleert wordden verbeurt te 
hebben haer lyff ende haer goet tot behoef van Syne Majesteyt. 
Welcken volgende, is die voorscreven Catlyne naer langdurighe 
procedure, by vonnisse van de voorscreven wethouderen gecondem- 
neert geweest, verbeurt te hebben haer lyff ende goet, tot behoeff van 
Zyne Majesteyt, ende geëxecu teert te wordden metter coorde ende 
vuere, datter de dood naer soude volgen. Welck vonnisse de voor- 
screven schouteth van Lyer vuyten name van desen rendant oock 
heeft ter executien gestelt ende volbrocht, blyckende ])y der attes- 
tatie van borgmeester, scepenen ende raidt der stadt van Lyere, hier 
mede geexhibeert, Ende heeft de voorscreven schouteth, vuyten 
name ende van wegen desen rendant, metten man van de voorscreven 
Catlyne nopende haere achtergelaeten goeden eenen vuytcoop ge- 
daen, voor de somme van dertich Rinsguldenen. Aldus hier, tot 
behoeff van Syne Majesteyt, . . . xxxpond». 

Op den kant : 

«Item alsoe de voorscreven schouteth den achtsten Novembris anno 
xv*^lxxx.ix om Lyn (i) Paesschynens voorscreven met haeren sone 
t'apprehenderen, heeft moeten nemen voor convoy den meyer van 
Emelen ende eenen sergeant met twintich soldaten, heeft aen den 
selven betaelt . . . vj pond xviij schellingen » . 

«Item betaelt aen de vacatien van de wethouderen ende secretaris, 
gevaceert hebbende over het nemen van der informatie ende de voor- 
screven Lyn Paesschynens diversche interrogatie voor te houden 

xvij pond vj V2 schellingen «. 

«Item van derthien getuygen, elcken getuyge dry stuy vers, ij pond 
ij stuy vers. 

«Item betaelt aen eenen bode die naer Poederle gesonden is, om 
de saecke van de voorscreven Catlyu ende ander gevangene, 

j pond xij stuy vers » . 

« Item alsoe de voorscreven Catlyn Paesschynens met haren sone 
gevangen is den viij®" Novembris anno xv'^lxxx.ix, ende dat haren 
sone, als nyetculpabel bevonden, is den x°° Novembris gerelaxeert, 
ende de voorscreven Catlyn ierst geexecuteert den xs.^^ January 

(1) Verkorting van Catlyn. 



« Ons Volksleven. » 209 

anno xv'^ tuegeiiticli, makende tzamen Ixxvij daeghen, hetaelt aen 
den cipier a raison als vore xvij pond vj 1/2 schellingen. 

Item betaelt aen den voorscreven cipier van dat hy met die van 
synen liuyse de voorscreven Lyn Paesscliynens diversche nachten 
gewaect heeft, op dat se nyet vuytbreken oft haer selven nyet om- 
brengen en soude ...... vj pond. 

Item noch betaelt den voorscreven weert (in den " Valck ») xxviij 
gulden en xvij stny vers, voor de verteerde co sten, by den voorscreven 
scherp rechter verteert, soe ten tyde als hy tot Lyer was vacerende 
om de voorscreven toovernessen te pynigen, als oock doen de voor- 
screven Lyn Paesschynens is gejnsticieert geweest. Aldus hier 

xxvij pond xvij schellingen. 

Item l^etaelt den voorscreven scherprichter van dat hy Lyne Paes- 
schynens heeft geexecuteert mette coorde ende viere 

ij pond X schellingen. 

Item van hout ende stroo . . j pond xij schellingen. 

Item betaelt den voorscreven scherprichter voor zyne vaeatien 
van dat hy dryentwintich daegeu tot Lyer gevacheert heeft, zoe in 
't gaen, comen, als stil liggen, ten tyde van de voorscreven executie, 
als oock om te pynigen de voors. Lyn Paesschynens ende ander 
tooveressen ende die befaempt waeren van tooverye, 's daechs twee 
gulden; compt voor de voorscr. dryentwintich dagen xlvj pond. 

Item betaelt aen Lauryes Schildekens, colffdrager, van dat hy 
tot Lyer is geweest te peerde over d'executie van de voorscreven 
Lyn Paesschynens, voor zyn vaeatien ende peerthuere 

vij pond iiij schellingen. 

Vervolging ten laste van Anna Cops, van Katharina 
Brosins en hare dochter Mayken Zij worden op de 
pijnbank gelegd (1). De eerste voor zeven jaar ver- 
bannen. De twee anderen vrijgesproken. 

" Item soe de voorscreven schouteth den sestliienden Novembris 
Ixxx.ix gevangen heeft Anna Cops, oock grootelyck befaempt van 

(1) De twee uota's die van deze vermeende tooveresseu spreken, zeggen niet 



210 « Ons Volksleven. » 

tooverye, de welcke rechtelyck aeugesprokeu syncle, is de selve 
Anna Cops by vonnis van borgermeester eude scepenen der stadt 
van Lyer op den Xix^"" Aprilis a° tuegentich (1590) gebannen, den 
tyt van zeven jaren ; betaelt den cipier voor liondert sessenvyftich 
dagen montcosten tegen iiij V2 stuyvers 's daeclis, compt 

XXXV pond ij schellingen. 
« Item heeft de voorscreven schouteth den lesten Decembris anno 
X' Ixxx.ix gevangen Lyn Brosins, met haer dochter, Mayken, oock 
om dat se befaempt waeren van tooverye, die welcke den derden 
Jamiary anno tnegentich syn ontslagen ; betaelt aen den voorscreven 
cipier voor henne costen j pond vij schellingen (1). » 

J.-Th. de Raadt. 

CratiHliirt nan kti 3kti uk plarraet 

vuytghegaei;) ende gl^edecreteert by de Ertzljertoghei;) oijse geriaedighe 
Princen, Teghens die gljenjuytiijeerde van Tcastel van Hoochstraten. 

Tot Brussel By Rutgeert Velpius, ghesworen Boecli-druclier ende 
Boeck-vercooper, in den gulden Ar ent by t'Hof, M.D.C.JJ. met Prüdlegie. 

De eertzhertogen 

ALZOO wij ousen Leger hadden doen vergaderen om te outsetten de stadt 
van Graue, die de vyaut belegert heeft, eu(de) alwaer de soldat(eii) daer inne 
zijnde, zich vromelyck verweren, ende grootft(n) eude eere behalen. Ende 
gaende selfs in persoone om dit int werck te stellen, zijn bericht geworde(n), 
dat sommige soldaten van onsen voorscreven leger, die zeer nae bij des 
vyants leger was, onder schijnsel van te willen mutineren, om te becomen 
tghene zij valschelijck voordere(n) hun schuldich te zijn hebben schellerasche 
wijse verlaten hun vendels ende vanen, en(de) naer vele aenslagen op ver- 
dat deze gefolterd werden, maar dit kan men opmaken uit de hierboven 
vermelde uitgaven, naar de bijzonderheden betrekkelijk Katharina van den 
Bulcke, bijgenaamd Paesschynens, en die uit dezelfde rekening getrokken 
zijn. Men leest er inderdaad, dat de betalingen aan den beul gedaan z'jn voor 
dè onkosten en bezoldigingen tijdens de foltering van Lyn Paesschynens ende 
ander tooveressen. Die ander tooveressen zijn Anna Cops, Katharina Brosins 
en hare dochter. 

(1) Voormelde rekening van Hendrik 't Seraerls. 



« Ons Volksleven. '» 211 



scheyden plaetseu, hebben by schelle(m)aclitige emle verrader lij cke middelea 
ingenomen het casteel va(n) Hoochstraten, Geuende bij vele ende crachtige 
leekerie(n) te kenDe(n) dat zij tracteren ende correspondencie houden met onse 
vyande(n) ende zich met hun wülen behelpen . twelck bij alle redenen eude 
wetten verboden wordt, ende noyt bij andere soldaten geplegen is geweest. 
Maer ter contrarie degene die hierbevoiren in mutinatie waren, als de vyant 
eenige van onse steden belegert heeft, oft dat wy volck vandoen hadde(n) om 
eenige oorlochs verrichtinge, zyn vuyt die plaetsen gecomen daer zy waren, 
enfde) ons gedient met grooten yver ende gehoirsaemheyt. Ende alzoo de 
pï'incipaelste oproerige van dit verraedt ende schelle(m)achtige daet. zya 
persoenen die men niet, oft zeer weynich schuldich is, als wesende corts 
herwertsovore aengecomeu, ende andere die geweest zyn inde alteratien van 
Diest, Weert ende Karpen, alwaer men onlancx affgerekent ende betaelt heeft 
tgene men hun schuldich was. Jae is volck die gewoonlyck zyn muyteriëu op 
te stellen, om deur dien middel te genieten het geit vande contribntien, zonder 
ons eenigen dienst te doen, ende die dandere bedroge(n), bedwongen, en(de) 
opgerockt hebben, om desen verradeliken handel te helpen aenstellen, waer- 
deur wy belet worden in het volbrengen van het ontset van hunne belegerde 
medegesellen ende spiesbroeders, ende voirts alle andere goede voirtgangen 
die wy tegens onse vyanden souden mogen doe(n). Ons overzulcx veroblige- 
rende onse wapene(n) tegen hun te keeren, als tegen onse eygen ende inwen- 
dige vyanden, jae schadelycker dan die, overmitz des vyants macht daerdeur 
grootelycx wont vermeerdert. En(de) nademael ditfeyt is nieuw, vuyl, leelick, 
van quade consequentie, eude weerdich om exemplaerlick gestraft te worden. 
Waerom zoo ist dat begeren(de) te verzien tot onderstandt vau(de) gemeene 
saecke, eii(de) weluaert van onse Vassalen ende onderdanen. Ordineren en(de) 
beuelen aen alle Soldaten en(de) persoonen van hunnen aenhangh opt Casteel 
van Hoochstraten zyn(de) oft die aldaer, oft in eenighe andere plaeesen onder 
schynsel van gemutineerde zich by hun zulle(n) voegen, dat zj' binnen drie 
dagen naer de publicatie van dese, wederkeeren naer hunne vanen oft vendels, 
oft wel zich presenteren aen(den) Gouuerneur van Liere, oft van Herentals, 
om hen naer hunne voors. vanen oft ve(n)dels te bestellen, alwaer zj^ sullen 
rustelick en(de) vredelick ontfanghen worde(n) gelyck oft dese alteratie niet 
geschiet en waere, huu layde(n) belouen(de) in Frincelike woorde(u) en(de) 
trouwe, dat uu, noch in toecomeD(de) lyde- zy om deze zake niet gestraft noch 
ondersocht zullen worde(n), al waert schoo(n) saeke dat zy waere(u) van prin- 
cipaelste muytmaeckers, maer zullen getracteert worden met goede g'unste 
en(de) affectie, gelyck wy oock hun volcommen vernoeginge willen doen 
geve(n), als aen persoenen dien wy alles goets begeren. En(de) indien zy zulcx 
niet en doen, de voors. drye dagen ouerstreken zyn(de) zoo die gene tegen- 
woordelick by hun wesen(de), als andere die zich met hun souden mogen 
vuegen, hebben wy van nu voor alsdan verclaert ende verclaren voor Rebelle, 
verraders en(de) schelmen, gecommitteert hebben(de) crimen Lezae Majes- 
TATis in primo capite. ende overzulcx verwesen totter doet, ende hunne goede- 



212 « Ons Volksleven. 



ren Terbeurt. Dewelcke wy willen terstont geincorporeert ende toegescreven 
te worden aeu onse demeynen. Gevende oirloff aen alle ende eenen ygelycken 
va(n)wat qualiteyt, conditie, oft staet zy zyn de voirs. gemutineerde vryelick 
te inoge(u) dootslae(u) sonder eenichsins te misbeuren, wyen van hun dattet 
oyck zy, alwaert onuersiens oft anderssius, zo het hu(u) lichtelycxt oft best 
mogelick sal wesen. Ende \vye(n) dattst zy die zulcke dootgeslage(n) zulle(n) 
hebbe(n), zal voor elck hooft van(de) voirs. gemutineerde gegeuen worden 
thieu Croonen, en(de) voir degene geweest hebben(de) odiuarisse of&ciers 
hondert Croonen, eu(de) voir die zy ïioemeTi va(n)den Raedt, sergeantmajor, 
Gouuerneur van(de) cauaillerie, twee ho(n)dert Croone(ii), enfde) voir den 
Eiecto vyf hondert Croone(n). En(de) zoo verre degene die hun alzoo doot- 
slae(n) oft ombrenge(n) zullen, van hun eyge(n) volck waeren, den zelven 
vergeven wy hun misdaet, en(de) zullen hun de voirs. sommen doet vuyt- 
reycken. 

[Vervolgt.] E. Adriaensen. 



(Dntr tiet f ermmteti m}n l^lmïmmm. 

TN mijn vorig artikel onder bovenstaaiiden titel, heb ik 
1 getoond, dat de naam Sini-Joost-ten-Noode nier, Sinf-Joost- 
ten-Oode mag geschreven worden; de laatste spelling is zelfs 
eene grove taalfout. 

Het Brusselsch blad La Réforme heeft in zijn nummer van 
12 Augustus 11. onder den titel Singulüre iraducfion eens ferm 
met die spelling gespot. 

De afdeeling van liet Willemsfonds, Schaerbeek-Sint- 
Joost-ten-Noode, die Sint-Juost-ien-Oode heeft ingevoerd, zal 
voortaan de goede spelling gebruiken. 

Ik heb altijd gemeend, dat een gemeentenaam slechts door 
eene wet mag veranderd worden, en dat de staatsbedienden 
in de eerste plaats allen eerbied aan de wet verschuldigd 
zijn. 

Heb ik mij bedrogen? 

Vei'scheidene ministeriën schrijven : Sint- J oost-i en-Oode, 
Boschvoorde, Oostcrweel, Loo-ten-Hulle, Oudenaarde, enz.; men 
schreef voortijds Sint- J oost-t en-Noode, Boitsfort, Austruweel, 
Lootenhullc, Audenaarde, enz. 

En ware men dan altoos logiek ! Men schrijft Boschvoorde 



« Ons Volksleven. y> 21^ 

voor Boitsfort; waarom schrijft men niet Boschhoek voor 
BoitshoiicJce 'm West-Vlaanderen ? 

In mijn vorig artikel heb ik beloofd, op de knoeibenaming 
Boschvoorde terug te komen. 

Het schijnt dat het schrijven van Boitsfort en Boschvoorde 
in het dorp cene politieke kwestie is geworden. 

In een weekblad van Overysche werd een lai g artikel 
opgenomen, waarin beweerd wordt, chii Boitsfort niet anders 
is dan Boschfort, uit reden, dat daar eene sterkte (in het 
Fransch fort) stond, ter bewaking van het Soniën-bosch. Dus 
neemt men Boits voor hois en het woord wordt Fransch. 

Het is spijt, dat schrijver niet getracht heeft het bestaan 
van dat fort te bewijzen. Maar in het midden van het Vlaam- 
sche land zou ik geerne een tweeden ouden naam zien, die 
geheel of gedeeltelijk Fr-dnsch is. Later is dat gebeurd met 
Nieuport (en niet Nieuwpoort), waar por/ haven beteekende en 
waar veel Fransche woorden gebruikt werden. 

En van wanneer dagteekent de spelling Boitsfort? 

De oudst gekende spelling is Boutsfort. Men vindt ze in 
1407 tot 1409, 1429, 1440, 1499, 1550 en 1553; Boetsfort in 1567; 
Boitsfort in 1600, 1648, 1686 en 1707, en bij uitzondering in 
1720 Buijtsfort, alhoewel in dezelfde oorkonde de spelling 
Boitsfort voorkomt. Van af de achttiende eeuw wordt de 
naam in het algemeen Boitsfort geschreven. 

En waar is gebleken, dat fort op het einde onzer plaatsna- 
men ooit eene sterkte heeft beteekend? Het was cene verbas- 
tering van voerde, verleden tijd van voeren en beteekende 
weg. 

Meestal wordt het woord verbasterd geschreven. De eerste 
afdeeling van het vijfde deel der Munster sche Urkundensamm- 
lung van Joseph Niesert handelt over de heerlijkheid Stein- 
ford in het oude stift Munster in Hannover. In de oorkonde 
n*" II van het jaar 1134 vindt men Stenfordt; in de oorkonde 
n"" III van 1119 staat Sieinfurte; n"" V van 1228 geeft Stenvorde, 
iV XXVIII 5° Steynvordeen 6° Steynvorden; iV XXVII Stein- 
phordia; n' XLIV Stynvorde; n*" Lil Sieijnvoerde; n" LVI eerst 
Stynvoorde en later Steynvorde, Steynvorden; n^ LX Steinfurt. 



214 « Ons Volksleven. » 

Voor sterkte hadden wij het woord schans. In Limburg, 
waar het leenroerig stelsel welig bloeide, heeft men Schans, 
gehucht onder Zeel hem, Courselsche schans, plaats onder 
Coursel; Sfalsche schans onder Stall; Colvere schans en Nieuw- 
schans onder Zonhoven, enz. Schans werd vertaald in eene 
Fransche oorkonde van 1292 Forierche. De schansen dienden 
om de onderdanen van den heer ten tijde van oorlog en 
onlusten te besciiutten. 

Ieder weet, dat oudtijds voor Bosch hall, holt, hout, wald, 
M^oM of ^<;o^<fi werden gebruikt; de Oude Germanen zegden 
hain, dat nu nog bij onze oosterburen woud beteekent. 

Sedert wanneer zijn hold en tvold in onze taal gedrongen en 
bestond Boitsfort niet, vóórdat die indringing plaats vond? 
Daarvan vi'ordtgeen gewag gemaakt bij de verminkers van 
den gemeer.tenaam. 

Bosch is een bijvoeglijk naamwoord en dat zegt de uitgang 
sch; het beteekent &o.<?ac^%, bundelachtig. De Denen noemen 
bosch skov, dat is ons schoof of bos korenaren ; voor schoof 
hebben wij ook garh, waarvan de wortel ga-ëren (vergaderen) 
is. (1) 

Wat nu de aanvangsylbe Boits aangaat, het is moeilijk ze 
vast te stellen, uit reden der verandering van klinkers in den 
loop der tijden : Boitshoucke in West-Vlaanderen was oudtijds 
Baishouclce; Bouchout bij Antwerpen wordt in het testament 
van den H. Willibrord Balmalde geschreven. Echter meen ik 
te mogen verzekeren, dat de scherplange o later veelal oi is 
geworden. "Wij hebben in het Annuaire Bozez 1889, onder 
Brussel, dat is in dezelfde streek als Boitsfort, de familiena- 
men Boigts en Boodts, die de sterke genitief zijn van den ouden 
Germaanschen persoonsnaam Bodd, verkort tot Boor? of Boid. 

Mag ik dus niet zeggen, dat de ware spelling Boodsvocrde 
zou moeten zijn (weg van Bode) en nouil Boschvoorde gelijk 
sommige plakkaten het geven en dat het gemeentebestuur 
met recht verwerpt? 

(1) Bos komix&u bo-en {hesluiteu), vfa,&r\a,ix boezem ; het werkwoord bossen 
is tot eenen bos maken, samenbinden of sluiten. 



« Ons Volksleven. » 215 

Bodo was de naam van een' der vier Frankische ambte- 
naars, die de Salische wetten hebben bewerkt of herzien. In 
de geschiedenis van Neder-Saksen treft men eonen Bodo aan, 
die in 892Sieghard van Swaringen doodde. 

Schaerbeek, September 1893. Hendrik Peeters. 



Ipnttiameti op §itkvi m Inr^ieti. 

(Vervolg.) 
Steenufifel : de Klotboereu. 

DE landerijen van Steenuffel en omstreken zijn klei- of 
tarwe gronden. Bij de beploeging blijft die zware grond 
in grove harde klompen ; hem kleinmaken ware nutteloos 
en, ja, schadelijk. Aldus hebben de akkers een ruw aanzien ; 
ze liggen vol kluiten of klotten. Vandaar de naam Klothoe- 
rew of kluitboeren. Deze zijn grove, sterke kerels, die niet 
gemakkelijk vallen; in den ouden tijd vochten zij met schee- 
messen op vreeselijke wijze. De klotboer heeft, zooals de 
Hollander zegt, kluiten of, zooals wij zeggen « schijven «. 
De gansche kleistreek draagt den naam van « De Klotten. » 
Willebroek : de Vaartkapoenen. 

BR zijn op de Brusselsche vaart te Willebroek en te Klein- 
"Willebroek sassen, zoodat de schippers, trekkers en 
andere vaartkapoenen van Brussel daar veel verwijlen. De 
dorpelingen hebben van de taal en zeden dezer nobele gasten 
wat overgenomen en dus den naam van vaarikapoenen ver- 
diend. 

Zele : de Sergewevers. 

ynE Zele weefde men vroeger veel dekens van vlasafval of 
1 Uoddcii, ioi drol lewiel gesponnen; nu zijn er katoenen 
dekens in de plaats gekomen, en de klodden wordt verwerkt 
tot garen. De Kloddemannen loopen de omstreken af, om den 
vlasafval te koopen, of leuren met lijnwaad, koorden, stren- 
gen, teugels, aarlijnen, zakkeband, enz. Onder deze lieden 
is het Bargoensch nog in zwang. 



216 « Ons Volksleven. » 

Ziehier een fragment van een sergemansliedje dat ik in 
mijne kinderjaren gelioord heb : 

'k E ier ol zieu lank gelieupp'n 
Om mèn serzjen i,e verkieupp'u ; 
Moar anzieu met de slachten tèd (ter) 
Zèn al de boeren eulder örtjes kwèt. 

Weert : de Slij kneuzen. 

DE Weert ligt tusschen Bornhem en de Schelde, zeer laag; 
de wegen waren daar vroeger onbruikbaar; het was al 
slijk en modder. De bewoners van dezen poel waren te her- 
kennen aan hunnen gang. Zij scharrelden met de voeten 
binnenwaarts gekeerd en zetten « eene mik » om niet uit te 
glijden. Dat zij dan nog vielen, getuigt hun toenaam. Thans 
zijn de banen veel verbeterd, want de boeren uit De Weert 
zitten ei' warmpjes in, immers de grond is er uitnemend 
vruchtbaar. Ongelukkiglijk heerscht er de polderkoorts of 
« Folder-meuifen. » (Vanwaar dit woord, dat ook elders be- 
kend is, voortkomt, weet ik niet : moet men verwijzen naar : 
« mottig » d. i. : «^ misselijk v of zit daar iets in van eenen 
betooverden meutten of kalf?) 
[H Vervolgt). 

IJijkagE tnt ttn %m^m\i SMntirnti, 

AfpuUen, pulde af, heb afgevuld. — Met de nagels bij 
kleine hoeveelheden aftrekken. Wie heeft dat brood zoo 
afgepuld? Eene roof afpullen. z. Pullen. 

Begoed. — Hetzelfde als het Holl. gegoed. Bemiddeld, 
welhebbende, Fr. aisé, fortuné. Een begoede boer, die op 
zijn eigen gedoen zit. Een begoede burger. Ovet-al. 

Besterd (uitspr. ^e^^aarö? en bestcecerd). — Gestemd, met 
sterren bezaaid. Fr. étoilé. De locht is overal besterd. 

Gesterd (uitspr. gestaard, gestcecerd). Gestemd, met sterren 
bezet. Een klare, gesterde locht in den winter is een teeken 
van vorst. 

Gesterte (uitspr. gestaart, gestcecert), o. — Gesternte, de 
sterren, 't Is balkdonker : er is geen gesterte in de locht. 



« Ons Volksleven. » 217 

— Sterrebeeld, Fr. constellation. Kent ge dit gesterte? 

Goed. — Begoed, bemiddeld, welhebbende. Die menschen 
zijn goed. Hij heeft eene rijke getrouwd, en hij was goed 
van zijn eigen. 

Grondheer ^ijn. — Dood en begraven zijn. Koben Daems 
is ook al lang grondheer. Geh. te Zoersel. 

Moet (korte oe), mut, vr. —Moei. 't W. is altijd vooraf- 
gegaan van eenen eigennaam. Annemoet, Trezemut, Triene- 
moet, Lienemut. Zonder eigennaam gebruikt men het ver- 
kleinwoord. Volgens Winkler's Dialecticon, zegt men te Ens 
op het eiland Schokland (Overijsel) meute voor moei. 

Moetje (korte oe), mutje, o. — Moet, mut, moei. Die oude 
vrouw is mijn moetje. Zijne moeder zaliger was mijn eigen 
mutje. 

Nè (uitspr. gelijk in 't Fr. n'est). — Daar, neem aan, Fr. 
tiens, voild. Nè! daar is 'nen appel. Nè! ge krijgt iet van mij. 
Nè! neem het maar aan. Overal. Dat nè is eene verkorting 
van het oude nem, gebiedende wijze enkelv. van nemen. 

Pullen, pulde, heb gepuld. — Met de nagels aan iets pluk- 
ken of trekken, Eng. topull, Angels, pullian. Men puit aan de 
roof eener wonde, aan het brood, enz. Foei! kind, ge moogt 
in uwen neus niet pullen. Die deugniet van 'nen jongen is de 
verf van de deur aan 't pullen. 

Sch. heei^t pulken in denzelfden zin. 

Schuiver, m. — Landlooper, havelooze kerel, Fr vaga- 
bond. De « garde « heeft 'nen schuiver gepakt die geen papie- 
ren en had. 

Bij Sch. beteekent schuiver schurk, gemeene kerel. 

Sè (uitspr. gelijk het Fr. ces), si, (gelijk het Fr. si, kort 
uitgesproken). — Zie, ziet, Latijn ecce. Si ! wie damme (dat 
wij) daar hemmen (hebben)! Sè! daar is Jan! Si! ge zij 'lijk 
daar al ! Si ! as ge nog te laat komt,meugde nie' meer binnen ! 
Nu sè! 't is gedaan. Sè! sè! bedeemen (meteenen) brektegij 
(breekt gij) oe (uw) been! Si! da zou ik nie' over mijn hert 
krijgen, sè! Hiersè! Daar si ! Overal. 

Dat sè, si is een overblijfsel van het oude sich, gebiedende 
wijze enkelv. van zien. (Ziet daarover XogweZa, 1887, hlfz. 30). 



218 « Ons Volksleven. y> 

Seg. — Oude 2^ pers. enk. der Geb. wijze van peggen, 
gebruikt in deze en andere dergelijke zinnen : Seg! luistert 
eens hier! Seg! brengt mijnen boek eens mee! Seg! komt 
eens terug! Seg! manneke, ge verliertiet. Waar gade naar- 
toe, seg? Seg! Rik, waar zijde met mijn mes gebleven? Seg! 
wat hedde daar weest halen? Is de school al uit, seg? Seg! 
zegt er tegen niemand niks af, zelle! Overal. 

Traliekenskermis. — Naar traliekenskermis gaan. Schert- 
send gezeid voor : te biechten gaan. 

Verzeeren, verkeerde, heb en ben verkeerd. Bezeeren, door 
verstuiken, eene pees te verrekken, enz. ; inwendig kwetsen, 
verwonden, kneuzen. Ik heb mijn been verzeerd met van de 
leer te vallen. Hij heeft zijnen voet leelijk verzeerd met over 
eene gracht te springen. De metser die van dak gevallen is, 
kan nog wel genezen, als er van binnen maar niets verzeerd 
en is. Zijnen voet verzeeren, met hem om te slaan. Zijne 
hand verzeeren door ze te verstuiken. Ik en kan niet gaan, 
want 'k zit met 'nen verzeerden voet. Overal. 

Ver:{eeren heet bij de Jager (Woorrfew^. de Fre^.) verouderd! 
Bij ons is 't nog springende levend. 

Kiliaen : Verseeren. Dolore afRcere. Ulcerare, exulcerare. 
Recrudescere. 

Uitvunderen, vunderde uit, heb uitgevunderd. — Uithooren, 
polsen, iemands gedacht trachten te kennen, Fr. sonder 
quelqu'un. Wat ZOU Jan vanzin zijn met al dat geld? Ge moest 
hem eens uitvunderen. Ik zou wel willen weten wat vaders 
gedacht daarover is : ik ga hem eens uitvunderen. Geh. te 
Brecht. 

Vunderen, z, Uitvunderen. Geh. te Brecht, 

Wel. — Begoed, welhebbende. — Die boer is wel : hij zit 
op eene eigen hoeve met een koppel peerden. 

Woensdag (uitspr. Woonstag, met scherpe o, en Wónstag), 
m. — Woensdag. 

St. Antonius-Breclit. Jozef Cornelissen. 



« Ons Volksleven. >• 219 

38. (161). Twee Soldaten verdwaald. 

BEN man vertelde mij het volgende : 
Toen ik nog soldaat was, had ik eens met een zestal 
makkers en eenen kaporaal de wacht op de uitgestrekte 
heide in het kamp van Beverloo, om het schietveld te bewa- 
ken, dat maar eenige honderden meters van het wachthuis 
verwijderd ligt. Twee onzer trokken rond negen uren van 
den avond op, na overeengekomen te zijn, als zij dachten 
hunne twee uren qeldopt te hebben, onverwijld naar het 
wachthuizeken, eene kleine strooien barak, terug te keeren, 
om door twee anderen vervangen te worden. Daarop leiden 
wij ons ter rust. Toen het eerste schemerlicht aanbrak, werd 
ik wakkeren zag de twee mannen binnentreden, die 's avonds 
te voren op post gegaan waren. « Wat is dat nu! » zeide ik, 
« gij hebt den heelen nacht wacht gehouden en ons gerust 
laten slapen. Dat is braaf van u. » 

— «Jawel, kameraad », antwoordden zij, «maar 't was 
tegen onzen dank. Wij zijn schier dood van vermoeidheid. » 

Daarop vertelden zij hun wedervaren. Nadat zij dachten 
omtrent twee uren wacht gedaan te hebben, wilden zij naar 
de barak terugkeeren, doch vonden den weg niet meer. 
Overal, zoover hunne oogen droegen, de blakke heide, en 
nergens een wachthuis te zien ! Tweemaal waren zij, eene 
uur van daar, aan de wacht van het P'^ Regiment Jagers 
geweest, die de verdwaalden, doch vruchteloos, de richting 
van den te volgen weg hadden aangewezen. Eindelijk, uitge- 
put van vermoeienis, hadden zij zich op de heide neergelegd 
en er de morgenschemering afgewacht. Alsdan zagen ze, 
tot hnnne groote verwondering, dat ze maar eenen boog- 
scheut van het wachthuizeken verwijderd waren. Zij verze- 
kerden later altijd, dat zij op een dwaalkruid getrapt hadden 
en^alzoo op den dool geraakt waren. 

{Gehoord te Heyst-op-den-Berg). Frans Zand. 



220 « Ons Volksleven. » 



Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal* en 
Letterkunde, l89:-i, n''4. — Zitting van 16 Aug. : I^ibliographische aanteekeniiig 
(S. Daems). — Letterkundige wedstrijden voor het jaar 1895. — Zitting van 
20 Sept. : Richard Verstegen (H. Sermon), 

Dietsche Warande, VI, N^ 5. — Theofiel Lybaert (L. du Catillon). — Hoe men 
oude historische bouwdeelen kan levend houden (A. H.). — Eene « non- 
fumeurs » — juffer (O. T.). — De beide Harrewijns, Nederlandsche graveurs 
(K. Piot). — Een drietal kunstenaars (J. H. Hofman). — Papyrus-schrift in 
't Vatikaan (H. J. Biegelaar). — De koning van Bahylonien (Isaïas XIV, 4-20). 
(P. B Haghebaert) — De Rijndwcrgen, Ballade (P. de Mont). — Keizer Nero 
en de Sage (P. N. Brouns) — De tentoonstelling van kunstwerken van levende 
meesters te 's Gravenbage (A.. C. Croiset van der Kop). — Boekenkennis. — 
Inhoud van tijdschriften. — Omroeper — Splinsters. — Bijlage. 

Blekorf, IV, N"" 20. — Over de cholera (D^ A. Depla). — Over den laatsten 
abt van den Duine (A. D. W.). — De Ooge der Oostzee (J. van de Kerckhove). 

— Zieldichtje (S. V. D.) — Mingelmaren) 

Het Belfort, VIII, ]S> 11. — Heraclius of de kruisverheffing (J. VV. van 
üenck). — Eenige woorden over kerkschildering (C van Pokseele). — Gilde 
en corporatie (A van den Broeck) — De H. Franciscus van Assisië (B. Mets). 

— De zondag in Engeland (W. Ritter) — Inkomrechten (A. Daems). — 
Ghtluwe (J. (Jlaerhout). — Versjes voor Anneken (H de Marez). — Wenken 
en vragen. — Boekennieuws en kronijk. 

Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles, VII, N» 4. — La chapelle St- 
Laurent du serment des arbalétriers (G. Hecq). — Le chateau de Horst a 
Rhode-Saint-Pierre. 1'« Partie. Notice hist (A. de Behault de Dornon et P. 
Combaz). — Le tribunal revolutionnaire de Bruxelles. 1794-95 (P. Verhaegeu). 

— Notions de numismatique franque et méiovingieune (G. Cumont) — Procès- 
verbaux des séances. — Mélanges. 

IWélusine, VI, N"- 11. — La Pernette (G. Doncieux). — L'Etymologie popu- 
laire et le Folk-Lore (H. G ). — La Fascination : C) Thérapeutique. Suite 
(J. Tuchmann). — Chansons pop. de la B'sa Bretagne XXXVII-XL (E. Er- 
Lault) — Las Décorations fH. G.). — L'Herbe de science (P. Perdrizet). — 
Les übjets égarés (M"« de Schoultz-Adaïevsky) — Viser et atteindre 1'ldole 
(H. G ). — Les Vaisseaux fantastiques (H. G.), — Les Sermentset les Jurons 
(H. G.). — Jean de 1'Ours (H G.). — Bibliographie. 

Korrespondenzblatt des Vereins fUr SiebenbUrgische Landeskunde, XVl, N^ 10. 

— Zur Volkskunde : Die Tochter des Kommandauten von Grosswardein. 
Zum Marchen von den Wegen der Vorsehung. I)er Webertanz in Nieder- 
Eidisch(Dr. A. SchulleruBund K. Schobel). — Kleine Mitteilungen : Zum 
Aberglauben von Klein-Bistrifz (V. Roth). — Miscellen. — Litteratur. 

Zeitschrift des Vereins flir Volkskunde, III, N-- 3. — Das Saterland. Ein Bei- 
t rag zur deutschen Volkskunde (Th. Siebs). — Allerlei Inschriften aus den 
Alpenlai dern (F llow). — Bilder aus dem fasröischen Volksleben (V.U. Ham- 
mershaimb). — Volksratsel aus dem Bergischen (O. Schell). — Das Leben Jesu 
von P. Martinus von Cochem als Quelle geistlicher Voltsschauspiele (J. J. 
Ammann). — Villotte fruilane. Friaulische Dorflieder (Dr. E. Schatzmayr). — 
Kleine Mitteilungen. — Bücheranzeigen. 

Blatter flir Pommersche Volkskunde, II, N^ 2.— Die Zwerge im Lindenberg bei 
Sallentin(R. Pelz). — Pommersche Marchen (H. Pfaff). — Bienenaberglaube 
aus Pommern (Dr. A. Haas). — Volkslieder aus Pommern (Dr. A. Brunck).— 
Politisches in Abzahlreimen (O. Knoop). — Kleine Mitteilungen. 



öm VÖhUhEVEU. 



TIJDSCHRIFT 

voor Taal-, Volks- en Oudheidkunde. 



« p]r is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel volksuitdrakkiugen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven. » 

ZuiDNEDERLANDSCHB MAATSCHAPPIJ VAN TAALKUNDE, Wedstrijd 1874. 

« De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. n 

Vraagboeli voor Vlaamsche volkskunde. 

^ VIJFDE JAAR. ♦ TWAALFDE AFL. ^♦^ 



Iar% êthntiktti. 




^^^ET gebeurt dikwijls dat personen, door vriend- 
^ schaps- of familiebanden g'ebonden, om eene 
nietige reden twist lirijgen, en dat die twist 
eenen onverzoenlijken haat ten gevolge heeft, allerminst toch 
tot afbreuk van vriendschap, en tot wederzijdsche verachting 
leidt. 

Om die gevoelens uit te drukken, zijn bij sommige personen 
gebruiken in zwang die het, uit een volkskundig oogpunt, 
wel de moeite weerd is op te teekenen. 

Wanneer het tusschen twee personen die in briefwisseling 

zijn, of samen verkeeren, tot eene afbreuk komt, dan zendt 

hij of zij, die op zijnen of beuren teen getrapt is, den brief 

der tegenpartij terug, gevuld met zout (i). 

Dit moet beteekenen : 't is al praat voor den vaak wat 

(1) Zout toch is het zinnebeeld der zuiverheid, der rechtzinnigheid. Het 
bewaart tegen bederf, versterkt het bloed eu is volstrekt noodzakelijk voor de 
gezondheid. Het zout speelt eene groote rol, niet alleen in het dagelijkseh 
leven voor wat het voedsel betreft; maar het wordt nog in talrijke omstandig- 
heden gebezigd, zooals in de Sacramenten en andere plechtigheden der Kerk,enz, 



222 « Ons Volksleven. » 

ge vertelt, ofwel, gij hebt mij om den tuin geleid. 

Dat is nog maar de eenvoudige afbreuk, die met schoone 
of zoete woorden, — bij verliefden vooral, — kan verholpen 
worden. Ernstiger is het, wanneer de brief terugkomt, de 
vier hoeken van den omslag met spelden doorstoken. 

De speld immers steekt de vriendschap aC, en daarom wei- 
geren veel eenvoudige lieden aan vrienden of kennissen eene 
speld te geven, wanneer zij er om gevraagd worden. 

Niet min groot is de beleediging, wanneer men den brief 
ongeopend terugzendt, na eerst de vier hoeken, al of niet 
met spelden doorstoken, aan de vlam eener keers verzengd 
of afgebrand te hebben (i). 

De grootste beleediging echter, die van onverzoenlijken 
haat getuigt, wordt toegebracht door het weerzenden van 
het verminkt portret van hem, dien men eeuwigen haat 
gezworen heeft. 

Daartoe neemt men het portret zijns vijands, en steekt het 
de oogen uit, om te beteekenen dat hij niet meer weerd is 
het licht te aanschouwen ; dan snijdt men den mond weg, 
daardoor willende te kennen geven dat slechts vuige laster- 
taal van zijne lippen rolt, en dat de tong hem uit den mond 
zou moeten gerukt worden; eindelijk krabt men den neus 
weg, en het aldus verminkte portret vertoont een aangezicht 
dat zoo afschuwelijk is, als de ziel verondersteld wordt te 
wezen van hem, die zulk portret terug ontvangt. Het afbran- 
den van de vier hoeken des portrels voltooit soms dit bewijs 
van haat en uiterste verachting. 

Bovenaangehaalde gebruiken, ofschoon van lateren tijd, 
knoopen zich echter vast aan eeuwenoude overleveringen 
die op wel is waar onbestemde, maartoch niet gansch uit- 
roei bare wijze voortleven, en zoo bij het volk, onbewust met 
den oorsprong en de betcekenis der overleveringen, van 



(1) De beteekenis is gemakJielijk om vatten Evenals het verbrande in rook 
is opgegaan, en slechts een weinig assche heeft nagelaten, zoo ook is de 
vroegere vriendschap verz wondei), en blijft er nog Blecbts de herinnering, met 
bitterheid gepaard, van over. 



« Ons Volksleven. » 223 

eeuw tot eeuw bij mondelingsche overdracht bewaard 
blijven. 

Tot besluit dezer kleine aanteekening zullen wij er nog bij 
voegen dat de gebruiken die wij komen te vermelden, slechts 
bij gemeen of weinig beschaafd volk in zwang zijn. 

J. B. Vervliet. 



vuytghegaer) ende gljedecreteert by de Ertzljertogheij oijse geriaedighe 
Princen^ Teghens die gljenjuytiijeerde vanTcastel van Hoochstraten. 

(Vervolg). 
Voirts ordineren en(de) bevelen wy aen alle Rechteren ende Justicieren va(n) 
onse Legers, Staten ende Lande(n), dat zy by inventaris doe(n) opteeckene(n) 
ende arresteren alle de goedere(n) roeren(den) ende onroeren(den) die de voirs. 
gemutineerde, ende elck va(n) hun zyn hebbe(n)de, mitzgaders de cleederen 
ende andere diergelycke dinge(n), hun vrouwe(n) ende kindere(n) toebehoo- 
re(n)de. Welcke goederen wy willen dat gestelt worden in handen vanden 
depositaris van onsen Leger, ende daervan een certificatie gesonden aen de(n) 
Superintendent van de Justicie vande(n) voirs. Leger, om alle de zelve te doen 
incorporeren aen onse deineye(n) ae(n)de welcke wy die va{n) nu af ae(n)wij- 
sen.Ende bevele(n) alle(n) ende eenjegelijcke die eenich geit oft andere dinge(n) 
de(D) voirnoe(m)den gemutineerde, oft heure(n) vrouwe(n) en(de) kindere(n) 
toebehoiren(de) te pa(n)de in wissel, depost oft in bewaernisse bebbe(u), in 
wat maniere{u) dattet zyn mochte, dat zij de zelve he(n) n(iet) z(ullen) weder- 
o(mme) geve(u), maer o(iOs ae(n)briuge(ii) en(de) openbare(n), om die te co(u)- 
fiskeren zoo voirs. is, op pene va(n) te verbeure(n) alle de goedere(n) van(de) 
gene d iet zulle(n) ver8wijge(n), en(de) voirfs arbitralick gestraft te worden. 
En(de) aengezieu die leelicheyt vant feyt en(de) quade co(n)seque(n)cie die 
daeruit soude gerake(n) te spruite(u) voir andere Prince(n) ae(n) wien tzelve 
soude moge(n) gebeure(n) in hu(n) legers indien soo quaden beginsel endebe- 
staen niet gestraft en worde. Wij bidden ende versoecken den Keyser en(de) 
Coninck va(n) Spaengnien onse Heeren ende broeders, ende allen anderen 
Koninghen, Princen en(de) Potentaten, in watplaetsen ende Landen de voors. 
gemutineerde zullen zyn, oft goederen hebben, te willen bevele(n), datmen de 
zelve aentaste, ende ons toeschicke, mitz overseuden(de) de voors. getuygenisse 
ieder vueghen, ende ten eynde als boven verhaelt es, wesende willich tot 
heurluyder versoeck tzelve oick te doen in onse Landen ende heerlicheden, 
tot allen tijden als zij zulcx op ons begere(n) zullen. Va(n) gelijcken verbieden 



224 « Ons Volksleven, j» 



wij de voirnoemde kinderea ende vrouwen van de gemutineerde te gae(n) ter 
plaetsen daer zij zijn, r.och met hun handelen oft tracteren bij gescrifte, noch 
bij monde, gedurende de voors. alteratie, op lyffstraf, toelatende aen eenyege- 
lyck dezelve te vangen ende affzetten sonder misbeuren, indyen zij gaen, oft 
datter suspicie is, dat zy soudon willen gao(n) naer hun voors. vaders ende 
mans, maer willen dat zij binnen drije dagen huu vertrecke(n) vuyt onse 
Landen, ende daer niet weder in keeren sonder onsen oirlof, op pene als bo- 
ven. Oick l)evelen wij dat niemant van binnen oft buyten ons Landt onder 
pretext oft dexsel van coopmans, zoetelaers, vivandiers, dienaers oft anderssins 
den voornoemden gemutiiieerden eenigen dienst, bijstant oft toevueringe doe 
van eetwaren, munitiën oft andere dingen, noch aen hun knechten, peerden, 
oft yetdathen aengaet, al waert voor hun geit, op lijfstraff, ende andere gelt- 
boeten ter arbitrage van onse Richters, naerden heysch van de zaecke ende 
qualiteytvande persoonen. Consenterende dat mense zal moge(n) dootslaen 
sonder te misdoen, indien zy bevonden worden in Jlagranti. Ende datmen 
treckevuytde boecken ende Registers vande besoldinge vande(n) voors. leger 
de namen, toenamen, teekenp.n ende plaetsen van waer de voors. gealtereerde 
ende hun vaders geboren zyn, ende zoo verre daer meerder claricheyt van 
noode is, wy wille(n) dat me(n) derhalve(n) informatie neme, opdattet klaer- 
]yck mach blycke(n) wie dat veroordeelt is, en(de) dat de voors. gealtereerde 
wtgeroepe(n) worden in onsen Palais,ende ter plaetsen daer zy geboren en(de) 
woonachtich zyn, zoo binnen dese Landen, als inde landen van(den) Keyser, 
Couinck van Spaengnen, ende andere Princen onse vrienden, ende geconfe- 
dereerde, voor schelmen, verraders ende onnuttige persoonen gecommitteerd 
hebben(de) Crimen lezjE Majestatis in primo casu. Ende voirtsmeer dat 
men teghens hun, hunne kinderen ende nacomelinghen executere de boeten 
teghens alzulcke bij alle Rechten gestelt, waerin wy van nu af hen verclaren 
verwesen eii{de) vervallen te zijn. 

Ende aen den genen die oirzaeckesal wesen om dese muyterye te niete te doen 
en(de)ons overleveren degene die beschuldicht zyn van diere, vergeven en(de) 
presenteren wy te geven eene eerlicke rccompense, ende van gelycken aen alle 
degene die daertoe helpen zullen, al waert saecke dat zy waere(n) van de zelve 
gemutineerde, ende principaelste Roervincken oft Officiers van dien. Ende 
opdat dit ons jegenwoordich placcaet ende ban onverbrekelick onderhouden 
worde, ende dat eeniegelick daeraif kennisse mach hebben, zoe de Generael 
van de lichte peerden, Hooft vande benden van Ordinantie, Meester van de 
Artillerie, Coronnels, Maerschalcken, Gouverneurs, overste Capiteynen ende 
bevelhebbers, soldaten eii(de) alle andere oorlochs luyden, van wat staete, 
conditie, qualiteyt oft natiën zy zyn, als alle andei'e onse Vassalen ende onder- 
danen, Wy willen dat tzelve gepubliceert worde als ban publyck, en(de) daer- 
aif copie autenticke gesonden aen den Licenciaet Jehan de Frias, Raet van 
zyne Con. Ma. ende Superintendent vande Justicie van den Leger herwaerts- 
ovcre, op dat hy Iselve oock doet achtervolgen, ende int gehetl ende in deel 
onderhouden, en(de) daervau ecu exemplaer geve aendeu Auditeur generael, 



« Ons Volksleven. »» 225 



en{de) andere officiers ende persoonen diet behoiren sal, opdat alle gherechts- 
bancken van steden ende dorpen hem mogen advertere(n) van tgene daer 
vuyt volgen sal, ende hy ons tselfde consultere, om daeriune te verzien ende 
bevelen tghene noodich wesen sal tot executie eude oprechte volbrenginge 
van tgene hierbove(n) verhaelt is. Ende van gelycken willen wy dat oick 
copye autenticque gegeve(n) sal worde(n) aen Ileereu Jehau Richardot, Rid- 
dere, Hooftpresident van onsen Secreten Raede, ende Raedt van onsen Raede 
van State, opdat hy oock voor zoo vele he(m) aengaet, dese onse ordinantie 
doe onderhouden ende achtervolgen. En(de) van onsen twegen bevele aen alle 
Rechteren ende Officieren va(n) onse Lauden van herwertsovcre tzelve oick 
alzoo te doen. Des toirkouden hebben wij dese jegenwoordige doen depesche- 
ren, ende onsen zegel daeraen doen hangen. Gegeven tot Diest den xv. dach 
van Septembri int jaer ons Heeren Duysent zess hondert ende twee. 

Onderschreven 

ALBERT. 
Ende wat leegher, 

Ter ordinancie van hunne Hoocheden 
Ende onderteeckent, 

J. DB Mancicidor. 

E. Adriaensen. 



Hoe het dorp Vremde zijnen naam kreeg. 

TN zeker dorp (ik kan het niet noemen, want het had toen 
1 nog g-eenen naam) moest er eene kerk gebouwd wor- 
den, en dan ook zou men het dorp eenen naam geven. Men 
ging met den bouw beginnen, maar men kwam niet overeen 
in den keus van de plaats : de eenen wilden de kerk hier, 
de anderen daar. 

Wat daarmee gedaan? Een der oudsten uit het dorp doet 
den volgenden voorstel : « Laat ons daarover geene ruzie 
maken: ik weet het gevonden. Wij beladen Merten Bode's 
ezel met steenen en daar, waar het dier zal gaan liggen, zal 
de kerk gebouwd worden ". Den oude zijn voorstel wierd 
met eenparige stemmen aangenomen. Langoor wierd seffens 
gehaald en kreeg eene vracht steen op den rug. Dan liet men 
hem maar betijen. De dorpelingen volgen nieuwsgierig den 
ezel, die traagzaam voortstapt en eindelijk op den boord 
van eenen openstaanden put gaat liggen . De steenen rollen 



226 « Ons Volksleven. » 



in 't water... « Dat is toch vremdf » zegt dé oude. — « Ja, 't is 
vremd! » herhalen al de boeren. 

De plaats voor de kerk was gevonden. De put wierd 
gedempt en de kerk er op gebouwd. Nu moest het dorp nog 
'nen naam hebben. Hoe daar achter geraakt? Dat zal weer 
vremd zi^n, » zeiden eenigen. « Hoera! 'j riepen allen uit 
éénen mond, « de naam is gevonden : waj heeten ons dorp 
Vremdl » 

ledei-een was daarmee tevreden, en het dorp is Vremd of 
Vremde blijven heeten. 

Jozef Cornelissen. 



1 



8aau ra 36ra. 

(Vervolg.) 
IjENE voorzegging die de Russen geweldig getroffen heeft, 



^ is de profetie der drie hanen. 

Te Novossilsk hoorde een nachtwaker omtrent den mor- 
genstond het kraaien van eenen haan binnen in de kerk. In 
den eerste geloofde hij de speelbal te zijn van een zinsbe- 
drog, maar 's anderendaags hoorde liij bescheelijk hetzelfde 
gekraai en vertelde zijn wedervaren aan den pope. 

Deze vergaderde de boeren en belastte eenen dezer den 
nacht in de kerk door te brengen en terwijlen het Evangelie 
te lezen. Bij het krieken van den dag, ging de kleine deur 
open, die toegang tot den autaar gaf, een witic haan ver- 
scheen, kraaide eens en verdween onmiddellijk. Eene halve 
uur later, was het de heurt van eenen rooden haan, en einde- 
lijk van eenen gwarten, waarna alles weder stil viel. 

Maar welhaast bemerkte de boer voor zich eenen mon- 
nik met langen witten baard, die de vreemde verschijning 
der hanen op de volgende wijze uitlegde : 

«Ziehier wat de drie hanen beteekenen, die gij gezien 
hebt. De witte haan voorspelt eenen vruchtbaren oogst; de 
roode haan kondigt voor het daaropvolgende jaar eene 
groote bloedvergieting aan, en de zwarte haan een tijdperk 



« Ons Volksleven. » 227 



van schaarschheid en besmettelijke ziekten. [Uit de Russische 
nieuwsbladen). 

— Waneer de hennen, zegt men in Vlaanderen, zich was- 
schen, d. i. zich de pluimen i'einigen met den bek, dan zal 
het regenen. 

— Gaan de kiekens vroeg slapen, 't is een teeken dat het 
's anderendaags schoon weder zijn zal; blijven zij laat op, 
dan is er den volgenden dag slecht weer te verwachten (i). 

— Eene hen die kraait gelijk een haan, is het voorwerp 
van een algemeen verspreid geloof en wordt voor onheil- 
spellend gehouden. Ook, wil men zelf niet sterven, dan moet 
men aanstonds het dier dooden. Dit wangeloof bestaat in 
gansch Europa. In 't Walenland beteekent het feit dat « de 
man thuis geen baas is » en, volgens het gebruik, wringt 
men het dier den nek om en eet het op. 

— Het Vlaamsch spreekwoord 

't Is gansch verkeerd en heel verdraaid, 
Waar 't haantje zwijgt en 't hinneken kraait. 

leert dat het slecht gaat in huishoudens, waar de vrouw de 
broek draagt (i). 

De Zwarte Hen. — In Vlaanderen, althans in het land 
van Aalst, is eene zwarte hen een middel om met den Booze 
in betrekking te komen. 

Indien men zijne ziel wil verkoopen, moet men eene zwarte 
hen medebrengen. Dat moet natuurlijk gebeuren aan eene 
kruisstraat, de gewone vergaderplaats van heksen en booze 
geesten. 

Ofwel : indien men te middernacht aan eene kruisbaan is 
en eene zwarte hen bij heeft, ziet men al de heksen. 

Eindelijk : zoo gij aan eenen kruisweg komt en eene 
zwarte hen bij u draagt, zult ge den duivel bij u hebben. 

Delrio vermeldt dat een tooveraar op eene kruisstraat eene 
zwarte hen omhoogwierp, ten einde eenen storm te doen 
ontstaan. {Disquisiiio7ium magicarum, libri VI, 1599.) 

In eene sage te Nederbrakel, in Vlaanderen, bekend, 

(1) Aantcekening van J. C. 



f 



228 « Ons Volksleven. y> 



eischt de duivel eene zwarte hen als offerande. (Wolf. Nie- 
(lerl. Sagen.) 

In de omstreken van Ath moet men, om met den duivel 
een verbond te sluiten, te middernacht naar eene kruisstraat 
gaan met eene zwarte hen, en roepen : « Geld voor mijne 
hen ! » 

Giimm vermeldt dat de zwarte hen eene offerande was, 
opgedragen aan de Bergmannchen of Bergkabouters. 

De zwarte hen eindelijk, is een middel om te onttooveren. 
Men kan daardoor den tooveraar dwingen zich bekend te 
maken en de kwade hand te lichten. In Gelderland gelooft 
men dat, om den tooveraar te verplichten te verschijnen, 
men eene zwarte hen levend in 't water moet laten koken. 

— Een gebruik, algemeen verspreid in Vlaanderen en He- 
negouw, wil dat men onder de hen een onpaar getal eieren 
te broeden legge ; zonder dat zou men geene kiekens bekomen . 

— De buitenlieden leggen somtijds eenen nagel in den nest 
der hen die broedt : dit beschermt tegen het onweder. Ande- 
ren leggen er twee nagels in, kruiswijs overeen, of een 
taksken gewijden palm. 

— Men moet de hennen van hunnen nest nemen gedurende 
het onweder, anders zouden de kiekens in de eieren ver- 
smachten. (Henegouw.) 

— De eieren, tusschen den 15" Oogst en den 8" September 
gelegd, blijven goed. (Ibid.) 

{'t Vervolgt). Alfried Harou. 



(Vervolg). 
St. Amands : De Gipsheeren. 

/TIPS, gipsken beteekent dun stokje, f r. hadine. Gipsheeren 
\z} zou dus beduiden heeren met eene gips; zooal te naaste 
bij : flierefluiters. Waarom? dit weet ik niet; evenmin als ik 
zeggen kan of het woord moet gespeld worden : gips ofgibs : 
het laatste echter heeft geene beteekenis. 



« ÖNS Volksleven. » 229 



Puurs : Kipkap. 

DIT is een waarlijk onverdiende spotnaam. Er wordt van 
die van Puurs zonder eenigen grond verteld, dat met de 
kermis Schraalhans bij hen kok is ; dat zij zich dan vergasten 
met wat kipkap of f rut. Wat al deugnieterij, door de Gips- 
heeren vooral, op de kap der Paursenaren verhaald wordt, 
is niet te zeggen. 

Zoo b. V, : Eten de burgers daar per extraordinair een ei, 
ze werpen de schelp vóór hunne deur. Heeft te Puurs iemand 
het geluk een schelletje hesp te bezitten, hij legt dit op zijn 
brood en gaat op de straat met een groot mes; hij snijdt zijne 
korst, maar blijft voorzichtig van het vleesch af, om daar 
lang te kunnen mede pronken. Den Zaturdag vóór Puurs- 
kermis zonden, als ze 't gedaan kregen, de Gipsheeren eenen 
konijnenkooper dien ze wijsgemaakt hadden, dat er te Puurs 
veel gei ten velletjes te krijgen waren, of ze permitteerden 
zich des nachts, wanneer ze het dorp doortrokken, te blaten 
gelijk een onnoozel bokje, dat gekeeld wordt na eenige 
weken botei melk, enz. Vroeger bestond er tusschen die van 
Puurs en St-Amands erge vijandschap; er moet nog een 
liedje bestaan, dat de Puursenaars woedend maakte. Dat de 
Gipsheeren bij gelegenheid met een pak slaag naar huis 
keerden, spreekt vanzelf. Nu is alles sedert jaren bijgelegd ; 
de bewoners der beide dorpen zijn verstandig genoeg om 
zich aan Kipkap en Gipsheeren niet meer te storen, ook val- 
len beide spotnamen langzamerhand geheel in onbruik. 

Ruisbroek : De Kaballeii. 

KABALLE is een oud versleten peerd, een knol, een hecht. 
Deze naam is waarschijnlijk herkomstig van hetSpaansch 
cdbdllo, in 't Fransch : chevaJ, cavale, waarvan nog : cavalier, 
cavalerie, enz. Waarom nu bij ons het edele ca6a??o, strijdros, 
gezonken is tot hiol, is even goed uit te leggen als waarom 
het Duitsche Boss bij de Franse hen een crapuleus rosse ge- 
worden is, namelijk omdat de cnhollo's der Spaansche legers 
hier te lande afgereden en uitgeputte knollen geworden 
waren, evenals in Frankrijk de Rosse der Duitsche ruiterij. 



230 « Ons Volksleven. » 

Zulke vreemdelingensporen treft men nog" al aan in onze 
volkstaal. Zoo is het Duilsche Schaft (liefje) bij ons tot sja/s 
veranderd, waardoor men een lichtzinnig meisje, eene zoftc- 
muts beduidt. Het is waar, dat de juffrouwen, die Schcitze der 
Duitsche soldaten werden, niet van de deftigste waren. 

Maar gaan we terug naar Ruisbroek (bij Puurs). Eenige 
lieden dezer gemeente hadden (of zij die nóg hebben, durf ik 
niet verzekeren) liefhebberij in den handel van oude luiollen: 
het waren geene peerdentuischers, maar pccrdeidocMers. Te 
Opdorp op de jaarmerkt, kochten zij er veel. Deze arme die- 
ren werden later geslacht en, naar men zegt, onder den 
mesthoop gezet. Van de koopwaar is de naam ovei-gegaan 

op den handelaar. Spreek te Ruisbroek niet van KalalUn! 

*** 

^ngett tut k irtttlk- tn Jh^tkAmt n) 

39. (162.) De gouden Sint Peeter te Rumpst. 

f E midden van het dorp Rumpst ligt eene groote merkt, 
waaronder, volgens eene oude overlevering, een gouden 
Sint-Peeter verborgen zit. Dit wonderbeeld (hoe het er in 
gekomen is, meldt de sage niet) staat in eenen kelder, waar 
een onderaardsche gang naartoe leidt. Deze gang begint van 
in de schuur, die op eenen hoek der merkt staat. De Sint- 
Peeter is voorden gewonen sterveling ongenaakbaar, want, 
op eenige stappen afstand van den kelder, ligt eenvreeselijke 
draak, die niemand dooi laat. 

Over lange, lange jaren leefde er in 't dorp een groote 
heer, die zeer slecht van leven v^as en met God en zijn gebod 
den spot dreef. Hij lachte ook niet weinig met den gouden 
Sint Peeter en met den verveerlijken draak die er de wacht 
voor hield. Deze booze heer liad eenen knecht die mogelijk 
nog slechter was dan hij zelf. Iedereen in het dorp geloofde 
dat hij met den duivel omging. 

«Ik zal dat beeld daar eens uithalen r, zei die knecht eens, 

(1) Vervolg van bladz. 113. 



« Ons Volksleven. » 231 

« of ik verlies er mijne ziel bij. » — « En lukt gij niet, dan 
haal ik hem! » vloekte de heer. De knecht trok den onder- 
aardschen gang in, maar... kwam niet weder. Zijn meester, 
ongerust over zijn lang wegblijven, ging op zijne beurt, maar 
ook hij verscheen niet meer! 

En de sage voegt er bij, dat beiden op Sint-Peeter's bevel 
door den draak verslonden wierden, w^ant : « Gods macht 
gaat boven's duivels kracht. » Jozef Cornelissen. 

f rngen m fminktm^m. 

4. (73.) Kerstgebruiken der Zigeuners. — Reeds de 
week vóór het feest worden verschillende genees- en heilmiddelen 
vervaardigd. Hazevet, dat in deze week gewonnen wordt, is een 
geheimmiddel, dat met name in liefdezaken goed werkt. Van 
bijzonder gewicht is de Kerstnacht, waarin een druk gebruik 
gemaakt wordt van liefdesorakels. In dien nacht werpen de Zigeu- 
nermeisjes gezouten brood voor de varkens en ezels en luisteren 
naar het knorren en schreeuwen. Is de toon der dieren hoog, dan 
trouwt het meisje spoedig. In den Kerstnacht kan men verder den 
heiligen boom zien, van welks takken honing druppelt en waarin 
wonderbare vogels zingen. Deze boom, dien een reuzenslang in den 
mond houdt, reikt tot in den hemel en alleen zijn aanblik reeds 
maakt jong. Om den boom te kunnen zien, slaan de Zigeuners op 
eenen heuvel een wilgen boompje in den grond, welks takken zij in 
knoop^n slingeren. Daarnaast wordt een denneboompje in den grond 
geslagen en beide stammen worden met eenen rooden draad omwik- 
keld. Den eersten Kerstdag verzamelen de families zich op den 
heuvel en steken om de boompjes een vuur aan. Terwijl het vuur 
brandt, vormen mannen en vrouwen een keten en zingen dansend 
een lied. Na dit lied gezongen te hebben, roepen zij uit : " O roode, 
o zwarte, o witte vogel! Geef ons brood! n De aangeroepen vogels 
zijn die, welke den mensch zegen brengen. Men gaat nu weer naar 
de holen, waar elke familievader asch van de boompjes in zijne 
schoenen strooit. Deze schoenen moeten alle mannelijke familiele- 
den beurtelings aantrekken, hierdoor wordt de wederzij dsche 
gehechtheid versterkt. 



232 « Ons Volksleven. » 

Ten slotte kan men in eenen Kerstnacht ook nog zeer rijk wor- 
den. Men moet daartoe echter over een lijk beschikken. Twee 
Zigeuners zijn voor deze schatgraverij noodig. Als het lijk uit het 
graf gehaald is, moet de een het in een der drie Kerstnachten 
driemaal om de kerk sleepen, terwijl de andere het voortdurend 
met een wilgentak in den vorm van een vork slaat. De onderneming 
is gevaarlijk, omdat de geest van den doode gemakkelijk in het 
lichaam der schatgravers vaart en hen tot zelfmoord noodzaakt en 
— omdatde justitie deze handelwijze niet kan goedvinden. Nog in 
het jaar 1831 werden twee Zigeuners wegens lijkschending opge- 
hangen. J. B. V. 

{Het Land, 28-12-91). 

5. (74.) Leugenliederen en Leugenvertelsels. — 
'k Ware onze lezers dankbaar, die mij eenige leugenliederen en 
leugenvertelsels (d. i. liederen en vertelsels die eene aaneenschake- 
ling zijn van leugens) wilden bezorgen. Verzoek bij de liederen 
zooveel mogelijk de wijze te voegen. J. C. 

6. (75.) Sage over het kasteel «Horst», te Sint-Pie- 

ters-Rhode — De Vlaamsche Broedcrhond van Aarschot zendt 
mij de volgende belangrijke mededeeling : 

« De heer E. B., die over een dertigtal jaren het kasteel bezocht, 
zag dat de kapel geheel verwoest en vervallen was ; het autaarkleed 
en de kerksieraden lagen verscheurd, en op den autaar stond nog 
een missaal of misboek, dezelfde, verzekerde de bewaker, waaruit 
de vermoorde priester de mis las, en geopend op de plaats waar hij 
openstond, toen de kapelaan doorsteken wierd. Over eenjaar of 
vijf waren ook wij op het kasteel, destijds en nog heden bewoond 
door Zusters van het Christelijk Onderwijs. De kapel is thans eene 
allerliefste bidplaaats en men bemerkt er geen spoor meer der 
vroegere wanorde. Op eenen der zolders van het slot staat eene oude 
kist, waaruit eene non, bij ons bezoek, eenen kasuifel haalde. Op 
de hoogte der borst wees zij op eene opening, die wel door eenen 
dolksteek kon veroorzaakt zijn, en daaronder bemerkte men eene 
zwartbruine plek, die zou voortkomen van het bloed, uit de wonde 
gevloeid. « 

Deze omstandigheden zetten gewicht bij aan do tweede sage, door 
den heer de Raadt meegedeeld. J.C. 



" Ons Volksleven. » • 233 



Sitljnitó tiatt Cijterljriften. 

Biekorf, IV, N^ 22. — Sweven of Swaveu iu Vlaanderen en Friesland (J. 
Winkler). — Hoe dient onze tale te heeten? 'J, Craeyiiest) — Joseph (J. 
Noterdaeme). — Mingelniaren. — Westvlaamsche Oordnamenkunde (E. 
Vlietiuck). — No^ Vlanderen's Kuste (V. H.) — Oude spelling der dorp- en 
steênameii van West-Vlanderen. 

Wallonia, I, N'' IL — Vieux airs de danse, airs notés (H. Simon) — Contes 
facétieux III. (II. Simon). Le jour de Rois. V. Chansons de quête a Esneux 
(H. Simon). —Chansons avec'les airs notés. 1-IV (H. Simon). — Notes et 
Enquêtes. 

Revue des Tradilions populaires, VllI, N'" 11. — La maitresse volage et le 
chien fidele, romance et conté (G. Doncieux). — Le joli bois. l-III (P. Sébillot, 
J. Tiersot, Ch. Beauquier). — Versions anciennes de la chanson « le joli bois. n 
(J.Tiersot) — La légende de la mort en B^se Bretagne (F.-M. Luzel). — La 
Fraternisation par le sang. LI-LIII (R. Basset) — Les ceufs de Paques. 11. 
(T. Volkov) — Jeux et fetps des saisons. IU . Le jeudi vert en A.lsace-Lorraine 
eten AllemagDe(A de Lazarque). — Tradit. et superst de la Loire-liifér'"'^. 
I. (A. Certeux). — Le Tabac. I. {suüe) (L. Morin & A. Harou) — Blason pup. 
de rille-et-Vilaine (Fr. Duynes) — Contes ariégeois (M Seré). — Les Esjirits 
forts a la campagne. III IV (L. i onnemère et Fr. Duyues) — Signes gravés sur 
les pierres II (F. Fertiault). — Lescharités IV (U. Stiebel). — Les Tourquoi. 
LXXXVin-LXXXIX (R Hasset) — Rites et usages fuuéraires. XIY-XV 
(L. Bonnemère, H. Ileinecke) — Le retour du soldat II (Cii. Beauquier). — 
Les Ordalics. Suite [K Basset). — Navires et marius X. (E. .Maison). — 
Médecine superstitieuse IX. La graisse humaine (L. Desaivre) — Jeux des 
enfants sur le rivage. II. En Eoosse (W. Gregor) — Les Empreintes merveil- 
leuses, XL-XLII (R. Basset). — Les chasses fantastiques. II (G. de Rielle). — 
Bibliographie. — Notes et enquêtes. 

Am Ur-Quell, IV, N-^ 9-l(). — Sagen vom Urspruug der Fliegen (D"- A. Haas). 

— Fürs Pferd beim Rülpseu (A. Tr.-.ichel). — Sagen aus dem Krcise Templin 
(K. E. Haase). — Kin volktümlicher Schwank in Schillers Wallenstein (K,. 
Sprenger). — Das Trinkhoru der (irafen von Oldenburg (A. Grönin.o). — 
Alltagglauben umi volktümlicher Heilkunde galizischer Judeu (B W. Scbiffer) 

— Sprichwörter galizischer Juden (J. A Charap). — Blaumantelchen, ein 
Geistin Mecklenburg (O. Glöde) — Spitz- and Schimpfnamen bei galizischeu 
Juden (A. Nagelberg). — Kopflose Spukgeister (A. Press u. H.Volksmann).— 
Der Mannin Mondi' (II. Yolksmann). — Südslavische Volkmedizin (Krauss). 

— Zwei Anregungen (D'- L Frankel) — Deutsche Volkreime aus Körniöcz- 
banya (A. Herrmaun). — A'euere Abderiten (N. Krause) — Volkwitz in 
Ratsebi (H. Yoikcraann). — Gautsymbolik (R. Sprenger). — Schlesische 
Yolksagen (R. Knauthe). — Woher kommen die Kinder (O. Sehell). — Die 
Zwerge am Wohleuberge (R. Andree) — Maisitteu am Rbtin (C Rademacher). 

— Kinderreime aus Scblesien (K. Knauthe). — Kleine Mitteilungen. 

La Tradition. YII, N"6, 7, 8. — Folklore des Arabes de TAlgérie (H. Car- 
noyU — Le Folklore de Constautinople. Il ix(J. Nicolaïdes). - Les Eddas et 
les Sagas scaudinaves (C. de V^ .). — Le Iribut des cinqmaravédis d'or (E. 
Maison). — Les proverbes de Jacob Cats (E. Ozenfantj — Les Dictous de 
i'année (H. Menu). — Rimes gasconncs (I. S.). — Contes provei.^aux (B. 
Féraud). — Sacrifices humains (F. ürtoli) — Marie, l'enfaut de la fée (A. 
Harou). — Croyauces des Muongs (M. Thiéry). — L'ane dans les proverbes 
provengaux (J. Brunet). — Les fêtes de Paques (H. Carnoy). — Chansons du 
Quercy. XXXIII (F. de Beaurepaire). — Bibliographie. — Petites nouvelles. 



mmad. 



'^oalkunöe. 



Bijilragen tot een Kempisch Idioti- 
con O, 85, 12^;, Irö, 177, 2IÖ 
Vogfcli amen 126, 155 



Namen van kerf lieren h'G, 177 
Over het verminken onzer plaats- 
namen 65, 212 



l)0lkökun&e. 



Iels over het niezen 1, 21 

De sterren en sterrebeelden in het 
volksgeloof. I. De Maan 28 

Iets over Tooverboeken 

41,61, 81,105 

Pe « Maria-Troon » 48 

Over eenige oude schoolgebruiken 
I-VI 7) 

Van Kludde, Klodde of Klödde 

82,101,121, 146 

Over de kracht van het vierblade- 
rig klaverblad 86 

Van twee edele Broeders, eene 
middeleeuwsche legende 9j 

Volksspelen : Sprietloopen 106 

Straffen : Geeselen en Kielhalen 107 

Raadsels 108 

De vogelen in het Volksgeloof : 
VII. De Ooievaar 110 

De « Mechelbaan», historische 
volkssage 122 

Volkswijsheid in beeld en schrift 

141, 161, 181,201 

De koorts overzetten 147 

De Klokken : 

1 1 Gebruiken (vervolg) 149 

IV. Klokken die vanzelf luiden 
(vervolg) 150 

VI. Volksgeloof aangaande de 
klokken 151 

Twee Duilsche gedaanten van een 
Vlaamsch vertelsel 171 

Twee sagen over liet kasteel 

« Horst », te S'-Pieters-Rhode 187 

Haan en Hen 193, 226 

Ecnige bescheiden, kunnende die- 
nen tot de geschiedenis der 
heksenprocessen in de Neder- 
landen, in de XV«eude XVI" 
eeuw 204 



Spotzegse's: 

Hoe het dorp Vremde zijnen 

naam kreeg 225 
Sprookskens en Vertelsels : 

Van eene slimme spinster 14 

Jan Dom 24 

De drie Spinsters 171 

Rumpelstilzchen 173 

Noordbrabantsche Sagen : 

Het Haspelstraatje te Duisel 16 

Spoken op kruiswegen 16 
De Heksen in eenen boom te 

Westerhoven 17 

De behekste pastoor 17 

Eene heks en een mol 18 

Van eene tooverheks verlost 18 
Boomen buigen met den top ter 

aarde 18 
Het weergevonden peerd 35 
De onderaardsche klok te Veld- 
hoven 36 
T>e klok in een Ven 56 
Twee Engelsche soldaten te 

Veldhoven gehangen 57 

De iiardlooper te Eersel 73 

Een bloedende Grenskei 73 
De Doodenput onder Luiksgestel 74 

De gloeiende Paap 74 
Hoe ligt dorp Bakel in Peelland 

ec^ncn naam kreeg 89 
Wilde, llebelsche of Helsche 

jacht 69 
Een Teut uit Bergeik in Duitsch- 

land vermoord 90 
Wasche Sagen : 
Het Paddeschoothof te Sint- 

Niklans 92 

Nog van 't Paddeschoot 92 

Het spook der Pumbekedreef 92 



« Ons Volksleven. » 



23ê 



De vurige Koets op de Varenwijk 

te Belcele 9:1 

Het spook van de Varenwijk 93 
De verzonken Stad 113 

De verzonken klokken te Belcele 114 

Kempische Sagen : 
Te peerd naar Keulen 1 14 

Eene kat den poot afgekapt 115 

Van achterna loopcn 116 

Het kwaad ])eerd 1 17 

Spokerij geëindigd door het vin- 
den van eenen schat 117 
IIetFluiterl.cn 1% 
O L. Vrouw van Pulderbosch 19ü 
Op een dwaalkruid getrapt 197 
Twee soldaten verdwaald 219 
Sagen uit de Rupel- en Scheldestreek : 
Van de doodshoofden 129 
Van eene stoute Vrouw 180 
Spokerij op een pachthof 131 
De gouden St-l'ieter te Rumpst2S0 
Sagen, verspreid in andere opstellen 

en ongenummerd : 
Depeerdendief en 't niezei d kind 3 
Een wijf ken belet eene heks eene 

niezende vrouw te betooveren 4 
De boer en de tooveraars 4 

De Vrijmagons 5 

De koolbrander en de niezer 5 

De tooverschool 44 

Van eenen boer die tooverboel-en 

had 46 

Van den boer die 'nen tooverboek 

kocht 47 

Vau eene vrouw die te vei-re in 

'uen tooverboek las 47 

Hoe twee mannen voeren met 

'uen tooverboek te koopen 61 

Vau den booze verlost 62 

Van het tooverbriefken 64 

Van Kludde en eene juffrouw 83 
Kludde en de 7atlap 83 

Eene vrouw die Kludde zag 84 

Van Kludde en den beenliouwer 84 
Kludde houdt iemand gezel- 
schap 102 
Wraak van Kludde 103 
Hoe Kludde eenen schipper beet 

had 103 

Kludde en de kermisgast 121 

De koorts overgezet op eene 

muis 147 

Een heksenmeesler zet de koorts 
over op eenen haan 148 



Spotnamen op Steden en Dorpen : 

Lier: de Schapenkoppen 132 
Hoogstraten : de Spilzakken 132 
Brecht : de Struiven , de Half hou- 
ten, de Mastendoppeu 132 
Halle : de Pieren 133 
Zoerscl : de Drijvers, de Kluppe- 

laars 133 
Li He : de Krawaten 133 
Tutte (bij Mechelen) : de ver- 
brande Futtenaars 133 
Beersel : de Beersolsche Hrek- 

keu 1 34 
O. L. Vrouw e-Waver : de Hoo- 

veerdige VN' averaars 134 

Meerhout : de Katten 135 

Molle : de Socpwcikers 135 
Arendonk : deTjokkers, de Tik- 
takboffers, de Gorteters, de 

Pinnekensmakers 152 

Desschel : de Wolspinners 153 

Reihy : deKortooren 153 

Kavels : het Heilig Kavels 153 

Poppel : de Janhagelmannen 153 

Eindhout : Tut 1^9 

VoTst : de Pootzakken 190 

Baasrode: de Kolfaters 190 

Bornhem : deBosclikrabbers 191 

Buggenhout: deBoschuilen 191 

Eikevliet : de üroote Suite 192 
1 iezele : het overschot van de 

wereld 1^2 

Mariekerke : de Visschers 192 

Opdorp : de Plattekeesboeren 192 

Steenuffel : de Klotboeren 215 
Willebroek : de Vaartkapoenen 215 

Zele : de Sergewevers 215 

Weert : de Slijkneuzrn 216 

Sint-Amands : de Gipsheeren 223 

1'uurs : Kipkap 229 

Ruisbroek : de Kaballen 229 

Volksliederen met muziek : 

Van drij Maagdekens 54 

Ker.tlièd 112 

Kinderspelen : 

Klakske ' 72 

Overschip 155 

Volksgebruiken : 
Een gebruik op St. Elooi'sdag te 

Mechelen 13G 

Duivel sk er mis 176 

Aardige gebruiken 221 

Vragen en aanteekeningen; 

Nieuwskens : 

Eene begrafenis in China 97 



236 



« Ons Volksleven. « 



Keaelrijden (vraag) 
't Lied van 't verken (fragment) 
Kerstgel)ruiUen der Zigeuners 
Leugenliedcren en leugenvertel 

sels (vraag) 
Sage over hel kasteel «Horst •,, 
te St,. rieters-Rhode (aanvul- 
ling) 
Een nieuw tijdschrift voor Volk 
kunde 



138 
138 
231 

232 



Congres van Volkskunde te 

Chicago 37 

Belgische leden van de Advisorg 
Council bij het Congres vau 
Volkskunde te Chieago 58 

Inhoud van Tijdschriiten : 
in, 35), 60. 78, !)ft, 119, 130, 
159, 179, 20Ü, 22(1, 233 



(10>c6cl)tcöctttö ni CG^uMjfiMiuiiïre. 



De Heerlijkheid Ki>rdcrwyck, 
een woord geschiedenis 11 

Bescheiden over de geschiedenis 
van Ryckevorsel en Loeu- 
hout 30, }9 

De «Maria-Troon)) 49 

Keg een woord overRyckcvorsel's 
«(Jemeynen Dorps-gclc)) 68 

Hoogstraten: 

1. Hoogstraten gi ëxecutcerd bij 



de muitelirigen van Diest in 
KiOl 1U(', 184 

n. De muitelingen op het kasteel 
t'i Hoogstraten. — Beleg vau 
het kasteel 185 

III. Ban op de muitelingen 210,223 
Eenige bescheiden, dienstig tot 
de geschiedenis der heksenpro- 
ci'ssen in de Nederlanden, in de 
XV"' on XVI" eeuw 204 



i30fkbfö^)rfkm^ni. 



AlpkedHaeou. — Contributions 
au Folklore de la Belgique 38 

Alfreo Haeou. — Le Folklore de 
Godarvüle (Hainaut) S9 

Th -Ign. Welvaaets. — Postel's 
Biographisch Wooi'denboek van 
de XllMotde XIX"^ eeuw 58 

Jan Broeckaeet.— Mededeeling 
van eenen bundel Rederijkers- 
gedichten der XVIe eeuw 59 

Fletcher S. Bassett. — The 
Folk-Lore Manual 73 

11. DE Seyn Verhougstraete. — 
liet l'argoeusch van Roeselare 06 

ReV. l)rWALTERÜEEGOE — Tlie 

Horse in scottish folk-lore 117 

J-Th de Raadt. — Eenige on- 
uitgegeven stukken betrekke- 
lijk de oorlogen in de XVII" 
eeuw 113 



ü. Knoop. — Plattdeutsches aus 
Hinterpommern 137 

Alpeed Haeou. — M('langes de 
Tradiiionnisme de laBelgique 158 

J OSEPH Dejaedin. — Didionnaire 
des Spots OU Proverbes ivallons. 
T. n. 178 

Jan Beoeckaert. — Feestrede 
uitgesproken ter gelegenheid 
van de inhuldiging vau het 
Standbeeld vau Prudens Van 
Duyse 178 

N. Waeker. — Sagen des luxem- 
burgischen Volkes 179 

C. J. i^CHKPEES & O. COLSON. — 

Un Usage fétichiste a Braine- 
VAlleud 198 

JosephDepeechfux — Vocabu- 
laire de noins wallons d'ani- 
iliaux 199 




OKS YOIvKSIvKVKN. 



OjMS OOLKSLSÜSjV 



TIJDSCHRIFT 

oooF ^aal-, Vollil- en Oudheidlgunde 

ONDER LEIDING VAN 

JOZ. CORNELISSEN & J. B. VERVLIET 



Onderwijzer 

te S* Antonius-Brecht. 



Letterkundige 
te Antwerpen. 



« El is nog een rijke oogst op liet velii der gewestsprakeii voorhauder ; 
vele Tolksuitdrukkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen eu 
bewaard te hlijven. » 

Zuidnedeylundsche Maatschappij van Taalhunde, Wedtirijd 1874. 
« De studie der folklore heeft voor doel ons volk iu zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. » 

Yraof/boek voor Tlaamtche Yolktltunde. 




6"^ JAARGANG 
1894. 




TE BRECHT, 

BIJ L. BRAECRMANS, DRUKKER EN UITGEVER. 



(Medewerkers aan den zesden jaargang, 

(1894.) 



E. Adriaensen 
J.-Th. DE Raadt 

Aug. GiTTÉE 

Guldenvlies 
Alfried Harou 
Alf.J.C. 
Lenaard Lehembre 

T **;!: 

J. MiCHIELSEN 
A. O. 

P. N. Panken 
E. V. C. 

P. VAN DEN BrOECK 

Frans Zand 



te 

» 
)) 
» 
» 
» 
» 
» 
)) 

» 



Hoogstraten. 

Brussel. 

Luik. 

Begijnendijk. 

Antwerpen. 

Lippeloo. 

Schelle. 

Leuven. 

Brecht. 

Antwerpen. 

Bergeik (Noord- Brabant). 

Mechelen. 

Hamme (bij Dendermonde). 

Heist-op-den-Berg. 



BrukffUftt. 



BliR. 

3o 29 

3i 2 
3i 27 

3?! 7 

42 34 

5i 

53 

62 

89 

91 



Misdrukt 

dan 

eigeu 

getrokkken 

hnlp 

onverwachts 

convaincue 

neen 

behoorlijke 

tegen 

dan God 

d. s. 



VerbeUrd 


BI 


R. 


dan zal 


94 


19 


eigen 


97 


16 


getrokken 


9» 


34 


hulp 


108 


i3 


onverwachtst 


120 


Q 


convamcues 


i33 


i5 


neem 


i33 


2Q 


bekoorlijke 


i56 


32 


op 


i63 


26 


als God 


184 


i3 


d. i. 


195 


17 



Uitdrukt 

getideld 

aan 

hldz. 

logelaten 

heneden 

verkondiden 

insgefijks 

goeve 

eenige 

nauw 

Laustz 



Verbeterd 

getiteld 

aan de 

bldz. 

losgelaten 

beneden 

verkondigen 

insgelijks 

hoeve 

enige 

na 

Lausitz 



ijvi^eui). 



'^^aalkunöe. 



Bijdragen tot een Kempisch 

Idioticon 48, 99, 142 

Het enclitisch voornaamw. es 48 

Heel in den Genitief 49 

Verschillende beteekenissen van 

varen 49, 79 

Eigenaardig gebruik van worden 

en zijn 49 



Meervoud der zelfst. naamw. 99 

De nieuwe Hollandsche spelling 
in strijd met deTaal vanDietsch- 
België 101,121,161,181,201 

Tanteferen 207 

Vouverien 207 

Vörft 208 



Il0lk0kuttïre. 



De keersen in het Volksgeloof en 
Volksgebruik i, 21, 81, I23 

De Hunnebedden van Peccatel 7 

Bijgeloovige Doenwijzen, Zeden- 
trekken, enz. 14 

Wangeloof in Klein-Brabant 26 

De Vogelen in het Volksgeloof. IV. 
De Zwaluw 28, 206 

Waarzeggerij bij middel van eenen 
sleutel 41 

Het «Schansken )) of «Schransken» 
en het « Nonneboschken « te 
Itegem 52 

Bezweerformulen 57 

Onze hedendaagsche Gilden 61 

Wetten van de Gilde van St. Hui- 
brecht te Schilde 62 

Eenige aanteekeningen over de St. 
Huibrechtgilde te St. Antonius 65 

Rivieren, Putten, Bronnen, enz. 

72, 134 

De Geschiedenis der Leerzen van 
zeven mijlen in Indië 84 

Over eenige Dierenprocessen in 
België 

Spreuken en Spreekwoorden uit 
Klein-Brabant 

Over de Tommen of « Tumuli » 

De Ziekte van Brusthem 

De Boomen en Wouden in het 
Volksgeloof 

De Klokken 

Raadsels 

Genezing der Breuken 



93 

96 
106 
Ii3 

126 
134 
149 
i5i 



De Haan en de Hen in het Volks- 
geloof i65, 218 
Het Manneken in de Maan 168, 189 
De Duivel in het Volksgeloof en 

de Volkssagen 171 

Besmettelijke Ziekten 177, ig5 

Over eenige oude Schoolge- 

bruiken 211 

Sagen uit het Land van 
Dendermonde : 

De vurige Wagen 19 
De Duivelsklauw 20 
De volbrachte Belofte 34 
Oorsprong der Roode Lieve- 
vrouw 35 

Kempische Sagen : 

Eene Heksenvergadering 55 

Van eenen spokenden Hond 56 

De betooverde Herberg 56 

De « Heisessen » 97 

Een verborgen schat i35 

Van eene slang verlost 137 
Een Verschrikker van schrik 

gestorven i53 

Van eenen Doodswagen i53 

Het spook der » Hellegatbeek » 154 
Oorsprong en Geschiedenis der 
kapel van O. L. Vrouw van 

Bijstand te Thielen 154 

Tusschen twee Vuren i55 

Spokerij op eene hoeve i56 

Een Jager, Zwarte-Kunstenaar 157 



234 



« Ons Volksleven. » 



Van eenen Boerenknecht die 

kwade perten kon 178 

Een Soldaat die tooveren kon 179 

Spokerij op een Kasteel 212 

Eene Tooverheks 213 

Sprookskens en Vertelsels : 

Het gelukkig Erfdeel 29 

Sneeuwwitteken 42 

't Manneke van Tintelenteen 86 

Van Robber den Dief 110, 124 

Van eenen armen Schoenmaker 145 

Kavie, kavoe, gaat op en toe 192 

De Uitvinding der zaag 210 

Spotzegsels : 

Hoe de Boeren van Ten Aart wisten 

waneer het Zondag was 115 

De Pier te Ten Aart 116 

Spotnamen op Steden en Dorpen : 

Hoogstraten : de Spilzakken 90 

Meir : de Klinkers 91 

Turnhout : de Muggenblusschers 167 
Brussel : de Kiekenfreters 16S 

Dworp : de Boschuilen 168 

Kinderrijmen : 

Samenspraak tusschen eene juffer 

en eenen schoenmaker 76, 116 

Touterliedje 158 

Volksliederen : 

't Is wederom de olie van den Gersten, 
met de zang wij ze 51 

De Pauwer en die wou er hem zijn 
dochter niet geven, met de zang- 
tüijze 107 

Mijne man zulde gij niet zijn 109 

Drinklied, met de zangwijze 148 



Volksspelen : 




Ajuin zabberen 


36 


Appel bijten 


37 


Siroop lekken 


38 


Paling bijten 


38 


Heete pap slikken 


38 



Volksgebruiken in Klein-Brabant : 

De Vlasfooi 46 

De Oogstfooi 46 

De Zaaifooi 47 

De Verkenskermis 47 

Huwelijksgebruiken 47 

De Boekweitfooi 128 

De Oogstmei 129 

Zeven Zonen 129 



Een Honderdjarige 129 

Nieuwjaarsavond 130 

Het Plakken 131 

Eene nieuwe school 131 

Een gebouw in 't droog 131 

Vastenavond 1 32 

St. Elooi 132 

De Patattenfooi 1S6 

De Koffiefooi 186 

Bij deJEerste-Communie 187 

Derde Meidag 188 

De drie Maandagen 183 
De Misdieners in de Goede 

Week 189 
Aanteekeningen over eenige van 

die gebruiken in de Kempen 

186, 187, 189 

Volksgebruiken in de Kempen : 

Nieuwjaar en Drijkoningen 68 

St. Gregorius 69, 70 

St. Thomas 70, 71 

Het « Heiluizen » 93 

Een Huwelijk te Achtel 132 

De Patattenfooi 186 

De Koffiefooi 187 

Bij de Eerste-Communie 187 
De Misdieners in de Goede-Week 189 

Volksgebruiken en Gewoonten in 
Noord-Brabant : 

Germaansch tijdperk 172 

De Middeleeuwen 174 

Na de Kerkhervorming 176 

Gebruiken en Vermaken in onzen 

tijd 197 

Opmerkingen van verschillenden 

aard 198 

Nieuwjaar 214 

Koppermaandag 217 

Vragen en Aanteekeningen : 

De IJzerwegen in China 118 

Eene Postkoets in den rouw 118 

Zonderlinge Offerande 119 

Chineesche Zeden 119 

Betooverde Kinderen 119 

Een oud Uithangbord 120 

Het Minxhof 120 

Berijmd gevelopschrift 159 
Gambrinus, de Koning van het 

bier 159 
Oude Rechtsgebruiken 179 
Een nieuw Tijdschrift voor Volks- 
kunde 77 
Inhoud van tijdschriften 

40, 60, 79, 100, 139, 160, 180, 200 



« Ons Volksleven. » 



235 



(i^e5cl)te^elü0 en CI>uM)ethkunï»e. 



De Hunnebedden van Peccatel 7 

Schelle. Geschiedkundige Aantee- 
kening 9 

Bijgeloovige Doenwijzen, Zeden- 
trekken, enz. 14 

Het (c Schansken » of « Schransken » 
en het « Nonnenboschken » te 
Itegem 52 



Onze hedendaagsche Gilden 

Gl, 62, 65 
Over eenige Dierenprocessen in 

België 93 

Oude Rechtsgebruiken 179 

Een Uitstapje naar Eppegem en 

Elewijt 219 



i50ekbe5prekhtgett. 



J. Th. de Raadt. — Verzameling 
Grafschriften en Wapens van 
Gorinchem 39 

J. Th. de Raadt. — Mélanges 

(2e Série) 39 

Paul Sébillot. — Annuaire des 
Traditions populaires (1894) 69 

Prés du Tanganika 59 

Jan Craeynest. — Hoe dient onze 
Tale te heeten ? 77 

Julien Tiersot. — Les Types mélo- 
diques dans la chanson populaire 
francais e 117 

Le Dr Chervin. — Faut-il couper Ie 
f rein de la langue? 188 



Heinrich Merkens. — Was sich 
das Volk erzahlt 230 

Paul Sébillot. — Coniributions 
a l'étude des contes populaires 231 

Paul Sébillot. — Dix Contes de 
la Haute-Bretagne 232 

Paul Sébillot. — Légendes du 
Pays de Paimpol 232 

E. J. OssENBLOK. — Eene Lezing 
over Dr F. W. Weber's 
« Dreizehnlinden » 228 

J. Th. de Raadt. — Une Cent- 
wande de Tapisseries hruxel- 
loises (1701) suivie d'une note 
sur Daniel Stroobant 229 




TIJDSCHRIFT 

t)00r 'Staal-, lHolkö- en #uöl)cibkun&e. 



« P]r is uog eeu rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; 
veel volksuitdrakkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen 
en bewaard te blijven, n 
ZuiDNEDERLANDscHE MAATSCHAPPIJ VAN Taalkunde. Wedstrijd 487 A. 

«De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het volk zooals het is. n 

Vraagboel voor VlaamschevolksMnde. 
. o- 



Ie titmm m jiet f nltegrinnf m Mh^ikiit 

— #p lUnik0tttn^ett. 

^VER een twelftal jaren bestond te Werchter 

het gebruik, 's avonds vóór Drij koningen, 

boven de deur of voor de venster, drij 

jkeersen te ontsteken, ter eere van de drij 

'godvruchtige reizigers. 

Die brandende keersen immers, verwij- 
^•••' :^<^*^... deren de booze geesten van het huis 
en stellen het onder de bescherming der H.H. Koningen, 
die, in de oogen des volks, eene onbegrensde macht hebben 
over den duivel en de heksen. 

In veel steden en dorpen plegen de kinderen 's avonds op 
Drijkoningen brandende keerskens op de straat te zetten en 
er rondom te dansen of over te springen, zingende het vol- 
gende liedeken : 

Keersken in de lantereu ! 
Is Mijnheer rastoorniet thuis? 
VI. 'k Zou hem eens geren spreken, 1 




2 « Ons Volksleven. » 

T'avond iu zijn huis ! 
Ze zeggen da 'k ik 'ne voddemau ben, 
Ze zeggen da'k ik 'nen buUeman ben. 
Keersken in de lanteren, enz. 

Dat dansen in eenen ring rond brandende keerskens, ge- 
beurt ook wel op andere tijden van het jaar. 

Te Turnliout zonden de keersmakers dien dag aan hunne 
kalanten keersen met drij einden, bestemd voor bet kinder- 
vermaak, dat men hiet : « over 't keersken springen ». De 
kinderen ontstaken die keersen binnenshuis, plaatsten ze 
op den vloer en sprongen er over, al zingende : 

Drij Koningen, drij Koningen, 
Geelt mij 'nen nieuwen hoed : 
Mijnen ouden is versleten. 
Mijn moeder mag het niet weten. 
Mijn vader heeft het geld 
Op den rooster geteld. 



Ofwel 



Keerskeu keerskeu ouder de been, 
Eu al die daar niet over en kan, 
Hn weet er niet van (1). 



Te Sint-Truiden loopen de grootere jongens van 's mor- 
gens vroeg de straten rond met aarden potten, waar zij 
spiegelhars in branden; de kleinere en de meiskens dragen 
lanteernen met brandende roeten keerskens. 

's Avonds trekken zij in hoopkens rond en zingen het 
drijkoningenlied op eene lieel roerende wijs. 

Bij het thuiskomen worden de eindjes keers uit de lan- 
teernen gehaald en op den grond geplaatst, en de kinderen 
springen er over al zingende : 

Keerske keerske over het keers beeuke 

En al wie daar niet over én kau, 

Die weet er uiet van ; 

En al wie daar niet over en kau, 

Die blijl't er van (bis). 

Keerske keerske over het keersbeeuke (2). 



(1) De Keinsbeeg-Dübikgsfeld. Traditions et Légendes de la Belgique, i. I, 
pp. 29-30. 

(2) 'tDaghet inden Oosten, I, 1)1. 115-116. 



« Ons Volksleven. »♦ 3' 

Naar alle waarschijnlijkheid zijn die brandende keersen 
overblijfsels van de oude kerstvuren, die men op dezen dag 
placht te ontsteken, want vóór de hervorming van den 
kalender, viel Kerstmis op dien dag. In Engelland, waar 
Drijkoningen nog Old ührisimas-day heet, zijn dergelijke 

gebruiken volop in zwang gebleven. 

■*• 
■»■ ♦ 

II. — #p Ctcl)tmtö. 

g;ooALS men weet, wordt de tweede dag in Schrikkelmaand 
■Sl Lichtmis geheeten, omdat deze feest in de kerk met veel 
licht gevierd wordt, en op dien dag de keerswijding plaats 
heeft, De plechtigheid van het wijden der keersen wierd, ten 
jare 701, door Paus Sergius aan den feestdag van O. L. 
Vrouw Zuivering toegevoegd (i). 

Vóór de mis gaat in de kerk eene processie, waarin men 
brandende gewijde waskeersen draagt, ter verbeelding van 
het geestelijk licht, dat Christus in de wereld is komen 
brengen. 

Sommige schrijvers, steunende op een sermoon van Paus 
Innocens III, beweren dat Lichtmis de heidensche feest der 
Romeinen, « festus Lucernse » of «« luminum « geheeten, ver- 
vangen heeft, welke feest omtrent hetzelfde tijdstip gevierd 
werd ter herinnering aan het feit, dat Ceres hare dochter 
Proserpina gedurende den nacht met brandende toortsen 
zocht. Te dier gedachtenis maakte men groote verlichting 
en doorliep de straten met brandende keersen of toortsen. 

Andere meenen er een overblijfsel in te zien van de oude 
r> Lupercalenfeest «, door de Heidenen gevierd ter eere van 
god Pan en van Februa, de godin der zuivering. Deze feest 
bestond in een zuiveringsoffer, dat men opdroeg om vergiffe- 
nis te bekomen van al de zonden, in den loop van het jaar 
bedreven. 



(1) De feestdag van Maria's Zuivering en Jezus' Opdracht in den tempel 
bestond veel vroeger. Hij wierd ingesteld in 5J4, onder de regeeriug van 
Keizer Justiuiaan, ter oorzake eener verschrikkelijke pest die te Constantino- 
pel woedde, en er dagelijks dikwijls tien duizend inwoners ten grave sleepte. 
(Baronius. AnnaL ada., bl. 644). 



4 " Ons Volksleven. » 

Die meening-en schijnen niet van allen grond ontbloot, 
waneer men bedenkt dat de H. Kerk, om des te gemakke- 
lijker de heidensche bevolkingen tot het ware geloof te 
bekeeren, niet de hand aan 't werk sloeg om gewelddadig 
hunne eeuwenoude gebruiken en plechtigheden uit te 
roeien; maar integendeel zich beïeverde, om deze langza- 
merhand volgens den geest van het Christendom te wijzigen, 
met er eene christelijke beteekenis aan toe te kennen. 

Wat er ook van zij of niet, sedert onheuglijke tijden is de 
tweede Februari de dag, dat in veel plaatsen op den buiten, 
de dienstboden hunnen dienst verlieten, om in eenen ande- 
ren te gaan of om te trouwen. Eertijds maakten zij van deze 
gelegenheid gebruik om zich over te geven aan luidruchtige 
vermaken, die niet zelden in braspartijen ontaardden. Van- 
daar, naar 't schijnt, de uitdrukking « lichtmissen «, met 
den zin van ongebondenhei .^ bedrijven of overdadig drin- 
ken en voornamelijk zich met Vastenavond te vermommen 
of, verkleed, 's avonds de stralen met brandende fakkels te 
doorloopen (i). 

Nadat de keersen gewijd zijn, ontvangen de geestelijken 
der kerk, alsmede de koster en de kerkmeesters, uit de 
handen des priesters ieder eene gewijde keers, die zij mogen 
behouden. 

Te Vorst krijgen ook de zangers, de onderwijzer en... de 
veldwachter eene keers. Twee schoolkinderen, een jongen 
en een meisken, die zich onderscheiden hebben door hunne 
leerzaamheid en hun goed gedrag, 'genieten insgelijks het 
voorrecht eene gewijde keers te mogen halen. Te dien 
einde stelt de onderwijzer, eenige dagen vóór Lichtmis, aan 
de verst gevorderde leerlingen eenige vragen, die zij schrif- 
U'lijk moeten beantwoorden. Dat lieeten de kinderen « voor 
de keers schrijven. « 

Vóór de Fransche Omwenteling waren al de overheden en 
dignitarissen, zoo wereldlijke als geestelijke, bij het wijden 
der keersen tegenwoordig en droegen in de processie eene 



(1) Traditions et Légendes de la Belgique, op. cit., 1. 1, p. 89. 



« Ons Volksleven. » 5 

gewijde keers in de hand. Na de mis braclit de koster aan 
elk hunner eene dezer keersen te huis (i). 

In verschillige dorpen der provincie Namen offeren de 
kinderen de keersen, die zij ter kerke brengen om te laten 
wijden (2). 

Ieder huisgezin koopt eene gewijde keers, die in menige 
omstandigheid zal van dienst zijn. Men ontsteekt ze ten tijde 
van onweder, en laat ze branden, totdat alle gevaar verdwe- 
nen is. Waneer een mensch op sterven ligt, geeft men hem 
de gewijde keers in de handen, en dooft ze uit, zoohaast de 
stervende den laatsten adem uitgeblazen heeft. 

In de bisdommen Luik en Namen bestond vroegertijds hot 
gebruik, een weinig was van eene gewijde keers te nemen 
en er kleine kruiskens van te maken, die men vervolgens 
boven de schouwpijp of op f jne andere, goed zichtbare 
plaats van het huis bevestigde, met het doel, zijne woning 
tegen alle ongelukken te vrijwaren (3). 

In het groothertogdom Luxemburg gebruikt men den was, 
voortkomende van de gewijde keers, om er een kruis van te 
maken, dat men achter de ingangdeur des huizes plaatst. 
Dit kruis beschut de woning tegen het hemelsch vuur. (4) 

In sommige dorpen van Waalsch Brabant hebben wij 
dergelijke kruisen in de schouw gezien, die daar met het- 
zelfde inzicht geplaatst waren (4). 

Menige Kempische dorpeling vergeet nooit drij lekken der 
gewijde keers in zijne klak of zijnen hoed te laten druppen. 
Ook laat hij eenige druppels was vallen op de deuren en de 
vensters des huizes, op zijne karren, ploegen en andere 
landbouwtuigen, ten einde ze tegen alle ongeluk te bevrij- 
den. 

Eon gebruik dat ook nog in de Kempen voortleeft, is de 
beesten met de gewijde keers te zegenen. Na de mis ont- 
steekt de boer de keers en laat drij druppels was lekken 



(1) Trad. el Lég. de la Belgique, op. cit., I, p. 90. 

(2) Ibid.,I, p. 93. 

(3) Trad. et Lég. de la Belgique, op. cit., I, p. 90. 

(4) Mededeeling vau den heer Alfribd Hakou. 



6 « Ons Volksleven. » 

achter de oor van zijne peerden, koeien, enz., met het doel, 
ze te vrijwaren tegen ziekte en de kwade hand . 

In Limburg brandt men, te beginnen met den vader tot 
aan 't kleinste kind dat haren heeft, aan de lokken met de 
gewijde keers; en, van het peerd tot aan de kat, gaat men 
éen voor éen, al de beesten af (i). 

Te Brugge gelooft men te kunnen voorspellen of het jaar 
al of niet vruchtbaar zal zijn, met de gewijde keers te laten 
afdruppen in eene kom, met water gevuld. Zoo de was ster- 
rekens vormt in het water, 't is een teeken dat er een over- 
vloedige graanoogst zijn zal (2). 

Een dergelijk geloof heerscht in de omstreken van Ronse, 
alwaar de boeren eenige druppels van de gewijde keers in 
eene kom water laten lekken. Nemen de wasdruppels den 
vorm aan van tarwegranen, van rogge- of haverkorrels, 
dan is dit een teeken dat het jaar gunstig zal zijn voor het 
aankweeken der plant, waarvan de granen de meeste 
gelijkenis met de wasdruppels vertoonen (3). 

In vroeger tijd sloeg men met de grootste aandacht het 
schijnsel der tweede keers gade, dat verschillige gebeurte- 
nissen voorspelde. In den nacht van Lichtmis, die evenals 
alle andere heilige nachten in drij keersen verdeeld was, 
werd het licht niet uitgedoofd, maar brandde altijd voort. 
Zoo was men vastelijk overtuigd, dat degenen die er bleek 
uitzagen bij het keerslicht dat gedurende dien nacht 
brandde, maar weinig tijds meer te leven hadden (4). 



(1) 't Daghet in den Oosten, II, bl. 165. 

(2) Trad. et Lég. de la Belgique, op. cit.,I, p. SI. 

(3) Mededeeliug van den heer Alfried Harou. 

(4) CoREMANS. L'Année de Vancienne Belgique, pp. 13, 14, 76. 

Dergelijke wangeloovige begrippen bestaan nog in sommige streken van 
Bohemen. Waneer op Kerstavond het licht in de kamer ontstoken wordt, 
geeft iedereen acht of aan zijne schaduwe het hoofd te zien is. Hij, wiens 
schaduwe geen hoofd vertoont, sterft in den loop van het jaar. 

Waneer een zieke de II. Olie ontvangen heeft, dan let men aandachtig den 
rook der uitgeblazen keersen na. Vliegt de rook de kamer in, dan zal de 
kranke genezen ; volgt hij integendeel den priester buiten de kamer, dan 
de zieke sterven. (Am (Jr-Quell, IV, bl. 280-2Ö1). 



« Ons Volksleven. » 7 

In meest al de Belgische steden vieren de keersgieters 
hunne patroonfeest met Lichtmis. Het gebruik dat eertijds 
onder hen in zwang was, eene keers ten geschenke te zenden 
aan hunne kalanten, is in sommige plaatsen tot op den 
huidigen dag bewaard gebleven, hoewel het ambacht der 
wasgieters het reeds in 1552, op boete van 6 pond parisis, 

verboden had (i). 

* 

III. — #J) 0mt-j[3lfl5iuB, 



^int-Blasius wordt voornamelijk aanroepen tegen de 
^ keelziekten en, volgens een gebruik dat tamelijk alge- 
meen verspreid is, zegent men op Sint-Blasiusdag den hals 
met gewijde keersen. Deze zegening die geschiedt met twee 
brandende keersen kruisgewijze te plaatsen op het hoofd 
van den persoon die verlangt gezegend te worden, wordt 
ook « lichtzegening r. geheeten; en, 'tzij om deze, 'tzij om 
eene andere reden, schreef het volksgeloof er de kracht aan 
toe, het verstand van den mensch te scherpen (2). 
[H Vervolgt.) Jozef Cornelissen, 

ie ÜimuEteökH tiau ^erraW. 

^iCHTbij Peccatel, in 't Groothertogdom Mecklen- 
burg-Schwerin, waren twee Himnehcddcn [Uix- 
l'p nengraber). Volgens de legende werden zij door 
onderaardsche wezens bewoond. Eene dezer grafsteden 
bevatte, zoo men zegde, eene tafel waarrond zij soms ten 
feestmaal veigaderden; in de andere grafstede stond een 
Z-e/e/, en de bewoners der beide heuvels leenden zich onder- 
ling de twee voorwerpen. 




>..■> 



(1) Gaillard. De Ambachten en Neringen van Brugge, bl. 123. — Trad. et 
Lég. de la Belgique, op. cit., I, p. 93. 

(2) CoB.NET. Beautés de l'Église cathoUque, p. p. 38-39. — Cokemans. 
L'Année de l'ancienne Belgique, op. cit., p. 76. 



8 « Ons Volksleven. » 

Deze grafsteden, die nog ongeschonden waren, werden 
doorzocht onder het bestier van den H'' Lisch, in tegenwoor- 
digheid van den groothertog Frederik-Frans en de groot- 
hertogin Alexandrina, zuster van iteizer Willem I. 

In de eene grafstede ontdekte men den bronzen ketel, in de 
andere eenen grooten vloersteen. 

De dertig boeren die het werk uitvoerden, en de legende 
wel kenden, waren door dien vond zoodanig verschrikt dat 
eenigen hunner, uit vrees voor dg wraak der geesten, hunne 
werktuigen wegwierpen en ijlings de vlucht namen. Het 
was slechts met de grootste moeite dat men die lieden kon 
bewegen hun werk te hervatten. 

Die grafsteden dagteekenden van het Germaansch tijdvak. 
Sinds was de streek bewoond geweest door Slaven, Wilzen 
en Obotriten. Het is echter wel mogelijk dat een deel der 
oorspronkelijke bevolking niet gansch verdween, maar in 
staat van lijfeigenschap of dienstbaarheid bleef voortleven. 

Wij hebben hier dus een der wonderlijkste voorbeelden 
van het voortbestaan der Germannsche overleveringen, dwars 
door het tweede bronzen en het ijzeren tijdvak, en dat der 
Obotriten. 

Dit voorbeeld is van algemeen belang : het bewijst dat de 
volksoverleveringen in hooge mate onze aandacht dienen 
te trekken, en dat het niet alleen nuttig, maar zelfs nood- 
zakelijk is ze te verzamelen en op te teekenen, daar zij niet 
zelden hunnen oorsprong vinden in geschiedkundige daad- 
zaken (i). 

J.-Th. de Raadt. 



(1) Protokolle der Generalversammlung des Gesammtvereins der deutschen 
Geschichts- und Alterthumsvereine zti Sckwerin. 1690 (Berlin), bl. 145 en 146. 
Verg. : Jahrhiicher des Vereinsfür Mechlenburgische Geschichte und AUerthums- 
Kunde, IX, 1844, bl. 369-378, en XKV, 1860, bl. 215-240. 





Irjielle. 



usscHEN de dorpen onzer provincie 
wier verleden eene aaneenschake- 
ling vormt van belangrijke voor- 
Vallen, mogen wij in de eerste 
plaats Schelle noemen. Dank aan 
de ieverige opzoekingen der heeren 
J.-Th. de Raadt en J,-B. Stockmans, 
bezitten wij nu eene uitgebreide, 
met tal van bescheiden en oorkon- 
den verrijkte geschiedenis dezer 
belangrijke gemeente (i). 
Het is ons doel, ten believe onzer talrijke lezers, eenige 
woorden te reppen over een werk, dat om zijnen zakelijken 
inhoud, ruimschoots hunne belangstelling verdient, terwijl 
het tevens in de rij onzer plaatselijke geschiedenissen eene 
leemte aanvult. 

De « Geschiedenis der gemeente Schelle y> is verdeeld in 
vier hoofdstukken : Burgerlijk Schelle, Geschiedenis, Heer- 




(1) De Heerlijkheden van het Land van Mechelen. Geschiedenis der ge^neente 
Schelle, door Joh. Theod. de Raadt, Secretaris van het oudheidkundig 
genootschap van Brussel, &J. B. Stockmans, Archivaris der gemeente Bor- 
gerhout. Lier, Drukkerij van Joseph Van In & C'«, Drukkers-Uitgevers, 
Rechtestraat, 48 (1893). — Fraai boekdeel in-S» van 208, VIII en II bladz. 
versierd met platen en zegelafbeeldingen. 



10 « Ons Volksleven. »» 

lijkheden, Kerkelijk Schelle, en twee aanhangsels : Folklore 
van Schelle, Sagen en Legenden, en Nalezingen. 

In het eerste hoofdstuk vinden wij de ligging der gemeen-, 
te beschreven, hare wegenis en waterloopen, nijverheid en 
landbouw, hare bevolking, naamafleiding, gemeentewapen 
en -archieven, enz. Sprekende over het schepenzegel, waar- 
van het oudst gekende gehecht is aan eenen akt van 1633, 
bewijst de heer de Raadt nogmaals hoe lichtveerdig er in de 
eerste helft dezer eeuw met het samenstellen van gemeente- 
zegels werd te werk gegaan. Hij heeft het dus nuttig geoor- 
deeld een nieuw zegel, op geschiedkundige gegevens berus- 
tende af te beelden, en het gemeentebestuur aangezet mach- 
tiging tot het gebruik van dit nieuwe zegel, aan het staats- 
bestuur te verzoeken. 

Het tweede hoofdstuk bevat de geschiedenis van Schelle, 
van de vroegste tijden af, dat is van in de IX*" eeuw, tot 
heden. De naam der gemeente wordt voor de eerste maal 
vermeld in het testament van den Frankischen graaf Eve- 
raard, waarbij deze al zijne goederen gelegen onder /S'ceZZe- 
hurd, dat is van Schelle en dezes aangrenzend grondgebied, 
aan zijnen zoon Rudolf vermaakt (IX^ eeuw). 

Het overzicht van het lOOOjarig bestaan des dorps Schelle 
is alleszins meikweerdig, bijzonder waar er spraak is van 
de stichting en verdere lotgevallen der Sint-Bernaardsabdij, 
wier geschiedenis zoo nauw verwant is met die onzer ge- 
meente. Zooals alle oude dorpen onzer provincie beleefde 
Schelle beurtelings tijden van voorspoed en verval. Na in 't 
begin der XV^ eeuw tot den hoogsten trap van ontwikkeling 
gestegen te zijn, telde Schelle rampvolle dagen op het einde 
dier eeuw; de jaren 1530 tot 15G5 waren voor de gemeente 
weer een tijdvak van bloei en welvaart zooals zijne jaarboe- 
ken er geen meer zouden te vermelden hebben. Doch die 
voorspoed zou alras verdwijnen door de woelingen die het 
Twaalfjarig Bestand voorafgingen (1566-1009). Dit laatste 
schonk eenige verademing aan 't uitgeputte dorp; doch na 
afloop van het Bestand brak nogmaals een tijd van zware 
beproeving aan, die slechts eindigen zou in 't begin dezer 
eeuw. 



" Ons Volksleven. »» 



11 




12 « Ons Volksleven. y> 

Het derde hoofdstuk is gewijd aan de Heerlijklieden van 
Schelle. Als eersten heer van Schelle {Sccllehnrd) noemen de 
schrijvers den Frankischen graaf Matfrid, waarvan melding 
gemaakt wordt in het reeds hooger aangehaalde testament 
van graaf Everaard van Trevise en zijne gade Gisela, volle 
zuster van Karel den Kale. Na hen volgt in de geschiedenis 
het machtig huis der Berthouten, verders de familie Sanders, 
die de heerlijkheid van Hagelsteen, anders gezegd 't hof f e 
SceJïe oïien Laere in bezit had; de familie de Stover of Stoe- 
ver, die haren naam gaf aan de heerlijkheid Stoevers, ook 
geheeten ten EsscJie, enz., enz. 

Wij stappen met inzicht over een aantal edele huizen 
heen, om de lijst onzer aanhalingen niet grooter te maken, 
en vermelden dus evenmin eene reeks van heerlijke goederen 
en kasteelen, waarvan de beschrijving het hoofdstuk sluit. 

Op kerkelijk gebied, — het onderwerp van het vierde 
hoofdstuk — , hing Schelle af in de eerste tijden van zijn be- 
staan, van de moederkerk van Contich, en diensvolgens van 
de abdij van Lobbes, in Henegouw. In 1147 werd de kerk 
van Schelle aan het kapittel van Mechelen afgestaan. Of- 
schoon van minderen omvang als de vorige, bevat dit hoofd- 
stuk toch menige belangrijke bijzonderheid, vooral wanneer 
er van den droevigen tijd der Fransche overheersching 
spraak is. 

Overtuigd van het belang dat de volksoverleveringen 
inboezemen, deelen de schrijvers in een eerste bijvoegsel de 
« Folklore van Schelle » mede. De meeste dier « Sagen en 
Legenden », « Sprookskes en Vertelsels ", enz. verschenen 
reeds vroeger in « Ons Volksleven », dank aan onzen trou- 
wen medewerker, den H'' Lenaard Lehembre, van Schelle. 
Het doet ons genoegen, — dit zij terloops gezegd — , dat de 
heeren de Raadt en SLockmans onze pogingen, om van den 
schat onzer volksoverleveringen te redden wat nog te redden 
valt, goedkeuren en in hun werk eene plaats weerdig keu- 
ren, aan die, in schijn zoo nietige, in wezenlijkheid zulke 
trouwe, eenvoudige, van den volksgeest doordrongen opra- 
kelingen uit lang vervlogen tijd. 

Een tweede aanhangsel « Nalezingen » getiteld, bevat nog 



« Ons Volksleven. 



13 



F^ 








^M£ 


^ ^ 


fy" 


«pï^ 






X» /ïO 


i^f^ 


^1^ ^ 






'• M'i 


^^P 


^^ 


■^^ipf 


•M* 


^ il 


^ 


^ 


^ 


S»w*is 


[ 








^ 












• . 










;. 




















' 






-.•^i 




> 


J 


P,4«ijjjg^ 


Jj|-'3^ 




' 




^=1 




*.,,.■■ . 


^,™-«. 



.v>^ 



^^trmj»/. 



tos 



it< 



.1' 



^;F^ |s 



M^ 



f^ 






-mim 



m 



^n 



14 



« Ons Volksleven. »• 



een aantal aanteekeningen, die in den tekst moeielijk plaats 
konden vinden, of slechts later ontdekt werden, en belang- 
wekkend genoeg waren om niet onvermeld te worden 
gelaten. Twee tafels besluiten het werk dat wij, zonder 
vrees van tegenspraak, tusschen de belangrijkste mogen 
rangschikken, tot hiertoe door den heer de Raadt in 't licht 
gezonden. J. B. Vbrvliet. 



tUttr f ïre. 



Wij hebben hooger gezegd dat, toen het werk der heeren 
de RRadt en Stockmans het licht zag, het oudst gekende 
schepenzegel van Schelle aan eenen akt hing van 1633. De 
heer de Raadt meldt ons nu, dat hij een nog ouder, gansch 
onbekend zegel heeft ontdekt, gehecht aan een charter 
van 1480 (i). Dit zegel draagt het wapen der Berthouden, de 
drij palen met een vrij-kwarüer beladen met twee beurtelings 
gelmnteelde dwnrsbalhen, welk vrij-kwartier het wapen van 
Arkel uitmaakt. De matrijs van dit zegel dagteekent dus van 
den tijd, toon Jan, Heer van Arkel, het Land van Mechelen 
in bezit had, en dit laatste den naam droeg van Land of 
Kwartier van Arkel [r. J. B. V. 




lijgelnnüige in!tiintj)en, Stktokketi, eti). 



|. _j., ENE dieijstmaagd aangehouden er) gefolterd, onjdat zij 
|rv,V °P Sint-Jansavoi^d, op l^et kerkhof zaad van steenvareri 
^^^'^^^^^^^'^^had willen verzanjelei^. 

« Onder den meyer van Vilvorden. 

Van Goedelen, Merten Snelleerts maerte, om dat se op Sint Jans 



(1) Handvesten der Hoofdkerk van Antwerpen, c«^sa dofninorum, N" 84 ». 

(2) Men zie onder andere : J.-Th. de Raadt, Putte, Schrieck enGrootloo en 
hunne heeren, bl. 5-6. 



« Ons Volksleven. » 15 

avont des nachts te Duysborch op 't kerchof aen de kerke een 
becken, met cleederen gedect, gheset hadde, om saet van steenva- 
ren (i) te hebben, daer si over bevonden was, ende daer om gevan- 
gen ende ghepynt, Ende want men niet aen haer en vant, dat si yet 
wiste wat men metter sade doen soude, anders dan dat se haer 
meesterse daer ghesonden hadde ende alsoe ghewyst te doene, ende 
om dat si daer af genaede coes, soe liet se d'amman pointen om v 
cronen, valent xvj s. viij deniers » (2). 

* 

De Pastoor vaij Kersbeek Ijoudt op zekeren dag wijghuis. Woorden-- 
wisseling tusschei;! den priester en zekeren knecht. Tusscljen komst van 
's pastoors zuster. Meij wordt handgemeen . De pastoor doodelijk 
gekwetst, De njoorderiaar begaat later eeneij nieuwen doodslag. De 
Amn;)ar) staat hem toe te pointeij (^). 

« In de meyerie van Rode. 

Van Hennen Kieken, die quam in tiden voirleden te Kersbeke 
tot her Jans, parochiaens huys van Kersbeke, die wyn vercochte 
op dien dach binnen sinen hiise, soe dat dair vele gesellen droncken, 
soe dat dair Hennen Kieken oec dranc metten gesellen tot 's papen 
huys voirs., soe dat doe viel dat her Jan van Kersbeke voirs. ende 
Hennen Kieken voirs. vele quaderwoerde hadden d'een tegen den 
anderen, overmids dat sy wel by dranc waren, soe dat Hennen KiekeR 
nten huse ghinc op te messie ; ende doen quam 'ts papen suster van 
achter ende stieten in den mespoel, soe dat hi doer den mespoel lo- 
pen moeste. Alsoe dat Hennen doen vele quader woerde seide tot 
's papen suster waert ende seide : Waer hi gheen pape, hi en soute 
niet verdragen van hem, ende ghinc ewech. Ende doen quam die 



(1) Kiliaen : Steenvaeren == Scolopendrium, calcifraga, asplenum, herba 
quse in parietibus & saxis siliceis nascitur : & calculos visicse comminuit. 

(2) Rekening van Wenceslaus de Hertoghe, Amman van Brussel, loopende 
van 24° Juni toi 25° December 1409. Rekenkamer van Brabant, reg. n' 12700. 

(3) De pointinge was eene somme gelds, waarvan 't bedrag in volle vrijheid (?) 
besproken wierd tusschen den rechtspleger en den beschuldigde. Mits betaling 
van deze som, kon deze laatste zich onttrekken aan de vervolging, tegen hem 
ingespannen, en aan de gevolgen der veroordeeling, tegen hem uitgesproken. 



16 « Ons Volksleven. » 

pape gelopen met enen stocke Hennen Kieken nae ende sloech nae 
hem ende doen spranc hi gichterwaert ende seide : « Jae, ees't alsoe, 
soe rad ie u wel, dat ghi my niet naerre en coemt, want ie en wille 
tegen u niet vechten ! » — Des die pape niet laten en wilde ende 
sloech metten stocke nae Hennen voirs., dat hi hem gheraecte, ende 
Hennen voirs. toech een broetmesse ende stack na den pape, alsoe 
dat hi hem gheraecte in syn die van den bene, ende doen worden sy 
beide gesceiden. Ende binnen xv dagen soe starf die pape, soe dat 
Hennen Kieken partyen gebetert heeft met hiilpe van sinen vrien- 
den, 

Ende die selve Hennen Kieken sat in tiden voorleden te Gilsen- 
berge ende dranc dair in ene taveerne tot eens Lippen Smeeds huys 
ende met hem Heyne Hoyman, die ondermeyer dair was, ende 
kalengierde den weert van den huys van dat syn maten te cleyn 
waren. Ende daer en binnen qiiam dair een ander geselle die oec 
taverne plachte houden, ende dien had hi oec ghecalengiert, soe 
dat doen Hennen Kieken seide, hi en salder niet mere af geven dan 
die ander man die hi voer ghecalengiert hadde, soe dat vele quader 
woerde vielen tusschen Heynen Hoyman ende Hennen Kieken, soe 
datter Heynen Hoyman menichwerven wten liuyse riep ende 
dageden op te stratè. Ten lesten quam Hennen Kieken voirs. op te 
strate ende doen ghingen se op malcanderen slaen met haren 
stockeu.Ende doen quam Lippen de Smet, de weert, wt gelopen ende 
wonder tusschen lopen, soe datten haerre ene van hen beiden op 
syn hoet gheraecte met enen stocke, dat hire af starf. Wair af 
Hennen Kieken partiden gebetert heeft mids rade van sinen vrien- 
den. Ende alsoe saen als die beternisse gesciet was, soe zwoer 
Hennen Kieken ten heiligen, dat hi onsculdich was van synre doet, 
alsoe verre als hy 't wiste, welc die partiden in groten danc namen 
ende wel sagen hoe 't by comen was. Ende Hennen voirs. quam 
dair nae aen den amman omme gracie te hebbene ende syn lant te 
ghecrigen, want hi onnoselic in beide die doetslage comen was ende 
niet wt en was om glieeu van beiden te slane, noch noyt viantscepe 
jegen gheen van beiden en hadde. Alsoe dat d'amman beden 
van goiden lieden ende dat een arme knecht was ende nae die 
gelegentheit van den feyte heeft dairaf poentinghe laten maken 
omme xxxvj crquen tot myns genedichs heren behoef, ende d'am- 
man vergaf hem de misdaet van myns genedichs heren weghen alse 



« Ons Volksleven. » 17 

amman van Bruessele; dair om hier xxxvj cronen den prise voirs., 

valent vj pond iij s. » (i). 

* 
* * 

Twee Meisjes van lichte zeden, aangeljouder) onj eei;ien vinger van 
eeijep gehangen dief bezeten te hebben. De Anjman treft eeg vergelijk 
met hen, na ze door het heet water te hebben doen pijnigen. 

« Van Mary Mennekens, dat sy berucht was van dat sy enen 
vinger ghecregen sonde hebben, die een meysken, geheiten Lysken, 
ende was van Brugge, die van stade was, afghesneden soude hebbeu 
van enen dief een stuck van enen vinger aen der galgen, welke een 
gedeelvanden vinger vonden was in Mary en huys voirs., dair 
omme dat sy gevangen was, ende d'amman hair vregede, wat sy 
dair mede maken soude, wair op sy antwerde, dat sien leggen soude 
onder hair bedde stede, dair op dat men se plach te bruden, ende 
omme dat die gesellen te bat tot hair commen souden dan elder 
gaen, ende overmids dat sy grote genade coes ende dat men meynde 
dat toverye was, soe liet se d'amman poenten, ter beden van goiden 
lieden, om viij royale, valent xxvj s. viij d. 

Van Truden Herpers, die men heet Stappers, een wyf van lichten 
levene, om dat sy oec berucht was, dat sy oec een vinger gecregen 
soude hebbeu van der voirs. Lysken van Brugghe, die oec van 
lichten leven is, den welken sy afgesneden soude hebben van enen 
dief van der galgen, welc gedeelt van den vinger vonden was in 
ïruden Herpers huys voirs., dair omme dat sy ghevangen was, ende 
d'amman hair vregede, enz pointinge : xxvi s. viij (2). 

Vervolgingen, iijgespapen tegeri ee\\e\) onnoozele, om een gat ip 
een huis gemaakt te hebben. Hij wordt in den blok gesloten. De Anjnjan 
laat Ijem toe te pointer). 

« Heyn van Assche, een sot, die een gat maecte te her Wouters 
huys van Wynghe te Bruessel ende anders niet en dede ende men 



(1) Rekening van Philip van der Couderborch, ridder, amman van Brussel, 
loopende van 25° December 1411 tot 21° Juli 1412 ; Sekenlamer van Brabant, 
reg. i\' 12700. 

(2) Rekening van Philip van der Couderborch, amman van Brussel, 
loopende van 25» December 1411 tot 21° Juli 1412. 



18 « Ons Volksleven. » 

conste niet bevinden dat hi yewerinx yet ghedaen hadde daer enege 
prejudicie aen ghelach, ter beden van vele goeder mans ende om 
dat de moeder een sere arm wyf is ende gheloofde den amman den 
knecht te hondene ghesloten in enen bloc, soe si noch doet, soe liet 
haer d'amman composeren ende om Gods wille om iij gulden cronen, 

valent xiiij schellingen vj deniers groten « (i). 

* 

* * 

De Jonkvrouw van Laethenj te Leuven voor tooverij aangehouden, 
Sommige harer goederen worden aangeslagen, die zij terugkoopt, na iij 
vrijheid gesteld te zijij. 

« Eerst van der Jouffrouwen van Laethem, die te Loevene gevan- 
gen word van toeveryen, die men haer opteech, dat sy bedreven 
soude hebben aen Raessen van Maleven, om d' welke die amman in 
rastemente sette sekere haeffelike goeden die sy te Bruessele hadde, 
die welke, nae dat zy los was, hercochte tegen den amman omme 
't recht te schuwene, d'welc haer de voirs. amman opende op xij 
croenen blanc, tot myns genedichs heren behoef, valent ij pond 
groten» (2). 

* 

* * 

Een Christen, Hoofdnjan eener bende Zigeui;iers of Bohenjers. Het 
klooster van Audergem in brand gestoken en geplunderd, De plicljtige 
gerecht door het vuur, op de Groote Merkt te Brussel. 

" Van Estienne Jacque, die welcke langh tyt als capitain van den 
egipteners gegaen hadde achter lande ende met diversche andere 
hadden helpen spolieren het cloostere t'Ouwergom, gelyck hy oyck 
daeraff was bedragen geweest, by twee gevangenen, die tot Berchem 
boven Oudenaerden gevangen waren, met welcke gevangenen hy 
oyck namaels worde geconfronteert, ende aldaer bekinde metten 
zelveu 't voerscreven feyt met meer andere te hebben helpen 
committeren ; den selven daer omme metten brande op de merct 
geexecuteert, die ten tyde van zynen aentaste zekere somme 
van gelde over hem hadde, daer aff hier nae over zyn behoorlyck 
capittel zal wordden verantwordt, daer omme hier nyet. 

(1) Rekening van Jan van Dyedeghem, amman van Brussel, loopende van 
Kerstmis 14'i3 tot 27 Meert l42-i{n. et.) Jiekenlmner vanBrabant, reg. n"" 12701. 

(2) Rekening van Jan van Edingen, heer van K e stergat, amman van Brus- 
sel, loopende van Kerstmis 1451 tot Sint-Jansdag 1452. 



« Ons Volksleven. »» 19 

Item van Estienne Jacque, die met diversche zyiien complicen 
hadde hulpen berooven het cloostere van Ouwergem ende 't selve 
daer nae hadden affgebrandt, waeraff de stadt van Bruessel zoude 
schuldich zyn te betaelen de somme van xxv rinsguldenen, maer 
want over den zelven ten tyde van zynen aentaste es bevonden 
geweest de somme van xxiij rinsguldenen, gelyck daer aff hier nae 
onder zyn behoorlyck capittel ontfanck gemaict wordt, zoe dat de 
voers. stadt volgens deuvoers, privilegie in den text geruert, maer 
en zoude gehouden zyn te suppleren de somme van twee rinsgulde- 
nen, ende want de stadt daer aff nyet geven en wilt, daerom hier... 
nyet « (i). J.-Th. de Raadt. 

flgen uit jiet ÏEtiö tian Jenkrmatik, 

1. (163.) Df ourige tUagen. 

over een vijftigtal jaren reed er alle nachten 
op de groote baan van Dendermonde naar Waas- 
munster een groote vurige wagen zonder peer- 
den. Van binnen was hij vol bloedroode lichten en nooit had 
iemand er een levend wezen in gezien. Wie bij nachte op de 
baan was, hoorde van verre de daverende karos aanrijden, 
waarvan men op grooten afstand het licht zien kon, maar 
als de afstand tusschen den wandelaar en 't vreemd getuig 
rnaar eenige stappen meer bedroeg,verdween plotseling het 
rijtuig om, eenige passen verder, weder op de baan voort 
te rollen. 

Vooral op de oude heerlijkheid « den Rodendriesch » 
(onder Waasmunster) was de vurige wagen best gekend. 
Daar hadden vele menschen hem gezien, en 't was op eeni- 
gen afstand van de huizen dezer wijk, dat de vurige wagen 
verdween in eenen put, dicht bij de rivier de Dunne en 
recht over de brug van Waasmunster. 

Het volk voegt er bij dat de vurige wagen de geest was 
van eenen edelman, die in braspartijen en alle soorten van 
losbandigheden zijn fortuin had verkwist. 

De edelman had aardige manieren : zijne koets was nu 
eens bespannen met vijf tot acht ezels, dan eens met een 

(1) Rekening van Jan van Locquenghien, ridder, heer van Koekelberg, 
amraan van Brussel, loopende van Sint-Jan 1562 tot Sint-Jan 1563. Rekenka- 
mer van Brabant, reg. n"" 12709. 




20 « Ons Volksleven. » 

dozijn honden, enz. De edelman stierf, maar zijn wagen, nu 
zonder peerden en van binnen vol vuur, bleef naar ouder 
gewoonte bij nachte langs de baan rollen. 

2. (164.) Bc Btthciskimvo. 

BEN rijke landbouwer uit de Meerschstraat beloofde — 
'k en weet niet om welke reden — zooveel zakken tarwe 
aan den arme te geven als er graantjes in ééne maat gaan. 
Dat was oer gezeid dan gedaan. Onmoiielijk kon de boer die 
belofte vervullen : hij stierf en met hem ging de belofte in 
het graf. Maar zie, nauwelijks was de man eenigen tijd dood, 
of daar kwam hij spoken Alle avonden vertoonde hij zich 
in levenden lijve, omringd van vlam en vuur. In die vreese- 
lijke gedaante zette hij zich boven op de haag, en, nadat hij 
daar eenigen tijd had gezeten, verdween hij weer. Gij kunt 
denken hoe vrouw en kinderen verveerd waren, telkens dat 
de avond ging vallen, hoe ze dan schudden en beefden voor 
dat afgrijselijk spook 

Niet wetende wat doen, ging men eindelijk om rand bij 
den pastoor, 't Antwoord was : « Vraag den wederkeerende 
wat hij verzoekt. » Zoo gezegd, zoo gedaan. Reeds den 
volgenden avond, als het spook zich M'ederom vertoonde, 
werd het aangesprokenen 'tgaf tot antwoord : " Ik kan niet 
zalig worden of de belofte, die ik gedaan heb, moet vervuld 
worden. » Nu was het raadsel opgelost, maar de belofte 
vervullen en zoo de ziel helpen, dat ging niet gemakkelijk. 
De vrouw weigerde kortaf, zeggende : " Liever eene ziel 
verdoemd dan kinderen arm te maken. ^ Dit woord had voor 
gevolg, dat de geest moest blijven ronddwalen in zijne 
schrikwekkende gedaante. Er werd dan aan de weduwe 
voorgesteld ten minste gedeeltelijk de belofte van haren 
echtgenoot te vervullen. Zoo gaf men voor raad, eene maat 
peerden boonen boven in eene houtmijt te gieten, daarna 
voorzichtig de mijt af te breken en zooveel zakken graan 
aan den arme te geven, als er boontjes tot op den grond 
waren gevallen, 't Scheen wel dat de geest daarmee tevreden 
was en dat hij zou verlost geraken, maar de vrouw weigerde 
hardnekkig en hield aan heur eerste woord. Het spook 
kwam altijd terug, ja, vermeerderde nog zijne plagerijen, 
totdat men besloot het te bezweren om negen en negentig 
jaar op het strand der zee te zwerven. Het spook vertrok, 
maar vooraleer het zich van de hoeve verwijderde, drong 
het in huis en sloeg daar den duivelsklauw op den muur, die 
er niet meer uit te krijgen was. 

{'t Vervolgt). P. van den Broeck. 




Mt %nxMn ïn jjet f nlfegelnaf m Mh^tknït 

{Vervolg). 
IV. — #p hen (tvBUn Zonha^ h\ öen iÜcBteu. 



den eersten Zondag in den Vasten 

ziet men, te Maaseik en in veel dor- 

s^pen van Limburg, de kinderen 

^ ' 's avonds de straten doorloopen met 

brandende fakkels of stokken, met 

stroo omwonden, dat zij aangestoken 

hebben. Vervolgens ontsteken zij in 

het veld kleine vuurkens en dansen er 

rond (i). 

In Brabant bestond, over een zeven- 
tigtal jaren nog, een dergelijk gebruik. 
Vrouwen en mannen, in vrouwen vermomd, gingen in het 
veld met brandende fakkels en dansten er, onder het 
zingen van boertige liederen, 't Was een slag van vasten- 
avondvermaak dat, naar men zegt, ten doel had, den « kwa- 
den Zaaier » (Evangelie van den Zondag) te verjagen (i). 

Het rondloopen met brandende fakkels en het ontsteken 
van vuren in het open veld, op den eersten Zondag in den 
Vasten, zijn — men is er bijna zeker van — de overgebleven 
sporen van eene oude heidensche feest ter eere van Thor, 
den god des Dondei s en der Lente. Bij het begin van het 




(1) Tradit. et Légendes de la Belgique, op. cit., I. bl. 143. 



VI 



22 « Ons Volksleven. » 

vroegjaar riep men den zegen van dien god in over de velden 
en de gezaaide vruchten. 

Te leperen heet die dag « Borrellezondag », omdat eertijds 
de kinderen er met brandende fakkels of « borrellen » in de 
hand, de straten doorliepen, al roepende : 

Borrelle, borrelle! 

Steekt het vier in d'helle! 

Alzoo, beweert men, wilden zij de Joden verbeelden, die 
Ons Heer in den hof der Olijven met brandende toortsen 
gingen opzoeken. Van tijd tot tijd gingen zij met hunne 
vlammende fakkels voor de deuren zitten, en alzoo schenen 
zij Christus te verlichten op zijnen weg naar den kerker (i). 

* 

0NDER de drij Donkere Metten die men de drij leste dagen 
der Goede Week verricht, worden, onder andere cere- 
monieën, de keersen de eene na de andere uitgedoofd, om de 
vlucht der Apostelen te verbeelden, die hunnen meester 
lafhertig in den nood verlieten. De laatste keers draagt men 
al brandende achter den autaar, tot een teeken dat de Zalig- 
maker begraven wierd, met het licht der godheid vereenigd. 

De dienst in de kerk op Paaschavond is gekenmerkt door 
verschillige plechtigheden, waaronder het wijden der 
paaschkeers eene der voornaamste is. 

Deze keers wordt gewijd onder het gezang Exultet, dat 
's Heeren verrijzenis aankondigt, en verbeeldt Christus, het 
licht der wereld, die op den kandelaar des kruises is gesteld 
geweest tot verlichting van alle menschen tegen de duister- 
nissen der onwetendheid en der zonde, en die door zijne 
verrijzenis een nieuw licht geworden is. De paaschkeers 
wordt dan ook in alle diensten ontstoken tot aan den feest- 
dag onzes Heeren Hemelvaart. 

In de paaschkeers steken, in den vorm van een kruis, vijf 
nagelen van wierook, die dikwijls nog in wassen nagels 
gesloten zijn. Deze wierookgraantjes, « paaschnagelen » 

(1) Tradit. et Légendes de la Belgique, op. cit., I. bl. 143. 



« Ons Volksleven. » 23 

g*eheeten, beteekenen, door de stof waaruit zij bestaan, dat 
het lichaam van Christus gebalsemd wierd en, door hunnen 
vorm en hun getal, herinneren zij ons de nagels die de han- 
den en voeten des Zaligmakers doorboorden en de lans die 
zijne zijde opende. 

Eertijds placht men van de paaschkeers eenige stukjes 
was af te nemen, die men vervolgens op Quasimodozondag, 
na de mis uitdeelde. De geloovigen verbrandden dien was in 
hunne huizen of velden, als een behoedmiddel tegen den 
donder, den hagel, den wind, het ongedierte en de lagen des 
duivels. 

In de Kempen en Brabant hecht het volk groot belang 
aan de paaschnagels, die men zorgvuldig als heiligdom 
bewaart en met een volledig vertrouwen tot verschillige 
doeleinden aanwendt. Men werpt er van in 't water waarin 
men de zaaitarwe wascht, om den oogst te bevrijden tegen 
de ziekte, " brand « of « poppen ^ geheeten (i); men legt ze 
onder de dorpels van huis en stal, om menschen en beesten 
te vrijwaren tegen alle ongelukken, maar voornamelijk tegen 
tooverij; eindelijk, men mengt er van onder den drank der 
koeien, om ze voor alle besmettelijke ziekten te bewaren. 



YI. — #1) öen t^ Me\, 



m 



E Antwerpen en in de voorgeborchten, alsook in andere 
steden en groote dorpen, gaan de schoolkinderen dien 
dag onder het geleide hunner meesters naar de kerk en 
offeren er, elk naar zijn vermogen, eene schoon versierde 
keers aan Onze Lieve Vrouw. 

In vele dorpen brengen de geloovigen gedurende de maand 
Mei, keersen en bloemen aan, om het beeld der H. Maagd te 
versieren. 



(1) Als önfaalbare middelen tegen de « poppen » in de tarwe, geven bijge- 
loovigen nog op : 1° Eene gewijde keers ontsteken vóór het graan eer men het 
zaait, en ondertusschen S'' Jans Evangelie bidden ; 2" het strooisel, waarover 
de processie gegaan heeft, met het graan over den akker zaaien, en terwijlen 
S* Jans Evangelie lezen. (N'' 2 is ook een zeker middel, beweren zij, om de 
muBSchen van de tarwe te houden). 



24 « Ons Volksleven. » 

Eertijds dansten op dien dag de vrouwen rond eenen 
meiboom met brandende fakkels in de liand. 

Te Venloo waar het versieren van den mei boom veel naïe- 
ver verwekt tusschen de inwoners der verschillige wijken, 
brengt ieder meisken op Meiavond eene keers, die men aan 
de takken van den mei boom bevestigt. Met het aanbreken 
van den nacht worden al die keersen ontsteken en men danst 
rond den mei,waarin honderden lichtjes staan te branden (i). 



YII. — :^iUvzxde\u 

jTjE beginnen van Allerheiligenavond worden de kerkhoven 
1 in de steden druk bezocht door eene talrijke menigte, 
die er komt bidden voor de zielerust der afgestorven bloed- 
verwanten of vrienden. Sommigen zetten alsdan gewijde 
keersen op de graven, of besproeien ze met wijwater. 

In verschillige streken der Ardennen gaan er processiën 
rond de kerkhoven, waarin men brandende keersen draagt. 
Is de plechtigheid gedaan, dan plaatst men eene keers op, 
het graf van den laatsten afgestorvene zijner familie (2). 

In vele dorpen van Brabant en de Kempen, plant de huis- 
moeder in eene plaat vol wit zand, van tien tot twintig roe- 
ten keerskens, die zij aansteekt, terwijl zij een gebed leest 
tot lafenis der geloovige zielen in het Vagevuur. 

Voortijds (en wellicht nog, hier en daar) ontstak men 
's avonds vóór Allerzielen gewijde keersen in zijn huis, die 
men heel den nacht door liet branden, om bevrijd te zijn 
van de verschijningen der afgestorvenen, wier geesten naar 
het volk geloofde, gedurende dien nacht ronddwaalden. 

Te leperen zetten de kinderen 's avonds vóór Allerzielen 
kruisen of Lieve-Vrouwebeeldjes, met een brandend keers- 
ken er voor, op de straten, nabij de deur hunner woningen, 
en bedelen de voorbijgangers eenige centen af, om « koeken 
te bakken voor de zieltjes in 't Vagevuur » (3). 



(1) Tradit. et Légendes de la lielgique, op. cit, I, bl. 285. 

(2) MoLANüs. De Historia SS. Imaginum, 1771, bl. 374, 
(8) Tradit. et Légendes de la Belgique, op. cit., II, bl. 239. 



« Ons Volksleven. » 25 

Het is hier de plaats om een woord te zeggen over de ver- 
maarde Keerskensprocessie, die te Scherpen heuvel uitgaat op 
den Zondag na Allerheiligen. 

Wat den oorsprong dier processie betreft, hierover zijn de 
geschiedschrijvers het niet eens. Volgens de Geschiedenis der 
Stad Biest (i) werd zij ingesteld ter herinnering aan eene 
verschrikkelijke pest, die ten jare 1629 in de omstreken 
van Scherpenheuvel woedde en ophield, dank aan de voor- 
spraak der H. Maagd, die de inwoners aanroepen hadden. 

Andere schrijvers vermelden, dat in 1734 de buikloop te 
Scherpenheuvel en op 't omliggende vreeselij ke verwoestin- 
gen aanrichtte. Op het aanhoudend verzoek der bevolking, 
nam de pastoor voor eene processie ter eere der H. Maagd 
te laten uitgaan, ten einde door heure voorspraak het ver- 
wijderen van dien schrikkelijken geesel te bekomen. De 
processie had plaats en de ziekte verdween. Uit dankbaar- 
heid besloot men de processie jaarlijks te vernieuwen. 

Eertijds ging zij uit van 7 uren tot 10 uren 's avonds, maar 
om alle ongeregeldheden te voorkomen, wierd zij, over 
meer dan eene halve eeuw, op 4 uren 's namiddags vastge- 
steld. 

De inwoners van Scherpenheuvel verlichten hunne huizen 
op den doortocht der processie, en ieder der talrijke menigte 
die de processie uitmaakt en waaronder vele vreemdelingen 
zijn, draagt eene brandende keers in de hand; velen zelfs 
hebben geheele bussels keersen, die zij alle ineens ontsteken. 
Te midden van eene dubbele rij keersdragers gaat de pastoor 
van Scherpenheuvel die het wonderbeeld Onzer Lieve Vrouw 
draagt, en daarachter volgen de priesters met het Hoog- 
weerdigste. 

[H Vervolgt.) JoZEF CORNELISSEN. 



(1) Geschiedenis der stad Diest. Diest, 1847, II, bl. 86. 







H)angelnnf iti Blem-a^raliaEt. 



t. Mt Maan. 

"XEN bewijs, dat het volk seffens groote ding-en toe- 
i. schrijft aan de natuurverschijnselen, die het niet 

^^?kan uitleggen, is wel het volgende : De maan 
(waar de houtraper, die des Zondags werkte, voor zijne straf 
in gezet is) — heeft de wonderbare kracht het vleesch lang te 
bewaren, en wel de oude maan. Daarom doen de pachters 
hunne verkens dood met de oude maan. De appelen plukt 
men nooit met de nieuwe maan, anders houden zij niet. De 
zieke, die de volle maan doorgeraakt, kan nog eene maand 
leven. Daags na de volle maan verwacht de visscher eene 
goede vangst. 

2. Be BteevteUrrew, 

E steertster is bij het volk een verstandig wezen, de tolk 
der vergramde godheid, en verschijnt enkel als de tijden 
slecht zijn; volgens hare grootte, kleur en klaarte schrijft 
men haar schrikkelijke dingen toe. Reeds in 590, zegt J. 
Rambossen in zijne sterrengeschiedenis, was de steertster 
Belia het voorteeken van eene besmettelijke ziekte, die 
inderdaad uitberstte. Die de ziekte kreeg, stierf al niezende. 
't Zou van dien stond af zijn, dat men de woorden « God 
zegene u » uitspreekt, telkens er iemand niest. — De steert- 
ster van 1846 was bij ons volk de voorbode van hongersnood, 
die inderdaad in 1848 volgde. Is de steert rood, zoo staat er 
een bloedige oorlog te verwachten; is hij bleekwit, dan 
moet er hongersnood komen en besmettelijke ziekten. De 



« Ons Volksleven. » 27 

steertster van 1882, zeide het volk, voorspelde oorlog en 
menigen jongeling zag men verbleeken, als hij de ster aan- 
staarde. Immers zulke sterren zijn geesten, die de besluiten 
van God kenbaar maken en het menschdom verwittigen. 

3, De %i\. 

[M de tij of ebbe uit te leggen is het volk het overal niet 
eens. Die op den Scheldekant wonen en dus dagelijks het 
op- en afloopen des waters waarnemen, zeggen dat op zekere 
uren de aderen der zee opengaan en al het water opslorpen. 
Na eenigen tijd nochtans, spuwen die aderen alles weer uit, 
het weggeloopene water komt terug en dan is 't vloed. 
Anderen, die aan beken of aan kleinere waterloopen wonen, 
beweren dat het zoute water de bijzondere kracht heeft van 
te wassen zooals de planten, van uit te zetten en te verme- 
nigvuldigen, en van op te zwellen, bijna lijk ziedend water. 
Vandaar komt, zeggen zij, het kwatsen en het klotsen der 
baren tegen den oever. Anderen (maar zij loopen er zoo dik 
niet) leggen de zaak nog eenvoudiger uit volgens de omstan- 
digheden. In 1860 of rond dien tijd moet er in Zuid-Antwer- 
pen eene zoo groote droogte geheerscht hebben, dat de 
boeren uit de drogere streken en uit de Kempen te Sint- 
Amands om water kwamen. Een boer die voor zijnen eersten 
keer aan den Scheldestroom kwam gereden, zeide : 't moet 
ginder ergens hard geregend hebben, vermits hier zooveel 
water is ('t was namelijk hooge tij). In den namiddag kwam 
hij terug en vond de Schelde bijna ledig : O, riep hij uit, als 
dat zoo voortgaat, is er morgen geen druppel meer in. 
('t Was dan leeg water). Onderwege zeide hij aan degenen 
die hij tegenkwam : « Haast u, of ge hebt geen water meer. 
Ook de Schelde is al leeggehaald. » Alf. J. C. 




ie f ngeleti in liet fnlksgelnal (d 

VI {Vervolg] 

^|fc een artikel, in den vorig-en jaargang verschenen, 
spraken wij over de zwaluwen. Wij zullen er nog 't 
?een en 't ander bijvoegen, om dit opstel te volledigen. 
Ziehier wat wij lezen in een Brusselsch dagblad van den 
6^ in Herfstmaand 1893 : 

De swalmven. — Weet men wel dat de zwaluwen eene 
macht van ziekten genezen? Dat men er over oordeele : 

— De assche van jonge zwaluwen — rivierzwaluwen wel 
te verstaan — is een onfeilbaar en allerbeste middel tegen de 
doodelijke keelziekte. 

— Hebt gij de vierdaagsche koorts en wilt gij ze overwin- 
nen? Eet eene jonge zwaluw heel en gansch op. Ofwel, zoo 
het u tegenspant gansch den vogel te eten, neem dan enkel 
de herten van den heelen nest, kapt ze in honing en zwelg- 
dat mengsel in, tenware dat gij een drachma van hun inge- 
slikt voedsel in geite- of schapemelk verkozet, in te nemen 
vóór den vierden koortsaanval. 

— Voelt ge uw geheugen verzwakken? Maak een drankje 
klaar van zwaluwherten, kaneel qf kruidnagels, en uw 
geheugen zal krachtiger zijn dan ooit. 

— Siroop van zwaluwen, nuchteren ingenomen, zwaluw- 
vleesch, als bestendige leefregel gebruikt, en zwaluwassche 
onder den drank gemengd, is voor die aan vallende ziekte 
onderhevig zijn, een geneesmiddel dat al de andere in de 
schaduwe stelt. 



(1)Z. Ons Volksleven, \l, bl. 50, 65, 73, 135; III, bl. 92; lV,bl.l86; V,bl.llO. 



« Ons Volksleven. « 29 

— De zwakheid van g-ezicht, de oogziekten, de ontsteking 
der keelklieren zijn nog de minste kwalen die verdwijnen 
door het aanwenden van zwaluwgeneesmiddelen. 

— Wat meer is, niets beters dan zwaluwnesten tegen 
keelontsteking; niets doeltreffender tegen het «pootje», 
dan het bloed dezer vogels. 

— Michaël Mercati en Galiënus spreken over zekere steen- 
tjes, lapüli geheeten, die men in het ontleed lichaam der 
kleine zwaluwen vindt. Deze twee geleerden bevestigen, dat 
die steentjes de eigenschap hebben om de leverziekten te 
genezen, zoo men ze aan den rechterarm van den zieke hangt. 
Wat de steenen betreft, die men in hunne nesten vindt, zij 
bevrijden den gelukkigen bezitter tegen alle slag van ver- 
koudheden. Alfried Harou. 



I. (48.) ^ct öflukkt^ (ê^vfhid, 

IN het land van Hannover woonde er eertijds een rijke pachter, die 
drij zonen had. Daar hij voelde dat hij zou gaan sterven, riep hij 
zijne kinderen aan zijn sterfbed en zeide hun : « Mijne kinderen, ik 
word gewaar dat het met mij niet lang meer zal duren : binnen 
eenige uren staat gij alleen in de wereld. Maar vooraleer ik vertrek, 
wil ik zelf mijne goederen onder ulie verdeelen, opdat gij er later 
niet meer over en zoudt twisten. Ieder van u moet tevreden zijn 
met hetgene ik hem beschik. » Toen sprak hij tot elk van hen in 't 
bijzonder : « Aan u, mijnen oudsten zoon, geef ik het huis met hof 
en al de landerijen. Voor u, mijn tweeden zoon, is al het geld dat 
ik bezit, en aan u, mijnen jongsten zoon, die reeds dacht niets 
meer te krijgen, schenk ik mijn peerd. » — « Maar, vader «, zei de 
jongste gestoord, « wat kan ik met dat peerd aanvangen? » — 
«Klaagt niet, jongen», antwoordde de vader, «dit peerd zalu 
geluk aanbrengen. » De zoon was verwonderd en dacht : « Zie ! 't is 
wel een schoon en kloek peerd, maar ik begrijp niet, hoe mij dit 
gelukkig maken kan. « Niettemin was hij tevreden en hij zei: 



30 « Ons Volksleven. » 

« Ewel, vader, » als uw leste wil zoo is, ben ik met mijn deel 
tevreden. « 

Daarop stierf de pachter. De oudste zoon bleef op de hoeve, de 
tweede reisde weg met het geld, en de jongste, die Jan hiet, vertrok 
met het peerd en een beetje reisgeld op zak. Hij wist niet goed 
waarhenen, maar hij verzon niet lang en sloeg den weg in naar de 
zee. Als hij daar kwam, zag hij in de verte een schip komen aange- 
varen. Hij dacht in zijn eigen : « Ik ga hier wachten, totdat het 
schip aanlandt. Ik heb toch niets te doen en weet niet van wat 
hout pijlen maken. Misschien zal ik mijn peerd kunnen verkoopen. » 

Eindelijk kwam de boot aan wal. De reizigers stapten af en 
bezagen allen het schoone peerd, dat Jan bij den toom hield. Een 
vooral had geene oogen genoeg om het peerd te bekijken. Hij droeg 
in zijne hand eenen dikken stok en had eenen verveerlij ken grooten 
hond bij. «Wilt ge uw peerd vermangelen tegen mijnen hond en 
mijnen stok, vriendschap? « vroeg hij aan Jan. « Ge zijt nogal niet 
bevrozen, r, lachte Jan, « wat zou ik met uwen kluppel en uwen 
leelijken hond aanvangen? n — « Dat zal ik u eens laten zien! » zei 
de andere « ga maar mee. » Daarop wandelden zij samen tot aan 
een bosch ; de vreemdeling nam zijnen stok, en roef! daar sloeg hij 
mij 'nen dikken boom 'nen meter boven den grond, rad over. Dau 
riep hij zijnen hond en zei : « Breekal ! trekt dezen stuikblok uit 
den grond! « De hond kwam seffens af, hij begost met zijne tanden 
aan den afgeslagen boomtronk te wiggelen, en op één, twee, drij, 
trok hij hem met wortel en al uit den grond. Als Jan dat spelleken 
afgezien had, zei hij tegen den man : « Hier is mijn peerd, geeft 
mij uwen hond en uwen stok. « De vreemdeling nam het peerd, 
bezag het sterlings in de oogen en zei : « ^ie ! dat peerd is mijn 
eigeu vader. » Toen sprong hij in den zadel en was op 'nen oogen- 
blik uit het gezicht. 

Jan trok voort met zijnen hond en zijnen stok en hij stapte altijd 
maar recht door, totdat hij in eene groote stad kwam. Daar zag hij 
in de straat 'nen grooten hoop volk, dat daar stond te kermen en te 
klagen, en hij vroeg aan eenige menschen : « Mijne vrienden, wat 
is hier gebeurd? Is u het een of het ander groot ongeluk overkomen, 
dat ge hier zoo staat tesumpen en te schreien? « — « Wel « ant- 
woordden ze, " 't is genoeg te zien dat ge een vreemdeling zijt, 
anders zoudt ge wel weten dat hier alle jaren eene maagd moet 



« Ons Volksleven. » 31 

geofferd worden aan den draak die in de rivier zit ; zonder dat zou 
hij gansch de stad verwoesten. Wij hebben [het lot getrokkken, en 
het is gevallen op de dochter van den koning. Morgen moet zij 
sterven, » 

Jan dacht in zijn eigen : « Wacht een beetje ; ik zal ik eens tegen 
dien draak gaan vechten en de prinses verlossen, maar hij zei niet 
wat hij dacht. » Des anderendaags, met het krieken van den dag, 
moest de koningsdochter verslonden worden. Al de menschen waren 
in den rouw en deden de prinses uitgeleide tot aan de rivier. Zij 
ging in 't wit gekleed en was uitnemende schoon. Toen het volk aan 
het water gekomen was, liet het de koningsdochter alleen en 
vluchtte haastig naar de stad terug, want niemand wilde blijven, 
om getuige te zijn van de schrikkelijke dood der jonkvorstin. Jan 
alleen bleef, gewapend met zijnen stok en vergezeld van zijnen 
hond. Hij ging naar de koningsdochter en zeide : « Edele prinses, 
keert terug naar de stad ; ik zal hier blijven, om den draak te 
bevechten en, zoo ik hoop, te overwinnen. » — « Ach ! mijn vriend «, 
antwoordde zij , " vlucht spoedig weg en laat mij over aan mijn lot ; 
zooniet wordt heel de stad ongelukkig. » Maar 't was verloren 
gebeden en gesmeekt : Jan was niet van zijn gedacht af te brengen. 
Daar stak de draak zijne zeven koppen uit het water op en kwam 
met groot geweld naar de koningsdochter af. Hij brulde vreeselijk en 
zijne oogen vlamden gelijk gloeiende kolen. Maar Jan liet zich niet 
ontstellen : hij nam zijnen stok en sloeg er zoo hevig mee op eenen 
der koppen van het monster, dat hij bijkans van de romp af was. 
Seffens riep hij op zijnen hond : « Breekal ! sta mij bij ! n Op die 
woorden sprong het moedige dier zijnen meester ter hnlp en greep 
den draak bij den half afgeslagen kop en trok hem af, schoon het 
monster zich schrikkelijk verweerde en de lucht met zijn gebrul 
vervulde. Nog zes keeren sloeg Jan met zijnen stok, nog zes keeren, 
kwam Breekal bijgesprongen, en toen was de draak dood. De 
koningsdochter, buiten haar zei ven van blijdschap, vond geene 
woorden, schoon genoeg om beuren redder te bedanken, en wilde 
hem met geweld voor den koning, heuren vader, brengen, opdat deze 
hem zijne welverdiende belooning zou geven. Dit weigerde nochtans 
de edelmoedige held ; maar om de prinses niet te bedroeven, beloofde 
hij heur, binnen één jaar op deuzelfden dag weer te keeren. Dan 
zou hij naar het paleis komen en zich aan den koning kenbaar maken. 



32 « Ons Volksleven. >» 

De koningsdochter was daarover tevreden, en zij gaf Jan eenen 
gouden ring, waarin een kostbare diamant glinsterde. Daarop 
namen zij afscheid van elkander : Jan trok verder de wijde wereld 
in, terwijl de prinses vol blijdschap naar de stad terugkeerde. Maar 
vooraleer te vertrekken, sneed hij de tongen uit de drakenkoppen 
en stak ze in zijnen zak. 

Onderwege kwam de koningsdochter drij kolenbranders tegen, 
zwarte, vuile kerels, die te veel gedronken hadden. Zij spraken 
heur aan en vroegen hoe het kwam, dat de draak heur niet ver- 
slonden had. Zij lei hun uit, hoe een vreemdeling het monster 
verslagen had en dat hij binnen een jaar zou terugkomen. De 
oudste der drij kolenbranders zeide : « Ge zult dien man niet meer 
zien, en daarom gaat ge ons zweren, dat ge ons aan den koning 
uwen vader als uwe redders zult voorstellen, en ge gaat mij beloven 
dat ge met mij zult trouwen; zoo niet zullen wij u vermoorden. « In 
den eerste weigerde de prinses hardnekkig, maar eindelijk, uit vrees 
voor de dood, deed zij den gevraagden eed. 

Om zeker te spelen, namen de bedriegers de afgeslagen draken- 
koppen mede en verschenen zoo met de prinses in 's konings paleis. 
De koning was uit der mate verwonderd en verblijd zijne dochter 
gezond terug te zien, en vroeg haar hoe zij het leven had kunnen 
behouden. De prinses, door beuren eed gebonden, zeide dat de drij 
kolenbranders den draak verslagen hadden. De koning liet seffens 
eene groote feest inrichten om de gelukkige verlossing zijner dochter 
te vieren. De kolenbranders wierden zijne vrienden en hovelingen, 
en er wierd besloten dat de oudste met de prinses trouwen zou. 

Er was juist een jaar verloopen sedert de redding van 's konings 
dochter. Te dier gelegenheid gaf de koning eene groote feest, 
waarop het huwelijk der jonkvorstin met den oudsten kolenbrander 
zou bekend gemaakt worden. 

Terwijl alles in 't paleis in volle vreugde was, kwam Jan met 
zijnen hond en zijnen stok in de stad aan. Al wandelende door de 
straten, vroeg hij aan eenen inwoner waarom de huizen zoo schoon 
gevlagd waren en gansch de stad in feest was. « Wel vriend », ant- 
woordde deze, « 't is vandaag juist eenjaar geleden, dat de dochter 

van den koning van den draak gered wierd. « En door wie? » 

vroeg Jan. — « Wel door drij kolenbranders : dat weet heel de stad 
en de omtrek. Ge moet van wijd komen, om dat niet vernomen te 



« Ons Volksleven. >» 33 

hebben. Ook gaat de prinses binnenkort met den oudsten kolen- 
brander trouwen. » 

— « Hm! hm! » dacht Jan, « dat is goed om weten. » Hij slen- 
terde verder de stad in, en ging eene herberg binnen, recht over het 
paleis, en bestelde er een glas bier. Hij riep zijnen hond en zeide : 
« Breekal, loopt naar de eetzaal van den koning en brengt mij het 
grootste stuk vleesch van de tafel. « Vliegens liep de hond de eet- 
kamer binnen en, eer de knechten hem kosten verjagen, had hij 
reeds het grootste stuk vleesch van de tafel genomen, en kwam er 
mee bij zijnen meester. De baas uit de herberg stond versteld en 
dacht : « Wat vent is me dat van zoo frank te durven zijn, en wat 
wonderlijke hond van alzoo te gehoorzamen. « Ja maar, den koning 
zijne knechts kwamen de herberg binnengestoveu en vroegen den 
weerd : « Wiens hond is dat ? »•, Jan antwoordde : « Die hond hoort 
mij toe. H — " Volgt ons dan bij den koning, om u te verantwoor- 
den, n Jan vroeg niet liever, dat kunt ge wel peizen. Toen hij in de 
zaal kwam, herkende de koningsdochter hem seffens, maar zij sprak 
niet, en wou den geschiktsten oogenblik afwachten. De koning was 
diep gestoord toen hij Jan zag en vroeg hem : « Waarom houdt gij 
uwen onbeschoften hond niet beter bij? r — " Sire, » antwoordde 
Jan, « zijt niet kwaad op mijnen hond, want hij heeft u 'nen grooten 
dienst bewezen. » — « Nen dienst, mij 'nen dienst bewezen? Wel, 
man, ge zijt zot. « — « Hij heeft mij uwe dochter helpen redden, 
Sire. )) — « Gij hebt mijne dochter gered?... Hier zitten de mannen, 
die den draak verslagen hebben, en tot bewijs, hebben zij de zeven 
drakenkoppen meegebracht, « — « Wie zou de redder uwer dochter 
zijn, Sire, « antwoordde Jan, « die de koppen van den draak ge- 
toond heeft, of hij die de zeven tongen en haren ring bezit? » En Jan 
trok de drakentongen uit zijnen zak en liet den diamanten ring der 
prinses zien. Daar viel niets tegen in te brengen. Nu kon de ko- 
ningsdochter niet langer zwijgen, en zij begost uit te leggen hoe 
snood de kolenbranders heur behandeld hadden. Toen schoot de 
koning in eene geweldige gramschap, en hij liet op staandeu voet de 
drij deugnieten aan eene galg hangen. Wat Jan betreft, hij trouwde 
kort daarna met de prinses en, na de dood van den ouden vorst, 
wierd hij koiring. Hij regeerde veel jaren en ware het niet dat hij 
gestorven was, hij zou nog koning zijn. 

{Gehoord te Ravels in de Kempen.) Frans Zand. 



)flgen titt jiet ïanii tiEti Jetitormnitk. 



3. (165.) iPe D0lbrttcl)tf MofU, 

^N de verledene eeuw zou een landbouwer van Hamme- 
-<» S*^ Anna zijne hofstede herbouwen. Steenenen kalk lagen 
gereed, de grondvesten waren gemaakt en de metsers en 
andere ambachtslieden waren volop aan den arbeid. Een 
priester kwam daar voorbij, stond eenige oogenblikken het 
werk aan te staren en sprak vervolgens den landbouwer 
aan, die zijn volk bewaakte. " Zie, zeide hij, daar blijft nog 
een hoekske grond naast de straat leegliggen ; zoudt gij niet 
tevreden zijn om op dat pleintje een kapelleke te bouwen? 
Steen en kalk liggen er nu en ik zou de daghuur betalen. » 
De landbouwer bedacht zich eenen oogenblik en stemde toe. 
Beide besloten het kapelleke toe te wijden aan de H. Familie. 
De priester vertrok en achtte zich gelukkig een goed 
werk verricht te hebben. De hofstede was bijna voltrokken 
en weldra zou men aan het bouwen van 't kapelleken begin- 
nen, toen de priester ondertusschen kwam te sterven. Nu 
bleef de bouw steken, 't Duurde niet lang of de geest van 
den priester verscheen : alle avonden zag men hem wandelen 
met den brevier in de hand, hof op, hof af, stal in, stal uit, 
en hij verdween telkens over het pleintje waar het kapelle- 
ken moest staan. Als dit eenigen tijd geduurd had, sprak de 
landbouwer den geest aan, zeggende :« Wat is er van uw 
verzoek? » Waarop het antwoord kwam : « Bouw het kapel- 
leke, bouw het kapelleke, dat gij met mij beloofd hebt. » 
De boer verzekerde den pastoor dat men zoo gauw mogelijk 
zou beginnen, en van dien dag af bleef de geest achter en 
was de hoeve nu weder rustig. Wanneer het gebouw vol- 
trokken was, werden de beelden Jezus, Maria en Jozef 



« Ons Volksleven. » 35 

gehaald en bij hunne aankomst in het huis van den boer 
gezet, 's Nachts nadien lion niemand slapen op de hofstede : 
óp den zolder was het een gerucht alsof de duivels er aan 't 
vechten waren, maar 's anderendaags, nadat de beelden in 
het kapelleke waren geplaatst, was het op de hoeve weder 
stil. 

Die bidplaats bestaat nog, maar is heden zoodanig door 
gebouwen omringd, dat men er enkel den voorgevel van 
zien kan. 

Op eenen arduinen steen, er in geplaatst, leest men het 
jaartal 1792 — dagteekening der herbouwing, zegt men. 

4. (166.) (Ê^orB:i^v0nq in ^oohe £xeve-^TO\im. 

^E oude, breede heirbaan van Antwerpen naar Gent loopt 
•Si door Hamme van het Oosten naar het Westen, over de 
wijken Drijgoten, Broekstraat, 't Eed, Echelbeek en Hooigat, 
en vandaar op het grondgebied der gemeente Zele. Nabij de 
wijk 't Eed, op de plaats gezeid de Vierschaar, waar de 
heirbaan doorsneden wordt, was over vele, vele jaren de 
vergaderplaats van heksen, die alle nachten er in groot 
getal bijeenkwamen. Eene vrouw, ook aan den duivel vast, 
besloot zich van dezen te ontmaken en zich te bekeeren. Zij 
sprak hare biecht, en maakte daarbij bekend, hoe het er 
alle nachten op de heirbaan toeging. 

De heksen zongen en klongen daar als op eene kermis; de 
duivel zelf verscheen er, en daar rees soms een wonderschoon 
tooverpaleis van zilver en goud uit den grond op. De pastoor, 
zich van de waarheid der sprookjes dienaangaande willende 
overtuigen, besloot zelf zekeren nacht, op klokslag twaalf, 
te gaan zien. 

Zoo deed hij ook. Ter plaatse gekomen hem door de vrouw 
aangewezen, zette hij zich neder op eenen hoop graszoden, 
onder eenen eik. Nauwelijks was hij gezeten, of alles veran- 
derde voor zijne oogen. Hij zag niets dan goud en zilver en 
meende in eene prachtige zaal te zijn. Daar kwam de duivel 
tot hem met een grooten boek, waar al de namen in stonden 
der tooveraars en tooverheksen, die daar 's nachts bijeen- 
kwamen. De duivel lei den boek op eene tafel open, ^en 



36 



« Ons Volksleven. » 



noodigde den pastoor uit om met zijn bloed zijnen naam op 
de lijst te zetten. De geestelijke weigerde, maar verzocht den 
duivel den boek op zijne knieën open te leggen. Na lang 
aarzelen willigde de duivel in, maar nauwelijks had de 
pastoor den boek in handen, of hij sloeg hem toe. Krak ! daar 
stortte het tooverpaleis ineen, duivel en heksen verdwe- 
nen en de pastoor zat nu alleen met den duivelsboek in 

de handen. 

't Spoken onder den eik was gedaan. Op de plaats waar de 
priester had gezeten, hingen de godvruchtige menschen van 
de parochie een rood beeld van O. L. Vrouw, ter herinnering 
aan het bloedig handteeken, waarmede men zich aan den 
duivel verbond. 

{Hamme, bij Dcndermonde). P. VAN den Broeck. 



fiilk0£ipelen. 



(1) 




'usscHEN de volksspelen zijn er enkele, die in de 
uitvoering eene zekere gelijkenis met elkander 
hebben; men zou ze « spelen met den mond " kun- 
nen noemen. Tot die reeks behooren : Ajuin zabberen, appel 
bijten, siroop lekken, paling bijten, heete pap slikken, enz. 

Het ajuin zabberen zullen wij eenigszins uitvoerig beschrij- 
ven ; de andere spelen eischen dan nog slechts korten uitleg. 



1. (6.) 3jutn zahbextn, 

T /«ERBEELDT u op ccue tafel, eene groote waschtobbe met 
\l water gevuld, waarin een ajuin, van de losse vellen 
ontdaan, en den steel weggesneden, ligt te dobberen. Men 
loot om te weten wie het eerst mag « zabberen «, dat vol- 
gender wijze geschiedt. 

De zabberaar buigt zich over de tobbe, en hapt naar den 
ajuin, die op het w^ater drijft. Dat mag hij drijmaal herhalen, 

(1) Ziet Ons Volksleven, IV, bl. 66, 67, 87, 173, 206. 



« Ons Volksleven. » 37 

maar zonder zich op eenigerlei wijze van zijne handen te 
bedienen. Gelukt liij er niet in den ajuin met de tanden te 
grijpen, dan volgt een tweede speler, die op zijne beurt 
drijmaal toebijt. 

Om het den kampers nog wat moeielijker te maken, heeft 
men den grootsten ajuin genomen, dien men vinden kon. 
Eens nu het spel in gang, laat op het onverwachts deze of 
gene der toeschouwers, die rond de tobbe geschaard staan, 
eenen steen of een ander zwaar voorwerp in 't water vallen, 
zoodat het den juist toehappenden speler in mond en oogen 
spat, en hem den begeerden buit doet missen. Onnoodig te 
zeggen dat na eene drijmaal herhaalde poging, het hoofd 
van den speler veel gelijkenis heeft met den kop van eenen 
zwemmenden poedel. 

Soms maakt men het nog erger. Dan giet men den voor- 
overgebogen zabberaar eene kan of eenen emmer water in 
den nek, zoodat hij wel dikwijls zonder prijs maar toch altijd 
druipnat, het spel verlaat. 

Men speelt zoolang er prijzen zijn; voor eiken ajuin dien 
men gezabberd, dat is met de tanden uit het water gehaald 

heeft, krijgt men eenen prijs. 

* 

2.(7.)^1)pa bi\Un, 
TIET is hetzelfde spel als 't ajuin zabberen, maar in plaats 
il van eenen ajuin, moet men eenen appel met den mond 
uit het water halen. Zooals in alle spelen, tracht men 
de moeielijk heden voor de spelers zoo talrijk mogelijk te 
maken. Wie, zooals het volk zegt, geene « schuurdeur » kan 
openzetten, dat is zijnen mond niet tot achter zijne ooren 
kan opentrekken, moet niet meekampen, want de appel is 
doorgaans van de grootste die er te krijgen zijn. 

* 

•» * 

Kan men met den mond moeielijk grooie voorwerpen vast- 
grijpen, kleine, zooals muntstukken, uit het water halen, 
gaat toch ook niet gemakkelijk. Daarom vervangt men soms 
den ajuin of den appel door een muntstukje, dat op den 
bodem van de tobbe gelegd wordt. De speler steekt snel het 



38 « Ons Volksleven. » 

hoofd in 't water, zuigt het stuk van den bodem op, — want 
bijten of met de tanden grijpen helpt niet, — en wint den 
prijs. Dat is echter gauwer gezegd dan gedaan: weinigen 
gelukken er in het muntstuk uit het water te halen. 

• 

3. (8.) 0tr00p lekken. 

EEN half frankske, of gelijk men gewoonlijk zegt, een half 
voetje, wordt in eene groote, met siroop gevulde kom, 
geworpen. 

Nu moet ieder op zijne beurt trachten het muntstuk met 
den mond uit den siroop te halen, om aldus eenen prijs te 
verdienen. Door de zwaarte zinkt het geldstuk tot op den 
bodem der kom, en het is enkel nadat een goed deel siroop 
aan neus, mond, lippen, kaken, knevel en baard der mede- 
dingers hangt, dat zij met eenige kans van welgelukken 
naar het prijswinnend half frankske zoeken kunnen. Onnoo- 
dig er op te wijzen, wat vieze gezichten die mannen trekken 
met hunne siropen troniën (i). 

4. (9.) IJttltng bijten. 

BENEN levenden paling wordt eene koord aan den steert 
gebonden, en zoo opgehangen, met den kop omlaag. Zij 
die aan dit barbaarsch spel deelnemen, moeten nu op beurt 
naar den paling bijten, en hem trachten den kop, met hunne 
tanden, af te rukken. Het beestje spartelt en kronkelt, en 
maakt het, gelijk men wel denken kan, de liefhebbers 
bijzonder lastig. Elke afgerukte palingskop geeft recht op 
eenen prijs. 



5. (10.) i^eete pa^) slikken. 

IJ die aan dit spel meedoen, zitten allen gereed aan tafel, 
elk met eene teil of groote schotel voor zich. De kokend 
heete pap wordt ingeschept, en op een gegeven teeken begin- 



2 



(1) Dit spel is bij de Kirghizen ook gekend, doch daar neemt men eene 
groote teil of schotel pap,eii werpt er eenen heelen of halven zilveren roebel in. 



« Ons Volksleven. » 39 

nen de kampers te slikken, allen om ter gauwste, want die 
het eerst zijne schotel leeg heeft, is gewonnen. Dat gaat 
echter niet zonder ongemak, want de eene verbrandt zijne 
tong, een andere zijn gehemelte, een derde zijne keel, enz. 

Dat is me dan ook een geblaas en smoelengetrek, om zich 
vet te lachen. J. B. Vervliet. 



3JEklit0^irEkmg. 



J.-Th. de Raadt. — Verzameling van Grafschriften en 
Wapens van Gorinchem. (Naar een oud handschrift). 
Overdruk in-8° van 30 bldz. uit « De Nederlandsche Heraut. » 



Het handschrift, waarvan de heer de Raadt in gemeld vlugschrift 
een beknopt maar trouw verslag meedeelt, berust in de rijke 
heraldieke verzameling van den heer Graaf Georg de Looz Corswa- 
rem. Het draagt voor titel : Wapens en inscriptien van de sepul- 
turen, tombes en zarften, item meest alle de blazoenen, soa in de 
kerken in de Meyerye van 's Hertogenbosch als Gorinchem. 

Ofschoon het boek geenen naam van den schrijver draagt, heeft 
de heer de Raadt, door vergelijking met andere handschriften, in 
dezelfde verzameling berustende, kunnen vaststellen dat de ver- 
veerdiger was Job Maarten de Lange, geboren den 11° Juni 1652, 
te Gorinchem, en aldaar gedoopt in de gereformeerde kerk op den 
25'' Juni 1652. 

Het eerste en grootste gedeelte van het handschrift werd reeds 
door den heer de Raadt uitgegeven in zijne Verzameling van graf- 
schriften en ivapens in verschillende Noordbrabantsche kerken 
(Helmond, 1893, in-8°, 761 bldz,), zoodat er in het hier besproken 
werkje slechts van het laatste gedeelte des manuscripts afschrift 
gegeven wordt. Toch is het voor den beoefenaar der geslacht- en 
wapenkunde belangrijk genoeg om geraadpleegd te worden. 

J. B. Veevliet. 
J.-Th. de Raadt. — Mélanges (Deuxiéme série). — Vlug- 
schrift in-8° van 14 bldz. (Overdruk uit de Annales de la Société 
d' Archéologie de Bruxelles). 1893. 

Deze tweede reeks van « Mengelingen » bevat : Eenige stukken 
betrekkelijk de geschiedenis van het geslacht Berchem uit het huis 
der Berthouten ; — Bescheiden nopens de geslachtkundige geschie- 
denis der hertogen van Brabant uit het huis van Burgondië ; — 
Overblijfsels eener geschilderde kerkraam berustende in het ge- 



40 « Ons Volksleven. » 

meentemuseüm van Brussel ; — en De Brusselsche geschiedschrijver 
Jan-Karel- Jozef tVAbremes. 

De losse aantee keningen waaruit deze vier kleine verhandelingen 
bestaan, werden door den heer de Raadt verzameld tijdens zijne 
opzoekingen in 's Rijks algemeen archief, te Brussel, en in de 
Schepenboeken der stad Antwerpen. De schrijver oordeelde ze, en 
met reden, belangrijk genoeg om aan de vergetelheid ontrukt te 
worden, daar zulke kleine stukken niet zelden punten bevatten, die 
eene kostbare vingerwijzing zijn voor den geschiedschrijver en 
oudheidkundige. J. B. Vee vliet. 

Blatter für Pommersche Volkskunde, II, N"" 4. — Sagen vom Teufelsbere: bei 
Bussin (V. Pennse). — Volkstümliches aus Nöreuberg (Schreiber). — Volks- 
tümliches von der Insel Gristow (Wolff). — Tiermarchen (G. Gaude). — 
Handwerker-A nsprachen (D"" A. Haas). — Ein Hochzeilsgebrauch aus Göritz 
(Asmus). — Notfeuer in Pommern (O. Knoof)). — Pommersche Flurnamen 
(H. Dassow). — Bastlösereime. — Kleine Mitteilungen. 

The Folk-Lorist, I,N'"4. — The Red Bird. poem (W. Malone). — Totera- 
Post Stories (J. I)eaus). — Malagasy Folk-Lore (Th VVilkinson) — German 
Exibit 011 the Plaisance. — Dahomey Superstitions. — Japauese Folk-Lore at 
the World's Columbian Exposition (E. W. Clements). — Charms, Amulets 
and Fetishes at the World's Fair (Editor). — Third International Folk-Lore 
Congress. — Bock Reviews. — Penobscot Ideas of the Origin of Maize (H. M. 
Wheeler). — Miscellany. — Resolutions of Respect to Lieut. Fletcher S. 
Bassett. 

Revue des Traditions populaires, IX, N"" L — Les types mélodiques de la 
chanson pop. frangaise (J. Tiersot). — Coutumes, croyances et superstitions 
de Noël. XII (H. ,Marlot). — LesEpingles 1. Les Epingles et,les Saints (A. 
Harou). — II Les Épiiigles et 1'Amour. (A. Harou) III. Les Épiugles et la 
Sorcellerie (O. de Bassilan). — Le pret rairaculeusement remboursé (R 
Basset). — Tradit. etsuperst. des Ponts-et-Chaussées. VII. Les Ponts (G. d. R) 
— Devinettes estonienoes (A. Didoj. — Contes de la H^'^-Bretagne qui préseu 
tent des i-essembiances avec des contes imprimés. I. Contes de Perrauli (P 
Sébillot). — Les Montaignes IV. (A. Harou). — Coutumes de mariage. XVI 
(L. Morin). — La toupie du géant Periferigerilérimini (A. Certeux). — 
Légendes et superstitions de la Kabylie et du Djurjura (A. Virc). — Croyan- 
ces, légendes et superst. du Cap Sizun (H. le Carguet). — Bibliographie. 

Wailonia, II, N'' 1. — Le baptème. I hes censes de baptème (A. Gittée). — 
11. Traditions liégeoises (O. Colsoü). — Coufi ^— Coufou, conté liégeois (J. 
Lesuisse). — La bière, chanson (L. Loiseau). — Théatre des doigts. I-III. 
(O C , G. Willame et J. Tromme). — Bibliographie. 

Volk en Taal, VI, N"" 7. — Nieuwjaargebruiken (T. van Heuverswyn). — 
Bijdrage tot den Is'ederl. taalschat (F. de Vos). — Van 't goudvischje (L. Du 
Catillon). — Volksgebruiken. S*. Maarten (R Ghesquière). — Fransche tijd 
te Oudenaarde (C. van Caeneghem). — Dietsche belangen. 

't Daghel in den Oosten, IX, N"-» 9-10. — Limburgsch Nederlandsch. — Een 
onuitgegeven handschrift van Mantelius. — Een staalken taaistudie uit 
Ruusbroeck's H andvingerlijn (F. Nouwen). — Moorderij op de Kempische 
landlieden door de Lorreinen. — UitBeverloo. 




'ÖJangdnnf, 




tüttorscgtjerij bi\ mtïiïiel mn entni ijleutel. 

M te weten of iemand van wien men in 
langen tijd niets meer vernomen heeft, 
een vriend, een bloedverwant, of on- 
verschillig wie, nog" leeft of dood is, 
heb ik het volgende bijgeloovig middel 
zien aanwenden. 
Men steekt eenen sleutel met den klauw tus- 
schen de bladen van eenen kerkboek, juist op Sint- 
Jans Evangelie en bindt hem daar vast in, terwijl 
men zorgt de koord die men daarvoor gebruikt, eenige 
malen kruisgewijze te leggen. Twee personen laten den 
sleutel met den ring of de oog op den top van hunnen wijs- 
vinger rusten, zoodat hij daar vrij op draaien kunne. Daarna 
bidt men Sint-Jans Evangelie, en waneer bij de woorden : 
En het Woord is Vlcesch gnvorden en liet heeft onder ons ge- 
woond, de sleutel begint te draaien, dan is de bedoelde 
persoon in 't leven; blijft de sleutel stil, dan is de persoon 
dood. 

Ofschoon dit wangeloof weinig verspreid is, toch ken ik 
hier en daar huisgezinnen, waar men gewoon is van tijd tot 
tijd de proef met den sleutel te nemen. Ik heb eene oude 
vrouw geweten, die in dit orakel groot vertrouwen stelde en 
het meer dan eens geraadpleegd heeft. Of men het middel 

VI 3 



42 « Ons Volksleven. »» 

ook gebruikt om andere zaken te ontsluieren, is mij onbe- 
kend. 

Men leest in Delrio (i) en Delancre (2), dat men eertijds het 
orakel met den sleutel, in 't Fransch cUidomancic of cléhlonrt- 
mancie, placht te ondervragen, om den pleger van ^enen 
diefstal of den dader van eene moord te ontdekken. Men 
omwond den sleutel met een brief ken, waar de naam van 
den verdachte opgeschreven stond, en hing er eenen bijbel 
aan, die door eene maagd moest ondersteund worden. De 
waarzegger mompelde daarna zachtjes den naam van den 
verdachten persoon en, was deze plichtig, men zag onmid- 
dellijk het brief ken draaien en bescheelijk bewegen. 

Er bestaat echter nog eene andere wijze van den sleutel te 
raadplegen, die meer met de hooger beschrevene overeen- 
komt. Men steekt den sleutel in eenen boek en bindt dezen 
toe met eene koord, zoodat de oog of de ring buiten den 
boek uitsteekt. Degene nu, die het een of het ander geheim 
wilt doorgronden, steekt den vinger door den sleuteh-ing, 
terwijl hij zachtjes den naam noemt van den persoon dien 
hij verdenkt. Is deze onplichtig, de sleutel blijft roerloos; is 
hij schuldig, de sleutel draait zoo geweldig, dat de koord 
breekt, waarmede hij in den boek gebonden is. 

De Kozakken en Russen bezigen dikwijls die soort van 
waarzeggerij, doch zij steken den sleutel niet plat, maar 
overdwars in den boek, derwijze dat de drukking hem 
gemakkelijk doe draaien. Zij gelooven dat ze door dit middel 
kunnen te weten komen of hun huisgezin welvarend is 
gedurende hunne afwezigheid, of hun vader nog leett, enz. 
Inzonderheid maken zij er gebruik van om verborgen schat- 
ten te ontdekken. Tijdens den inval van 1814 in Frankrijk, 
zag men ze menigmaal tot het orakel van den sleutel op 
Sint-Jans Evangelie, hunne toevlucht nemen (3). 

Jozef CORNELISSEN. 



(1) Düquisitionum magicantm. 

(2) Incrédulité et mécréance du sortilége pleinement convaincne. 

(3) CoLLiN DE Flancy. DicHonnaire infernal, bl. 154. 




I^irnntete m WtxklmlL 




2. (49.) öneeuwujittekni. 

^AAR was eens 'ne graaf, en die had een dochterken, 
als een engeltje zoo schoon. Omdat het zoo fijn en zoo 
wit was van vel, zoo hieten de menschen het altijd 
Sneeuw^itteken. Nii, de graaf was in zijnen ouden dag hertrouwd 
met een hooveerdig stuk, en die kost Sueeuwwitteken niet hooren 
of zien, omdat het schoonder was als zij . Den goedsjeugdigen dag 
stond dat wijf voor den spiegel en dan vroeg ze : « Spiegel, wie is 
de schoonste van ons twee? » En de spiegel antwoordde altijd : 
« Sueeuwwitteken ! » 

Dat kost de gravin niet langer meer verkroppen, en ze wou 
Sueeuwwitteken, och arme! kost wat kost, van kant helpen. Ja, 
maar het meisken wierd dat gewaar, en 't vluchtte van huis weg en 
't ging zijn eigen versteken in een groot bosch. Sueeuwwitteken 
dwaalde den grondigen dag rond in dat donker bosch, zondereten 
of drinken, en zonder te weten waaraf of waarhenen. 

Tegen den avond zag het in de verte een lichtje pinken, en 
Sneeuwwitteken er op af! Als het nu lang gegaan had, kwam het 
aan eene spelonk, waar het licht in brandde dat het van verre 
gezien had. Sueeuwwitteken ging er binnen, en 't kwam in eene 
groote zaal uit, en dat was daar allemaal zoo schoon, man, zoo 
schoon als in 't paleis van 'neu koning. 

In die zaal stond eene tafel met zeven volle schotels, zeven stoe- 
len en zeven bedden, maar daar was geen levend hert te hooren of 
te zien. 



44 « Ons Volksleven. » 

't Eerste dat Sneeu wwittekeii deed, was aan tafel gaan zitten en 
eten, want 't was dood van den honger. En als het zijne bekomste 
geëten had, kleedde het zijn eigen uit om te gaan slapen, want 
zijne oogskens vielen toe van den vaak. Het kroop in een van de 
zeven beddekens, en 't liep geen vijf minuten aan, of 't sliep gelijk 
eene roos. 

Dat was me goed, maar in die spelonk woonden zeven Kabouter- 
mannekens, die overdag buiten werkten, en eerst met den avond in 
hunnen woon wederkeerden. 

Ze waren niet weinig verwonderd Sneeuwwitteken in een van 
hunne bedden te vinden liggen, dat kunt ge peinzen! De goede 
manuekens lieten het meisken gerust slapen, en den anderen 
morgen slopen ze op hunne teenen de spelonk uit, om de kleine 
niet te ontwekken. 

Toen de Kaboutermannekens weg waren, wierd Sneeuwwitteken 
wakker. Het stond op, stookte het vuur aan, ruimde alles op, dekte 
de bedden en maakte het eten gereed. 

Tegen den avond kwamen de Kabouters van hun werk terug, en 
Sneeuwwitteken moest hun zijne geschiedenis vertellen. Als het 
uitverteld was, vroegen de mannekens, of het bij hen wilde blijven 
wonen om hun huishouden te doen, en Sneeuwwitteken zei ja. 

Het woonde daar al verscheidene jaren en op 'nen keer dat het 
in 't bosch aan 't hout rapen was, zag het den graaf, zijnen vader, 
die bezig was met jagen. Het wierd bang en liep naar de spelonk 
terug. 

De graaf had het meisken gezien, maar hij wist niet dat het zijne 
dochter was, want die was al lang dood, meende hij. Hij vertelde 
zijn geval aan zijne vrouw, en de gravin, dat slangevel, dacht in 
heur eigen : « Dat moet Sneeuwwitteken zijn; nu zal ze mij niet 
meer ontsnappen. » 

Wat deed ze mij? Ze trok armoedige kleederen aan, stak 'nen 
vergiftigden appel in beuren zak en trok het bosch in, om Sneeuw- 
witteken op te zoeken. Als ze nu lang genoeg geloopen had, kwam 
ze aan de spelonk daar de Kabouters woonden, en hoorde Sneeuw- 
witteken een liêken zingen. 

Ze veranderde heure stem, opdat Sneeuwwitteken heur niet zou 
herkend hebben, en riep : « Och! jufferken lief, mag ik als 't u 
blieft wat binnen komen om te rusten?... Ik ben zoo muug. » 



« Ons Volksleven. » 45 

Sneeuwwitteken, och arme ! had geen achterdenken en 't liet de 
vreemde vrouw binnen, die er uitzag Ujk eene bedelares. Als de 
valsche heks 'nen tijd geklapt had, zei ze tegen Sneeuwwitteken : 
« Zie, ik heb hier nog 'nen appel. Wilt gij hem ? » 

Het meisken nam den vergiftigen appel aan en beet er een stuk 
af, maar het stuk bleef in zijne keel steken en Sneeuwwitteken 
versmachtte. 

Als de booze vrouw zag dat Sneeuwwitteken niet meer en leefde, 
wreef ze van blijdschap in heure handen, en keerde naar huis 
weder. 

De Kabouters deden iet van schreien en huilen, toen zij Sneeuw- 
witteken dood op den grond vonden liggen, maar 't was verloren 
geschreid en gejammerd en gedaan. Ze trokken dan Sneeuwwitteken 
een wit satijnen kleed aan, leiden het lichaam in eene glazen kist, 
en droegen de kist op den top van 'nen hoogen berg. Alle dagen 
gingen ze Sneeuwwittekens graf bezoeken. 

Eenigen tijd later was er eens 'ne prins in die streek op de jacht. 
Hij was verloren geloopen en kost zijnen weg niet meer vinden. Als 
hij nu al 'nen heelen tijd rondgedwaald had, zei hij bij zijn zelven : 
" Ik ga eens op dien berg klimmen, om te zien of ik nievers pad of 
spoor kan in de oog krijgen. » 

Zoo gezeid, zoo gedaan. Toen hij boven op den berg kwam, zag 
hij de glazen kist staan en rond de kist zeven Kaboutermannekens 
zitten. Hij vroeg de dwergen, wie er in die kist lag en, als ze 't hem 
uitgeleid hadden, vroeg hij, of hij de kist naar huis mocht meene- 
men, om de doode eene christelijke begrafenis te bezorgen. 

De Kabouters zeiden ja, en ze wilden zelf het lijk naar het kasteel 
van den prins dragen. Dat was me goed, maar onderwege deed een 
van de dragers 'nen misstap en door den schok schoot het stuk appel 
uit Sneeuwwittekens keel, en het was weer springende levend. 

Dat was daar eene vreugde onder de Kabouters, men kan niet 
meer. Ook de prins was zoo blij dat het niet zeggelijk en is. 

Kort daarop trouwde hij met Sneeuwwitteken, en daar wierd 
groote bruiloft gehouden, wel zeven dagen aan een stuk. En de 
graaf en de Kabouters waren allemaal op de feest, maar de gravin, 
Sneeuwwittekens stiefmoeder, die was er niet : ze had eene geraakt- 
heid gekregen van « colère » en ze was er van gestorven. » 

{Gehoord ie Antwerpen). Alfried Harou. 





f nlfegEhruiken in llriti-$rnhnnt. 



t. Bt lUlciöfoot. 

E werkman, die alle dagen onder den arbeid 
gebukt staat, mag ook w^el eens het hoofd 
omhoog steken en zijne krachten herstel- 
len. Zoo spreken de boeren, en zij doen wat 
zij zeggen. In den Mei, als het vlas gewied 
staat en weelderig tiert, kookt de boerin eene dikke zoete- 
melksche pap en discht die den werklieden op. Of er om ter 
meest gedaan wordt, hoeft niet gezeid. [TAppeloo). 

ALS de oogst droog binnen gekomen is en wel schiet (i), is 
't kermis voor het werkvolk, dat gedurende den oogst 
veel zweets liet. Elke werkploeg krijgt van haren pachter 
eene handvol drinkgeld, dat ze 's Zondags opdrinkt. Men 
heet dat te recht «de vlimmen doorgieten «, want het graan, 
en de gerst vooral, brengen doorgaans veel stof mede en 
verdrogen het gehemelte. Dan ziet ge de ploegen herberg 
in, herberg uit, het dorp afgaan, zich hier en daar hertelijk 
vermakende. Soms (maar dat gebruik gaat te niet) giet men 
al het bier in eene teil en men roert er suiker onder; ver- 
volgens drinkt men uit die teil, 't zij door er uit te scheppen 
met 'nen lepel, 't zij door ze beurtelings aan den mond te 
zetten. Meer broederlijkheid vond men wellicht nooit. 

{Lippeloo, Oppuurs). 

(1) D. i. veel graan geeft. 



« Ons Volksleven. » 47 

3. He Zaatf0ot. 

Op 't einde van November of rond Sint Elooi.als de zaaitijd 
door is en het graan op den akker begint uit te sciiie- 
ten, vieren de boeren feest op hun pachthof. Meest overal 
bakken ze dan wafelen of koeken; de geburen natuurlijk 
hebben deel in de feest; de pachteres brengt 's avonds ge- 
heele bergen wafelen boven, die op voorhand gebakken 
staan ; elke wafel wordt zoodanig verdeeld dat de helft der 
aanwezigen er een stuk van hebben. Als de magen zwijgen 
(hetgeen echter nog al lang aanloopt) slaat de boer met zijne 
knechten en geburen een kaartje, en menige pot bier komt 
boven, 's Avonds om 11 uren, gaan de gasten uiteen en trek- 
ken naar hunne slaapstede. {Lippeloo). 

4. Be Öerkeitfiikermtö. 

IN 't herteken van den winter, eenige dagen voor de nieuwe 
maan — want dan houdt het vleesch beter — slacht de 
boer een vet zwijn, dat hij in de kuip steekt. Doch als de boer 
overvloed heeft, wil hij meedeelen : hij noodigt dan zijne 
bloedverwanten uit om naar de verkenskermis of de pens- 
kermis te komen. Des middags komt er wat van alles boven ; 
want de pachter wil hebben dat zijne vrienden ook weten 
hoe de hesp, de ooren en de pooten van het verken smaken. 
Na den maaltijd spreken zij over familiezaken of over den 
boerenhandel. De pachter leidt zijne gasten eens tot in den 
stal of tot in de schuur, zegt wat hij gekocht en verkocht 
heeft, hoeveel dagwand graan er nog te dorschen ligt, enz. 
Rond den vieren — 't is dan vliegens donker — wordt de 
tafel nog eens volzet met spijzen, en de gasten schuiven bij. 
Het koud bier uit den diepen boterkelder wordt nog eens 
geproefd, en enkel wanneer de vrienden van alles een 
smaaksken hebben, staan zij op en zeggen den pachter 
« dat het wel ga " (i). {Fuurs,Lie2eïe,Bornhem en omstreken). 

5. j^uroeltjkflgebrutken. 

HET huwelijk brengt vele, doch schier overal verschillige 
feesten mede. Als er een huwelijk aanstaande is, gaan 

(1) Hetzelfde gebruik bestaat ook overal in de Kempen. (J. C). 



48 



« Ons Volksleven. » 



twee jongens uit de buurt in de huizen van den omtrek rond 
om geld in te zamelen. Gewoonlijk legt men ieder 10 of 15 
centen uit; met dat geld koopt men poeder (buskruit) en een 
geschenk voor de gehuwden. De huwelijksdag breekt aan; 
om 2 uien des nachts hoort men reeds geweer- en kanon- 
schoten donderen. In den morgen heeft de geneverflesch 
veel trok. Vóór en na de huwelij ksmis davert de gebuurte 
van de schoten; soms zelfs werkt men met loopende vuur, 
zoodat, als er één kanonneken afschiet, al de andere achter- 
een ontbranden, In den namiddag trekken de jongens naar 
het brui loftshuis; het huwelijkspaar ontvangt de geschen- 
ken en de lofrede. De getrouwden geven van hunnen kant 
eene som geld of een pak bons, die denzelfden avond nog 
worden opgedronken. Het vrouwvolk, dat ook geld uitlegt 
om de straten te versieren, krijgt eenen koffie 's Zondags 
daarop. [Lippeloo, Fuurs, Oppiiurs en omstreken), 

{'t Vervolgt). Alf. J. C. 




33ijkage tnt m %m^w^ ^Mntirnti. 

Es = het, Hgd, es. Eucl. voornaamw. — 't Kan zijn dat hij die 
plaats krijgen zal, maar ik en geloof «^^s (= geloof es) niet. Ik en 
weetes niet. Kempen. 

Es = er, daarvan. Enclit. voornaamwoord. — Ik heb van 't jaar 
geen peezaad kunnen winnen, en mijn gebuur die heeg/\s (= heeft 
es) met de macht. Ik gaan wat zand steken op 't lieiken ; daar zites 
met heelder karren. Ik heb geen papier om op te schrijven. Heddt-s 
(= hebt ge es) geen?... Hier is^s. Als ge spork wilt hebben, gaat dan 
maar in ons schaarbosch, daar staages (== staat es) veel. 

Sommigen zeggen is. Moeder, moet ik om brood gaan?... Neen, 
we hebbenïs nog. We zijn aan 't moer steken in 't Rietven, daar 
zïtis genoeg. Noorder Kempen, o. a. Brechf, Loenlioui, Wuust- 
wezel, enz. 

Dat es is de mannelijke en onzijdige genitief van het enclitisch oi 



« Ons Volksleven. » 49 

aanleunend voornaamwoord (i, et), dat in 't vrouwelijk enkelvoud 
en in 't meervoud den genitief er heeft, 
Gansch, z. Heel. 

Heel, vóór een meervoudig naamwoord, bepaling van tijd, maat, 
hoeveelheid, staat in den genitief. De Amerikaansche terf komt te 
Antwerpen met heelder schepen aan. Hij blijft heelder nachten 
uitzitten. Die dronkaard zit heel der dagen in de herberg. Ik kan 
van heelder nachten geene oog slapen, 't Volk stond met heelder 
hoopen op de straat. Van dien boom zijn met heelder meukens 
appelen afgekomen. 

Regeren regeren gietgat, 

Ik wör zoo geren deurnat : 

Ik zalder nie uit gaau looper., 

Al règerde 't mee heelder stoopen ; 

Ik zalder nie in verzuipen, 

Al règerde 't mee keelde)' kuipen ; 

Ik zalder nie in verrotten, 

Al règerde 't mee heelder potten. 

(Rijniken dat de hinderen zingen, als 't regent). 

Zoo ook gansch. Hij doet van ganscher dagen niets als wat klop- 
pen en kleuteren. Hij kan ganscher avonden in 'nen boek zitten 
pieren. Kempen. 

Varen heeft in de Kempen zeven verschillige beteekenissen ; en 
het wordt, volgens de beteekenis, op verschillige wijzen uitgespro- 
ken en vervoegd. 

A. — Beteekenissen : 

P Op een schip varen, Fr. naviguer. Z. de Woordenb. 

2° Vervaren, ergens heen zijn. Z. de Bo. Waar mag zijn oudste 
zoon gevaren zijn?... Ik heb dien in lange jaren niet meer gezien. 
Kempen. 

3° Rijden, Kil, vehi curru. Wij zullen maar met de kar over den 
steenweg varen, want in de straat is 't te slijkachtig. Noordooster 
Kempen, o. a. Eavels. 

4" Met drift of geweld iets beginnen of iemand bejegenen. Hij 
voer aan 't eten, zonder een kruisken te maken. De hond voer mij 
toe om mij te bijten. Zuider Kempen, o. a. Heist-op-dcn-Berg. 

5° Iets ontmoeten of beleven dat bevreemdt, verheugt of bedroeft. 
Z. de Bo. Zoo ben ik daar gevaren, en gelijk ik daar voer, kunt gij 
ook varen. Aardig varen. Wel varen. Slecht varen met iemand of 
met iets. Overal. 



50 « Ons Volksleven. »» 

6" Gebruikt als hulpwerkwoord om eene daad of eenen toestand 
nit te drukken, die voortduurt, actio continuata vel status. Hij 
vaart daar staan gapen. Gij voert daar loopen gelijk een schooier. 
Die hond heeft hier den heelen nacht varen dwalen. Midden en 
Zuiden der Kempen, 

V Als eenpersoonlijk werkwoord, met den zin van : vreemd 
voorkomen, eenen wonderen indruk maken, een zonderling gevoel 
van lust of onlust verwekken, sprekende van eene aanzienlijke ver- 
andering van staat, van fortuin, van woning, van levenswijs, enz. Z. 
de Bo. Het moet u varen, dat ge nu in een groot huis woont. Varen?... 
't Vaart mij en 't handt mij. Het vaart mij dat ik niets te doen heb. 
Hij is terug naar buiten komen wonen : 't voer hem te hard in de 
stad. Overal. 

B. — UlTSPEAAK : 

In den zin van naviguer zegt men altijd veren, met de zware e van 
peerd, wereld; in de andere beteekenissen is 't varen. 

C. — Veevoeging : 

P Gelijkvloeieud en onregelmatig : veren — veerde — geveerd, 
geveren. 2°, 3", 4°, 5° en 6" Ougelijkvloeiend : varen — voer —^ 
gevaren. 7" Gelijkvloeieud en onregelmatig : varen — vaarde, voer 
— gevaard. 

Worden, gebruikt als hulpwerkwoord met den zin van gaan, 
of om eene daad uit te drukken, die staat te beginnen. Ik geloof 
dat het zal worden sneeuwen. Die boom zal nog worden wassen. 
Als 't wordt regenen, kunnen wij niet uitgaan. Kind, zorgt toch dat 
ge een beetje beter wordt leeren. Ge zult nog wel worden werken, 
luierik die gij zijt. Als die vogel niet wordt zingen, doe ik hem weg. 
Hij wierd rood zien van gramschap. Die rijke verkwister is later 
nog worden schooien. 

Dit schoon en eigenaardig gebruik is, meen ik, in gansch de gouw 
Antwerpen bekend. 

Zijn. — Ik heb hier een wonder gebruik aan te stippen van het 
werkw. sijn in den 2" pers. der Gebiedende wijze. 

Voorbeelden : « Moeder, krijg ik den appel, die daar op 't schap 
leit? Toe! moeder, krijg ik hem? « Zoo heeft Janneken al wel eene 
halve uur aan een stuk gezaagd en gevraagd, totdat moeder eindelijk 
toegeeft en zegt : « Nè ! zijt hem dan maar, zagemau ! » Daar Frans, 



« Ons Volksleven. » 



51 



zij' gij dien frank : ge moogt wel iet hebben voor uwe moeite. Zijt 
dien boek, mijn kind, 't is uwe prijs. Kempen. 

In die en andere dergelijke zeggingen beteekent zijt : neen aan, 
ik geef het u. 

ISint-Antonius. Jozef Cornelissen. 




i^nlköliehr^ti 



DRINKLIEDEREN. 
't 35 tpeöerom öe #lte tian ïrni d^eröten. 

5P bldz. 49 van den 4° jaargang, deelden we de wijze van 
dit lied mede. Sedert dien hebben wij het meermaals 
hooren zingen, en bevonden dat de voos, op de aange- 
duide plaats, niet heel nauwkeurig is opgegeven. 

Ziehier de wijze, zooals zij te St. Antonius en in de omliggende 
dorpen gezongen wordt : 
Koor. 3 




:t3 



E^^^^ 






fc 



i 



't Is we - der - om 



g^=lE 



=F- 



d'o - lie van den 

V . 



E^E^Eg^s^a 



ger - sten, die de 



droef-heid doet ver - ber-sten, 't Is we -der -om d'o - lie van het 



graan, die de droef-heid doet ver - gaan. 



Zei het ge- 



^^ — t f= 



5 =^EE £=J 



fc=^ 



^E 



laas - ken aan u - we lip - pen en laat het zacht-jes biu-nen 

3 



iü^g^^f^^^Ég^a 



slip - pen. Zet het ge - laas-keu aan u • wen mond en drinkt het 



52 



« Ons Volksleven. »» 

Solo. 



z^e. 



;fcz=^ 



^^3^^mm^m 



uit tot op den grond. 



O dat voel ik, 



o dat voel ik, o dat voel ik aan mijn jeug - dig hert. 
Koor. 



Ja dat voelt hij wei, ja dat voelt hij wel, Ja dat voelt hij wel 



aan zijn jeug- dig hert. 



Jozef CORNELISSEN. 



«^f^^^^M^ 



^ sj^Sf-!^ ^^jyj^ g ^a p j^ s>^ 



6 r^ ^ ■ "JP lP (l ^JLJ^ ^ g^ig^gl ^ 



^ ^v^jy^^ ®/:^J^^^ ^^V^^ ®,^iyj^ <^ 



^ ^*g^ ^^^^ (^^gg^ a^gg^ -a^^g^^ gr^gg^ B^gg^? a^^gg^ ^Sg^ 

^Jtotittihnsrtiten'' te Sttgem. 

de gemeente Itegem, bij Heyst-op-den-Berg (pro- 
vincie Antwerpen), worden twee plaatsen merk- 
^-^waardig genoemd. De eene heet het Schanslcen of 
ScJiransJcen, dit is onzeker; de andere het Nonnenloschken. 

Volgens de overlevering zouden op het Nonnenhoschken 
sporen aanwezig zijn van een vrouwenklooster, dat in dê 
middeneeuwen gesticht was door de abdij van Rosendael, te 
Waelhem, die onder de vroegere regeering, goederen en 
een gedeelte van de tienden te Itegem bezat. Dat klooster 
zoude in de XVP eeuw verwoest zijn. De bewoners der streek 
meenen nog, van tijd tot tijd, en vooral op trouwdagen, te 
middernacht, den zilveren klank van eene klok te hooren, 
die in den ondergrond, ter plaatse waar vroeger het kloos- 




« Ons Volksleven. » 53 

ter stond, schijnt te luiden (i). Men iieeft daar ook op het 
middernachtelijk uur eene witte lichtende gedaante zien 
rondwaren, die niet anders dan de schim van eene klooster- 
zuster zijn kan. Als de avond gevallen is, vei'mijdt men dan 
ook zooveel mogelijk daarlangs te gaan. 

Deze bijzonderheden werden ons verhaald te Itegem, toen 
wij ons voor twee jaren (1892) op die behoorlijke plaats be- 
vonden, om bouwstoffen te verzamelen voor hare geschie- 
denis, die nu ter perse is. 

Door die plaatselijke benamingen en die legende aange- 
lokt, stelden wij aan het oudheidkundig genootschap, te 
Brussel, voor, die plaatsen te gaan bezoeken, en op den 
30®'' Juli 1893 onderzochten wij haar, in gezelschap van ons 
medelid, Baron Alfr. de Loë, secretaris der Commissie voor 
de onderzoekingen van genoemd Genootschap terwijl wij 
een arbeider om te graven medenamen. 

De plaats die het Schanslven of Schransken heet, is een klein 
perceel bouwland, ongeveer tien aren groot, en zuiver vier- 
kant. Het is omgeven door een sloot met water, die hier en 
daar vrij breed is, terwijl de uitgegraven en opgeworpen 
grond een soort van wal vormt, die met dicht hakhout is 
begroeid. Het land ligt op dezelfde hoogte als de omlig- 



(1) Legenden van onderaardsche klokken bestaan op zeer vele plaatsen, 
onder andere te Ouwen. Men verhaalt dat de kerk van deze plaats vroeger in 
den oorlog verwoest werd. Voor een dertigtal jaren is eene kapel gebouwd 
ter plaatse waar het oude kerkgebouw had gestaan. 

De kerkklokken van Ouwen werden, volgens de legende, door de plunde- 
raars weggenomen; maar zij konden ze niet buiten de parochie vervoeren, en 
moesten ze achterlaten aan den voet van den Trawijkelherg. eene zandhoogte 
te midden van dennenbosschen, in de richting van Vorsselaer. 

Daar was een groote waterplas, waarin de klokken verzonken zijn. Sedert 
luiden zij te middernacht ; in den Kerstnacht stijgt een vroolijk geluid als 
vergezeld van een verwijderd gezang, uit het moeras op en doet den laten 
reiziger verbaasd staan. (Dit bericht zijn wij aan de welwillendheid van den 
heer Frans Luyten verschuldigd). 

Te Exel, — zoo deelt ons de heer Dens mede, — ter plaatse genaamd 
Hei/kelbosch, op eene oj^ene plek, zijn onderaardsche klokken, die in den 
Kerstnacht luiden. De bewoners gaan er naar luisteren. 

Het zou niet moeilijk zijn meer voorbeelden van deze soort te vermelden. 



54 » Ons Volksleven. y> 

gende pcrceelen Voor een vijfiig jaren, zoö zeide men ons, 
werd, toen een gedeelte van den wal werd overgegraven, 
om gemakkelijker toegang te hebben, een aarden pot vol 
oude munten gevonden. Wij konden niets naders over die 
vondst gew^aar worden. 

Het NonnenboschJcen , dat iets verder ligt, is een veel grooter 
stuk land, maar biedt dezelfde topografische bijzonderheden 
aan, als het SchansJccn of Schransken. 

Men heeft ons nog een derde stuk land laten zien, genaamd 
het Lange Veld, ongeveer anderhalf hectare groot, maar 
hooger gelegen dan de andere, en eveneens aan twee zijden 
van een vrij breede sloot voorzien. 

Op geene van deze drie plaatsen, hebben wij eenig spoor 
van bouwwerken gevonden, en de grondboringen leverden 
ons niets op, dat eene vroegere bewoning van die plaatsen 
kon doen vermoeden. Opgravingen op die terreinen zouden 
dus waarschijnlijk geen resultaat opleveren. 

Wij ontleenen deze bijzonderheden aan het Verslag der 
onder zocliingen, donr het Oudheidkundig Genootschap ie Brussel 
gedaan, in het jaar 1893, door Baron Alfred de Loë. 

De naam van Schansken of Schransken heeft ons dus niet 
opgeleverd wat hij scheen te beloven. 

Hierbij valt nog op te merken, dat verscheidene andere 
stukken land en pachthoeven in die landstreek denzelfden 
naam dragen. Zou deze misschien nog eene andere betee- 
kenis kunnen hebben, dan wij er aan toekennen, als ver- 
sterkte plaats, redoute, fort^ Dit is de meening van Baron 
de Loë, die op dat punt in eenige bijzonderheden treedt. 

Wat den naam Nonnenboschken, betreft en de dichterlijke 
legende, die daaraan verbonden is, bestaat er alle reden om 
het ervoor Ie houden, dat het aldus genoemde stuk land, 
vroeger behoorde tot de goederen van de abdij van Rosen- 
dael. Het gemeentearchief maakt dikwijls melding van de 
eigendommen van dit klooster. J.-Th. de Raadt. 





lm|it0rtie |agm. 



5. (167.) Ccne ^ckdenoergoïrerm^. 

|EEDS vele jaren g-eleden, was eene vrouw te Lier 



bij de tooverhelisen ingelijfd. Zij zou er geerne 



"^v^^van af geweest zijn en ging daarom raad en 
hulp vragen bij den pastoor van hare parochie. Deze kon 
de zaak niet gelooven, doch deed haar tegen de volgende 
M'eek weerkomen. De vrouw deed dit en verklaarde opnieuw 
van de tooverheksen te willen ontslagen zijn. « Ik heb noch- 
tans niets te kort», zeide zij, " integendeel alles in over- 
vloed van zoolang ik er bij ben; niettemin wil ik ervan 
afzien. » — « Wel, als het zoo goed bij de heksen is «, zeide 
de pastoor, « zou ik er ook willen bij komen. « — « Dat is 
heel gemakkelijk, « antwoordde de vrouw, ^ kom dezen 
nacht juist op klokslag van 12 uren op de vergadering, bui- 
ten de Lisperpoort op den « Calvarieberg » ; daar zult gij ons 
vinden. Gij kunt dan daar teekenen en bij ons komen. y> De 
pastoor ging om middernacht naar de aangeduide plaats. 
Zoohaast hij op den « Calvarieberg ^ aankwam, stapte hem 
een man tegemoet met eenen overgrooten boek in de hand,, 
en bood dien den pastoor aan om te teekenen. «Ja maai', « 
sprak deze, "ik heb noch pen noch inkt bij mij, geef den 
boek maar zoolang hier, totdat ge mij die benoodigdheden 
gehaald hebt. » De man, die niemand anders was als de 
duivel in persoon, ging om aan dit verzoek te voldoen, doch 
zoodra de pastoor den boek in de hand had, maakte hij een 

(1) Vervolg van bladz. 219, 5« jaarg. 



6 



56 « Ons Volksleven. » 

kruis en zeide : « In den naam van Jesus, Maria en Jozef. »» 
Op den eigensten stond lioorde men een gehuil in de luclit, 
en alles was verdwenen. De tooverheksen konden in 't ver- 
volg geen werk meer maken, zij waren hunnen boek kwijt. 
Ook was de spokerij op den " Calvarieberg » geëindigd en 
men heeft daar later niets meer gehoord of gezien (i). 
{Gehoord te Kessel). 

6. (168.) t)an etncn 5p0kenïren ^on}f. 

p de Kruisstraat, achter den steenen molen te Hallaar, 
had het vroeger den naam dat het spookte. Een werkman 
van het « Hof van Riemen « — hoef niet verre van het dorp 
van Heist-op-den-Berg gelegen — en die in het « Spek « te 
Hallaar woonde, keerde op zekeren avond laat langs ge- 
noemde baan huiswaarts. Op den hoek der Kruisstraat 
gekomen, ziet hij daar een en grooten zwarten hond staan, 
juist van dezelfde grootte en kleur gelijk men er eenen op 
het « Hof van Riemen » had. Niet anders denkende of deze 
was hem van achterna geloopen, gaat hij er naar toe, klopt 
hem op zijnen kop en zegt : « Karbon — zoo was de naam 
van den hond — waar zijt gij en wat doet gij hier? » Oogen- 
blikkelijk rees de hond omhoog en de man zag niets meer 
als vlam en vuur op de plaats waar de hond gestaan had. 
Maar deze was spoorloos verdwenen. Van schrik liepen den 
werkman de haren recht op het hoofd, en meer dood dan 
levend kwam hij te huis aan. 

7. (169.) Be hetoomth ^erkrg. 

Q^ijN oude gebuur verhaalde mij het volgende, dat hem, 
èiC, naar hij gelooft, bij de soldaten overkomen is. Hij lag 
in garnizoen te Doornik en was op zékeren Zondag namiddag 
nogal verre buiten de stad gaan wandelen, 't Was stikkend 
heet en, om zijne droge keel wat te ververschen, had hij ze 
redelijk ^oed met bier afgespoeld, bij zooverre dat de be- 
dwelmende dampen van den gersten hem in het hoofd 
gestegen waren en het min of meer op hol hadden gebracht. 
Daarbij kwam het, toen de avond viel, dat hij van den rech- 



(1) Vrglkl de sage Oorsprong der Roode Lieve- Vrouw, bldz. 35. 



« Ons Volksleven. »» 



57 



ten weg afdwaalde en verloren liep. Na lang gegaan te 
hel)ben, kwam hij aan eene herberg uit, die helder verlicht 
was. De gelagkamer zat vol groote heeren. Hij trad binnen, 
bestelde een glas bier en vroeg daarna aan den baas den 
weg naar de stad. Vooraleer de weerd dien gewezen had, 
blies er iemand in éénen adem het licht uit. Doch hoe was 
nu alles veranderd ! In plaats van nog in de herberg te zitten 
lag hij in eenen doornstruik, en in stee van een glas bier, 
had hij eenen koeischoen in de hand! Dat hij nu goed nuch- 
ter was, kunt ge wel denken. Hij vond weldra den weg naar 
de stad en kwam nog in tijds in de kazerne aan. 
{Gehoord ie liegeni). Frans Zand. 




3JE)tnmfnrmiileii,^'^ 



op 



TK zegen dezen voet alzoo f alzoo waarachtig dat J. Ch. 
i Goeden Vrijdag is gekruist geweest. 

Ik zegen dezen voet alzoo f alzoo waarachtig dat J. Ch. 
door twee weerdige mannen van 't kruis is afgedaan. 

Ik zegen dezen voet alzoo t alzoo waarachtig dat J. Ch. op 
den derden dag is verrezen. Amen. 

2. i)00r i3l0eböttlötott&. 

LS ik over den Ramsoelenberg- 



of Renneberg (2) kwam gegaan, 
Daar vond ik drij maagden staan : 
De eerste die sprak : f God zal mij helpen, 
De tweede die sprak : t het bloed zal stelpen, 
De derde die zei : Maria is zoo goed f 
Dat zij het bloed stelpen doet. 
Driemaal weesgegroet. 



(1) Z. Ons Volksleven, III, bldz. 50, 62, 106. 

(2) Renneberg — zou dit bijgeval betrekking hebbeu op Renneberg, dorp 
iu Pruislaud? Men spreekt \2in Rennebergsche ivoer^mx, bl. 244, Geschiedenis 
van den Belgischen Boerenstand, door de Potter en Bkoeckaert. Elders heb 
ik Renneberg nog niet ontmoet. 



58 « Ons Volksleven. »» 

3. Iloor ÖMtkptjn. 

^Lzoo waarachtig als God f zijne drij afstammelingen 
il Maria, Joseph en Jesus, die reisden naar Egypte en eenen 
ezel belaadden mei buikpijn : door het aanroepen van de 
H. Drijvuldigheid f alzoo waarachtig zij die pijn gedaan f. 

4. il00r i3ronï>io0nïiett. 

■TTEiLiGE Laurentius, wilt dees kind bewaren van zijne 
il verbrande pijnen en ze doen verdwijnen. Amen. 

5. t)00r lïfrbronMjeiïï. 

ET was op den Goeden Vrijdag als Jesus gestorven was. 
Door zijn bitter lijden en zijne vijf bloedige wonden — 
dat deze man van zijne wond geneze, zonder te zijn geschon- 
den. 

B. ÖDm u»0nïiett te genezeu. 

DEZE steek die God hier stak, 
Die nooit en zweert of nooit en brak. 

7. Iïo0r bfföten, 0pgcl00pftt en 0|) 't ^junt döh te bersten, 

T AATSTMAAL kwam ik over eene kruisbaan gegaan, 
il Daar vond ik eene bedemoeder staan, 
'k Zeg : Bedemoeder, wat staat gij hier te doen ? 
Ik ga naar dat kalf of die koe (geheeten : Lies, Mie, onz.) 

[om het hert te verstruiken (sic) 
Ofwel 't bloed uit te zuigen, 
'k Zeg : halt! (de rechterhand omhoog) Bedemoeder, dit zult 

[gij niet doen, 
Want de missen zijn gedaan, 

En de Evangelies zijn gelezen 
En de beest gezegend, is genezen. . 
5 Vaderonzen en 5 tveesf/ecjrocfcn. 

8. #m rotten te Derjö^en. 

TK zweer hier bij zon en maan 
1 Dat de ratten van dezen zolder zullen gaan. 
Alzoo waarachtig dat J. Ch. op Goeden Vrijdag is ge- 
kruist geweest, enz. [Gelijk voor de verstuiking) . 



« Ons Volksleven. » 



59 



N. B. Die bezwering moet gedaan worden vóór zonnenop- 
gang. 
(O. L. Vrouwe- Waver). X. 




3Jneklie0|itekmg. 



Paul Sébillot. — Annuaire des Traditions populaires. 

Neuvième année, 1894. Paris, Emile Lechevalier. (Boekdeel in 
kl.8°vanl66bldz.). 

Een zeer nuttig en aantrekkelijk boeksken voor den beoefenaar 
der volkskunde. Men vindt er in aangeduid de genootschappen en 
tijdschriften der gansche wereld, die de studie der volksoverleve- 
ringen betrachten ; en de museums voor land- en volkenkunde, 
waarin ook de volkskunde eene plaats bekleedt. Het behelst daar- 
enboven de huismerken van meer dan 1000 « folkloristen » uit 
verschillige landen, en de namen dergenen die overleden zijn sedert 
het jaar 1886. Het boeksken is opgeluisterd door ruim 100 plaatjes, 
voorstellende toovernimfen, kabouters, duivels, de dood, tooneel- 
tjes uit het volksleven, printjes uit mannekensbladen, traditioneele 
koeken, voorwerpen in gebakken aarde, amuletten, knipsels in 
papier, beschilderde paascheieren en voorwerpen in houten snijwerk. 

Jozef CORNELISSEN. 

Prés du Tanganika, par les Missionnaires de S. Em. Ie Cardinal 
Lavigerie. — lustitut apostolique africain des Pères blancs. 
Malines. — Anvers, imprimerieH. Majoor, Rue Pruinen, 19, 1892. 
Boekd. in-8" van 103 bladz., 1 kaart, platen en portretten. 

Nudat aller aandacht op den Congo gericht is, en ieder met 
belangstelling het werk van Afrika's beschaving volgt, zijn boeken 
als dat hetwelk wij hierboven vermelden, uiterst welkom. 

De zendelingen, getrouw aan het woord van den goddelijken 
Meester :« gaat en onderwijst alle volken,», wachten niet totdat 
de beschaving van het Westen bij de wilden is doorgedrongen, maar 
stellen zich aan als de baanbrekers dierzelfde beschaving, en gaan, 
dikwijls ten prijze van hun leven, het goede zaad met volle handeii 
uitstrooien. Een vaste wil, eene taaie volherding, die voor geeue 
gevaren terugdeinst, kenmerkt die mannen, wier woord en voorbeeld 
bijna immer met den besten uitslag bekroond worden. 

Doch niet alleen als geloofsverkondigers en beschavers wekken 
zij onzen eerbied op ; ook als land- en volkenkundigen hebben zij 
recht op onze dankbaarheid, daar zij aan de wetenschap onschatbare 
diensten bewijzen. Hunne brieven, verhalen en reisbeschrijvingen 



60 « Ons Volksleven. « 

doen ons op allerlei gebied, eene menigte bijzonderheden kennen, 
waarvan de waarheid en het nut zeker niet in twijfel kunnen ge- 
trokken worden. 

Vooral zij die zich met de studie der volkskunde bezig houden, 
hebben er belang bij de werken der zendelingen te doorloopen. In 
de eerste plaats toch wijden deze hunne aandacht aan de zeden en 
gewoonten, de eigenaardige gebruiken, de godsdienstige denkbeel- 
den, enz. der wilde volksstammen, waar hun apostelschap hen 
henenleidt. 

Het werk dat wij bespreken, en dat grootendeels de Missie van 
Mpala in Marungu betreft, eene landstreek op de westkust van den 
Tanganika gelegen, geeft er ons een doorslaand bewijs van. 

ïusschen de talrijke punten die Avij zouden kunnen aanhalen, 
zullen wij slechts ter loops de Ijelangrijke mededeelingen vermelden 
over de zeden en gewoonten der Waraarungu (bl. 16); hun kleed- 
sel en de voorwerpen waarmede zij zich optooien (bl. 18); hunne 
wijze van groeten (bl. 22); het eedafleggen en de gevolgen die er 
uit voortspruiten kunnen (bl. 23); het huwelijk en de bruiloftsfees- 
ten (bl. 24); het geloof aan een Opperwezen, Lezageheeten, wat 
beteekent " Hij die boven de wolken woont «, de schepping van het 
eerste menschenpaar, de geschiedenis der slang, enz. (bl. 26); 
ziekten door tooverij verwekt (bl. 29) ; begrafenisplechtigheden bij 
de dood van een opperhoofd (bl. 30) ; enz. enz. 

Die kleine opsomming zal volstaan, voor wat de volkskunde betreft. 

De andere vakken laten wij onaangeroerd, als minder behoorende 
tot onze studiën, en het doel dat wij bij het schrijven dezer bespre- 
king, beoogden. J. B. Vekvliet. 



La Tradition. VII, N"* 12 — L'Erreur de Saint Arnoux (B. Féraud). — 
Folklore de la ürande-ürèce (G. Gigli). — Folklore de Constantinople. II, 
xvij (J. Nicolaïdes). — Folklore deo Arabes de 1'Alo^crie. III (H. Carnoy). — 
Paracelse (1. Genoud). — Chansons du Quercy (F. de Beaurepaire). — Addenda 
du dernier ii" (R. Basset). — Bibliograpliie. 

Mélusine, VII, K'- 1. — Le p^rand Diable d'argeut, patron de Ia fiance (H. 
Gaidoz). — La chanson de 1'etit-Jean (H..Gaidoz) — La Fraternisation 
(Th Volkov). — Chansons pop. de la B^se-iJretagne. XXXVII-XL (Tami/.ey 
de Larroque, F. Cadic). — Airs de danse du Morbihan (M"* de Schoultz- 
Adaïevskyj. — La Fascinalion : C) Thérapeutique (J. Tuchmann). — Biblio- 
graphie. 

Am Ur-Quell, V, N'' 2. — Mitteilungen aus dem Bremischen Volklebeu (D' 
A. H. Post). — Aegyptische ïotenopfer uud ihr Zweck (A. Wiedemann). — 
Magyarische Hochzeitbrauche in Siebenbürgen (A. Herrmann). — Die neu 
entdeckten Göttergesialten und Götternamen (O. Knoop). — l'oluiscbe Lieder 
(A. Treichel). — Bezeignungcn der Trunkenheit in der Sprache des Volkes 
(H. Merkens). — Tierstimmen im Volkmunde (Dr A. Bruuk) — Maisitten am 
Rhein (C. Rademacher). — Kleine Mitteilungen. 






Onze hedendaagsehe Gilden. 




Tu lezen in ter Gouw. On^e Gilden : «De 
Gilden ! — aangename herinnering 
aan een schoon verleden! Onder alle 
voorouderlijke instellingen, waaraan 
we vaak nog eens terugdenken, gee- 
ne, die meer elks belangstelling wekt; 
geene, die meer geschikt is, om ons 
op eens terug te tooveren in het 
bontgekleurde leven der voorvaderen. » 

« Wie het volk wil leeren kennen, » merkt te recht een 
tijdschrift (i) op, « moet het gadeslaan in zijne gilden. Daar 
heeft het volksleven zich geuit op duidelijke wijze, daar doet 
het volk zich kennen in al zijn eigenaardigheden, in zijn 
deugden en gebreken. » 

De kennis van de inrichting der gilden, van hunne wet- 
ten, « standregelen », « reglementen « of « statuten », van de 
rechten en plichten der gildebroeders, met één woord, de 
kennis van het leven en streven der gilden is bijgevolg eene 
allerbelangrijkste bijdrage tot de zedegeschiedenis onzes 
volks, en maakt een niet te versmaden deel uit van de folklore 
of volkskunde. 

Het valt hier niet in ons bestek, een overzicht, hoe beknopt 
ook, te geven van die genootschappen, zooals zij bestonden 



(1 ) Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde, 
2« jaarg. bldz. 2. 

VI 4 



62 « Ons Volksleven. »» 

vóórdat de Franschen, in naam van « vrijheid, gelijkheid en 
broederlijkheid » hunnen haat kwamen botvieren tegen al 
wat oud en eerbiedweerdig was en, benevens zoovele andere 
eeuwenoude gebruiken en instellingen, ook onze gilden 
afschaften. Die daarover wilt ingelicht zijn, raadplege o. a. 
het hooger gemeld werk van ter Gouw, en doorbladere de 
geschiedenis der middeleeuwen, waar ieder blad hem spreekt 
van al het schoone en goede dat onze oude gilden hebben 
tot stand gebracht; van hunne wondere macht en hunnen 
luister; van de verhevene deugden, die hunne leden onder- 
ling beoefenden 

Wij willen enkel aantoonen, dat onze hedendaagsche 
dorpsgilden, overblijfsels van de gilden der vorige eeuwen, 
hoewel teenemaal afgeweken van het doel, dat deze laatste 
beoogden, er toch nog in menig opzicht mee overeenkomen. 
In hunne wetten of «^ reglementen » treft men verschillige 
bepalingen aan, die ons herinneren aan de oprechte naas- 
tenliefde, den geest van broederlijkheid, den vromen gods- 
dienstzin en andere deugden die onze voorvaderen bezielden, 
en die, God zij geloofd! nog immer het kenmerk zijn van 
den onverbasterden Dietschen volksaard. Het volgende stuk, 
uit de handvesten van Wijneghem, en meegedeeld door den 
heer J. Michielsen, te Brecht, alsook mijne aanteekeningen 
die achter die oorkonde volgen, geven er ons het bewijs van. 

Jozef CORNELISSEN. 

* 
tUetten ^fr Wxih nan Jötnt-ljuikecl^t te J9fl)tlïre. 

Beglemeni of vóór woerden aengaende de sociëfeyt of het genoot- 
schap genoemd de Mussegïlde, in . de gemeente Schilde, zynde 
als volgt : 

Art. 1° — Daer zal moeten betaeld worden dóór eiken persoon 
die in deéz' gezelschap of sociëtej't zal aengenomen worden, eene 
som van dry en vyftig centiemen, de welke geensints kan weder 
geeyscht worden, maer zal tot nut der sociëteyt gebruykt worden. 

Art. 2" — Tot het aennemen der persoonen in art. 1° vermeld, zal 
'er dóór de vergadering geballoteerd worden, bij form van witte en 



« Ons Volksleven. » 63 

zwarte bollen of boonen, van welke er eiken persoon een zal ont- 
fangen, den géenen waer van de raeerderheyd witte bollen zullen 
weezen, zal aengenomen zyn en van de vergadering of 't genoot- 
schap deelmaken, en in geval de zwarte bollen de meerderheyd 
hebben, zal hy in geen hoegenaemde gevallen van de sociëteyt 
konnen deelmaeken, maer uytgesloten zyn. 

Art. 3° — Er zal maendelyks dóór ieder lid van het genootschap 
moeten geleverd worden, aen den hoofdman of zyneu gecommit- 
teerden ter plaetse dóór hem jaerlyks aen te wyzen, twee mussen 
koppen overdekt met deszelfs pluymen, en twee voorste mollen 
poot en, alle de geéne die daeraen niet zullen voldoen, zullen vóór 
eiken mussen kop en molle poot moeten betaelen eene som van dry 
centiemen. 

Art. 4° — De geleverde mussenkoppen en mollen pooten zullen 
dóór den hoofdman, ten aenzien der vergadering immediaet moeten 
verbrand of vernietigd worden. 

Art. 5° — De leverantiën waer van in art. 3° gesproken is zullen 
moeten gedaen worden op den eersten Zondag van iedere maeud, 
van zes tot acht uren 's avonds, allen de geénen die hunne leveran- 
tiën op gestelden dag en uren niet zullen hebben gedaen, zullen 
vóór niet te hebben verscheénen moeten betaelen eene som van tien 
centiemen, boven en behoudens de pene in art. 3° vermeld. 

Art. 6" — De leverantiën zyn persoonlyk verpligtend, ten waere 
zy dóór ziektens of andere redens belet wierden, de zelve te doen, 
in welk geval die leden gehouden zyn hunne leverantiën dóór 
iemand anders, die van 't genootschap deelmaekt vóór hun te 
laeten doen. 

Art. 7'' — Er zal niemand van de leverantiën uytgezondert of 
vrygelaeten zyn, dan alleenlyk den hoofdman. 

Art. 8° — Alle vloeken of Godslasteringen begaen dóór iemand 
van & in 't gezelschap zullen gestraft worden, te weéten : voor de 
eerste mael ; met eene amende van vyf en twintig centiemen ; hét 
welk aen hun alsdan zal gewaerschouwd worden ; vóór de tweede 
mael met eene van vyftig centiemen ; en in't geval van hervalling of 
voortduring, zullen zy, als wezendehet gezelschap nietweêrdig, uyt 
het zelve gejaegd en hunnen naem uytgeschrabt worden. 

Art. 9° — Op de dagen als de vergadering zal plaets hebben en 
'er eene feest vóór het gezelschap zal zyn, zal er van tien uren 



64 « Ons Volksleven. »» 

's avonds op't bevel van den hoofdman niet meer mogen getapt en 
op't eerste verzoek van den zelven de plaets moeten verlaeten 
worden, ook is het hem vrygelaeten van ingeval van wanorde of 
kwestie, de feest onmiddelyk te staeken, dit alle op straf vóór de 
tegenstrevers van te betaelen eene boete van eenen franc. 

Art. 10" — Alle de geénen die van't gezelschap zyn, zullen 
kwestie maeken het zy dóór woorden, 't zy dóór werken, zullen 
gewaerschouwd worden, dat zy gevallen zyn in eene boete van 
vyftig centiemen, dewelke zy onmiddelyk zullen moeten betaelen. 

Aet. 11° — Indien den hoofdman zal afwezend zyn, zal hy zich 
mondelings mogen doen vervangen. 

Aet. 12° — Den Secretaris zal de orders raekende het genoot- 
schap hem gegeéven dóór den hoofdman moeten uytvoeren. 

Aet. 13° — Den cassier staet in en is aensprekelyk vóór de 
gelden & penningen welke hy zal te verantwoorden hebben, ten 
waere de kas vernietigd wierd, dóór brand (hemelsvuer), oorlog of 
andersints, in welk geval hy hier van zal kounen vry gesproken 
worden. 

Aet. 14° — De sociëteyt zal jaerlyks aen den minstnemende, 
doch niet dan aen de geéne welke'er van deel maeken, de biedingen 
dóór andere gedaen zullen niet worden aenveêrd, worden verpagt, 
zullende den aennemer gehouden zyn eene behoorlyke kamer of 
plaets vóór 't genootschap te bezorgen, beuevens eene voedzaeme 
maeltyd, des zelfs poitiën zullen op den dag van verpagting worden 
voorgeschreven. 

In de kamer alwaer de sociëteyt zal vergaderen, is het verboden 
andere persoonen, er geen deel van maekende, te laeten intreden, 

Aet. 15° — De verpagting zal jaerlyks plaets hebben op den 
dry en twintigsten September, en de dagen der teèring zullen 
beginnen op S*-Hubertusdag, maer in cas van militairen beleg of 
andersints zullen de zelve mogen uytgesteld worden. 

Aet. 16° — Alle de geéne welke van't genootschap of sociëteyt 
deelmaeken, zyn gehouden alle maeudeu op den dag waer van in 
art. 5° is melding gemaekt, te betaelen vóór Contributie ten voór- 
deele van't gezelschap eene som van vyf eu twintig centiemen. 

Aet. 17° — In geval van weygeriug of tegenzeggen dóór eenen 
der leden, op het betaelen der boeten, waer toe zy volgens de 
voórgaende artikelen zouden gesigneerd of gestraft worden, zullen 



« Ons Volksleven. » 65 

de zelve iiyt het genootschap worden verwyderd, en 'er geen deel 
meer van maeken. 

Art. 18" — Er zal eenen lyst gemaekt worden, den welken zal 
mhouden alle de naeraen van 't geheel genootschap, en alwaer de 
contribuëring en boeten zullen worden opgeteekend. 

Art. 19° — Het bier zal moeten geplaetst worden in de kamer al- 
waer de sociëteyt by art. 14" vermeld zal vergadering neémen. 

Art. 20° — Vóór 't aftappen van 't bier zal er aen den aennemer 
dóór het genootschap, worden betaeld de somme van eenen franc 
tachtig centiemen per ton. 

Art. 21° — Jaerlyks op den negen en twintigsten Juny zal den 
vogel geschoten worden, den geénen welken hem zal schieten zal 
konink van de sociëteyt wezen, den welken in geen gevallen verpligt 
is, iets vóór de sociëteyt te geéven. 

Art. 22° — Het tegenwoordig reglement zal verpligtend zyn, en 
als pligten dóór geheel het genootschap of sociëteyt moeten nage- 
leefd & onderhouden worden. 

Art. 23° — Het is aen den hoofdman vrygelaeten van by het 
tegenwoordig reglement zoo veel artikelen by te voegen of af te 
doen als't hem geraedzaem, en't voórdeeligste voór't genootschap 
zal voorkoómen. J. Michielsen, 



(Eentje ^Jlanteekentngen omr be 5tttt-j^utbrefl)tögtlïJe 
te 0t-3ttt0tttu0. 

BOVENGEMELDE standregelon, behoudens enkele kleine 
uitzonderingen, zijn dezelfde als die van de MusscJiengilde 
te St. Antonius. Voegt daar nog bij : 

Waneer iemand aangevraagd heeft om in de gilde aange- 
nomen te worden, wordt er geloot of gehoond, zooals men 
dat heet. Iedere gildebroeder ontvangt uit de handen van 
den hoofdman twee boonen, eene witte en eene zwarte, 
waarvan hij er eene in eene bus werpt. Daarna wordt de bus 
omgeschud en de boonen nngezien. Zijn er meer witte dan 
zwarte, dan is de kandidaat aangenomen ; behalen de zwarte 
de meerderheid, dan wordt hij in de gilde niet aanveerd. 

De gilde wordt bestierd door eenen Hoofdman en twee 



86 « Ons Volksleven. » 

Dekens, die jaarlijks herkozen worden. Er is ook een Schrijver 
of 5^ecr^/am, die den gildeboek houdt, de uitgaven en ont- 
vangsten inschrijft en de boeten aanteekent; een Schatbe- 
waarder, die de maandelij ksche stortingen der gildebroeders 
ontvangt, de boeten int, enz. en een Knaap of dienaar, gelast 
met de boodschappen der gilde, zooals b. v. het bijeenroepen 
der leden in buitengewone gevallen, enz. De oudste van het 
genootschap voert den titel van Oudemian. Hij is de raads- 
man der gilde en de scheidsrechter in de geschillen, die 
tusschen de leden oprijzen. 

Op den feestdag van St. Huibrecht, hunnen patroon, als- 
ook op de dagen dat de gilde teert, zijn al de leden op boete 
verplicht naar de mis te gaan. 

Jaarlijks laat de gilde eene mis doen voorde zielerust harer 
afgestorvene leden. Degenen die, zonder grondige redenen, 
verzuimen ze bij te wonen, vervallen insgelijks in cene 
geldboete. 

Sterft een gildebroeder, dan zijn al de leden gehouden den 
lijkdienst bij te wonen; is hetde vrouw eens gildebroeders, 
dan zijn hunne vrouwen verplicht in de uitvaart tegenwoor- 
dig te zijn. 

Het lijk wordt gedragen door gildebroeders, waneer de 
overledene een man is; door hunne vrouwen, zoo de overle- 
dene eene vrouw is. 

In de lijkdiensten voor de afgestorvene leden, hebben de 
gildebroeders het recht vóór de familie ten off ere te gaan. 

Eenige dagen na de uitvaart, wordt er, op de kosten der 
gilde, eene mis gezongen tot lafenis van de ziel des overle- 
denen, in welke mis al de gildebroeders wederom tegen- 
woordig zijn. Na den dienst gaan zij te zamen naar hunne 
gildekamer, om er het lijkbier te drinken, dat de familie des 
overledenen gehouden is te bestellen. 

Trouwt een jonkman of een weduwnaar die van de gilde 
deelmaakt, dan moet hij aan zijne medebroeders eene halve 
ton bier ten beste geven. 

In vroeger tijd genoten de gildebroeders het voorrecht 
jaarlijks éénen dag te jagen. Zij benoemden dan eenen Jacht- 
meester, wiens ambt het was de jacht te regelen en te leiden. 



« Ons Volksleven. » 



67 



Iedereen, die uit de voeten kon, was gehouden aan de jacht 
deel te nemen, 'tzij als schutter, 't zij als drijver of klopper. 
Later wierd hun het jagen met vuurwapens verboden, en 
men liet hun nog toe konijnen te vangen door middel van 
netten. Dit vermaak werd hun eenige jaren daarna insgelijks 
ontzegd, en voortaan mochten zij nog enkel konijnen slaan 
met stokken. Thans is alle jacht voorgoed afgeschaft. 

Het geschoten of gevangen wild werd in de gildekamer, 
stuk voor stuk, openbaar aan de meestbiedenden verkocht, 
en de opbrengst er van bij den gildeschat gestort. 

Jozef CORNELISSEN. 




f nlksgÉntiketi in k %mpu. 



I. tlieutDfaar en Brtf-i^antttgen. 




'EHALVE het nieuwjaarzingen der kinderen (i) 
5^ bestaan hier nog andere gebruiken met die 
dagen. Drij volwassen personen, in drij konin- 
gen verkleed, met groote hoeden op het hoofd, wel beplakt 
met papier en klatergoud, dragende aan eenen stok eene 
schoone opgesmukte ster, die een van hen doet ronddraaien, 
terwijl een andere de drijkoningenliederen (2) die zij samen 
zingen, met eene harmonica begeleidt, gaan de huizen af 
om een penningsken te ontvangen. Ook ziet men een of twee 
personen met eene ster rondgaan maar niet verkleed, en 
overal liederen zingende. Het hoeft niet gezegd, dat het 
bijna allen arme drommels zijn. — Dit zingen en rondgaan 
duurt van den tweeden Kerstdag tot de feest van Drij- 
Koningen. 



(1) Over het nieuwjaarzingen der kinderen en hunne liedekens, zie Ons 
Volksleven, I, bldz. 25 ; II, bldz. 18 en 88. 

(2) Over 4e Drijkoningenliederen, zie Ons Volksleven, I, bldz. 26-27. 



68 « Ons Volksleven. » 

Over een veertigtal jaren, zag men telkens met de Nieuw- 
jaarsdagen nog eenen anderen eigenaardigen groep de 
huizen al zingende afgaan. Deze groep bestond uit de drij 
Koningen met eene ster, de herders met vorken, en koning 
Herodes, dien men met eene ijzeren keten vasthield en op 
komieke wijze afranselde. Allen waren ia schoone en schit- 
terende kleederen uitgedost. 

Een ander gebruik, heden nog in zwang, is dat op den 
avond vóór Nieuwjaarsdag, eenige boerenjongens de hofste- 
den afgaan en liederen zingen. —Zij zijn ook met strooi en 
papier aardig toegetakeld, en meestendeels hebben zij hunne 
aangezichten zwart gemaakt. Zij doen dit meest voor de 
grap, en om eens te lachen. Edoch, « in passant » laten de 
boeren nooit na, hun wat drinkgeld in de hand te stoppen. 

{Omstreken van Heist- op-den- Berg). Frans Zand. 



TN vorige jaren waren de « Sterrekoningen » in mijne streek geheel 
i onbekend ; ook weten de oude lieden er niet van te spreken, 
hetgeen doet gelooven, dat het gebruik van met eene ster rond te 
gaan hier niet bestaan heeft of er reeds geruimen tijd moet uitge- 
storven zijn. Doch sedert eenige jaren herwaarts, vooral sedert dat 
hier, en voornamelijk te St. Antonius, verscheidene huisgezinnen 
uit Heist-op-den-Berg zijn komen wonen, ziet men van Kerstmis tot 
Drij-Koningen, personen, min of meer in koningen verkleed, met 
eene papieren ster aan eenen stok, de dorpen en gehuchten afloopen. 
Ik dien er echter bij te voegen, dat die lieden allen vreemdelingen 
zijn, 'tzij « Heist-ten-Bergers », die hier met der woon zijn geves- 
tigd, 'tzij reizende zangers uit het Zuiden onzer Kempen, die hun 
woondorp verlaten en deze streek doortrekken. 

Een eigenaardig gebruik ziet men, daags vóór Nieuwjaar, te Vorst 
en in andere dorpen uit het Zuidoosten der gouw Antwerpen. 

Eenige verkleede mannen, met zwartgemaakte gezichten, gaan 
's avonds van huis tot huis en houden door middel van koorden of 
ketens iemand vast, die van kop tot teen in balen en zakken steekt. 
Daarin zijn natuurlijk openingen gemaakt voor oogeu, neus en 
mond, anders moest hij wel versmachten. Armen en beenen zijn 



« Ons Volksleven. » 69 

mede met een stuk zak omwonden. Zoo toegetakeld, gelijkt hij op 
een monsterachtig dier. 

De groep blijft niet aan de deur staan, maar gaat stoutweg bin- 
nen. Daar begint het monster vreeselijk te grollen en als een razende 
op zijne vier pooten rond te springen, zoodat zijne geleiders de 
grootste moeite hebben om het tot bedaren te brengen. 

Na het zingen van een lied, gaat een van 't gezelschap rond, om 
van elk der aanwezigen eenen drinkpenning te ontvangen. 

Jozef CORNELISSEN. 

* 
Twee verdwenen Kindergebruiken. 



2. 5tttt-®reg0nuö. 

DIT gebruik dagteekent van over een veertigtal jaren en 
had plaats in de Goede Week. Al de schoolkinderen, 
jongens en meisjes, het is te zeggen die wilden meegaan, 
liepen twee of drij dagen achtereen de boerenhofsteden, ja 
zelfs de omliggende dorpen af, aan de deuren liederen zin- 
gende, en ontvingen dan paascheieren of geld. Deze eieren 
werden in korfjes gelegd die de meisjes meedroegen. De 
jongens hadden groote koehoorns bij, waarop zij van tijd tot 
tijd bliezen, alsook vorken gelijk de schaapherders er ge- 
bruiken. Het gebeurde meermaals dat scholen van verschil- 
lige dorpen malkander ontmoetten; in dit geval deed men 
de meisjes seffens van achter gaan. Er ontstond dan dikwijls 
een verwoed gevecht, en niet zelden werden, de blutsen en 
verscheurde kleederen niet medegerekend, de meisjes van 
den overwonnen troep nog de eiers afgenomen. — Indien 
zoo iets plaats had, werd er meermaals het volgende jaar 
schrikkelijke weerwraak genomen. 

lederen dag werden de eieren en het geld bij den school- 
meester gebracht, en na twee of drij dagen rondgaans, 
verdeeld, onder al de schoolkinderen die den tocht meege- 
maakt hadden. 

Frans Zand. 



70 « Ons Volksleven. » 

BLIJKENS den Calendrier beige, door de Reinsbeeg-Düeings- 
EELD, vierden de kinderen bijna overal de feest van Sint- 
Gregorins, hunnen patroon. 

Te Brecht en omstreken gingen al de schoolkinderen op den 12° 
en den 13"* Meert Gregoria zingen, zooals zij dit noemden. Allen 
hadden hoeden of klakken versierd met reepels en rozen van 
gekleurd papier en droegen ook papieren handen om het lijf. De 
jongens waren voorzien van koehorens, waar zij van tijd tot tijd op 
toetten, en een hunner droeg eene vlag, waarop St. Gregorius afge^ 
beeld stond. 

Op sommige plaatsen, o. a. te Brecht, gingen jongens en meisjes 
afzonderlijk, in twee groepen, doch elders, zooals te Zoersel, gingen 
de kinderen van beide geslachten samen. 

Vóór ieder huis werd een gelegenheidslied gezongen, waarin deze 
woorden voorkwamen : 

Wij zijn hier onder ons klerken 
En schrijven op ons papier, 
Uwe gift zal ons versterken 

Meer heb ik er niet van kunnen achterhalen. 

Te Zoersel werden de kinderen van bloedverwanten of kennissen 
hier en daar binnengeroepen en er onthaald op koffie met krenten- 
boterhammen, rijstpap met suiker, enz. 

De rondgehaalde eieren en het ontvangen geld verdeelde de 
meester in de school onder de kinderen, en de eieren die er over- 
schoten, waren voor hem. Jozef Cornelissen. 



3. Jötnt-'<El)0nta0. 

WIJ moeten teruggaan tot in de eerste helft de* 
zer eeuw, in den tijd dat de scholen nog niet 
regelmatig ingericht waren zooals op heden, en de 
eerste de beste, die eenige kennissen bezat, school- 
meester speelde, tegen den prijs van 4 stuivers per 
maand voor elk kind. Nu ter zake. Den 21" December, op 
S*-Thomasdag, waren de kinderen reeds van 's morgens 
vroegte been, om in de school te zien geraken en den meeS' 



« Ons Volksleven. » 71 

ter buiten te sluiten. Van daags te voren had men dit 
reeds voorzien met eene venster wat los te zetten, zoodat 
men deze kon openduwen of op eene andere soortgelijke 
wijze kon binnengeraken. De meester had dit alles ooglui- 
kend laten geschieden. Op de gewone uur kwam deze naar 
de school, doch kon niet binnen. De kinderen openden maar 
eerst voor hem, wanneer hij beloofd had hun eene zekere 
hoeveelheid bier of anderen drank te geven. Nadat dit in 
regel was, gingen er eenige scholieren eenen haan en eene 
hen koopen om die des namiddags te laten loopen op het 
schoolhof, alwaar de kinderen ze moesten pakken. Op de 
vastgestelde uur liet men dan haan en hen los, den eersten 
voor de jongens, de tweede voor de meisjes. Die ze konden 
vastgrijpen, kregen ze in eigendom, en werden bovendien 
tot lioning en koningin uitgeroepen. Men liet dit gemeenlijk 
de rijksten of vrijgevigsten bevallen, want deze moesten den 
suiker koopen voor den drank. Nadat dit spel geëindigd 
was, werd er eens dapper onder het schoolvolk met den 
meester aan het hoofd, gefeest en gedronken en heerschte 
er eene gulle vreugde onder het jonge volksken. 
[Omstreken van Reist- op-den- Berg). Frans Zand. 

JTJE St. Antonius sloten de kinderen niet aleen hunnen meester, 
1 maar ook den pastoor buiten. Beiden gingen 's morgens op 
de gewone uur te zamen naar de school, waarvan de meester met 
voordacht de deur had opengelaten, en mochten niet binnen, dan 
na de kinderen een vierendeel bier beloofd te hebben. Het was de 
pastoor die het bier bekostigde. Daar bijna alle jaren eenige gulzige 
snaken te veel dronken en ziek werden, schafte men het bier af, en 
gaf men in 't vervolg aan ieder kind eenen koek en eenig geld. 

Dit gebruik is nog niet zooveel jaren uit de mode : het bestond 
nog lang onder de schoolwet van 1842. Nu zelfs zijn er nog dorpen, 
waar de kinderen den meester buitensluiten. 

Het gebruik van op St. Thomasdag eenen haan en eene hen los te 
laten en die door de kinderen te laten vangen, was insgelijks te 
Brecht en in andere dorpen in zwang. 

Te Brecht moest de honing zijne gezellen beschenken met eene 



72 



»* Ons Volksleven. » 



en hare 
op eene 



kom iiitgebrauden genever, waar moppen of noppen, d. i. kleine 
ronde honingkoekskens, in lagen te zwemmen, tei'wijl de koningin 
van beuren kant, eene fooi aan de meisjes moest geven. 

Jozef CORNELISSEN. 

'9dmmn, ^uten, Srnirara, jFnnteiiitn, m}. (d 

{Vervolg). 
VIL 
^"^E legende verhaalt dat de H. Wivina 
vriendin Sinte-Emwara zich vestigden 
^^^^^^ plaats van liet dorp Groot-Bijgaarden in Bra- 
bant, alwaar zij uit boomtakken eene kluis hadden gebouwd. 
Zij voedden zich met wortelen en dronken water uit eene 
naburige bron, welkw^ater later aanzien werd als heilzaam 
tegen vele ziekten. Op dezelfde plaats werd later een kloos- 
ter opgericht, waarvan Sinte-Wivina de eerste overste was. 

— Tusschen Eisden en Lanklaar, in Limburg, ligt op den 
zoom der Kempische heide, het kleine gehucht Malheim, 
alwaar vroeger eene kapel stond, aan St. Jan-Baptist toege- 
wijd. Ter oorzake van het graven der vaart, werd die kapel 
omstreeks het jaar 1827 afgebroken. 

Eertijds kwam de pastoor van Eisden op den tweeden 
Paaschdag er mis doen en het gebouw kon moeilijk de 
geloovigen bevatten, die uit de omliggende dorpen kwamen, 
toegestroomd. Na de mis had er eéne processie plaats, en 
men dronk water uit den Sint-Jansput, in eene naburige 
weide gelegen. 

Volgens de overlevering, zou de kapel eene der oudste 
kerken des lands geweest zijn, en de eerste Christenen uit 
die streken, zouden er gedoopt zijn in gemelden waterkuil. 

— Ter plaatse van de oude St. Callixtuskapel te Luik, die 



(1) Z. 0«s Volksleven, II, bldz. 67, 97, 109, 123 ; — III, bldz. 85 ; — IV, 
bldz. 41. 



« Ons Volksleven. » 73 

men afbrak omlrent het jaar 966, om er de St. Pauwelskerk 
te bouwen, ontsprong eene wonderbare bron, waarvan de 
genezende kracht zeer geroemd werd. 

Die leden aan krop)^ezwellen, onder andere, stroomden er 
van alle kanten naartoe. Zij dronken van heur water, aten 
van het brood, door den priester gewijd die de kapel be- 
diende, en keerden na weinige dagen genezen huiswaarts. 

Later ging de herinnering aan de wonderdadige bron 
stillekens aan verloren, en thans weet men zelfs niet nauw- 
keui'ig de plaats meer waar zij ontsprong. (Albert de 
Lymborch. Fondatio S. Paidi ) 

— De lieden uit het volk, die lijden aan oogziekten, gaan 
zich wasschen in de Dijle, omdat het water dezer rivier 
geheiligd is door de Gelukzalige Margaretha van Leuven, 
wier lichaam, na hare marteldood, er in geworpen werd. 
[Het Leven, Doodt ende Wonderheden van de Salige fiere Mar- 
gareta van Loven. PiOT., bldz. 56, 57). 

— Sinte-Gertrudis wordt gewoonlijk voorgesteld, omge- 
ven van ratten en muizen. Eenige beeldenbeschrijvers mee- 
nen dat men door deze dieren, vrienden der duisternis, den 
duivel heeft willen verbeelden, die door de heilige over- 
wonnen werd. Molanus is van dat gevoelen niet en geeft 
eene andere uitlegging, die hij van de kanonniken van 
Nijvel wist. Deze hadden van de oudste hunner ambtsbroe- 
ders vernomen, dat het water van eenen put, die in den 
grafkelder hunner kerk lag, eertijds door het volk zeer 
gezocht was, als een behoedmiddel tegen de ratten- en 
muizenplaag. 

Met dit water besprenkelde men zijne huizen, ten einde 
ze tegen die knaagdieren te bevrijden. Dit gebruik verslapte 
ecliter later meer en meer en ging eindelijk teenemaal verlo- 
ren. (J. Molanus. De Historia S.S. Imaginum. Lovani. 1594. 
lib. III, c. XI.) 

— Men weet algemeen dat de naam Marollcn, gegeven aan 
de inwoners van zekere wijk te Brussel, voortkomt van een 
oud vrouwenklooster dat gelegen was op het einde der 
Minimenstraat, nabij de oude wallen. In de O. L. Vrouw- 
van-Gratiestraat stond eertijds eene kapel, die druk bezocht 



74 « Ons Volksleven. » 

werd. Daaronder liep eene beek, die van Sint-Gillis kwam, 
en waarvan het water, doch enkel op zijnen loop door 
Brussel, eene genezende kracht had. Nu, de inwoners van 
St. Gilles wilden van dit water komen scheppen in de wijk 
zelve waar de Marollen wonen, doch deze zochten het hun 
te beletten. Vandaar vijandelijkheden en hardnekkige vecht- 
partijen. Dit zou, volgens overdreven geschiedschrijvers, de 
oorsprong zijn van de vijandschap en de gevechten tusschen 
die van St. Gillis en de Marollen, gevechten die de politie 
den dag van heden nog te beteugelen heeft. 

— Te Gallemaarden, bij Geeraardsbergen ging men onder 
de processie op den eersten Kruisdag, een zilveren kruis 
dompelen in het water eener bron, Houwerck geheeten. Dit 
gebeurde ter herinnering aan een kruis dat verloren was en 
dat men, na veel vruchtelooze opzoekingen, eindelijk op 
wonderbare wijze terugvond. 

— Tijdens het beleg van leperen, ontmoetten eenige sol- 
daten een meisje van nauwelijks 14 jaar, dat zij wilden ver- 
krachten. Maar zij, de dood verkiezende boven de oneer, 
sprong in eene breede en diepe gracht vol water, onder het 
uitspreken van Maria's naam en het maken van een kruis. 
Maar o wonder ! in plaats van onder te gaan, dreef het 
meisje boven, terwijl hare kleederen, evenals het zeil van 
een schip, haar naar den kant des waters stuurden. 

Die legende heeft het onderwerp geleverd aan eenen 
historischen roman, Tuindag (i) getiteld, en aan van Sever- 
donck de schilderij ingegeven, die men in het stadhuls te 
leperen ziet. 

— Te Brusthem vindt men het graf der Drij Maagdekens. 
De vrouwen die hunne hulp inroepen, moeten zich drij 
dingen zien aan te schaffen (2). 

Ieder van deze drij voorwerpen moeten zij laten vallen in 
de drij puttekens, vóór het graf der Drij Zusters. Nochtans 
mogen zij die dingen niet koopen, maar moeten ze van 

(1) De godsvrucht tot O. L. Vrouw van den Tuine, patrones der stad, 
klimt op tot het jaar 1383. 

(2) Du fil a coudre qui a été lin, des aiguilles qui réunisseut, et du grain 
qui a été plante(?). (Coeemahs. L'Année de l'ancienne Belgique, bldz. 149). 



« Ons Volksleven. » 75 

iemand krijgen, zonder dat zou hunne moeite vruchteloos 
wezen. 

Ook werpt men het lijnwaad der zieken in een dezer put- 
tekens, gewoonlijk in het middelste; zinkt het naarden 
grond, dan is het zeker dat de kranke de ziekte hoeft, waar- 
aan men anders nog zou hebben kunnen twijfelen. (Core- 
MANS. L'Année del' ancienne Belg ique,h\dz. 149). 

— Op sommige bedevaartplaatsen werpen bijgeloovigen 
het hemd van den zieke in eenen put, die daar omtrent 
gelegen is. Drijft dit kleedingstuk boven, dan zal hij binnen 
de negen dagen sterven. 

— Nabij Marche, in Luxemburg, op den weg naar Bour- 
don, loopt eene slijkachtige beek, Laid ris geheeten. Daaruit 
stegen, zeggen de ouden, akelige kreten op, die in de nabu- 
rige moerassen weerklonken, alwaar de nachtelijke reiziger 
geen ander licht zag dan de blauwachtige vlammekens der 
dwaalgeesten, die zich niet tevreden hielden met de voorbij- 
gangers te verschrikken, maar hen verworgden en hun 
bloed uitzogen. 

— Eertijds wierp men beenderen in de vlammen der Sint- 
Jansvuren, ter gedachtenis van de martelaren van Sebaste, 
wier gebeenten in het vuur verbrand werden. Maar men 
knoopte aan dit gebruik ook het denkbeeld, dat hoe meer 
dikke rook er dien avond in de lucht opsteeg, hoe beter men 
zich bevrijdde tegen de vergiftige draken, die opgewekt 
door de hitte van den zomerdag, door de lucht vlogen en 
het water van bronnen en putten vergiftigden, met er hun 
zaad in te laten vallen. (Croon. Almanach, bldz. 215-125; — 
HoNE. The cvery Day-BooJc, London, I, bldz. 845-847). 

— Een sage, die te Hekelghem in Brabant gebeurde, ver- 
haalt dat de duivel er eens bezig was met ploegen. Toen hij 
het moede werd, nam hij aarde en steenen uit de voor en 
wierp ze verre van zich af. De geploegde voor vormde sinds- 
dien den Dender, eene rivier die niet verre van Hekelghem 
lOopt, en de weggesmeten aarde en steenen zijn de nabijlig- 
gende heuvelen. (Wolf. Niederlandische Sagen, bldz. 288). 

(H Vervolgt). Alfried Harou. 




fnlkBrijmtit, 



Öömeiiöpraük tuööcljen eem juffer en cewen ficijoenmaker. 



Jau, zoude van de week geen paar schoenen kunnen maken? 

— Ja, als ik aan de maat van de juffrouw heureu voet kan geraken. 
Maakt ze voor wat breed, van achter wat smal, 

— Ja, juffrouw, ik dat doen zal. 

Maar als ik van de week eens geen' tijd heb om te ontvangen (versta betalen)? 

— Dan blijven de schoenen in Jan zijnen winkel hangen. 
Dag, Jan Kapoen! 

— Dag, juffrouw zonder schoen! 

{Schelle). Lenaard Behembre. 

II. 

Baze, zijn mijn schoenen klaar? 

— Ja, juffrouw, ze hangen daar. 
Hoeveel kost dat paar? 

— Vijftien frank te gaar. 

Maar ik heb geen geld ontvangen? ! 

— Laat ze dan maar hangen. 
Dag, Baas Schoen! 

— Dag, juffrouw zonder schoen ! 
Dag, Baas wel gesteld ! 

— Dag, juffrouw zouder geld! 



(Antwerpen) 



Alfried Harou. 



fimtniBte mn f nltekimk. 



« ^i)c Ucmcm of SoikAotc. » 

DEN l'' Juli a.s. zal, onder bovenstaanden titel, eennieuw 
tijdschrift verschijnen, gesticht en uitgegeven door 
den heer Frederick Starr, leeraar aandeHoogeschool 
te Chicago. Het zal alle drij maanden het licht zien in afle- 
veringen van 80 bldz. Het zal weinig oorspronkelijke opstel- 
len bevatten, maar de beste stukken uit andere tijdschriften 
vertalen en een overzicht geven van alle boeken en vlug- 
schriften over volkskunde, waarvan afdruksels ingezonden 
worden. Waarschijnlijk komt in elk nummer het portret van 
eenen gekenden volkskundige met de levensbeschrijving er 
bij. Daarenboven verschijnt in het nieuwe tijdblad een over- 
zicht van de handelingen der volkskundige genootschappen 
en andere aanteekeningen die de aandacht der folkloristen 
weerd zijn. Met éen woord, The Beviav of Folk-lorc gasii een 
tijdschrift weezen, zooals er geen tweede bestaat, en dat voor- 
zeker goeden dienst zal bewijzen aan al degenen die zich 
bezighouden met het verzamelen of bestudeeren der volks- 
overleveringen. 

Jozef CORNELISSEN. 

V <f*>^ V^ d^*>v <f>^' ■f**>s -^ 






33Eklie0]itBkmg, 



Jan Craeynest. — Hoe dient onze Tale te heeten? (Over- 
druk uit Bielcor f Yün 21 bldz. in-8°). — 1894. 



Hoe dient ouze algemeeue taal te heeten?... Is het Vlaamsch, 
Hollandsch, Nederlaudsch of Nederduitsch? Die namen, betoogt de 



78 « Ons Volksleven. » 

schrijver, in het eerste deel zijner verhandeling, zijn alle vier 
onnauwkeurig ; ja, de twee eerste zijn zelfs volkomen valsch. 

Vlaamsch en Holland^ch. — Daar is wel eene Vlnnmschr.i^dX^ 
namelijk de taal der Vlamingen, der bewoners van West-, Oost-, 
Zeeuwsch en Fransch Vlaanderen, maar buiten die gewesten wordt 
er geen Vlaamsch gesproken. Een Limburger, b. v., spreekt Lim- 
burgsch ; een Brabander, Brabantsch, maar eigenlijk geen Vlaamsch. 

Daar bestaat insgelijks eene /Z^o//r/«r?5c/ie taal, te weten de taal 
van de Hollanders, van de bewoners der gouwen Noord- en Zuid- 
Holland, maar veel verder als die gouwen, strekt het Hollandsch 
niet. 

Vlaamsch en HoUansch zijn bijgevolg maar onderverdeelingen, 
gouwspralicn van de ééne algemeene taal, en daarom mogen wij die 
algemeene taal noch Vlaamsch noch Hollandsch heeten. 

Ncdcrlandsch luidt de « geijkte » benaming, doch zij is daar 
niets te beter om; neen, zij dient evenzeer verworpen. Immers wat 
is de Ncderlandsche taal? Dat is de taal van Nederland of van de 
Nederlanden Nu, wat verstaat men hedendaags door het woord 
Nederland? Nederland is het koninkrijk dat de Franschen La 
Hnllande, dat wij verkeerdelijk Holland noemen. Eertijds ja, toen 
wij met onze noorderbroeders, van bestierswege, maar éen volk 
uitmaakten, had het woord eene ruimere beteekenis en, sprak men 
toen van de Nederlanden, men rekende er België bij. Nu niet meer. 
Nederlandsche taal zegt dus zooveel alshetgeue wij, onnauwkeurig 
genoeg, Hollandsche taal plegen te heeten. 

Wat den naam Nederduitsch betreft, hij is beter als Neder- 
landsch, omdat hij de Germaansche taal van Belgenland en Noord- 
Frankrijk niet uit en sluit, maar hij verdient evenmin aanbevolen te 
worden. Immers het woord Nederduitsch wordt, als eigennaam, den 
dag van heden, door Duitsche en andere taalkundigen, uitsluitend 
aan de Saksische en Frankische gouwspraken van Noord-Duitsch- 
land, het Platduitsch, toegevoegd. 

Nadat de schrijver betoogd heeft dat onze taal noch Vlaamsch, 
noch Hollandsch, noch Nederlandsch, noch Nederduitsch heeten 
mag, zegt hij, in het tweede deel van zijn opstel, dat wij ze vele beter 
Dieisch zouden noemen. 

Dietsch is een schoone en zinrijke naam en beteekent de taal 
van 't dief, van 't volk ; de volkseigene, de vaderlandsche taal. 

Dieisch is de oudst bekende naam onzer moederspraak, want 
Limburgers, Hollanders, Brabanders en Vlamingen bieten, door al 
de middeleeuwen, hunne eigene gouwtsde Dietsch, en zij gaven ook 
dien naam aan de gemeenschappelijke landstnal van Zuiden en 
Noorden, Oosten en Westen. Dat bewijst heer Craeynest door^ 
verschillige uittreksels uit onze oude schrijvers. 

Voegt daarbij dat het woord Dietsch, als algemeene naam onzer 



« Ons Volksleven. » 



79 



moedertaal, nog dikwijls gebezigd wordtin boeken en tijdschriften, 
en nog mondsgemeen is in menige streek van Brabant en Limburg. 

Heer Craeynest eindigt met de woorden : « Eene tale, een name 
in Noord en Zuid, in Oost en West. Nu, overmits al de andere 
namen, om vele en groote redens, noch en mogen noch en zullen 
aanveerd worden ; overmits niemand tegen den name Dietsch een 
enkel ernstig bezwaar en kan hebbeu, zoo verkiezen wij de oude, 
eertijds algemeen gangbare, hedendaags nog veel gesprokene en 
veelvuldig geboekte benaminge Dietsch. » 

Wij zijn het ten volle eens met den schrijver en wenschen uit der 
herte, dat de naam Dietsch weer volop in zwang kome, geheel 
Dietschland door. Of het zoo gemakkelijk gaan zal?... Wilden wij 
allemaal één zeel trekken, dan zou het zoo danig lang niet aanloo- 
pen, of onze taal hiete wederom algemeen Dietsch. Ik vrees echter 
dat het last zal lijden, onze noorderburen te doen afzien van den 
naam Nederland se h, dien zij eenparig erkend en aanveerd hebben, 
en waar zij reeds jaren aan gewend zijn. Jozef Cornelissen. 



1. (76.) Varen (z. Ons Volksleven, VI, bl. 50) komt, met de 
6® beteekenis, veel bij onze oude schrijvers voor : 

Sit op, seide 'tparl, ie sal di draghen, 
Wi selen daer omme vat'enjaghen. 

(Clignett, fab. van Esopus, 13« eeuw). 

Ghelijc als liede die sonder hoede 
Ende sonder vreese varen siriden. 

(Jan van Heelu). 
Wat vaerdi in desen daghen, 



Met valeken bersen ende iaghen, 
Ghi lantheren, ghi civiteinen ! 
(Van Maeelant, Vanden lande van overzee). 



J. c. 



't Daghet in den Oosten, X, N'-s 1-2. — Limburgsch Nederlandsch. — Geschie- 
denis van Herckenrode. — Kaadselkeiis. — Bijgeloof en Wangeloof. — Zegsels 
en Liêkens. 

Volk en Taal, VI, N' 9. — Reisboekske voor de Frauschmans (A. van Heu- 
verswyn). — Bijdrage tot don Nederl. laalschat (A. van Heiiverswyn). — 
Kampen on duimken houden (L Lehembre). — Vertelsels (T. van Heuver- 
swyn). —Volksgebruiken (A. van Heuverswyn). — Sint-Gregorius (P. van 
den Broeck). — Fransche tijd te Oudenaarde (K. van Caeneghcm). — Dietsche 
belangen . 



go « Ons Volksleven. »» 

Biekorf, V, N'' 6, — De slag der Gulden Spoorcn (K. van Houtte). — De 
Tooverslotter (J. Leroy). — Goedendag (G. Gezelle). — IJoxem (A. Dassoiiville). 

Het Belfort, IX, N"" 4. — Germaansche plaatsnamen in Frankrijk (J Winkler). 

— Van Reinaerde (L. Scharpé). — De oude spinsier (L. du Catillon). — Een 
praatje over gothische bouwkunst toegepast op de burgerswoningen ('Hein). 

— Driemaandelijksch overzicht (J. Cl.). — Een psalm des levens (O Loosen). 

— Moederliefde (J. G). — Wenken en vragen. — Vlaamsche belangen (A. 
Daems). — Boekenuieuws en Kronijk. — Philologische bijdragen. 

Dietsche Stemmen, II, N'" 4. — De Staatsleer volgens de begrippen der 
scholastische wijsbegeerte (J. van Mierlo). — Luther's levenseinde (J. M. 
Berchmans). — Een gedicht uit de XVIII* eeuw (Th. Seveiis). — Sniderien 
van D"" Suieders (D. V.). — Naklank van boekeu eu tijdschriften. — Boekbe- 
oordeeling. — Mengelingen. 

Dietsche Warande, Vil, N'' 2. — Ordotmancie of reglement van het Sint- 
Sebastiaansgild vau Putte (Mechelen). A» 15GS (E. Geudens). — Sylvester's 
huwelijk (Kaar Camillo Castello Branco, met een voorwoord van Ülivier du 
Chastel). — De predikstoel der Siute Goedelenkerk Ie Brussel (.1 F. Kieckens). 

— Hettooneel bij de Chiueezen (C. Lecoutere) — Vei tijloosheid (G. Gezelle). 

— Iets over « Vlaamsche beweging, n Bij het portret vau J. F. Willems 
(Het Bestuur) — Iets over de voormalige rechten der abdij Thorn te Baarle- 
Hertog en Baarle-Nassau (C G. V. Verreyt). — Tentoonstelling van kant- en 
andere kunstwerken (A. T ). — Boekenkennis. — Vondeliana. — Omroeper. 

— Splinters. 

Wallonia, II, N"" 4. — Le fête des pèleriiiS (E. Brixhe). — La difficile, chanson 
liégeoise, air noté (O Colson). Les os de grenouille : I. l'our se faire aimer 
d'une femme (L. Westphal). — II. Pour évoquer le diable (A. Harou). — 
Pataipatiuai, conté du pays de Herve (J. Deguekire) — Notes et euquêtes. 

Annales de la Sociélé d'Archéologie de Bruxelles, VIII. N"" 2. — Les Waréchaix 
(P. Errera). — Une nomination dans la garde bourgeoise u Anvers au XVII* 
siècle (F. Donnet). — Les fleurs de lis de 1'Ancienne monarchie fran^Jiise 
(J. van Malderghem). — Le familie Clarensone (F. Donnet). — La mégalithe 
de Ville-sur-Haine (E. de Munck). — Séances. — Mélanges. — Questionset 
Réponses. 

Biatter lUr Pommersche Volkskunde, II, K^G. — Hochzeits-Aberglaube und- 
Gebrauche aus Pommern (D'" A. Haas) — Weihi.achts-und Sylvesterfeier in 
Blumenwerder (U. Karbe). — Neue Volkssagen aus Pommern (O. Knoop). — 
Der Kuckuck ist eiu weiser Maun {{)' A. Brunk) — Scheuchlieder auf die 
Raubvögel (D"" A. Haas). — Pommersche Flurnaraeu (Jaffke). — Kinder-und 
Volksspiele in Pommern (R. Pelz) — Kleine Mitteiluugen. 

Zeitschrlft des Vereins für Volkskunde, IV, K"" 1. — Das deutsche Volkslied in 
Oesterreich-Ungarn (A Hauffen). — Das Marchen von Gevatter Tod (J. Bolte). 

— Der Schuh im Volksglauben. 1 (P. Sartori), — Wiegenlieder aus dem 
Spossart (A. Euglert) — JS'egermarcheu von der Goldküste (J. G. Christaller). 

— Buddhistische weibliche Heilige (S Singeo). — Bastlösereime (K. E. 
Haase). — Auf einen Bauernhofe im Gsiessthal in Tirol (Th. Heil). — Ver- 
schiedenis vom Aberglauben, von Sitten und Gebrauchen in Mittelschleeien 
(A. Baumgart) — Kleine Milteilungen. 

The Journal of American Folk-Lore, VI, N"" 23 — Uncle Remus traced to the 
Old World (A. Gerber). — Demouiacal Possession in Angola, Africa. — 
Folk-lore from Ireland (E. P. Thompsoji) — The Pa-lü-lü-koii-ti : a Tusayan 
cereniony (J. W. Fewkes) — A woman's song of the Kwakiutl Indians (J. C. 
Fillmorej — Fifth annual meeting of the American Folk-Lore Society. — 
Notes aud queries. 



Je EeOTtti itt liet f nltegelnnf en f nlkgebruik, 

{Vervolg). 




ERDAT men eenen doode in de kist legt, is 

men in veel streken van Vlaanderen, o. a. 

te Brugge gewoon, eenige druppelen van de 

gewijde keers kruisgewijze op den bodem 

der kist te laten neervallen. 

— De gewijde keers waarmede een doode « uitgelicht » is, 
is daardoor « ontwe(d)en » (ontwijd). Gehoord te St. Antonius, 

— Te Poucke, in Oost- Vlaanderen, zeggen de meesters 
tegen hunne dienstboden en de ouders tegen hunne kinde- 
ren, als er keersen nutteloos staan te branden, de onnoodige 
uit te blazen, omdat er de zielkens van 't vagevuur in moe- 
ten branden, (i) 

— Op Allerzielen-avond is gansch de kerk één licht. ledere 
familie brengt roeten keersen, soms zes of meer naar de 
kerk en laat ze daar branden. Meestal is er geene plaats 
genoeg om al die keersen den avond zelf nog te laten opbran- 
den, en worden er eenige weggeleid, die de volgende dagen 
hunne beurt krijgen. Land van Aalst. (2) 

— Onder den dorpel van een nieuw gebouw legt men een 
deeltje van den nagel eener paaschkeers, om de kwade hand 
BXtQWQTQn. Bralant. (3) 



(1) Rond den Heerd, 1879, bldz. 311. 
1878, bldz. 366. 
VI 



(2) ld. 1879, bldz. 182. — (3) ld., 



82 « Ons Volksleven. » 

— Onder de balie van 't hof, onder de zulle van een nieuw 
gebouwd huis en bijwijlen ook wel onder de grondslagen 
van gelijk welke andere dorpsgebouwen, legt men eenen 
paaschnagel. Wesf-Vlnandcrcn. (i) 

— Als men het zaaigraan bereidt, leest men daarover de 
litanie van alle Heiligen of Sint-Jans Evangelie, en doet er 
eenige graantjes gewijd doopzout of een weinig was van de 
gewijde keers in. Brabant. (2) 

— Waneer de zaaitarwe of d(i zaai rogge wordt gereed 
gemaakt, brengt men daar eene gewijde lichtmiskeers bij en 
laat er, onder het lezen van Sint-Jans Evangelie, eenige 
druppelen gesmolten was in vallen. Die voorzorgen worden 
genomen meestal tegen de betoovering. Soms worden de 
druppelen der gewijde keers vervangen door eenen paasch- 
nagel. Land van Aalst. (3) 

Het gebruik van eenen paaschnagel of eenig ander gewijd 
goed oï heiligdom onder den dorpel te steken, en van eenige 
druppels der gewijde keers in het zaaigraan te laten lekken, 
bestaat ook in de Kempen. 

— De Kcersehcgiefing. — In verscheidene gewesten van 
Vlaanderen viert men nog jaarlijks de kecrsehegicfing. Het 
feestje heeft plaats op den eersten Maandag na Baafmis. Met 
de keersebegieting begint het gebruiken van 'tlicht 's avonds 
voor 't kantwerken. 

Gewoonlijk komt eene heele buurt overeen, om samen de 
keers te begieten, en 's avonds vergaderen alle kant werk- 
sters in eene herberg. Te midden der kamer wordt eene 
oordjeskeers geplaatst en aangestoken. Eerst wordt de 
eerste strophe van het « Liedje van 't Reusje » gezongen, en 
daarop volgt, met dezelfde wijze : 

Eu al die daar niet over en kan, 

Niet over en kan, 

En is geen man ; 

Over de keerse 

Beeutje maar ééntje. 

Over de keerse, 

__________ Beentje ! 

(1) Rond den Heerd, 1879, bldz. 52. - {2) ld., lST8,bldz. 366. - (3) ld., 
1879, bldz. 1S2. 



« Ons Volksleven. » 83 

Gedurende het zingen dezer woorden worden de rokken 
tot eene broek samengetrokken, en « beentje maar ééntje » 
worden de beenen over de brandende keers geslagen, die 
niet uitdooven noch omvallen mag. Naar 't schijnt, is er een 
zekere kunst noodig, om den dans naar behooren uit te 
voeren, (i) 

— Waneer er een huwelijk plaats heeft, ontsteekt men te 
Scaer twee keersen, en men zet er eene van voor den man en 
de andere voor de vrouw : het licht dat het minste schittert, 
wijst aan, welke van de twee eerst moet sterven. (2) 

— Evenals bij de Ouden, speelt het water en het vuur 
eene groote rol bij de Bretanjers. Aan de kanten van Guin- 
gamp en elders zet men, waneer men het lichaam eens dren- 
kelings niet kan ontdekken, eene brand'ende keers op een 
brood, dat men vervolgens met den stroom laat medevlotten. 
Op de plaats waar het brood stilblijft, vindt men het lijk des 
verdronkenen. (3) 

In de omstreken van Thuin in Henegouw, en elders in de 
Walen, neemt men zijne toevlucht tot een dergelijk middel 
om het lijk eens drenkelings weder te vinden. Men zet name- 
lijk op 't water eenen bak, waarin men eene brandende 
keers gezet heeft; op de plek waar het broze schuitje stil- 
houdt en de keers uitgaat, zal men 't lichaam van den ver- 
dronkene vinden. (4) 

— Cardan, geneesheer, sterrekijker en geestenziener, 
geboren te Parijs in 1501 en gestorven te Rome in 1576, 
beweert dat men, om eenen onderaardschen schat te ont- 
dekken, moet voorzien zijn van eene dikke keers, van 
menschenvet gemaakt en in een sikkelvormig stuk hazela- 
ren hout gesloten, derwijze dat zij met de twee punten van 
het hout eene drietandige gaffel vormt. Zoo de keers, in de 
onderaardsche plaats ontsteken, luid knettert, dan is dit een 
teeken dat er een schat verborgen zit; hoemeer men hem 
nadert, hoemeer de keers wordt knetteren, en zij dooft 
eindelijk uit, waneer men heel dicht bij den schat is. Men 



(1) VolksMnde, IV, bldz. 36 — (2) Collin de Yi^kTHCY.DicHonnaire infernal, 
bldz. 151. — (3) M. Cambi:y. Voyage dans Ie Finistère, III, bldz. 159. — 
(4) Mededeeling van deu heer Alfried Haeoü, 



84 « Ons Volksleven, j» 

moet dus nog andere keersen in lanteernen bij der hand 
hebben, om niet in den donkere te staan. Heefc men reden 
om te gelooven, dat de geesten der overledenen de schatten 
bewaken, dan is het best gewijde keersen te gebruiken. Men 
bezweert van Godswege de geesten, van te zeggen of men 
iets kan doen, om hen in de plaats van rust te brengen. Nooit 
mag men nalaten te volbrengen, hetgeen zij u vragen, (i) 

— In al de duivelbeschrijvers leest men, dat de heksen op 
den Sabbat, het minst edele lichaamsdeel van den duivel gaan 
kussen (2) met eene zwarte keers in de hand, die zij vervol- 
gens aan Satan, hunnen meester, offeren. Boquet zegt in 
zijnen Discours des Sorciers, chap. 22, dat zij die keersen 
gaan ontsteken aan eene fakkel, die op den bokkenkop 
van den boozen geest, tusschen zijne twee horens staat. 

— 'tiseen slecht voorteeken, als er drij keersen op eene 
tafel staan te branden. De kooltjes, die van de wiek eener 
brandende keers vallen, kondigen volgens sommigen een 
bezoek, maar volgens het algemeen gevoelen, een nieuws 
aan. Dat nieuws zal gelukkig zijn, zoo de keers klaarder dan 
tevoren brandt, doch ongelukkig, zoo haar licht verflauwt (3). 

{'t Vervolgt). Jozef Cornelissen. 

St (§tm^ïtknm kr ïtujm nu )mii mijlen 
in %ïït 

eENiEDER kent de geschiedenis van de leerzen waarmede 
men schreden van zeven mijlen doen kan. En eenieder, 
die eenigszins op de hoogte is der vreemde /b?^'Zoré', weet 
ook dat dit sprookje wel aan andere, dan aan de Vlaamsche 



(1) Ze solide Trdsor du Petit Albert. 

(2) Dit was eeue soort van eerbewjjzing. die de tooveraars en heksen meestal 
verplicht waren den duivel te doen. In de processtukken aangaande de too- 
veraars en too veressen wordt zij herhaaldelijk vermeld. Ziet daarover o. a. 
Cannaeet. Bijdragen tot het oude Strafregt in België, bldz. 157 en 163. 

(3) CoLLiN DE Planct. Dictionnttire infernal, bldz. 137. 



« Ons Volksleven. » 85 

knapen en meisjes verteld wordt. In eene Indische verzame- 
ling van sproken en fabels, het KaihdsarUsdgara, d. i. « de 
Oceaan, waar de stroomen van vertellingen zich instorten » 
(i), treft men een dergelijk fabeltje aan. Aan de meerderheid 
der lezers van Ons Volksleven zal het waarschijnlijk niet 
bekend zijn, en daarom bieden wij er hun de vertaling van, 
naar den Sanskrittekst, zonder verderen commentaar : (2) 

« Intusschen bleef vorst Putraka, zijn woord getrouw (3), 
in het Vindhya-woud wonen, alle betrekkingen met zijne 
familie vermijdende. Eensdaags, terwijl hij rondwandelde, 
ontwaarde hij twee menschen die bezig wai-en met malkaar 
te bevechten. « Wie zijt gij? y> vroeg hij. « Wij zijn de twee 
zonen van den Asoera Maya» (4),werd hem geantwoord. « Dit 
bezitten wij : deze schaal, dezen stok en dit paar leerzen. Om 
den eigendom daarvan te bekomen, zijn wij handgemeen 
geraakt, want hij, die de sterkste is, zal deze voorwerpen 
als de zijne verkrijgen ». Daarop zegde Putraka al lachende : 
« Daarmede zal wel niemand rijk wezen ». Zij antwoordden : 
« O vorst! Hij die deze leerzen aantrekt, bekomt de macht 
om door het luchtruim te vliegen ; al wat iemand op dezen 



(1) Het Kathdsaritsdgara is eeue zeer uitgebreide verzameling vau allerlei 
sproken, vertellingen, mythen, legenden, wonderlijke geschiedenissen en 
lotgevallen. Het dagteekeut uit de eltde eeuw onzer tijdrekening, en bevat 
niet min dan 44000 verzen. De schrijver, of liever, de verzamelaar ervan is 
zekere Somadeva, die aan het hof der vorsten van Kagmir (Hindostan) leefde. 
Van den Sanskrittekst bestaan twee uitgaven (de laatste te Bombay versche- 
nen in 1889); Tawney bezorgde in de laatete jaren eeue volledige P^ngelsche 
vertaling (Calcutta, 1860-1884, twee deelen). 

(2) Het verhaal komt voor in het derde taranga of hoofdstuk, clolia 45 
en volg. 

(3) De oomen van Koning Putraka hadden sluipmoordenaars omgekocht om 
hem van het leven te berooven. Putraka ontdekte dit, beloofde aan de boos- 
doeners eene nog grootere geldsom, indien zij hem sparen wilden, met' de 
verzekering dat hij ver van huis zou gaan. Dit, om den eersten volzin van het 
verhaal duidelijk te maken. 

C4) De Asoera's zijn daemons, vijanden van de goden (deva's, soera's). Maya, 
d. i. eigenlijk " de maker », is de naam van een Asoera, die bij middel zijner 
toovermacht, de Daitya's, een soort van booze geesten, daemons of Rakshasa's, 
deed ontstaan. Zie Dowson, A classical dictionary of hindu mythology and 
religion, enz., Londen, 187G, q. v. 



86 « Ons Volksleven. >» 

stok schrijft, dat verkrijgt hij dadelijk; en wat spijzen ook 
men op dit bord wcnscht te ontvangen, die komen er aan- 
stonds op getooverd ». Dit gehoord hebbende, sprak Putraka: 
«•Wat zijn de voorwaarden van den strijd? Stelt als voor- 
waarde, dat hij, die bewijzen zal het dapperst te vechten, 
dit alles in eigendom ontvangen zal ". « Zoo zij het! " zegden 
beiden, zonder achterdoclit, en verwijderden zich om zich 
tot den kamp te bereiden, Putraka trok spoedig de leerzen 
aan en toog heen, de schaal en den staf medenemende; in 
enkele oogenblikken had hij een grooten weg door het 
luchtruim afgelegd, en zag toen, beneden hem, eene schoone 
stad, AJcarsMM genaamd (i); daarin daalde hij uit do wolken 
neder.... » (2) 

In zijne Engelsche vertaling van dit sprookje, haalt 
Tav^^ney (deel I, bladz. 14) eene gansche reeks dergelijke 
vertellingen aan, die men in verscheidene verzamelingen 
aantreft; het zou de moeite loonen, de aldaar aangegeven 
inlichtingen te benuttigen om de herkomst, verspreiding en 
wijzigingen van dit en andere daaraan gelijkende verhaaltjes 
na te gaan en met malkaar te vergelijken. 

{Antwerpen). L. 



ferfektls. 



3. (50.) 't iHöunckc mn ^tutelcntecu. 

O/^^^^^^^iNDEii ver aan den kant van de zee, daar woonde eens 
'^; m V M\ 'ne man en een vrouw. Die menschen waren arm, dood- 
yi,^^~^^ arm, en dikwijls genoeg, gingen ze zonder eten slapen. 
Om te wonen, hadden ze daar een hutteken gebouwd, en dat trok 
precies op 'nen omgekeerden p.spot. 

Op zekeren dag zei de man tegen zijn vrouw r 



(1) AkarshiM beteekent « de aangename, de aantrekkelijke «. 

(2) Hetgene volgt heeft geen betrek meer op de leerzen. 



« Ons Volksleven. » 87 

« Hoort eens, moeder; we kunnen toch zoo niet blijven spartelen ; 
we lijden meer honger als Vciak, en we hebben of we en weten niet. 
'k Gaan ekikvisscher worden. » 

Zoo gezeid, zoo gedaan. 

Hij neemt een hengelroei en wat hij verders noodig heeft, en hij 
gaat aan den boord van de zee zitten. 

Als hij daar nu wat gezeten had, voelde hij dat hij beet had. Hij 
trekt zijn lijn op, en daar hong zoo'n klein, lief schelmke van een 
vischken aan. Hij nam het er af, en meende het in zijn net te 
steken, maar daar verschiet hij ineens, want dat vischke kost 
klappen. 

Het had zoo'n zoet, lief stemmeke, en 't zei : 

" Och! visscherke lief, laat me toch leven, en ik zal u al geven 
dat ge vraagt. » 

« Geeft me dan maar een schoon huis » , zei de visscher, en hij 
gooide het vischken in de zee. 

« Ge zult het hebben », riep het vischke, en 't was weg. 

Dien dag vong de visscher bijna niets, en als hij het muug was, 
ging hij terug naar zijnen p.spot. 

Maar, jawel, in plaats van zijn houten kabaantje, stond er een 
groot, schoon huis, heelegaar in steen, en met deuren en vensters, 
en ruiten daarin ; om het kort te maken, 't was 'ne lust om zien. 

Hij was nog niet thuis, of hij zag zijn vrouw op den dorpel hem 
staan afwachten. 

Ze was zoo blij als 'ne kermisvogel. Heure man moest wel zes 
keeren de geschiedenis van 't vischke vertellen, en eer dat ze slapen 
gingen, zei de vrouw : " Man lief, morgen gaat ge terug naar de zee, 
en go moet zien dat ge dat vischke nog vangt. 

Dat vischke dient voor ons geluk, en daar kunt ge aan vragen, 
al dat ge wilt. » 

« Ja, wat moet ik dan vragen? » vroeg de man. 

« Wel vraagt meubelen en schoone kleêren ),, zei de vrouw. 
Daarop gingen ze slapen. 

's Anderendaags 's morgens ging de man naar de zee, en zoogauw 
als hij aan 't water kwam, riep hij : « Vischke, vischken uit de zee ! « 

« Wat belieft er u, manneken van Tintelenteen? » vroeg het 
vischke, terwijl het zijn koppeken boven het water stak. 

« Meubelen en schoone kleêren! » zei de visscher. 'k Heb uu wel 



88 « Ons Volksleven. » 

een schoon huis; maar wat helpt me dat, als 't leeg staat. En 
daarbij, dat gaat immers niet, met zoo'n vuile kleêren in zoo'n 
schoon huis te wonen. » 

« Ge zult ze hebben „, zei het vischke, en 't was weg. De visscher 
vong nog eenige visschen, maar toch, 't ging hem niet. 

Hij scharde dan algauw zijn gerief bijeen, en hij trok naar huis. 

Onderwege kwam hem zijn vrouw te gemoet geloopen, gekleed 
'lijk een mevrouw, in de zijde, met gouden bellen in heure ooren, en 
zoo fier als een pauw. 

Als hij nu thuis kwam, dan vond hij alle kamers vol schoone 
meubels, en kleêren met de macht. 

Dat was me goed, maar als ze moesten gaan eten, dan zette de 
vrouw een zuur gezicht. 

« 't Is er wel meê », zei ze; « schoon gekleed gaan, en met 'nen 
leêgen buik loopen. » 

« Morgen gaan ik terug », zei de man, « en 'k zal aan 't vischke 
vragen, ons lekker eten te bezorgen. » 

's Anderendaags ging hij weer naar de zee, en hij riep : " Vischke, 
vischken uit de zee ! » 

't Vischke stak zijn snuitje boven, en 't vroeg : « Wat belieft er 
u, manneken van Tintelenteen ? » 

« Lekker eten, vischke lief; zei de man; « mijn vrouw klaagt dat 
'k te weinig vang, en visch alleen is toch geen voedsel voor rijke 
menschen. » 

« Ge zult het krijgen », zei het vischke, en 't verdween. 

De visscher raapte zijn gerief bijeen, en hij trok er van door. 

Als hij thuis kwam, dan docht het hem, dat het in de keuken van 
'nen koning niet beter kost rieken, zoo'n goede reuken kwamen er 
in zijnen neus gevlogen. De tafel stond vol van de lekkerste spijzen, 
en aan de tafel zat zijn vrouw al bezig met smullen. 

Als ze nu goed geëten en gedronken hadden, zei de vrouw tegen 
beuren man : 

" Hoort eens u, zei ze; « we hebben nu een schoon huis, schoone 
meubels, kostelijke kleêren, lekker eten, gelijk 'ne koning en een 
koningin. 

Dat ge nu nog eens naar 't vischke gingt, en vroegt om koning 
en koningin te worden ? » 



« Ons Volksleven. » 89 

« Dat 's een gedacht «, zei de mau, « nudat ik toch niets meer te 
doen heb, zou 'k wel koning willen zijn. » 

Den dag nadatum trok hij naar de zee, en hij riep : « Vischke, 
vischken uit de zee ! « 

't Vischke verscheen, en 't vroeg : « Wat belieft er u, manneke 
van Tintelenteen ? » 

« Wel, vischke lief, mijn vrouw zou zoo geerne koningin zijn, en 
ik koning. « 

« Ge zult het zijn «, zei het vischke, en 't was weg. 

Als hij nu thuis kwam, vond hij zijn vrouw op 'nen troon zitten, 
en daarneven stond er eene voor hem. 

En heel hoepen knechts en meiden liepen er rond, en 't was 
oprecht gelijk het hof van den koning. 

Maar hoe rijker en schoener dat de visscher en zijn vrouw waren, 
hoe hooveerdiger dat ze wierden ook. 

Op den duur kost de vrouw het niet meer uithouden, en ze zei 
tegen beuren man : « We zijn nu al koning en koningin, maar terwijl 
dat ge van het vischke toch al kunt verkrijgen wat ge wilt, moet ge 
er terug naartoe. « 

« Wat zal het nu weer zijn », vroeg de man; « hebt ge nog niet 
genoeg? r. 

« Neen », zei de vrouw, « nog een beetje, en dan ben ik voldaan. » 

« Wat moet ik dan tegen het vischke zeggen? » vroeg de man. 

« Wel ik zou geerne Ous-Liev'-Vrouwke zijn, en dan waart gij 
Deezeke. n 

« Dat was nog zoo slecht niet », meende de man. 

Als hij nu aan de zee kwam, riep hij weer : « Vischke, vischken 
uit de zee ! » 

« Wat belieft er u », manneke van Tintelenteen? » antwoordde 
het vischke. 

" Mijn vrouw zou geerne Ons-Liev'-Vrouwke, en ik Deezeke zijn. » 

« Zoo )■,, riep het vischke, « nooit genoeg! » 

« Als ge wilt hooger zijn dan God, kruipt dan terug onder uwen 
p.spot! « 

En daarmee was het vischke weg. 

Als de man dat hoorde, was hij als van de hand Gods getroffen; 
zijn schoone kleêren waren uit, en hij stond daar weer gelijk 'nen 
arme visscher. 



90 



« Ons Volksleven. » 



De vent liet zijnen kop hangen, en hij trok naar huis. Als hij 
daar aankwam, dan was 't nog veel erger. Alles was weg, en ziju 
vrouw zat voor hun hutteken op heur hukken te grijzen, snotelleu 
lang. Ze waren weer zoo arm als Job. 

En daar kwam 'nen hond met 'nen langen snuit, en 't vertelsel 
is uit. 

(Gehoord te Antwerpen). J. B. Vervliet. 



{Vervolg). 




t. (33.) 3§00götraten : öe Jöptlzttkken. 

^E Heer E. A. zendt mij de volgende terechtwij- 
zing : 
De spotnaam der Hoogstraters is niet /52?eZ-, 
maar wel SpüzakTien. Dat beteekent vijfcenfcnmanneTiens. 
Ik heb ooit gehoord, waneer men de Hoogstraatschen wilde 
aanduiden : « daar hebt ge de Spilzakken », waarna men er 
onmiddellijk op liet volgen : « de vijfcentenmannelcens. r> 

Die spotnaam komt hieruit voort : Als er vermaak te 
scheppen valt, is de Hoogstratenaar er geerne bij. Des win- 
ters gaat er zelden eene week om, zonder dat er te Hoogstra- 
ten de eene of de andere gilde teert. Ook Iaat hij geene 
enkele gelegenheid ontsnappen om plezier te maken, vooral 
waneer het vermaken geldt, die niet te diep in den zak 
komen, en zulks, om het lang vol te houden. 

Van den anderen kant zijn de Hoogstraters, door hunnen 
handel, veel in betrekking met de omliggende plaatsen, en 
de kermissen in den omtrek worden hierom door hen druk 
bezocht. Ze hebben dan de gewoonte al de herbergen van 
het dorp, waar het kermis is, na te gaan, en maken zoo 



(1) Z. Ons Volksleven, V, bldz. 132-135; 152-153; 189-192; 215-216; 228-229. 



« Ons Volksleven. r> 91 

bijna overal hetzelfde verteer van 10 centiemen of 5 centen. 
Vandaar de spotnaam SpihaJcJcen, d. s. vijfcentenmannekens. 
Tot daar de Heer E. A. 

Zak, in sommige samengestelde woorden, beteekent 
menscJi, man, verachtender wijze. Een clroogzak is een die 
niet aantrekkelijk is, die weinig zegt en nog minder lacht; 
een leugenzak, een groote leugenaar; een luiszak, een die vol 
ongedierte zit; een platzak, een slimmerik; dikzak, papzak en 
vetzak doelen op de lichamelijke wanstaltigheid of de zwaar- 
lijvigheid van degenen, die men met deze namen bestempelt. 
Maar een spilzak, wat is een spïlzak? '^ieim.exid.e op den 
uitleg dien de Heer E. A. van het w. geeft, zouden wij er de 
beteekenis aan mogen toekennen van naiiwen, spaarzamen, 
gierigen mensch, iemand die men met andere woorden oort- 
jendood, pinnckendtm pleegt te heeten. Bemerkt hierbij dat 
het zelfst. naamw. spil in de Kempen gebruikt wordt om er 
eene 2'^"w, een gierig wijf mee aan te duiden. Een spilzak is dus 
een gierigaard. De Heer E. A. hecht er den meer bepaalden 
zin aan van vijfccntenmanneken, hetgeen al omtrent het- 
zelfde schijnt te zeggen. 

2. (34.) Ületr : ^e ^Hnkers. 

DE inwoners van Meir hebben de gewoonte heel luid te 
spreken en te roepen, waarom men ze in den omtrek, 
zeer eigenaardig, de Klinkers noemt (i). 
Wie legt mij uit, waarom men ze ook de Kneuters heet ? 

['t Vervolgt). Jozef Cornelissen. 



(1) Meegedeeld door den Heer E. A. 




f nltegEhntiken in k Itmpen. 



DE maatschappij, die het heiluizen te Hoogstraten het 
langst in zwang lieeft gehouden, is de oude Kruisboog- 
gilde van Sint-Joris. 

Het gebruik is nog maar over een tiental jaren uit de 
mode geraakt. 

De gilde heeft hare jaarlij ksche tcerdagen. De gildebroeders 
vergaderen op die dagen in de gildezaal. Daar wordt eene 
goede pint gedronken en met de kaart gespeeld. In den 
namiddag, tegen het vallen van den avond, keert de eene na 
den andere huiswaarts en komt terug, vergezeld van zijne 
vrouw en bejaaide dochters. Rond 7 uren begint de dans en 
deze duurt gewoonlijk tot middernacht voort. Den derden 
dag, des Woensdags, is het lek. Wat op het vat is gebleven 
van de vorige dagen, wordt op den leMag afgedronken. 

In den namiddag, rond 2 uren, kwamen vroeger de jonk- 
mans in de zaal bijeen om te gaan heiluizen. 

Een der jonkmans speelde heiluizer. Hij ging voorop, in 
zijne hemdsmouwen, eene spierwitte pekruut of slaapmuts op 
het hoofd, eenen sloef of voorschoot aan van dezelfde kleur, 
en een blinkende koperen schuimspaan in de hand. Achter 
hem traden twee muzikanten en vervolgens de jonkmans, 
twee en twee. 

Wanneer de stoet in beweging kwam, liet het muziek zijne 
gewone aria's hooren, terwijl de heiluizer danste en allerlei 
gekke sprongen maakte om den algemeenen lachlust op te 
wekken. 



« Ons Volksleven. » 



93 



Zoo trok de stoet de oude Vrijheid door om aan eiken 
gildebroeder een bezoek te brengen. Daar stond de flesch 
gereed. Vooraleer de heiluizers vertrokken legde de vrouw 
des huizes in eenen korf, dien de jonkmans medegebracht 
hadden, een lekker brokje, waarmede zij zich 's avonds eens 
wel zouden vers"asten. E. Adriaensen. 



Over dit gebruik, dat te Achtel, onder Rijkevorsel, nog in zwang 
scliijntte wezen, z. ook Ons Volksleven, III, bldz. 111. 

Zou het w. niet heilhuizen dienen gespeld te worden? Heilen is 
Limburgsch en beteekent rondhalen, van deur tot deur gaan, om 
geld, eetwaren, enz. in te zamelen, in 't Fr. quêler, zooals b. v. de 
kinderen plegen, op Nieuwjaarsavond. 

Sehuermans heeft het w. heühuisen voor een ander gebruik, dat 
hij aldus beschrijft : « Heilhuizen (heilhoezen) is eene plechtigheid, 
welke ook bierlieiiren genoemd wordt en bestaat hierin, dat op den 
laatsten kermisdag dansers en danseressen, met den speelman aan 
het hoofd, van huis tot huis gaan « den heildronk » drinken en 
hicrkeuren. Te gelijkertijd brengt men de danseressen naar huis, 
en de momber of kapitein van 't spel steekt eene roos boven de 
deur harer woning. (Z.-Lim.). » J. C. 




'^EDURENDE de 15* en zelfs in een groot deel der 
16*' eeuw, was het alom voor een vast rechtspunt 
?^ aangenomen, dat de redelooze dieren, zoowel als 
de menschen, voor hunne wanbedrijven moesten vervolgd 
en gestraft worden ; hierin werden zij met de redelijke 
schepselen gelijkgesteld; evenals de gewone misdadigers, 
zag men ze op vele plaatsen van offlciewege terechtstellen, 
en ten gevolge van rechterlijke uitspraken met den gewonen 
toestel in halszaken gebruikelijk, in het openbaar en ten 




94 « Ons Volksleven. » 

aanzien van het volk, op een schavot door beulshanden ter 
dood brengen (i). Dit gebruik werd allerwege als wettig en 
billijk aanzien; weinige plaatsen zou men vinden, waar de 
crimineele registers dier tijden nog overgebleven zijn, die 
daarvan geen voorbeeld zouden kunnen opleveren. Voor- 
name rechtsgeleerden deelden in dit algemeen gevoelen; 
GuY Pape, onder meer anderen, leert dat de dieren misdaden 
kunnen begaan en daarover strafbaar zijn. (2) 

Verschillende schrijvers hebben uitgeweid over de proces- 
sen, den dieren aangedaan. Hunne geschriften toonen ons, 
in hoeverre de onwetendheid den geest der wetgevers tot de 
ongerijmdste leerstelsels heeft kunnen voeren. 

Het onderwerp werd behandeld door Berriat SK Prix in 
Thémis; in Belgique judiciaire, bd. XVII, n"" 27, alwaar wij 
eene merkweerdige ontleding vinden van Barthelemy de 
Chasseneux's consultatie De excommunicatione animalium 
inseciorcm, den beruchten advokaat die, in een zeer gewich- 
tig proces, de ratten verdedigde; in het werk van J. B. 
Cannaerï, getideld Bijdragen tot het oude Strafregt in België, 
bldz. 320 en vlg. ; in den 2" jaarg. van La Tradition, bldz. 77 
(opstel van F. Ortoli, getiteld Proces conire les animauz), 
enz., enz. 

Wij gaan hier eenige rechtsplegingen aanhalen, in België 
tegen de dieren gericht. Die processen worden bij de hooger 
genoemde schrijvers niet vermeld. 

* 

— Een stier die een knechtje van 15 jaar gedood had, werd voor 
de gezworenen van Glabbeek (Brabant) gebracht, die hem veroor- 
deelden om gehalsrecht te worden. Men leverde hem over aan den 
baljuw van Nij vel, die bevel gaf het dier te rechten, zijn lijk te 
begraven aan den voet der galg en zijnen kop op een rad ten toon 
te stellen. Dit feit had plaats tusschen de jaren 1486 en 1494. 
(Tarlier et Wauters. — Hisioire des communes heiges. 
Glahais.) 

— Den 4" Meert 1529-1530 werd te Berchem (Brabant) een 



(1) Het waren de verkens die zich hierin het meest deden onderscheiden. 

(2) Cannaert. Bijdragen lui hei oude Sirafregi in België, bldz. 322. 



« Ons Volksleven. » 95 

verken terechtgesteld, om een kind gedood te hebben. Na afloop 
van het proces, sloeg men het zwijn den kop af en stelde dien op 
eenen paal ten toon. De beul van Brussel ontving voor zijnen loon 
6 stuivers grooten. (A. Wautees. Hist, des environs de Bruxelle<^, 
I, 348.) 

— Den ^^ October 1553 deed het magistraat van Brussel een 
verken dooden, dat te Sint-Gillis (Brabant) een kind in de wieg 
verslonden had. De kop des moordenaars werd op een zeer hoogen 
paal gesteld, (Annecdofa Bruxellensia.) 

— « Au lieu d'Auvelois (Avelais, prov. Namen) a esté faicte 
exécution d'une truye ayant mengié ung josne enöant. n {Relteuing 
van G. Devc, van 1531. BijksarcMef, N'^' 15351, fol. vj.) 

— Betaald aan den scherprechter van Thiellemont voor de rechts- 
pleging van een « pourceau lequel avoit estranglé a Joudoingne 
(Jodoigne, Geldenaken in Brabant) ung jeune enfant.... cincq 
florins. » 

Dit verken, op het rad geplaatst, werd onthoofd en zijne romp in 
den grond gedolven. {FicJicning van Ph d'OrJey, van 1544. 
EijJcsarchief, W 12814, fol. xii.j 

— Den 4'' Meert 1544 werd eene zeug gehalsrecht, die te Flaviou 
(in Namen) een kind verworgd en verslonden had. (Bclcening van 
J. B. de Werchin. N^' 15352, fol. xxvj en xxviij.) 

— « xxvj Juny, om te rode (in Brabant) metten swarde te execu- 
teren, een vereken dat een jonck kindt verbeten hadde. .• (Belcening 
van Hendrik de Witthem, amman tan Brussel, loopende van 
1524 tot 1525. N'- 12706, fol. xvij.) 

— « XIX Novembris, om te Campenhout (in Brabant) metten 
sweerde te executeren een vereken dat een jonck kint van omtrent 
zesse weken oud verbeten hadde. » (Ibid., van 1525 tot 1526, fol. 
XX, verso.) 

— Den 19° November werd aan den beul « iiij marcx betaeld om 
een verken metten sweerde te executeren ende thooff op eenen 
staeck te stellen, dwelck een jonck kint verbeten hadde. » (Ihid., 
van 1529 tot 1530. M»' 12707, fol. xviij.) 

— Den 19° December 1545 werd op de Groote Merkt te Brussel 
een zwijn openbaar verbrand. 

" XIX* Decembris is by den Wethouderen deser stadt geordonneert 
ende bevolen een vereken, dwelck verfayt was op de merct open- 



96 



« Ons Volksleven. » 



baerlyck verbranden sonde, ende alsdoen betaelt aen dry e hoopen 
houts daermede tselve verbrandt was, » (ReJcening van Willem Le 
Tourneur, amman van Brussel, van 1545. N'" 12708, fol. xv.) 

Alfried Harou. 




l^imiteE tu ipreeknmnrkit ttit Itótt-JiDraliattt. 




"ET volk aanziet het hert als den zetel van alle 
gevoel en de bronaar der liefde. Vandaar die 
krachtvolle zegwijzen : 

1. Er een siuk van zijn hert laien : Eene moeder die al wee- 
nende van het graf haars kinds komt, zegt dan : daar laat ik 
een stuk van mijn hert. 

2. Ih stuur u dces, maar ook mijn ïwrt, schrijven de brave 
huismoeders aan hunne zonen in 't leger. 

3. Mijn hert gaat open en toe. Zoo spreekt degene die nu 
droef, dan blij moet zijn. 

(êd^ en nerhig. 

4. Geen oorden, geen mastellen of, duidelijker, geen centen, 
geene waar. 

5. 't Is de bluts tegen den huil, zegt men van eenen nering- 
doende, die er veel aan inschiet, doch 't jaar te voren veel te 
boven stak. 

6. Het geld is 'ne stoh waar gij overal mee komt. Inderdaad, 
de stok is ofwel een springstok, ofwel een gaanstok ; zoo 
ook het geld. 

7. Het geld gaat op en af gelijk de tij, zegt de werkman, bij 
"wien het geld regent lijk slijk, maar waar het niet koud 
mag worden. 

8. Die 'i breed heeft, laat het breed uithangen : Hoe meer geld 
er binnen komt, hoe meer pracht er is. 



« Ons Volksleven. » 



97 



:2lcl)terhlöp. 

9. JtJene vuile tong werpt meer omver als al de vrienden hunnen 



recht zetten. 



i^egeerüjkljetïr. 



10. Verder willen bijten alsdat ge er met uwe tong aan kunt, 
dat is méér willen hebben dan waar men recht op heeft. 

11. Zijn geld in zijne hemdslip Jcnoopen. Daar zal niemand 
het langen. 

12. Mallcanderen opeten, zegt men van twee gehuwde lieden 
die er alle twee nog al bij zijn, en niet werken als voor den 
heb. 

{'t Vervolgt). Alf. J. C. 




lmpfer|ie lagen. 

(Vervolg). 




8. (170.) Bc 1^ ^dBcssm, » 

=N den Hollandschen tijd kwamen hier verschillige 
troepen vreemde volkeren in 't land, men weet niet 
;?juist van waar, door het volk « Heisessen >» genoemd, 
die hier eenigen tijd nestelden en daarna zoo onverwachts 
verdwenen, gelijk ze gekomen waren. Men vertelt dat het 
Egyptenaars waren, die, vermits het in hun land hongers- 
nood was, naar hier kwamen afgezakt om aan hongerdood 
te ontkomen. Zij kenden alle soorten van verbazende toover- 
kunsten. Als Egyptenaars, luidt de volkslegende, konden zij 
alle vrije kunsten, en mochten die uitoefenen tot vergelding 
voor de herbergzaamheid aan de H. Familie geschonken. 
Wat er ook van zij, zij legden in de boerenschuren, waar zij 
een onderkomen vonden, vuur aan tegen den korentas om 
hun eten gaar te koken, zonder dat er iets in brand ging. 



98 « Ons Volksleven. » 

Indien er iemand anders iels durfde aan roeren, brandde 
zeker en vast de schuur af. Voor een stulisken van 10 oorden 
boterden zij des nachts, en des morgens als de boer opstond, 
lag de prijs der boter op de tafel reeds gereed geteld. Zij 
kwamen ook door Boisschot. Een oud vrouwken kon den 
troep niet meer volgen en zou moeten achterblijven. Wat 
deed men? Zij groeven eenen put, plaatsten daarin eene 
flesch water en een broodje, en gaven aan de oude een mes 
en een stukje van 10 oorden, waarna deze blijmoedig in den 
put sprong. Een van den troep zegde daarop : « Goede reis, 
oudste moeder, in den jongsten dag zullen wij weer bijeen- 
vergaderen. r> Daarna vulde men den put en begroef de oude 
vrouw levend. 
[Gehoord te Boisschot). Frans Zand. 

• 

In bovengemelde sage worden ongetwijfeld de Zigeuners bedoeld, 
ook Bohemers, Heidens en Egypienaars genaamd. Zou Heisessen 
niet eene verloopen uitspraak zijn van Heidcncssen, vrouwelijken 
vorm van Heidens, welke Heidenessen in Vlaanderen Gypiencssen 
en Bjyplenesscn (Egyptenaressen) geheeten worden ? Door Gypte- 
nessen verstaat men in sommige streken een slag van wondere 
vrouwkens, die bijna dezelfde levenswijze hebben als elders de 
Kabouters, Kahoiitermannckens, Alvermannckens, Auvcrman- 
neJiens, Auivelen of hoe zij dan ook heeten mogen. (Z. Wasche 
Sagen, in den 4" jaarg. van Ons Volksleven, bldz, 171-172.) Te 
Lubbeek bij Leuven dragen zij den naam van Hussen, en zij woon- 
den er in den Alverherg, bij de Alvermannekens, wier huishouden 
zij deden. Waneer de Hussen 80 jaar oud waren, wierden zij levend 
begraven met een broodje van 5 stuivers ; en, terwijl men ze in 't 
graf legde, zeide men : « Vertrekt, oud moederken, ge zult in uwe 
jonkheid wederkeeren. » 

De omstandigheden dat de « Heisessen » vuur aanlegden tegen 
den korentas en, mits eene geringe vergoeding, des nachts de stand 
af boterden, worden insgelijks aan de Kabouters toegeschreven. (Z. 
Noordbrabantsche Sagen, in den 4" jaarg. van Ons Volksleven, 
hldz. 28, 29, 53, 69," 70, 93, 94.) 

De laatst aangehaalde omstandigheid herinnert aan het onmen- 



« Ons Volksleven. » 99 

schelijk gebruik dat bij sommige oude volkeren in zwang was, 
hunne ouderlingen levend te begraven, een gebruik, dat men nog 
bij enkele wilde Indiaansche stammen aantreft. J.C. 

Muxnié kr )rifetaiiMgt Hanminnnrkii. 

i^tjöroge tot een üenx^mi) 3M0tic0tt. 

TT? ET meervoud der zelfstandige naamwoorden wordt, in 
Il 't algemeen, volgens de regels der geschreven taal 

(j gemaakt. 

Er zijn nochtans eenige uitzonderingen. 

P Die uitgaan op de, te, gelijk hrecdde, kiekte, nemen {n)s, 
Breedde, hreedde{n)s ; zieJcte, zieTite(n)s. Zoo ook rede [discours] : 
slicJife rede{n)s vertellen, en akt(e) : de aJcte{n)s opzeggen. 

Sommigen zeggen bedde{n)s, hemde[n)s, Jcouse{n]s voor bedden, 
hemden, Jcousen. 

2° De onzijdige A;a?/, Za»w en nw^ nemen er. Kalf, Imlver; 
lam, lammer; rund, runder. 

Zoo ook in 't Z. O., langs de Limburgsche grens, lioui, kind, 
Jcot, veld, lüicht en sommige andere. Hout, Jiouier; Ttind, hin- 
der ; Tiot, kotter ; veld, velder; ivicht, tvichter. 

3° 31an, in samengestelde woorden, wordt lie, niet lui. 
Koopman, kooplie; voerman, voerlie; timmerman, timmerlie. 

4° Jong, koei, schaap en eerpel (aardappelen) veranderen 
niet in 't meervoud. Ik heb vijf koei en ccne kooi schaap. Een 
vogel op vlugge jong. 

Er is verschil te hooren tusschen het enkel- en het meer- 
voud van jong. Het enkelvoud luidt jonk en het meervoud 
jong (met den neusklank ng.) 

Waar m.Qnpjeed zegt voor^^eer^?, is het meervoud _pjèèr. 

Men hoort : Daar siiten duizend mutsaard, daar liggen 
honderd steen. 

5° Het meervoud van been (os) is bcenen, niet beenderen; van 
blad, bla{de)ren, nooit bladen. JRijs maakt rijzer en rijzen; berd^ 
herder en berden. Jozef Cornelissen. 



100 « Ons Volksleven. »» 

lEJinitó mm Cijferliriften. 

Volk en Taal, VI, N"" 10. — De andere volken en wij (A. van Heuverswyn). — 
Bijdrage tot den Nederl. taalschat (A. van Heuverswyn). — Kinderspelen. — 
Het vrouweuhandwerk. Een oud liedje uit een spel voor meisjes (Th. van 
Nieuwenhuize). — Vertelsels (Th. van Heuverswyn). — Het kruiske leeren 
maken. Gedichtje (A. van Heuverswyn). — Langs banen en wegen. — Fransche 
tijd te Oudenaarde (K. van Caeneghem). — Boekbeoordeeling. (P. B.). — 
Dietsche belangen. 

Biekorl, V, N"" 8. — De Tooversloter (J. Leroy). — Heirbanen in Westvlan- 
deren (L. Lootens). — Mingelraaren. 

Hel Belfort, LX, N"- 5 — Dr. Weber's Dreizehnlinlinden (E. Soens). — Het 
Socialism en de katholieke Godsdienst (E. De Gryse). — DeIrokezen(A. Wolf). 

— Multatuli (B. Mets). — Nog een woord over de ambachten en neringen (H. 
d.P.). — Eerste Communie (Dr. H. Claeys). — De discipelen van Emmaüs 
(K. Quaedvlieg.) — Dr. Weber (E. De Lepeleer). — J. A. Alberdingk Thijm 
(A). — Wenken en Vragen. — Boekennieuws en Kronijk. 

Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en 
Letterkunde. 1894, N*" 1. — Zitting van 17 Januari: Voortzetting van het door 
K. Stallaert bewerkte Glossarium van verouderde rechtstermen, enz. — Zitting 
van 21 Februari. : Welkomgroet aan jhr. de Maere (H. Claeys). — Antwoord 
van jhr. de Maere. — Bibliographische aanleekeningeu (F. de Potter). — Let- 
terkundige wedstrijden voor 1891 (ingezonden stukken). 

Volkskunde, VII, N"" 1. — Volksgebruiken en volksgeloof met betrekking tot 
huisdieren, veldvruchten en weersgesteldheid (A. de Cock). — Volkshumor. 

— Volksrijmpjes, 

De Bie, V, N^ 7. — Wangeloof over de bieën. 2<= Vervolg (J. Cornelissen). 

Wallonia, II, N"" 5. — Le tchaudia a Bois-d'Haine (O Colson). — Le jour des 
Rois. VI. Le soi'cier-magicien (F. Renkin). — La discussion mimée, facétie 
verviétoise (O. Colson). — Histoire du bon vieux temps (A Gittée). — Biblio- 
graphie. — Dessins. 

Mélusine, VII, N''2. — L'Opération d'Esculape (H. Gaidoz) — Les noms 
des Rois Mages (S. Berger). — La pénitence de sainte Madeleine, chanson 
catalane (G. Doncieux). — Les pieds ou les gcnoux a. rebours (H. Gaidoz). — 
La Fascination : c) Thérapeutique (J. Tuchmans). — L'Antropophagie 
(H. Gaidoz). — Bibliographie. 

Revue des Tradtlions populaircs, IX, N^ 5. — Mceurs épulaires. I. La cuisine 
des enfants dans le pays messin (A. de Lazarque). — II. Formuletles pour 
trinquer (Fra Deuni). — Chansons pour endormir les enfants. V-VIII (M™* 
F. Maquaire, J. TiersotetH Harvut). — Théatrc pop. III (P. Yves-Sébillot). 

— Navii-es el marins. XI (R Basset) — Usages et superst. de mai. V-VI 
(H Heinecke. P. Ristelhuber et A. Harou). — Un jeu marocain (R Basset). — 
Le Bonhomme Misère dans 1'icoiiographie II (P. S ). — Superst. du comté de 
JS'otsingham (M'"« Chaworth-Musters). — Les villes englouties. CX-CQI (A. 
Certeux). — Les Ongles. Vll-VIII (It. Basset). — Tradit.. superst. et coutumes 
du Metitonnai8(J. Bruyn Andrews). — Allusions a des coutes pop. XIII (P. S.). 

— Gargantua. VI (P. Gauthiez). — Contes résumés de la Hte.Bi-eiagne. XXI- 
XL (P. Sébillot). — LesMétéores. V. Le feu S^-Elme (R. Basset). -- Lee 
Bossus et les Nains. II (A. Harou). — Les Empreintes merveilleuses. LI-LV 
(R. Basset et A. Certeux). — La légende napoléonieime. VII (F. Duynes). — 
Bibliographie. — lUustrations. 




ie mmt Inllatiferlie $^M% itt Mrijii 
met k €m[ nu iieter{i43elg{ë. 




OMMiGE van onze lezers hebben ongetwijfeld 
al gehoord van de nieuwe taalbeweging in 
Holland, die voor doel heeft de spelling en 
verbuiging te vereenvoudigen — voor 't ge- 
mak van de Hollanders natuurlijk — maar het 
is hun waarschijnlijk niet bekend, welke ver- 
anderingen de voorstaanders dier beweging eigentlijk in 
onze spelling en verbuiging wenschen in te voeren. 

Eenige van die veranderingen zijn van zulken aard, dat 
wij, Dietsche Belgen, er ons uit al onze krachten tegen 
dienen te verzetten, is het zake dat men ons later de « ver- 
beterde » spelling en verbuiging wil opdringen (i). 

En waarom? Omdat de voorgestelde M'ijzigingen voor een 
groot deel lijnrecht tegen ons spraakgebruik ingaan en 
strijdig zijn met ons taalgevoel. 



(1) Daar is tot nu toe nog geen vrees voor, want al telt Kollewijn's spelling 
eenige aanhangers in Nederland, ze heeft er ook hardnekkige bestrijders, en 
in België vindt ze gaar geenen bijval. 

Over de nieuwe taalbeweging verschenen de volgende vlugschriften : 

Onze lastige Spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging, door D"" R. A. 
KoLLEWiJN. (üvergedrukt uit de « Vragen van den Dag n, 1891, n"" X), met 
een naschrift. — Amsterdam, H. Gerlings 1391. 

Voorstellen tot vereenvoudiging van onze Spelling en Verbuiging, door 
VI 6 



102 « Ons Volksleven. » 

De nieuwe spel- en verbuigregels mogen voor de Hollan- 
ders geschikt zijn, omdat zij, beter als de thans bestaande, 
met hunne uitspraak overeenkomen; voor ons deugen ze 
door den band niet, om de redenen die ik hooger opgaf. 

Het valt niet te betwisten, dat de huidige spelling en ver- 
buiging, in meer als éen opzicht, in strijd is met de algemeene 
spreektaal van Dietsch België, maar het staat vast dat de 
veranderingen, aangepreekt door den heer Kollewijn en 
zijne medestanders, in veel meer opzichten van ons spraak- 
gebruik afwijken als de spelling van de Vries en te Winkel. 
Dat zullen wij in de volgende regelen in 't kort trachten aan 
te toonen. Laat ons eerst kennis maken met de voorgestelde 
vereenvoudigingen : 

I. — De e en o worden op het einde van eene lettergreep niet • 
verdubbeld : bleken, lopen, :{o. Nochtans wordt aan 't einde van 
een woord ee geschreven. 

II. — Men schrijft ie in open lettergrepen (behalve in de gevallen 
waarin dit tegenwoordig reeds geschiedt) : 

P Op het einde van alle bastaardwoorden : olie, kolibrie, Janu- 
arie, Junie. Krijgen znlke woorden in 't meervoud en, dan blijft de 
ie : olieé'n, enz, ; 

2° In afleidingen van woorden op ief, iek, iet, ook al verliest de 



F. Buitenrust Hettema, H. J. Emous, P. de Geus, Gerard Keller, U. A. 
Kollewijn enT. Terwey. — Zwolie, Tjeeok Willink. 1893. 

Waarom onaannemelijk. Bezwaren tegen Je Voorstellen tot vereenvoudiging 
van onze Spelling en Verbuiging, door C. H. den Hertog. — Groningen. 1S93. 

Onaannemelijk? door D"" R. A. Kollewijn (namens het Voorlopig Bestuur 
der Vereniging tot Vereenvoudiging onzer Spelling en Verbuiging). — Zut- 
phen, W. J.Thieme&C'e. 

Voor en tegen de nieuwe taalbeweging. (KoUewijn's en de Hertog's brochures 
tegen elkaar gewogen), door D' C. H Ph. Meijer. — Zutphen, W. J. Thieme 
&C'«. 1894. 

KoUewijn's taalbeweging toegelicht en verdedigd, door J. M. Hoogvliet. 
(Onze Nederlands'e spelling, de jongste voorstellen tot wijziging daarvan en 
allerlei, wat zich daaraan meer of minder onmiddellijk aansluit). — Zutphen, 
W. J. Thieme & Cie. ISDS. 

Artikels, voor en tegen, verschenen in verschillige Nederlandsche tijd- 
schriften, o. a. in het Museum, de Vragen van den Dag, het Schoolblad, do 
Vragen des Tijds^ in 't Nieuwe Schoolblad, den Christelijke Schoolbode, enz. 



« Ons Volksleven. » 103 

lettergreep, waarin ie voorkomt, den klemtoon : fabrieken, f abrie- 
kant, Je:{uieten, enz, 

Ook schrijft men ie in het achtervoegsel ies (isch) : wetties, 
Pruisies, enz, ; 

III. — De stomme ch en de stomme h vervallen in Nederland- 
sche woorden en in woorden die daarmee gelijkgesteld kunnen 
worden : \fis, dorsen, nors; tans, altans, tee. Evenzoo de stomme 
»» in ert en de stomme t in besje en kersmis {kersdagen, enz.) ; 

IV. — Het woord noch wordt in alle beteekenissen met ch 
geschreven; dus ook nochtans. Het woord kruid ^ item met d; dus 
ook buskruid. 

V. — Inlassching van e tusschen stammen van werkwoorden, 
uitgaande op g en het achtervoegsel lijk., is geoorloofd : draaglijk 
of dragelijk, onzeglijk of on^eggelijk. 

VI. — Tusschen de deelen der samengestelde zelfstandige naam- 
woorden wordt aleen dan eene n geschreven, waneer zij ook in de 
beschaafde uitspraak (i) gehoord wordt. Voorbeelden : hondehok, 
eendeé'i, boerenwoning, gravinnekroon, leeuwebek, paardestal, 
naaldekoker, sterrekunde, :{edeleer. Daarentegen : oogenblik, 
heldendaad, heldenmoed, goedendag zeggen. 

VII. — De verbindingsletter s tusschen de deelen van eene 
samenstelling wordt aleen dan geschreven, waneer zij gehoord wordt, 
dus niet, waneer het tweede lid met s begint. Voorbeelden : han- 
delschool, oorlogschip, stadschouwburg. 

VIII. — In de bastaardwoorden wordt ph door ƒ vervangen : 
fotografie, telefoon, fysica, enz. 

IX. — Het geslacht deu zelfstandige naamwooeden. — 
Ontijdig zijn die znw., waar het lidwoord het kan voor geplaatst 

worden. 

Mannelijk zijn : 

V de namen van mannelijke personen : ma«, Aro7ï/n^, ivinkelier; 

2° de namen van mannelijke dieren, waneer er een afzonderlij ka 
naam voor het wijQe bestaat : hengst, stier, leeuw, doffer (duiver), 
haan ; 

3° mensch en hond. 

Vrouwelijk zijn : 



(1) D. i. de Holland sche uitspraak. 



104 « Ons Volksleven. » 

P de namen van vrouwelijke personen : vrouw, koningin, win- 
kelierster ; 

2° de namen van vrouwelijke dieren, waneer er een afzonderlijke 
naam voor het mannetje bestaat : merrie, koe, leeuwin, duif, hen. 

Tweeslachtig- (mannelijk en vrouwelijk) zijn de niet-onzijdige 
stofnamen. 

Alle overige naamwoorden hebben een gemengd geslacht. 

X. — Veebuiging a) der bijvoeglijke woorden. Nom., Dat. en 
Ace. zijn aan elkander gelijk voor alle geslachten in 't enkel- en 
in 't meervoud. (Waneer het w. voor 't onz. een bijzonderen vorm 
heeft, dan verschilt de verbuiging in 't onz. enk. natuurlijk van die 
in 't m. en 't vr. enk.). 

Voorbeelden : 

Enk. mann. en vr. en meerv. der drij geslachten : 
N., D. en A. : de, een, groote, mijn, uw, ^ijn, de^e, dezelfde, enz. 

Onz. enk. : 
N., ü. en A. : het, een, groot{e), mijn, uw, ^ijn, dit, hetzelfde, enz. ; 

bl der voornaamwoorden. — De D. en A. van het persoonlijk 
voornaamw. van den 3° pers. meerv. zijn voor alle geslachten : hun, 
hen, ^e. 

De bepalende voornaamwoorden, zelfstandig gebruikt, nemen 
in 't meervoud geene n bij . 



Wilt ge voor een beschaafd man doorgaan, dan moet ge 
praten gelijk de Hollanders praten en zeggen hoge bomen, 
brede stenen. Dat die leelijke uitspraak strijdig is met de 
volkstaal van gansch Dietsch-België en het grootste gedeelte 
van Nederland, dat zij indruischt tegen de afleiding en de 
geschiedenis der woorden, dat geeft er niets toe. Durft ge 
zeggen roode kooien, heete steenen, met de gemengde o en e, 
dan klapt ge boerentnal, gewesttaai, slechte, onbeschaafde 
taal. Zoo leeren de ketters die hier, tegen alle recht en 
reden in, de fraaie uitspraak hoge bomen, brede stenen willen 
invoeren, maarzij dolen. Immers, al onze taalkundigen, zoo 
uit het Noorden als uit het Zuiden, zijn het eens om te ver- 



« Ons Volksleven. » 105 

klaren, dat de Hollandsche uitspraak op dit punt verkeerd 
is(i). 

Laat de Hollanders nu dit taalbederf uit hunne streek- 
spraak in de schrijftaal overbrengen, ze moeten het weten; 
wij verkiezen de oude spelling te blijven volgen, aangezien 
zij het verschil tusschen de zachte en de scherpe e en o, dat 
wij willen handhaven, in acht neemt en verbeeldt. 

* 

Af- * 

He ödjriifrotjze ie. 

In miipkant, fabrikant en andere afleidingen, alsook in het 
achtervoegsel isch, klinkt de i altijd kort (2). Niemand zegt 
mupekant, f abriekant,Pruistesch, met den volkomen ze-klank(3). 

Wij verwerpen dus de schrijfwijze ie in dergelijke woor- 
den, die door niets kan gewettigd worden, omdat zij in strijd 
is met de spreektaal van geheel Dietsch-België. 

't Zij hier in 't voorbijgaan aangestipt, dat het ons niet 
duidelijk is, waarom do spellinghervormers niet voorstellen 
ook de i in artikel, liter, titel en andere bastaardwoorden 
door ie te vervangen. 

0t0mme ktUxs. 

In 't grootste gedeelte van België klinkt sch in 't midden 
en aan 't einde der woorden als enkele s. In Antwerpen, 
Brabant, Limburg en 't Westen van Oost-Vlaanderen zegt 
men overal metis, vissen (4). Anders is het gelegen in West- 
Vlaanderen en 't grootste gedeelte van Oost-Vlaanderen, 
alwaar de ch in mensch en visschen bescheelijk gehoord 
wordt. De Brabanders en Limburgers konden in 't schrijven 
zonder bezwaar die ch opofferen, daar zij toch uit hunne 



(1) Leest Jan Bols zijne schoone verhandeling Verschil in mtspraak 
tusschen de zuivere (zachtlange) en gemengde {scherplange) e en o. 

(2) Die korte /-klank verschilt van de Vlaamsche en Hollandsche i, en komt 
overeen met de Brabantscbe en Duitsche korte i. 

(3) Spreken de Hollanders zóó? Ik en geloof het niet. 

(4) Ik ken in de Kempen maar ééne uitzondering, te weten : wasscherse 
(waschvrouw). 



106 



« Ons Volksleven. » 



spreektaal verdwenen is, en door hen zelfs bij 't lezen niet in 
acht wordt genomen, maar de Vlamingen en met hen dé 
Friezen, zouden er niet van willen hooren en duchtig scher- 
men voor het behoud dier ch in de algemeene schrijftaal. En 
ze hebben vrij wat meer recht om te eischen dat de spelling 
mensch, visschen behouden blijve, daar zij gegrond is op den 
oorsprong en de afkomst der woorden, als de Hollanders om 
b. V. de schrijfwijze enige hoge bomen, die in strijd is met de 
afleiding en de spreektaal van de overgroote meerderheid 
der Dietschen, aan de andere Nederlanders op te dringen. 

Ert en Kersmis komen ook met onze uitspraak overeen (i), 
maar indien wij die woorden zoo schrijven, dan dienen we, 
willen wij ons zei ven gelijk blijven, ook te zetten mert voor 
merkt, oost voor oogst, Dijsdag voor Dijnsdag (2). 

['t Vervolgt). Jozef Cornelissen, 



IV. 




'E Axpoele, onder Ruysselede (in West-Vlaande- 
'en), alwaar in 1128 een veldslag geleverd wierd, 
liggen heuveltjes, de Gullikeputten geheeten. 
Volgens de overlevering zouden dit de grafsteden zijn van 
Gulliksche soldaten, indien veldslag gesneuveld. 

Het is echter waarschijnlijker dat die verhevenheden over- 
blijfsels zijn van verschansingen, door de legers vóór het 
gevecht opgericht. 



(1) Uitgezonderd erwt in W est- Vlaand eren ; aldaar wordt het w.ertveet 
uitgesproken. 

Het w. besje voor bestemoertje (grootmoeder) kennen wij niet. 

(2) De vorm Dijsdag (in West-Vlaanderen Disendag) is redelijker als 
Dinsdag of Dijnsdag, daar het w. beteekent : dag aan Dijs, Die, Diu, den 
oorlogsgod toegewijd. 

(8) Ons Volksleven, III, bldz. 18 en VJ.1 \ IV, blz. 71. 



« Ons Volksleven . » 



107 



— In 1835 ontdekte een boer te Ampsin (prov. Luik) oude 
grafsteden onder den grond. Volgens zijne gewoonte doopte 
het volk die plaats met den naam Kerkhof der Sarrapjnen. 

— Te Trisogne, onder Pessoux (prov. Namen) ligt een 
tumulus, niet verre van eene hoeve, De inwoners zeggen dat 
hij vroeger door Kabouters bewoond wierd. {Annales de la 
Société d' Archéologie de Namur, IV, 392.) 

— De « tumuli » van Seron (prov. Namen) dienen nog om 
er de vuren op te branden, die de kinderen gewoon zijn op 
den eersten Zondag van den Vasten te ontsteken. {Soc. dArch. 
de Namur, III, 398.) 

— Volgens de inwoners van sommige Luxemburgsche 
dorpen worden de « tumuli » bewoond door toovernimfen of 
andere wonderbare wezens. Ook durft men ze niet dan met 
vrees naderen, en niet zonder voorzien te zijn van gewijde 
bidsnoeren of kruiskens. 

('t Va volgt). Alfried Harou. 

V AVAVAV AV A V AVAV A VA VAV AV AV A V AV A V AV A VA VAVAV A VA VA VAV AVA V 



fnlteliekreti. 



1.(15.) jPe |Jtttttöer en öie won ex Ijem 2tjn ïr0rl)tcr niet qeMU. 



Üïi^^^SS 



3^: 



F=^=^=^ 



:*t=t 



'jMzraL 



De Pau - wer en die wou er hem zijn doch-ter niet 

-tv 



iÈsiÊ^^i^^li^^^S 



ge -ven. En wat gaf hij 't twaalf-ste jaar? Twelf wit-te pa-pen, die 



l^iii^蕃l^i 



^^E: 



'^^ 



in de ker - ke sla-pen; el - lef kuech-ten, die de-den niets dan vech-ten : 



feïÉ^^i^gÉii^i^l^É 



tieu boe - rin-nen, die in de ker - ke zin - gen ; ne-gen stee-nen 



108 



« Ons Volksleven. » 



ker-ken, die wa - ren zoii-der zer-ken ; acht pa-den aan de zij, 



zevenWa-len wa-reu fiju, zes ha - zen en ko - nijn, vijf vo- gel 



.__^ 



i^Ëiii^ii? 



fe 



^z=É::2 



ï yff g^zfe^: 



en de vink, vier zwol-men en de zwing, drij ros, twee kal - ver 



^ÊÈ^ë^^E^^^mM 



en een os en een koe, fal - 11 - zal - lik - zoe vroeg hij het meis-je toe. 



De Pauw er 

En die wou er 
Hem zijn dochter niet geven 
En wat gaf hij 't eerste jaar? 

Een koe, 

Fallizallikzoe, 

Vroeg hij het meisje toe, 

2. 

De Pauwer 
En die wou er 
Hem zijn dochter niet geven 
En wat gaf hij 't tweede jaar ? 
Twee kalver en een koe, 
Fallizallikzoe, 
Vroeg hij het meisje toe. 
3. 
De Pauwer 
En die wou er 
Hem zijn dochter niet geven 
En wat gaf hij 't derdejaar? 
Drij ros. 
Twee kalver en een os 

En een koe, 
Fallizallikzoe, 
Vroeg hij het meisje toe. 

4. Vierdejaar. Vier zwolmen en de 

[zwing. 

5. Vijfde jaar. Vijf vogel en de vink. 

6. Zesde jaar. Zes hazen en konijn. 

7. Zevende jaar, ZevenWalen waren fijn 



8. Achtste jaar. Acht paden aan de zij(?) 

9. Wegende jaar. Negen steenen kerken 

Die waren zonder zerken. 

10. Tiende jaar. Tien boerinnen 

Die in de kerke zingen. 

11. Elfde jaar. Ellef knechten 

Die deden niets dan vechten. 

12. 

De Pauwer 

En die wou er 
Hem zijn dochter niet «even. 
En wat gaf hij 't twaalfste jaar? 

Twelf witte papen, 

Die in de kerke slapen; 

P'iUef knechten, 

Die deden niets dan vechten; 

Tien boerinnen, 

Die in de kerke zingen ; 

Negen steenen kerken 

Die waren zonder zerken ; 

Acht paden aan de zij. 

Zeven Walen waren tijn, 

Zes hazen en konijn, 

Vijf vogel en de vink, 

Vier zwolmen en de zwing, 

Drij ros 

Twee kalver en een os 

En een koe, 

Fallizallikzoe, 

Vroeg hij het meisje toe. 



{Gehoord te Si. Antonius.) 



Jozef CORNELISSEN. 



<sm> 



«* Ons Volksleven. » 109 

2. (16.) Mï\\u man zulire gij niet 2tjtt. 

1. 

Daar boven uit dat vensterke 
Daar lag eeu meisje fijn. 
Daar kwam daar eeue smid voorbij : 
« Och ! meisje, wilde gij mij? » 

— " Neen, smidje, vuile beest, 
Ga naar huis en wascht u eerst. 
Gij zult mijne man niet zijn, 
Mijne man zuide gij niet zijn. » 

2. 
Daar boven uit dat vensterke 
Daar lag een meisje fijn. 
Daar kwam 'ne schoenmaker voorbij : 
« Och ! meisje, wilde gij mij? » 

— « Neen, schoenmaker pekkendraad, 
Gij legt zoo menigen valschen naad ; 
Gij zult mijne man niet zijn, 

Mijne man zulde gij niet zijn. » 

3. 

Daar boven uit dat vensterke 
Daar lag een meisje fijn. 
Daar kwam daar 'ne« beenhouwer voorbij : 
« Och ! meisje, wilde gij mij ? » 

— « Neen, beenhouwer, rood van bloed, 
Gij die zooveel moorden doet 

Gij zult mijne man niet zijn 
Mijne man zulde gij niet zijn, » 

4. 

Daar boven uit dat vensterke 
Daar lag een meisje fijn. 
Daar kwam daar eenen timmerman voorbij : 
" Och! meisje, wilde gij mij? » 

— « Neen, timmerman, kloppenhamer, 
Gij komt niet op mijn kamer 

Gij zult mijne man niet zijn, 
Mijne man zulde gij niet zijn. 



Daar boven uit dat vensterke 

Daar lag een meisje fijn. 

Daar kwam daar 'ne matroos voorbij : 



110 « Ons Volksleven. » 

« Och ! meisje, wilde gij mij » 
— « Ja, matroozeke, ik zien u gerea 
En 'k wil met u gaan veren ; 
Gij zult mij ue man wel zij n , 
Mijne man zulde gij wel zijn. » 

{Gehoord ie Aniiverpen). Alfried Harou. 



ftrttbete. 



4. (51.) tïött l^iobber kii Itef. 



^ 




^AAE was 'uen keer 'eu moeder, die 'nen stiel aan heur 
P^^ zoontje wou leeren, maar z'en wist geeneu keus te 
^:^ doen. In dien twijfel nam ze heuren toevlucht tot 
O. L. Vrouwken, en ze gong alle dagen naar de kerk lang bidden 
en aan de Moeder Gods vragen, wat ze heur kind moest laten leeren. 
Maar O. L. Vrouw die antwoordde niet. 

Maar de koster had eens het luid gebed van 't vrouwken gehoord. 
Op zekeren dag nu hield hij hem achter den autaar versteken en, 
vermits het moederken weer hardop bad, zonder dat O. L. Vrouw 
antwoord gaf, antwoordde hij zelf met zijn fijnste stemmeken : 
« Laat hem voor dief leeren. » 

Het mooderken gong getroost weg, en de jonge Robber wierd op 
stiel gedaan om dief te worden. 

'Ne lastige stiel, dief zijn, maar Robber had er zooveel aanleg 
voor dat hij, na onderhalfjaar meester was in zijn vak. Hij kwam 
dan terug bij zijn' moeder, en welhaast sprak heel den omtrek van 
zijn' behendigheid, 't Kwam ook aan den burgemeester zijn' ooreu, 
die Ro1)ber deed roepen en tegen hem zei : 

« Robber, 'k wil eens met mijn' eigen oogen zien, ofdat ge uweu 
stiel zoo goed kunt als de mensclien het zeggen. Ik g-Aan u op de 
proef stellen en, kunde die doorstaan, dan geef ik u patentbrieveu, 
om vrank en vrij uwen stiel te doen. » 

Robber was blij genoeg. « Wat moet ik doen. Burgemeester? 
vroeg hij . 

— « Ge moet drij dingen doen, Robber. Eu is er éen van de drij 



" Ons Volksleven. '» 111 

dat mislukt, dan gade 't kot in... Luistert nu : Ge zult ten eersten 
al het geld van den pastoor, ten tweeden het beste peerd uit mijnen 
stal, en ten derden den trouwring van mijn' vrouw weghalen. » 

— " Dat zal ik doen, Burgemeester, » zei Robber. 

De pastoor liet zijn' vensters met ijzeren stangen bezetten en de 
deuren met nieuwe grendels voorzien. 

De burgemeester liet zijn beste peerd dag en nacht door vier 
man bewaken : éene zat er op en hield den toom vast ; twee stonden 
van weerskanten en hielden den teugel ; de leste stond van achter 
en hield den steert. 

En de burgemeestersvrouw mocht uit heur' kamer niet meer ko- 
men, om wille van den ring. 

Daar liep 'nen heelen tijd voorbij en Robber liet van hem niet 
hooren, zoodat de pastoor der gerust in wierd, en al docht op alle- 
bei zijn' ooren te kunnen slapen. 

Ja maar, den avond vóór Gabriels dag liet Robber zijn eigen in 
de kerk sluiten. Tegen middernacht stak hij al de keersen aan en 
op slag van twelf uren begost hij mij de groote klok te luien, zoo 
hevig, dat de galmgaten niet groot genoeg en waren om den klank 

door te laten. 

De pastoor was aan 't droomen, dat hij tot duizend jaar vagevuur 
veroordeeld was. En hij nam zijn paksken en zijn' gaffel op en 
stapte zwaarmoedig naar 't vagevuur toe. En aan de stalen poort 
gekomen, trok hij al zuchtende aan de bel. En die bel liet zoo e 
geweldig gelui, dat de stalen poort er af daverde. En de bel bleef 
vanzelfs luien — altijd maar luien! En het scheen den pastoor dat 
hij de groote klok van zijn' kerk hoorde. Bij dat gedacht liet hij 'nen 
diepen zucht en hij zei : " Ach ! ware ik nog levend, hoe zou ik 
anders werken voor den hemel!» En de bel luidde, luidde altijd 
maar harder. En op eens gaf ze zoo 'nen geweldigen slag, dat de 
pastoor hooren en zien vergingen en 't van geweld viel hij omverre 
en hij schoot wakker — maar de bel bleef luien, want 't was waar- 
lijk de klok van zijn' kerk. 

« Bermhertigheid ! » riep de pastoor, « het is de stem van God! » 
En hij liep naar de kerk en wat zag hij mij daar? Midden in 't licht 
zat 'nen engel voor den hoogen autaar geknield, 'ne schoouen en- 
gel , met blinkende gouden vleugels ! En hij zong met 'en sterke 
stem : « Ik ben den engel Gabriël en ik ben gezonden om den pas- 



112 « Ons Volksleven. » 

toor al zijn geld! « — « 't Is mijneM droom, » zei de pastoor bedroefd, 
maar toch ook verblijd. En de« engel altijd voort met te zingen : 
« Ik ben gezonden om den pastoor al zijn geld. » — « Ik zal het u 
seffens brengen, engel Gabriël, » zei de pastoor. 

De pastoor liep naar de pastorij. « Och Heere! Katrien, » riep 
hij tegen zijn' meid, « mijnen droom — en den engel Gabriël is daar 
in de kerk, om al mijn geld te komen halen! » 

— « Al uw geld, Mijnheer Pastoor? dat zulde toch niet geven 
zeker? « zei de meid, « want dan heb ik niets, « docht de heks in 
heur eigen. 

— « 't Is zeker den engel Gabriël, Katrien. Van hem ook heb ik 
gedroomd. Maar zij gerust, daar liggen nog zevenhonderd frank 
onder den zonnewijzer. « 

Maar Robber had dat gehoord, want met 'nen zwarten mantel 
over zijn engeleukleed, was hij den pastoor op zijn tandvleesch 
achternageslibberd. ^ 

De pastoor scharde zijn geld bijeen en ging het aan den voet van 
den autaar leggen. En den engelachtige Robber ging altijd voort 
met te zingen : « Ik ben gezonden om den pastoor al zijn geld. » En 
de pastoor had 'en leugen op zijn' lippen. « .... Om den pastoor al 
zijn geld, « zong den engel, " ook om de zevenhonderd frank die 
onder den zonnewijzer liggen « voegde hij er bij . 

De pastoor slikte zijn' leugen terug en hij liep naar de pastorij . 
« Och! Heere, Katrien! » riep hij, « ziede wel dat het den engel 
Gabriël is : hij weet het ook al van de zevenhonderd frank. « 

Dat geld wierd bij 't ander aan den voet van den autaar geleid. 
Toen zei Gabriël : « Pastoor van deze parochie, nu moogde met mij 
naar den hemel gaan. Wilde dat? » — «Of ik het wil! engel Ga- 
briël, « riep de pastoor. — « Kruipt dan in dezen witten zak, » zei 
den engel, « want in den hemel mag niets binnen dat zwart is. « 

De pastoor gong in den witten zak van den engel en het geld in 
den zwarten zak van Robber, en allebei de zakken bond Robber toe. 

Robber nam den pastoor op zijn' schouders, trok er mee naar het 
oksaal en sleurde hem eenige keeren de trappen op en af. « Ach ! » 
zuchtte de pastoor bij de derde reis, « ach! engel Gabriël, wat is de 
weg naar den hemel toch hobbelig! » — « Nog 'en beetje geduld, 
Mijnheer Pastoor, we zijnafer bijkans^ » 

Dan sleepte den deugeniet den pastoor naar den ganzenstal van 



« Ons Volksleven. » 



113 



de pastorij , « Piep ! piep ! piep ! » zeiden de ganzen bij 't opendoen 
van de deur. « Hoort, Mijnheer Pastoor, hoorde gij de engeltjes niet 
piepen? » vroeg de schehn. « Nu zijde in 't voorhof van den hemel. 
Hier moette blijven wachten ; want ik moet eerst uw geld brengen 
op eene plaats, waar geene dieven het stelen zullen! » 

En daar lag de pastoor naar het gepiep van de ganzen te luisteren, 
en lederen keer dat er een kwaak! kwaak! zei, meende hij het ge- 
kraak van de opengaande hemeldeur te hooren. 

's Morgens kwam Katrien de ganzen voederen. « Och ! « zuchtte 
zij, « waar mag Mijnheer Pastoor toch blijven? » — « Wel, Katrien 
toch! » riep de pastoor van uit zijnen zak, « zijde gij ook al in den 
hemel, meisken? » — « Wel, Mijnheer Pastoor, wat doede hier in 
den ganzenstal? » 

['t Vervolgt). Guldenvlies. 



Baïïgelnnl 




Ziekte tJtttt i5ni0tl)em. 

ET bijgeloovig gedacht dat iemand door eene 
ziekte van dezen of genen heilige is aangetast, 
ofwel dat er heiligen zijn dieu door eene ziekte 
plagen, voor welker genezing zij bijzonderlijk vereerd of 
aanroepen moeten worden, is nog algemeen onder het volk 
verspreid. Dit is voornamelijk het geval in kweelziekten, of 
ziekten die ongeneesbaar schijnen. Men hoeft dan ook, om 
daarvan verlost te geraken, aanstonds eene bedevaart te 
doen naar de plaatsen, waar de relikwieën 
vereerd worden. 

Onder al de kwalen, door het volk aan heiligen toegeschre- 
ven, munt vooral uit, de ziekte der heiligen van Brusthem. 
Om zeker te zijn dat men die ziekte heeft, neemt men eerst 
eene proef. Men gaat naar iemand die reeds eene bedevaart 
naar Brusthem gedaan heeft, en van daar gewijd water 
heeft medegebracht. Van dit water giet men een weinig in 
eenen vollen emmer gewoon zuiver water. Dan neemt men 



dezer heiligen 



114 « Ons Volksleven. » 

vier kliskens haar ofwel vier kleine lappekens van den lijder 
of de lijders hun hemd. Men maakt met het haar of de lapkens 
een kruis op den linkerarm, waarna men onder het uitspre- 
ken van den naam en voornaam van den aangetaste en daar- 
achter den naam van eene der vier heilige maagden, telken- 
male een klisken haar of een lapken in den emmer water 
werpt. Gaat het voorwerp onder, dan heeft men de ziekte 
van die heilige, wier naam men uitgesproken heeft. Blijft het 
boven, dan heeft men ze niet. Zinkt alles onder, dan heeft 
men de ziekte van alle vier de heiligen ; moesten integendeel 
er drij boven komen en éen ondergaan, dan zou men maar 
van de ziekte van die heilige aangetast zijn, op wier uitspraak 
het ondergaan volgde. 

Nadat men zeker is dat men de ziekte van Brusthem heeft, 
moet men, om er van verlost te geraken, eene bedevaart 
naar die plaats doen, aldaar de kerken bezoeken waar de 
relikwieën der heiligen berusten en ginder voor elke heilige, 
waarvan men de ziekte heeft, eenen man medenemen om de 
bedevaart te helpen doen. Ook kan men somtijds van de 
kwaal afgeraken, met een kapelleken aan de vier maagden 
van Brusthem toegewijd, negen dagen lang 's morgens 
vroeg nuchter te bezoeken. Men moet dan voor elke heilige, 
waarvan men ziek is, negen vaderonzen en negen weesge- 
groeten bidden. Ook dient men zijne bedevaart derwijze te 
regelen dat er twee Vrijdagen in de novene vallen. Zoo dit 
niet helpt, moet men zonder uitstel naar Brusthem gaan. 

Frans Zand. 




^|int|egi9el0. 




I. (14.) ^0c k jl30eren te %t\i 3art voïsten 
voamxtex i)et S0ttïrttg was. 

iVER veel jaren, toen de almanakken nog niet zoo 
zeer in zwang waren en er nog niet zooveel ker- 
_ ken stonden als tegenwoordig, hadden de boeren 
vanlTen Aart, een gehucht onder Gheel, een eenvoudigen 
middel, om te weten welken dag de Zondag was van iedere 
week. 

Ze bezaten namelijk eenen pezerik, dien zij alle dagen een 
huis verder droegen, zeven huis wijd. Elk van die huizen 
verbeeldde eenen dag van de week. Kwam nu de pezerik in 
het zevende huis aan, dan wisten de boeren daaraan dat het 
Zondag was, en zij gingen welgemoed kerkewaarts naar 
Gheel. 

Doch, niets is volmaakt onder de zon ! 

Ook de almanak der Ten-Aartenaars bleek niet geheel en 
gansch zonder feilen te zijn. 

Immers het gebeurde dat Trezeken, een oud moederken, 
wiens huis den Woensdag moest verbeelden, dien dag niet 
goed te pas was en den pezerik naar het naaste huis vergat 
over te dragen. 

De pezerik bleef dus 'nen dag te lang onderwege en, in 
plaats van 's Zondags in het zevende huis aan te komen, was 
hij er eerst 's Maandags. 

De boeren van Ten Aart hadden een onbegrensd vertrou- 
wen in hunnen pezerik, bij zooverre dat zij eer den Zondag 
eenen dag zouden verschoven hebben, als te laten zeggen 



116 « Ons Volksleven. >» 

dat hun pezerik mis was. Ook trokken zij 's Maandags dap- 
per naar Gheel af om er mis te hooren. Onnoodig er bij te 
voegen, dat de Ghelenaars niet anders en dacliten, of zij 
gingen eenen heelen troep zotten meer in hun dorp krijgen. 

2. (15.) If JJter te ^en ^art. 

DE boeren van Ten Aart liadden van hun leven nog geenen 
pier gezien. 
Op zekeren dag dat een boer zijn land aan 't omspaden 
was, kwam er een lang, smal en rood ding onder zijne schup 
uitgekropen. « HemeJsche deugd! « riep de man vol schrik, 
« wat is me dat nu voor een ding! Alle lieiligen staan me 
bij, maar dat is zeker de duivel zelf in vel en vleesch! » En 
hij al de boeren aan 't bijeenroepen, die daar omtrent aan 't 
werken waren. Maar geen enkele, die de hand aan 't ding 
dierf steken, want gelijk hel daar lag te krinkelen en te 
kronkelen, kost het niet anders, of daar moest hekserij onder 
zitten. 

Eindelijk toch waagde het iemand, niet zonder schrik, de 
beest vast te pakken. De boeren droegen den pier al schreeu- 
wende naar het gehucht en, opdat het gedrocht nooit iemand 
mochte hinderen leiden zij het, in eenen ijzeren pot, met 
eene ketting aan eenen dikken eik gebonden. 

Jozef CORNELISSEN. 



fnlterijmen. 



0ttmcttö^)röak tu^^idjett mxc 3uffer en eenen 0fl)0enmaker ( ' ). 

III. 

Dag Mijnheer Coeuen! 

— Dag Juffrouw zonder schoenen ! 

Ik zou moeten hebben een paar goed en sterk. 

— Dat is mijn werk. 

Plat van hielen en breed van zolen. 



(1) Z. bldz. 76 van dezen jaargang. 



« Ons Volksleven, j» 1-17 

— Dat is mijnen knecht aanbevolen. 
Wanneer mag ik ze komen halen? 

— Als gij geld hebtom ze te betalen. 
En als ik geen geld kan langen ? 

— Dan blijven ze in mijnen winkel hangen. 
Dag Mijnheer Coenen ! 

— Dag Juffrouw zonder schoenen! 

[MecJielen). E. v. C. 

JuLiEN TiEESOT. — Les Types mélodiques dans la chanson 
populaire frangaise. (Overgedmkt uit Revue des Traditions 
populaires;—SO bladz. gr. 8°; — 1894.) 

De Ouden hadden voor iedere omstandigheid van het openbaar 
leven, waar het muziek eene rol in speelde, een zeker aantal formu- 
len of nomen, die, in verschillender voegen gewijzigd, voor alle 
omstandigheden konden dienen. 

Op onze dagen heeft een voortreffelijke meester, de heer Gevaert, 
iets van dien aard meenen te erkennen in den gregoriaanschen kerk- 
zang. Met de muziekteksten te vergelijken, is hij tot de slotsom 
gekomen, dat al de melodieën kunnen herleid worden tot een zeker 
aantal oorspronkelijke formulen, die de wezentlijke kern van den 
gregoriaanschen zang uitmaken. Hij is voornemens die formulen er 
uit te trekken en in een werk te verzamelen. 

Zoo een volkskundige, die tevens toonkunstenaar is, iets derge- 
lijks wilde doen voor de melodieën der volksliederen, zou hij, zegt 
de heer Tiersot, tot dezelfde ervaring komen. Tot nu toe heeft men 
in de studie van het volkslied zich hoofdzakelijk beziggehouden met 
het vergelijken der letterkundige teksten, en zoo is men er toe 
geraakt deze tot een betrekkelijk klein aantal typen te herleiden. 
Op dezelfde wijze zou men ook de melodieën tot hun oorbeeld kun- 
nen terugbrengen. 

Dat dit werk vrij wat moeilijker is als het vergelijken der letter- 
kundige teksten en veel scherpzinnigheid en oefening vraagt, is ge- 
makkelijk om verstaan. Sommigen die er zich aan gewaagd hadden, 



118 



- Ons Volksleven. » 



zijn in dwalingen gevallen en hebben er deerlijk nevens geslagen. 

Uitstekend toonkunstenaar en volkskundige, is de heer Tiersot de 
rechte man om zulk eenen arbeid naar behooren uit te voeren. Zijn 
werksken, waarin hij verschillige zangwijzen met elkander vergelijkt 
om de typen te vinden, waar ze van afgeleid zijn, geeft er het 
bewijs van. Jozef Coenelissen. 




f ragen u annteekemngeii. 

2. (77.) De IJzerwegen in China. — In China is het bijge- 
loof nog zóó groot, dat de » groote geleerden » den keizer alle soor- 
ten van vodden wijsmaken. Eens borst er in 't keizerlijk paleis een 
groote brand uit, en de geleerden werden bijeengeroepen, om er de 
oorzaak van uit te leggen. Zij zeiden dat de nieuwe ijzerweg een der 
pooten van den kwaden geest overreden had en dat deze, in zijne 
gramschap, vuur op het keizerlijk paleis had gespuwd. 

Te dien gevolge is het in China verboden nog ijzerwegen aan te 
leggen. Enkel de spoorwegen, waar men aan bezig is, mogen vol- 
trokken worden. 



De Standard ontvangt de tijding van eenen groeten brand, die 
den tempel des hemels en den autaar van den draak in China ver- 
woest heeft. Die brand schijnt aangestoken te zijn door eene partij, 
die tegen het leggen van ijzerwegen is, en het afbranden der heilig- 
dommen voor de wraak der goden wil doen doorgaan. 

{Uit een nieuwsblad van 1889.) J. C. 

3. (78.) Eene postkoets in den rouw. — De postwagen die 
den dienst doet tusschen Lanhanthal en Huttwyl (kanton Bern, 
Zwitserland), is verleden Donderdag voor den laatsten keer uit 
Huttwyl vertrokken, daar de ijzerweg denzelfden dag ingehuldigd 
werd. 

Ter gelegenheid van die laatste reis, had de koetsier rouwklee- 
ren aangedaan en zijne vier peerden met zwarte lakens behangen. 
Te Rohrbach werd de postwagen ontvangen door een muziekkorps, 



« Ons Volksleven, n 119 

dat niet dan treurmarclien speelde. 

(Uit een dagblad van 1889.) J. C. 

4. (79.) Zonderlinge offerande. — Het is zeker niet algemeen 
bekend, dat de Chineezen zelfs aan hunne kanonnen offers brengen. 
Zulk eene offerpleclitigheid had — naarde Ost Asiatische Lloyd 
meedeelt — onlangs plaats op last van den brigade-generaal en de 
hoofdofficieren der regimenten, die in Tschin-Kiang garnizoen hou- 
den. 

Voor de monding van elk kanon op den vestingwal werd een 
verkenskop, een levend kieken en een groote visch geplaatst; de 
officieren knielden neer en smeekten de geesten, die de richting der 
vuurmonden besturen, hen in den oorlog te helpen, opdat de kogels 
steeds het doel zouden treffen, het kanon niet zou springen, enz. 

Na deze plechtigheid werden de kanonnen geladen en afgescho- 
ten ; de offerdieren werden door de lading weggeblazen en waren 
thans, naar de meening der Chineezen, op de tafel der geesten 
aangeland. {Uit de dagbladen.) J. C. 

5. (80.) Chineesche zeden. — In China staat een knaapje 
van 3 jaar terecht wegens moord, met eene scheer gepleegd op een 
ander kind van 7 jaar. De familie van den vermoorden knaap eischt 
thans de dood van den baby-moordenaar, ofschoon het in 't geheel 
niet bewezen is dat deze schuldig is. 

Men vond hem met de scheer in de handen, en de andere knaap 
lag schreeuwende op den grond. Het kind is opgesloten in eene kooi, 
draagt een rood moordenaarshemdje en is met eene ijzeren ketting 
vastgebonden. Dat zijn Chineesche zeden. 

{Uit de dagbladen.) J. C. 

6. (81.) Betooverde kinderen. — Eene herbergierster van 
Vilvoorde heeft tegen eenen pachter dier gemeente een proces inge- 
spannen voor laster en eerroof, in omstandigheden, die verdienen 
vermeld te worden. 

Over eenige dagen zegde de pachter in kwestie, in eene herberg, 
sprekende over de tegenspoeden die hem beurtelings troffen, dat hij 
die toeschreef aan de toovermacht van bedoelde vrouw, zekere 
vrouw N. 

— Reeds drie mijner kinderen, zegde hij, waren dood, het vierde 
stierf eergisteren ; maar nu weet ik waaraan dit alles toe te schrijven. 



120 « Ons Volksleven. » 

" Verleden nacht eensklajDs ontwakende, zag ik eene groote 
zwarte kat door mijne kamer loopen. Het beest had iets in den 
muil, dat ik in 't eerst niet kon onderscheiden, doch bij nader 
beschouwen zag ik het gelaat der vrouw. 

« Ik twijfel dus niet of zij is het, die mijn huis betooverd heeft, 
daar zou ik mijn hoofd voor willen laten afsnijden !... » 

Men had goed te zeggen dat de ongelukkige ten prooi was geweest 
aan eene nachtmerrie, niets hielp. Bij hoog en bij laag houdt hij 
zijn gezegde staande, zoodat de vrouw, om hem den mond te stop- 
pen, verplicht is tegen hem een proces in te spannen. 

{Uit de dagbladen.) J. C. 

7. (82). Een oud Uithangbord. — Vele voerlieden, die voor- 
heen uit Antwerpen vertrokken, langs de slechte aardebanen, in de 
richting van 's Hertogenbosch en verder, reden grootendeels over 
Hoogstraten, alwaar hedendaags nog de 's-Hertogenboschstraat 
bestaat. 

Over een tiental jaren las men nog te Hoogstraten aan de van 
ouds bekende afspanning " In den Houvast « , waar de voerlieden 
voordezen gewoon waren stil te houden om een goed potteke te 
ledigen, in afwachting dat hunne peerden wat Maasden en een 
weinig voedsel nuttigden, het volgende opschrift : 

In den Houvast, al uyt vermaerd, 

Kom binnen kammeraet, 

Er is nog nat op 't vat, en dat al voor den vromen. 

Die het veghlen laet, en het borgen haet, 

Magvry binnen komen. 

E. A. 

8. (83.) Het Minxhof. — Op de grenzen van het grondgebied 
van Heist-op-den-Berg, treft men eene uitgestrekte en boschachtige 
streek aan, palende langs den eenen kant aan Schriek, langs den 
anderen aan Beersel. Dit dichterlijk oord, Minxbosschen genaamd, 
is door eene diepe en liefelijk kronkelende beek (de Minxbeek) 
doorsneden, waaraan men nog de overblijfselen van breede grachten 
vindt, die volgens de volkslegende in vroeger tijd een machtig en 
sterk kasteel moeten omringd worden. Dit kasteel zou moeten tot 
verblijf verstrekt hebben aan het machtig geslacht der Bertholden, 
heeren van Mechelen en Grimbergen, en wel voornamelijk gedu- 
rende hunne oorlogen met de hertogen van Brabant. De sage ver- 
haalt verder, dat zij hunne peerden averechts met zilveren hoefij- 
zers hadden doen beslaan, om alzoo den vijand te misleiden. Later 
is het Minxhof verzonken, zegt men. Wie weet daar iets meer van? 

F. Z. 



ie uïnmt fuilmht^t Ipelling, in strijö 
mti k taal ttan Itórtj-l^elgiL 

{Vervolg). 

Draaglijk oi dragelijk? 

CTTTl verbeeldt de schrijfwijze draaglijk, gevoeglijk, ont:{aglijk 
AJ niet volkomen de juiste uitspraak, toch zal iedereen 
J -^ ze verkiezen boven de spelling dragelijk, gevoegelijk, 
ontzaggelijk, die tot eene gansch verkeerde uitspraak aanlei- 
ding geeft. Draaglijk klinkt draachlijk met verscherpte g, en 
komt heel dicht bij de juiste uitspraak, terwijl dragelijk niet 
anders kan gelezen worden als dra ge- lijk met zachte g, wat 
niemand zegt. Waarom dan gevoegelijk schrijven, als de 
?,^Q\\\ug gevoeglijk nauwkeuriger de uitspraak weergeeft? 



De n t\x s ais oerbhiïrtngfiletterd. 

Een Hollander kan zonder gemaaktheid de slot-n achter 
eene toonlooze e niet uitspreken, zelfs niet om eene gaping 
te vermijden. Hij laat dan ook in de samengestelde zelfst. 
nw. bijna altijd de verbindings-n vallen, zelfs vóór h of eenen 
klinker. Vandaar het wanluidende eendeëi, slakkehuis. 

Al is die verbindingsletter in veel gevallen ook uit onze 
spreektaal verdwenen, toch hebben wij ze beter bewaard als 
onze overmoerdijksche taalgenooten. Zij wordt altijd ge- 
hoord : 

P in samenstellingen, waarvan het tweede lid een m. of o. 

VI 7 



122 « Ons Volksleven. » 

zelfst. nw. is, dat met b, d, h, r, t of eenen klinker begint : 
ossenboer, peerdendief, boerenhuis, vrouwenraad, beestentroep, 
eendenei ; 

2** in samenstellingen, ^x•aarvan het tweede lid een vr. 
zelfst. nw. is, dat met h of eenen klinker begint : dieven- 
historie, nonnenabdij . 

Eendeëi, galgedas, woordeboek, krentebrood, pannedak, slak- 
kehuis zouden noch over onze lippen, noch uit onze pen 
willen. 

En toch begeren de Heeren Kollewijn en A" « dat wij 
tusschen de deelen der samengestelde zelfst. nw. aleen dan 
eene n zullen schrijven, waneer zij ook in de beschaafde (d. i. 
bijzonder-hollandsche) uitspraak wordt gehoord (i) ». Dat is 
met andere woorden gezeid : Omdat wij goedvinden onze 
verminkte vormen galgeaas, slakkehuis, pannedak in de schrijf- 
taal over te brengen, zult gij, Nederlanders, die geene Hol- 
landers en zijt, uwe oude en ongeschonden vormen galgenaas, 
si akkenhuis, pannendak dienen op te offeren. 

Wij zullen wel wijzer zijn. 

Wat het weglaten der verbindende s betreft, hiertegen 
kan ingebracht worden, dat zij in woorden als stadsschool en 
oorlogsschip, ofschoon niet gehoord, toch volkomen duidelijk 
gevoeld wordt. Die twijfelen zou of dorpsstraat met ééne of 
met twee s moet geschi-even woorden, heeft zich maar te 
herinneren dat men dorpsbaan, dorpskerk, dorpsherberg zegt, 
en niet dorpbaan, dojykerk, dorpherberg. Dat de verbindende 
s niet uitgesproken en wordt, dat alèèn is geene reden om ze 
niet te schrijven. In toetssteen en halssieraad hoort men ook 
maar ééne s. Zal men éiX'>\Yom toetsteen en halsieraad gaa.n 
spellen ? 

('t Vervolgt). Jozef Cornelïssen. 



(1) Beschaafde uitspraak = Hollandsche uitspraak. Paard, hart, duur, 
bomen, stenen, bij, galgeaas is beschaafde taal, maar peerd, hert, dier, boomen, 
steenen, bie, galgenaas niet. 't Is immers om mee te lachcu ! 





ie %mmu in liet f nltegelnnf en f nlbgeknik. 

( Vervolg), 



f I f E Peer bestaat een zeer eigenaardig gebruik. Den dag 
J I ^ dat er binnen de vest van liet steêken (buiten de vest 
-^ en op de gehuchten is het niet in zwang) eene bruiloft 
gevierd wordt, gaan de kinderen tegen den avond naar het 
huis van de bruid, en elk kind ontvangt er een keersken van 
twee centen. Dat noemt men : ee?i broudskèersken halen. Als 
er nu eenige ponden van die keerskens uitgedeeld zijn, dan 
worden ze ontsteken op den grond voor de deur van de 
bruid heur huis, en de kleinen maken 'nen ronden ring en 
huppelen en dansen al zingende : 

Waar is de bruid en laat ze ons zien, 
üm harentwil zoo komen we hier. 
Het eerste jaar 'nen jongen zoon, 
Het tweede jaar een dochterke schoon. 
Zoo lang tot er zes of zeven zijn ; 
Dan weet de bruid wat zorgen is, 

Wat zorgen is. 
De bruid placht nog eens bier te tappen, 
Maar nu, nu moet ze de broeken lappen. (1) 



[H Vervolgt). 



J.C. 



(1) 't Daghet in den Oosten^ H, bldz. 177. 





4. (51.) llott Uohbn öen lUief. 

(Vervolg). 

Robber 's burgemeesters beste peerd zien te 
. En of de beest bewaakt was ! — Door vier 
man, ja, wel door vijf, als ge 'en oud wij f ken 
meerekent, e stokoud, gerimpeld en ineengewassen meeken, dat al 
sedert veel dagen onder den afhang bij den peerdeustal kwam 
rusten; en somwijlen bleef het daar zijn' nachtrust nemen, en op 
'nen anderen keer gong het eerst laat naar huis. 

De bewakers kregen genegen? heid voor het uitgemergeld en ineen- 
gekrold wijf ken. En ze lieten het somtijds al eens bij hen komen, 
als 't te buiten regende of waaide. En soms ook al eens, als het 
schoon weer was, om wille van het nieuws, dat het altijd en over 
alles wist te verhalen. Want het wist den al, dat wijf ken, en vertel- 
len dat het kost, bijzonder van dieven en roevers, dat het haar er 
van zou te berge gerezen zijn, zelfs op 'nen kaalkop. 

En de diefte bij den pastoor, hoe wist het die aan de wakers 
uiteen te doen ! En de wreede mishandelingen, die den arme pastoor 
in zijnen zak onderstaan had ! 't Was ofdat er een' huivering over 
't lijf van de bewakers liep ! 

« Wat is 't koud ! ,, zeiden ze, " vinde 't ook niet meeken ? « 

— «'t Weer is koud, mannen, » zei het wij f ken, " maar ik en 
heb toch geene kou : ik heb e stoveken in mijnen zak ! » En 't haalde 
e fleschken voor den dag en 't dronk 'nen slok brandewijn en toen 
stak het zijn fleschken terug. 

De neuzegaten van de bewakers gingen open en toe bij den reuk 
van den brandewijn. « Och ! vrouwken», zei die op 't peerd zat, 
« laat mij daar ook eens 'en teugsken aan rieken. » 

— « Vrouwken, geeft ons ook e sloksken », zeiden de drij ander. 

— « Ja », zei 't wijf ken, « als ge er 'en beetjen inlaat voor mij. » 



« Ons Volksleven. » 125 

En de vier deelden broederlijk, maar 't oükeu wierd doodgedeeld. 

En geen vijf minuten later, of alles sliep in den stal, uitgenomen 
meeken en het peerd. 

En eerdat er nog vijf minuten voorbij waren, wierp Robber zijn 
vrouwliekleeren af en maakte gauw het peerd los, terwijl hij zei : 
« Robberes slaapdrank werkt goed, eh mannen ? « 

Die op 't peerd zat, zet hij schrijlings op 'nen balk met 'nen 
strooiwisch in zijn hand; de twee teugelmannen krijgen ieder e lint 
in de hand van meekens voorschoot; de steerthouder krijgt het 
wijfken zijn' pruik tusschen zijn' vingeren. 

Gauw de hoeven van 't peerd met vodden omwonden, en weg is 
Robber met 's burgemeesters beste peerd. 



Maar zijn' vrouw beuren trouwring weghalen, dat zou zoo gemak- 
kelijk niet gaan, zei de burgemeester aan al die het hooren wilde. 

Overdag kost Robber bij de burgemeesterse niet komen, en 
's nachts was de burgemeester er bij met geladen geweer en pistool. 
Dezen keer zou den dief het met zijn leven bekoopen, als hij de 
kans nog dierf wagen. 

Op zekeren nacht nu hoorde de burgemeesterse e licht gekrievel 
aan de venster. Ze wekt beuren man en zie ! de venster gaat open 
en daar komt 'ne man langs buiten voor staan. « 't Is Robber! » 
zegt de burgemeesterse. — « Hij is het ! » zegt de burgemeester. — 
« Ja, ik ben het! » antwoordt Robber. De burgemeester pakt zijn 
geweer, mikt, schiet en — raakt, want plomp ! daar valt het lichaam 
van de leer op den grond. 

« Wat gaan we daar nu mee aanvangen? — vroeg de burgemeester 
en hij keek eens buiten. 

— « Is hij dood? 

— « Ik en kan het niet zien, vrouw; 't is donker gelijk 'ne balk 
daar buiten. « 

— « Roept ons volk en gaat eens buiten zien. Dan is 't nog tijd 
om te weten wat er te doen valt. » 

— « Hij is dood », zei de burgemeester, als hij terugkwam, « ik 
ben van gedacht dat wij hem in den mestpoel zouden kunnen steken, n 

Zoo gezeid, zoo gedaan. De burgemeester trok af met zijn volk, 
maar eenige oogenblikken later kwam hij terug. «Vrouw », zei hij. 



126 « Ons Volksleven. » 

't moest Robber eens niet zijn! Geeft mij uwen trouwring dat ik 
hem beware. »» De vrouw gaf den ring zonder achterdenken. 

Na een halve uur kwam de burgemeester weerom. « 't Is gedaan, 
vrouwken », zei hij tegen zijn wijf. 

— «Ah! God zij geloofd! Nu kunnen wij gerust slapen. Gij hebt 
mijnen trouwring wel meegebrocht, man? » 

— «Uwen trouwring?... uwen trouwring?... Dien heb ik niet 
gehad, vrouw !« 

— « Wel man, ge zijt hem zelf komen halen, toen ge pas heneden 
waart. » 

— «Ik hem komen halen ! wel vrouw, ge zijt van uw verstand ! » 

— « Maar, man lief, hoe kunde toch zoo spreken ! Ge hebt zelf 
gezeid : Geeft mij uwen ring dat ik hem beware, want 't moest 
Robber eens niet zijn! n 

— « Dan is 't aan dien duivelschen Robber geweest, dat ge uwen 
ring gegeven hebt n, zei de burgemeester, « hij is ons toch weer te 
slim geweest. » 

Wat had Robber gedaan?. . , Ne moordenaar was in den dag opge- 
hangen, en Robber had het lijk losgemaakt en het met 'en leer voor 
den burgemeester zijn' venster gehouden. Terwijl nu de burgemees- 
ter met zijn volk, zoo hij meende. Robber aan 't begraven was, was 
de slimmerik naar boven geloopen, en vermits hij goed den burge- 
meester zijn' stem en zijn' manieren kost nadoen, had hij met fijnig- 
heid de burgemeesterse beuren ring afgetruggeld. 

Sedert dien tijd heeft Robber vrij zijnen stiel mogen doen. Van 
vader tot zoon ging die vrijheid over en al de dieven, die nu nog 
ongestraft rondloopen, zijn van Robbers afstammelingen. 

{Gehoord ie Betecom hij Aarscliot.) Gxjldenvlies. 

ie 'Mmu m 'lönukn in jjet f nlkögelnnf, ^'^ 

III. 

Fetischbooraen. Achter de kapel van O. L. Vrouw van 
Verviers, tusschen Trazegnies en Chapelle lez-Harlaimont 

Z. Ons Volksleven, III, bl. 28; IV, bl. 148 



« Ons Volksleven. » 127 

(Henegouw), slaat tegen eenen ouden weg, dien men meent 
van Romeinschen oorsprong te zijn, een oude afgeleefde 
boom, geheel met nagels overdekt, die er tot aan de koppen 
in geslagen zijn. Het zijn de ofFergiften der reizigers, die 
langs daar voorbijgaan. (Documents et Rapports de la Société 
paléontologique et archéologiqiie de l'arrond. de Charleroi, III, 
210). 

— Niet verre van de muren van het klooster van Soleil- 
mont (Henegouw), staat een oude calvarieberg tusschen twee 
oude linden, die letterlijk overdekt zijn met nagels, welke 
de bedevaarders er in geslagen hebben. [Ibid., XII, 210). 

— Te Eigen- Brakel, ter plaatse Ste Ay, staat een kruis 
tusschen twee oude dennen. Beide boomen zitten vol spelden 
en nog dagelijks steekt elke voorbijganger zijne speld in de 
schors. [Ibid., XII, 299). 

Kerstmis en de Boomen. In den Kerstnacht mag men de 
boomen geen spinnewiel laten zien, want dan dragen zij het 
komende jaar niet. (Coremans. LAnnée de Vancienne Belgique.) 

— In den Kerstnacht met de bijl eenen kap in de onvrucht- 
bare boomen geven, is een middel om ze het volgende jaar 
te doen dragen. [ld.). 

Boomen tegen den bliksem beveiligd. In de Luxem- 
burgsche Ardennen gelooft men dat de beukeboomen nooit 
door den bliksem getroffen worden. [Revue de Belgique, XXV, 
107). 

In het Zuiden van Brabant zijn het de linden, die door den 
bliksem worden gespaard. 

In sommige streken van de provincie Namen gelooft men 
dat de haagdoorn nooit door den bliksem getroffen wordt (i). 

Hier en daar in Henegouw is het de den, welke dit voor- 
recht geniet (2). 

Allerheiligen en de Boomen. — Met Allerheiligen moet 
men in het bosch gaan en er een stuk van eenen beuk kap- 

(1) Waarschijnlijk omdat Jezus met doornen gekroond werd. De Gallen 
bewezen nochtans de goddelijke eer aan den haagdoorn, en dan zou het eene 
heidensche overlevering zijn. 

(2) Dat komt min of meer met de wetenschap overeen. Men weet dat de 
harsachtige boomen de electriciteit slecht geleiden. 



128 « Ons Volksleven. »» 

pen. Zoo het hout vochtig is, dan zal de winter koud zijn ; is 
het droog, dan zal het tegenovergestelde plaats hebben. 
(Tuinman. Voorteekenen]. 

O. L. Vrouwr Boodschap. De naam O. L. Vrouw Beklij- 
ving, aan dezen feestdag gegeven, heefiingeiieelGermaansch 
Europa, alsook in Frankrijk, het geloof doen ontstaan, dat 
al hetgeen men op dezen dag verplant, gemakkelijk wortel 
schiet, dat al wat men dan zaait, goed uitkomt en dat deze 
dag boven alle andere te verkiezen is, om boomen te enten 
of te griffelen. (CoREMANS, 18. Liebrecht. Des Gervasius van 
Tilbury otta imperiale, 233). 

Sinte-Veronika. In veel dorpen van het Vlaamsche land 
wordt geloofd, dat de boomen die men op den 19" Februari 
verplant, onder de bescherming staan van Sinte-Vreke of 
Veronica. (Coremans, 76). 

Sint-Hilduard en de Notelaars. In Brabant en Limburg 
wordt St. Hilduard aanzien voor den patroon der notelaars. 
Daar doet men liefst de noten afin de week die zijnen feest- 
dag voorafgaat of die er op volgt. (Coremans. 87). 

Te Antwerpen gelooft men dat Jezus' kruis van notelaren 
hout gemaakt was. Daarom, zegt men, vindt men nog in 
iedere noot het afbeeldsel van eenen nagel. 

('t Vervolgt). Alfried Harou. 



f nlksgehrmken in lltóti-ïJraliant. 

(Vervolg). 



6. Be &ockx\)dt(o0\. 

f(W^ê^^^ eene goede dertig jaren zaaiden de boeren en 
\^^^ zelfs de kleine menschen nog veel boekweit. Op 
^^^^^^ het einde van den zomer, als de boekweit moest 
gedorsclien worden in het blakke veld, vierden de boeren 
feest. Zoodra er eenige kilos boekweit uitgedorschen waren, 



« Ons Volksleven. » 129 

goot men die in eenên zak, en terstond liep iemand daarmee 
naar den bloempeJder. De tien leste schooven werden gedor- 
schen door alle de werklieden die er geweldig op sloegen : 
ze hieten dat « koeken slaan ". Inderdaad als de pachter met 
zijn volk uit het veld huiswaarts keerde, stonden er op de 
tafel groote torens koeken van boekweitmeel, waar men 
gretig op aanvloog. Op sommige plaatsen at men kneukeien, 
d. i. bollen van tarwemeel die in warme melk gelegen had- 
den en, met botersaus overgoten, opgedisclit wierden. 

7. Ue (j^ogötmet. 

Ls bij het inoogsten de laatste kar oogst (koren, tarwe, 
haver) ingehaald wordt, steekt men eenen grooten groe- 
nen tak of mei boven op de kar, en rond den tak zitten de 
straatjongens en de knechten geschaard. Onder het rijden 
zingen zij : 

Vivat Potter en het houten been, 
Al dat valt, dat is vaneen, 
Lest begost en eerst gedaan 
Sjó ; Hip ! hip ! hoerö (a) ! 

Bij het aflossen der kar wordt er in de schuur vandeeg 
gedronken en van dien stond zegt men : « Pachter X. heeft 
den mei ingehaald », om te beduiden dat hij alles ingeoogst 
heeft. 

8. Seuni Xoxun. 



6 



p den buiten, waarde menschen voor elkander veel over 
hebben, wapperen de vlaggen telkens er in eene familie 
een zevende zoon geboren is. De Burgemeester of de eerste 
Schepene is dooppeter. De kleine, die tot den doop gebracht 
wordt, zit op eenen wagen met vier peerden bespannen; hij 
rust op den schoot van de voedster en rond hem zitten zijne 
6 broeders gerangschikt volgens hunnen ouderdom. Vóór 
den wagen treedt de fanfaren maatschappij op; en achteraan 
komen de vader en de burgemeester, die aan de kinderen 
allerlei fijn gebak uitdeelen. 

DAAR er tegenwoordig de honderdjarigen al langer hoe 
dunner loopen, beijint men zulke lieden met meerder eer 



130 •* Ons Volksleven. y> 

te overladen. Als 't zijn kan, gaat de honderdjarige op zijnen 
verjaardag naar de mis, die voor eenen zijner bloedverwan- 
ten gevierd wordt. Overal zijn de huizen bevlagd en met 
jaarschritten behangen. Na de mis vindt de ouderling thuis 
alles op zijn beste : de tafel is met geschenken bedekt en 
des middags komt de gemeenteo verheid eetmalen met den 
ouderling. 

In den namiddag komen al de oudjes uit den omtrek hunne 
honderdjarige kennis bezoeken en gelukwenschen en, onder 
het drinken van eene flesch wijn, praten zij nog eens over 
hunnen jongen tijd. 

10. tltmiufaöröooottö. 

^rr AVONDS vóór nieuwjaar worden er bijna overal wafels 

)ê) gebakken en dan zingt men dikwijls het volgende lied 

(dat somtijds gedurende het jaar ook nog aangeheven wordt) : 

« Die ia Januari geboren is, staat op, 
Eu die in Januari is, staat op; lala, lala 
En die in Januari g^eboren is, 
Die is er welkom aan den disch.... n 

Zijn er die in Januari geboren zijn, dan staan die recht en 
men zingt : 

« 't Is goed ; 't is goed ; 't is goed 

Zet het glaasje aan uwe lippen 

En laat het stillekens binnendrippen ; 

Zet het glaasje aan uwen mond 

En drinkt het uit tot op den grond . » 

Hierop drinkt men te zamen en men vervolgt : 

" Ja, dat voelen wij, 

Ja dat voelen v\ij, 

Ja dat voelen wij aan ons jeugdig hert. » 

Daarop antwoorden degenen die in Januari geboren zijn : 

« Ja dat voelen wij (of : ja dat voelekik) 
Ja dat voelen wij aan ons jeugdig hert 

(ik) (of aan mijn jeugdig hert). » 

^Nu zingen al de anderen op hunne beurt : 

« Ja, dat voelen zij (of hij) op hen wijzend. 

Ja, dat voelen zij (hem) 

Ja, dat voelen zij aan hun jeugdig hert. » 



>* Ons Volksleven. « 131 

Zijn er geene die in Januari g-eb ^ren zijn, dan zingt men : 

't Is mis, 't is mis, 't is mis. 

En men vervolgt seffens : 

Die in Februari ojehoreu is, staat op, ciz. 

Na het zingen schiet men aan 't kaarten tot diep in den 
nacht; want de gasten willen van 't een jaar in 't ander 
kaarten. Of er vreugde wordt gemaakt ! 

U. i)et JjJlakkeit. 

^Ls iemand eene schandelijke daad begaan heeft, 't zij 
echtschennis, bankroet of iets dergelijks, dan hangt 
men eenen opgevulden vent aan eenen boom, voor de woning 
van den plichtige. 's Avonds is het feest; dan komen de 
geburen bijeen niet verre van het huis, waar de schuldige 
woont. Gewoonlijk voert men eene oude kar in de straat, 
waar het volk met steenen op werpt of met stokken op slaat. 
Sommigen brengen kwade potten en ketels mede en trom- 
melen daarop de marsch; anderen gaan met planken op de 
straat of op den grachtkant slaan. Al wat lawijt maakt, 
wordt medegebracht. Hoe meer plezier het volk heeft, hoe 
meer spijt de schuldige hebben zal, zoo denkt de menigte. 

12. (Eene nteuiue 0f!)0ol. 

200HAAST er eene nieuwe school gebouwd staat, is het feest 
voor de kinderen. De burgelijke en geestelijke overheid 
treedt de school binnen waar het kleine volk vergaderd zit. 
De pastoor doet eene korte aanspraak tot de kinderen en 
daarna dient men mastellen met hesp; ieder kind heeft eene 
tas medegebracht en krijgt daarin zijnen koffie. Als de 
magen zwijgen, wordt er gezongen ter eere van de stichters 
der school en de muren daveren nog, als al het kleine volk 
blij te moede huiswaarts keert. 

13. (Een (i^eb0uiü tn 't hrooq. 

^Ls er een huis in 't droog staat, steekt men eenen palm- 
tak (elders eenen dennen tak) op de schouw. De brouwer 
brengt eene ton bier voor het werkvolk, en gewoonlijk gaat 
de meestergast met de werklieden nog eens de herbergen 
rond. 



132 . « Ons Volksleven. »» 

t4. Öoötenttïjonö. 

TN de stad, waar het volk in de straten woelt, worden er 
i openbare stoeten ingericht, doch in de dorpen gaat het 
vastenavondfeest niet over den dorpel des huizes. Des avonds 
na den gewonen maaltijd, discht de huisvrouw aan haar 
gezin eene pan spek met eieren op, en als ze dat geëten en 
daarbij eens gedronken hebben, zijn de brave menschen zoo 
gelukkig als de stedeling, die vóór half nacht niet ter ruste 

gaat. 

15. 0nit-€l00t. 

QTjET Sint-Elooi is het feest in de smis. 's Morgens gaan de 
èii smeden naar de Looi misse. Overdag en vooral 's avonds 
komt het volk uit den omtrek naar de smis, waar de vlagge 
hangt te wapperen. Gansch het jaar door, laten de boeren 
hunne rekening bij den smid open staan en gaan ze met 
Sint-Elooi vereffenen. De groote boeren komen met 2 of 3 
knechten af. De smid, die gewoonlijk herberg houdt, weet 
hoe hij de kalanten moet behandelen. Op eene zekere somme 
iaat hij telkens 5 centen vallen. Geen wonder dus dat de 
boeren met hunne knechten afkomen en dat de feest in den 
avond niet gedaan is. 

{Lippdoo, Puurs, Oppmirs en omstreken). 

{'t Vervolgt). Alf. J. C. 

f nltegehniiken in k %m^m. 

€en i^uujelijksgebrutk te ^cïjtd {Wx\kevorsd). 

^^^^^CHTEL is een gehucht van Rijkevorsel, waar enkele oude 
Mf/^W' gebruiken hebben standgehouden, die elders reeds lang 

«^--^''^t!^^ verdwenen zijn. 
Waneer daar een huwelijk gevierd wordt, is heel het gehucht te 

been. Onder aanhoudend geweergeschut leiden de jonge mannen 



« Ons Volksleven. » 133 

het huwelij kspaar naar Rijckevorsel (want Achtel heeft geene 
parochiekerk), alwaar het huwelijk voor de Wet gesloten, eu door 
den pastoor ingezegend wordt. Nadat dit afgeloopen is, zonder 
eenige plechtigheid, keert men naar Achtel terug, en daar zal 't er 



spannen 



Al de vrouwen van 't gehucht, zoo gehuwde als ongehuwde, 
hebben zich op de koddigste wijze verkleed en zijn gewapend met 
tangen, vuurschuppen, blaaspijpen, gieters, eemers, ketels en andere 
keukengereedschappen. Aan het hoofd van dien zonderlingen troep, 
stapt eene vrouw die een wit laken, bij wijze van vaandel, aan 
eenen langen boonstaak draagt. Onder oorverdoovend getoet, ge- 
trommel, gerammel, gerinkel, gebommel, trekt de bende naar de 
herberg, waar " De Meibloem » uithangt, om daar het bruidspaar 
af te wachten. 

Eindelijk verkondiden geweerschoten dat de jonggetrouwden daar 
zijn. Dan hertelen de woelige muziekmaaksters de herberg uit en 
zetten zich stoetsgewijze op de straat om het paar te ontvangen. 

Een der wijven treedt vooruit en verwelkomt het echtpaar in eene 
feestrede, waar de boertigste kwinkslagen niet in gespaard zijn. 
Bruid en bruidegom bedanken de redenaarster, en de stoet trekt af 
naar het bruiloftshuis, al dansende en springende en meteen een 
helsch lawijt makende op het ijzeren, koperen en blekken keukeu- 
gerief. 

Vóór den dorpel des huizes wordt het witte vaandel uitgespreid, 
dat door niemand mag betreden worden, die niet tot de Ijruiloft- 
gasten behoort. De echtelingen en de genoodigden aleen, hebl^en 
het recht er over te gaan. 

Terwijl nu de bloedverwanten en vrienden ton huize der bruid 
bruiloft houden, vieren de geburen insgefijks feest op de kosten 
der jonggetrouwden. Ze krijgen namelijk eene « koffiefooi « in eene 
herberg, en laten er zich de welgeboterde krentenboterhammen^en 
den geurigen koffie goed smaken. 

Doch, waar getrouwd wordt, moet ook gedanst worden : anders 
ware de vreugde niet volmaakt. De speelman wordt dan ook niet 
meer met vrede gelaten en moet, willens of niet, eenige " loechtjes „ 
uit zijnen « open-en-toe » (i) haleu, om de vroolijke menigte ten 
dans uit te lokken. Jozef Coknelisskn. 

(1) Trekorgel, Fr, harmonica, accordeon. 



134 



« Ons Volksleven. » 




m llnkte, ^'^ 

VI. 

[Ver vol ff). 

^^E volksoverlevering kent aan de gmote klok van 
Veurne een weinig geloof baren oorsprong toe. 
Een ter dood veroordeelde zou ze laten gieten 
hebben, en 't was bij zijne halsrechting dat ze voor den 
eersten keer luidde. 

Indien die veroordeelde een zoenoffer had willen doen, dan 
zou hij het geschonken hebben aan een geestelijk gesticht, 
en niet aan de stad. 

— Om wratten kwijt te geraken, steekt men te Thuin de 
hand in een loopend water, terwijl de doodsklok luidt. 

— In de vorige eeuw geloofden onze vaderen nog, dat de 
gedoopte klokken hatelijk aan den duivel waren. Nu, daar 
zij aan SUan de macht toeschreven om de onwederste doen 
ontstaan, waren zij gewoon, zoohaast zij den donder hoor- 
den, de klokken te luiden, om het onweder te verdrijven. 

In de rekeningen van Estinnes over het jaar 1759, vindt 
men : « betaald de som van 18 stuivers voor 3 potten bier, 
gegeven tijdens de onweders in den loop van 't jaar. » 

Over 1755 : " betaald 12 pond voor bier, geleverd aan den 
luider, die geluid heeft voor het verdrijven van de onweders. » 

('/ Vcrvohjt). Alfried IIarou. 



Htniereti, ^Éitten, 33rntinen, jFnntemen, m]. 



(1) 



VIII. 



|Pn de XIV^ eeuw waren de kerken te Brugge voorzien 
van een voorhof, waai'in eene fontein was. Aan die 
fontein gingen de geloovigen het aangezicht en de 



(1) Z. Ons Volksleven, lil, bl. 110; — IV, bl. 4 en 225; V, bl. 149. 
(1) Z. Ons Volksleven, II, bl. 87, 97, 109, 123; — III, bl. 85 ; — IV, bl. 41; 
— VI,bl 72. 



« Ons Volksleven. » 



135 



handen wasschen, alvorens de kerk binnen te treden. (L. 
Navez. Bruges monumental et pittoresque, 92.) 

* 

De eerbied, dien men in vorige eeuwen den Rijn bewees, 
werd met der tijd tot het uiterste bijgeloof gedreven. Men 
ging zoo verre dat men zijn water éene zoodanige zuive- 
rende kracht toeschreef, dat men het bekwaam achtte om de 
rechter en de wreker van de echtelijke trouw te zijn. Met 
ditgeloof legden de volkeren die in de nabijheid van den 
Rijn woonden, hunne kinderen in den stroom, om te oordee- 
len of zij wettig geboren waren. Men erkende ze maar als 
dusdanig, waneer zij bovendreven. Dit zonderling en afschu- 
M'elijk bijgeloof is bevestigd door keizer Juliaan, door Clau- 
dius en St. Gregorius Nazianzis. 

Het geloof aan de kracht van het water des Rijns leefde 
nog voort in de XIV^ eeuw. Een schrijver verzekert, op 
Sint-Jansavbnd eene menigte vrouwen gezien te hebben, die 
hunne armen in het water van den Rijn dompelden. Zij 
waren met bloemen versierd, hadden hunne mouwen opge- 
stroopt en murmelden zekere woorden. Als reden van deze 
doenwijze gaf men op, dat het volk (en vooral de vrouwen) 
reeds van de hoogste oudheid af, geloofde, dat men door 
middel van deze afwassching, de rampen van een geheel 
jaar in den Rijn verdronk en zich gelukkige dügen ver- 
schafte. Geen wonder dus, dat men telken jare deze zoo 
heilzame wassching vernieuwde. 

{'t Vervolgt). Alfried Harou. 



Im^ifirjie lagen. 

9. (171.) (Een uerbörgen 0fl)ot. 

|EEDS lange jaren geleden kwam, rond midder- 
nacht, een reeds bejaard man door de « Mechel- 
^ _^baan » gestapt. Niet verre van de « Drij Maag- 

dekens » hoort hij eensklaps een gekerm en geklaag om een 




136 « Ons Volksleven. » 

steenen hert te bewegen. Hij blijft staan en vlak voor 
hem, ziet hij dfij vrouwen geheel in 't zwart gekleed. Deze 
die de oudste scheen, sprak hem in dezer voege aan : «Vriend, 
wij bidden u, zij zoo goed van met ons mee te gaan. Ge moet 
niet bang zijn, want gij hebt niets te vreezen; integendeel, 
gij kunt, als ge maar wilt, schatrijk worden. — Gij behoeft 
daarvooj' niets anders te doen als met de vuist op de tafel te 
slaan, waar M'ij u zullen voorbrengen en dan te zeggen : 
Alles is hier 't mijn. « — «Ik durf tocli niet meegaan, » ant- 
woordde het oud manneken. — « Heb toch geene vrees, 
vj'iend, « hernam dezelfde stem, « wij zullen u hier, op de- 
zelfde plaats, weerbrengen. » — « Het zij dan zoo, « zeide de 
ouderling, « ik zal dan maar meegaan. » — Oogenblikkelijk 
ging men op weg, den eenen pad op, den anderen af, door 
onbekende wegen en streken. Twee der vrouwen gingen den 
oude voor en de derde volgde achter hem. Eensklaps kwa- 
men zij voor de poort van een schoon kasteel. Gelijk ze er 
voor stonden, vloog zij vanzelf open en zij traden binnen, 
waarna de poort weer toeviel. Dan gingen zij over eene 
breede gracht en door eene tweede poort, en kwamen ver- 
volgens aan het kasteel, waarvan de deur ook aanstonds 
openvloog. Zij stapten binnen in eene groote zaal, waar eene 
gruote ronde tafel stond, met een groen tapijt bekleed. 
Bliksemsnel sprong bij hun verschijnen uit eenen hoek der 
zaal een verveerlijk monster, met vlammende oogen, dat op 
de tafel ging zitten. — « Sla nu met de vuist op deze tafel en 
zeg : alles is hier 't mijn! -^ gebood de oudsie der drij vrou- 
wen aan het manneken. Deze durfde van schrik bijna niet 
meer verroeren. « Hi durf niet, » antwoordde hij. — Sla maar 
toe, heb geene vrees. » — « Hi durf toch niet. » — «O onge- 
lukkige! » kermden de vrouwen allen gelijk, « ge hadt 
schatrijk kunnen zijn met dit te doen, en het monster, dat 
den schat bewaakt, ware verjaagd geweest, en nu moeten 
wij weer gaan dwalen. « — Daarna brachten zij den ouder- 
ling door dezelfde wegen en op dezelfde manier op de plaats 
in de « Mechelbaan « terug, van waar zij hem medegenomen 
hadden. Dan vertrokken zij al kermende en klagende, 
zeggende dat het nu weer negen-en-negentig jaren moest 



« Ons Volksleven. » 137 

aonloopon, eer zij woer iemand mochten aanspreken.— Over 
eenige jaren vertelde eene zieke vrouw dat zij op zekeren 
nacht, wakker liggende, rond 12 uren een gekerm in de 
« Mechelbaan « gehoord had, en zij denkt dat het die 
vrouwen geweest zijn, die na negen-en-negentig jaren weer 
terugkwamen. (Gelioord ie Heist-op-dai-Bcrg), 

10. (172.) t)aii eene ölaitg üerlcHt. 

0VER ruim honderd jaren was de streek gronds, gelogen op 
de grensscheiding der gemeenten Heist-op-den-Berg, 
Schriek en Beersel, onder den naam van Minksbnsschen 
bekend, nog met uitgestrekte bosschen en houtgewas bedekt. 
Dit gehucht, alsook de omtrek, was weinig bevolkt en uit 
die oorzaak was liet gekomen, dat er in eene aldaar alleen- 
staande houtmij t eene slang was komen M'onen. Hoe of waar 
die vandaan was gekomen, zegt de geschiedenis niet. Eers*, 
roofde het ondier in zijne nabijheid, maar na eenigen tijd 
werd het zoo stout, dat het overal in den omtrek, kiekens, 
jonge verkens en al wat in zijn bereik viel, weghaalde. 
Ja, toen het kruipdier jongen had, kende het geenen schrik 
meer, het had zelfs een kind meegenomen en menige ouders 
dorsten daarom hunne kinderen bijna op de straat niet meer 
laten gaan. Het ergste van al, niemand durfde het bestaan, 
de slang aan te tasten, en toch moest men zien ze van kant 
te helpen. 

Het gebeurde alsdan, dat er een regiment peerdenvolk in 
het dorp kwam en voor eenige dagen bij de boeren inge- 
kwartierd werd. Een der oversten, een kapitein, hoorde van 
de slang spreken en nam het voornemen, de boeren van het 
ondier te verlossen. Vooraleer het waagstuk aan te vangen, 
bestreek hij zijn peerd geheel en al met bruine zeep en trok 
een nauwsluitend wambuis aan. Alzoo toegerust, reed hij 
naar het verblijf der slang en in de nabijheid gekomen, stak 
hij eene groote lont aan en hield die al brandende in de hand. 
Aan de houtmijt wierp hij de lont in het droge hout, dat aan- 
stonds vuur vatte. Niet zoodra was dit gedaan, of de slang- 
kwam, met een vreeselijk gesis, te voorschijn. Zij sprong tot 
drijmaal toe achter op het peerd, doch rees er telkenmale 



138 « Ons Volksleven. » 

weer af, ter oorzake van de vettigheid der zeep. Misschien 
had zij het nog niet opgegeven den kapitein te achtervolgen, 
doch daar hare jongen in de brandende houtmijt begonnen 
te sissen en te schreeuwen, schoot zij deze ter hulp en zoo 
kwamen allen in de vlammen om. De kapitein ontving eene 
goede belooning voor zijne vrome daad, en de boeren waren 
vol vreugde omdat zij van de slang verlost waren. 
{Gehoord f e Heist-op-den-Berg) . Frans Zand. 



3Jntktoj3jirtkrag. 



Faut-il couper Ie frein de la langue? par Ie DocteurCnERviN, 
directeur de Flustitut des bègues a Paris. — Paris. Société d'édi- 
tions scieutifiques, 4, rue Antoine-Dubois. — 1894. (16 bldz. 8°.) 

In dit vlugschrift vestigt de schrijver de aandacht der volkskundi- 
gen op een gebruik, dat in veel streken nog algemeen in zwang 
schijnt te zijn, namelijk het snijden van den tongreep bij pasgebo- 
ren kinderen (opdat de kinderen later gemakkelijk zouden spreken), 
en betoogt op doorslaande wijze, dat die bewerking volkomen nut- 
teloos is. 

D"" Chervin heeft zijne geleerde verhandeling doen voorafgaan 
van eenen oproep tot de " folkloristen » , waarin hij hun de volgende 
vragen te beantwoorden stelt : 

1. Op welken ouderdom wordt de tongreep gesneden? 

2. Wie doet die bewerking? 

3. Hoe wordt zij verricht? 

4. Wordt daarbij eene soort van bezweerforraule opgezeid? 

5. Kent gij vertelsels, liederen, spreekwoorden, raadsels, enz,, 
die er betrekking op hebben ? 

6. Zijn er goden, amuletten, planten die het gebrekkig spreken 
kunnen veroorzaken of doen ophouden? 

Of hier te lande nog ergens het gebruik bestaat den tongreep te 
snijden bij kinderen die nog niet spreken kunnen, geloof ik niet; 
zeker is het, dat het gedaan wordt bij dezulken die, gelijk men zegt, 
eene gebrekkige tong hebben, om hiiniie uitspraak te verbeteren, 
en bij de vogels : eksters, papegaaien, spreeuwen, enz., die men 



« Ons Volksleven. »» 139 

wiltleeren klappen (i). Hij is van den spannaard gesneden wordt 
gezeid vau iemand die wel ter taal is, die goed klappen kan. 

Jozef CORNELISSEN. 



Sujinuö uflii Cijkrjjrifteti. 

Volk en Taal, VJI, N"" 1. — Voor 't begin (P. Bernard). — Bijdrage tot den 
Dietscheu taalschat (M. de Schrijver). — Vlaamsche spreuken en zegswijzen 
(M. E. E. Amri). — Vertelsels (M. E. Amri). — Kindervertellingske (R. 
Ghesquière). — De noenrust der werklieden (T. van Heuverswyn). — Onze 
Heiligen kapellen (A. van Heuverswyn). — Morgenlied der pikkers (ld.). — 
Kaartspelen (Th. vanNieuwenhuise). — Dietsche belangen. 

't Daghet in den Oosten, X, N""' 5-6. — S^t» Woordenzange. — Dietsch. — Eer, 
eneer, er, sch. — Een grafsteen te Curingen. — Limburgsche dichtveerdig- 
heid. — Van de leelike koninksdochter. — Jan den Ijzersterke. — Iets over 
den zang der vogelen. 

Volkskunde, Vil, N^ 3. — Volksgebruiken en volksgeloof met betrekking tot 
huisdieren, veldvruchten en weersgesteldheid (A. de Cock). — Vlaamsche 
spreekwijzen (A. de Cock). — Sagen. — Kinderrijmpjes. — Bo^kbeoordeeliug. 

— Vragen en aanteekeningeu. 

Biekorf, V, N"^ 13. — Stijn Lukket-al (J. Leroy). — Tot nut van elkeudeen. 

— Sempervivum tectorum, L (Guido Gezelle). — Daverloo. — Mingelmaren. 

Dietsche Stemmen, II, Ni" 5. — Eene folkloristische vondst van den heer 
Gaidoz (A. B.). — Een « Parnassien », Leconte de Lisle (K. Jansen). — De 
Staatsleer volgens de begrippen der christene wijsbegeerte. Antwoord aan 
P.van Mierlo (F. Drijvers). — Oudindische romans en vertellingen (D^C 
Lecoutere). 

Walionia, II, N"' 7. — La fête du Coq en Hesbaye (C. Popp.) — Légendes du 
Bas-Condroz (Fr. Renkiu). — La fille délaissée, chanson liégeoise (O. C ). Li 
fave da Pirot qui div'na pape a Rome (O. Colsou). — Notes et enquêtes. 

Revue des Traditions populaires, IX, N'^T. — La littérature orale, les livres 
de colportage et l'imagerie (P. Sébillot). I. — La Bibliothèque bleue et les 
Contes populaires (L. Morin). — II. L'imagerie de Wisserabourg (P. Ristel- 
huber). — Pierre et sa mie (M""* R. Basset). — Notes sur les Mille et une nuits 
(R. Basset). — Navires et marins XII-XV (W. Gregor, V. Bogisic A. Harou). 

— Les proverbes dans 1'épopée frangaise (E. Bouchet). — Moeurs épulaires. 
III (A. VingtrinierJ. — Légendes et superstitions préhistoriques XXII-XXX 
(A. Certeux, A. Viré, H. Marlot). — Tallemant des Reaux, folk-loriste (R. 
Kosières). — Chansons pop. frangaises recueillies en pays bretonnisant (F. M. 
Luzel). — Les Chasses fantastiques. IV- VI (F. Charpentier, J. Roux). — 
Poésies sur des thèmes populaires. XXXI (A. Million). — Le tabac dans les 
traditioDS, les superstitions et les coutumes. IX (R. Basset). — Bibliographie. 

— Périodiques et journaux. — Notes et enquêtes. — Réponses. 



(1) Sommigen gelooven dat de vogels die men wilt leeren klappen, op eenen 
Vrijdag na 3 uren moeten gesneden worden. 



140 « Ons Volksleven. » 

La Tradition, VIII, N"" 1-2. — A nos lectcura (H Carnoy) — La fète des 
Rois en Normandie (H Sincère). L'origine de la familie (ü. Merlé). — Com- 
meüt se forment les légendes (K Ortoli) — ELterremenIs des vivants (H C). 

— Ma;urs et coutumos aiiuamites (F. H ) — A propos des reliques d'un saint 
(C. de W. — Róle des étoiles dans 1'architeclure égypticuiie (H. O.). — Folklore 
anglais (R. Stiébel). — Le congres des religions a Chicago (M. Thiéry). — 
SuperstitioiiS auglaises (H. C). — L<?8 Vampires (H. C). — Une sorcière en 
Belgique (H. C). — Addenda au folklore des Arabes (R. Basset). — Guérison 
de la lèpre par les serpents (H C). — La légende de Moissac (l'\ de Beaure- 
paire). — L'album des légendes (H. Sélo.) — Contes provengaux (B. Féraud). 

— Les Proverbes de Jacob Cats (E. Ozenfant). — Les épidéraies (A. Harou). — 
Les irois soiihaifs (A. Harou) — La pentecote (H. Carnoy). — L'ane dans les 
proverbes provengaux (J. I3rui.et) — - ^'u et l;i (F. B.). — La chanson slave 
(H. B.) — Bibliographie. 

Mélusine. VII, N'" 3. — Le grand Diablc d'Aro^eut (H. Gaidoz). — I,a procé- 
dure du jeune (J Couraye du Pare). — Airs de danse du Morbihan (M"* E de 
Schoultz-Adaïevsky). — Chansons pop de la B^^^-Bretagne. XLI (P. Laurent). 

— Les pieds ou les gonoux a rebours (H. Gaidoz). — La fascinatiou (J. Tuch- 
mann). — Oblatious a la mer et présages (H. Gaidoz). — L'enfant qui parle 
avant d'être né (H. Gaidoz). — L'étymologie pop. et le folk-lore (H. G.). — 
Bibliographie. 

Am Ur-Quell, V, Nr G. — Eine Besitsergreifung im 17. Jahrhundert (Prof. A. 
Wiedemann) — Die Wurzel desLebens(Dr R. Sprenger). — Zungenübungen 
aus Freussen (A. Treichel). — Mitleiluiigen aus den bremischen Volkleben(llr 
A. H. Post). — Das Hochzeit-Heulbier im Brohlthal (H. Merkens). — Geheime 
Sprachweiseu (L G. Rath). — Bauopfer (J Mestorf). — Zur Volkkunde pa- 
lastinischer .luden (B W. Schiffer). — Die Haut f das Feil, den Bast) versaufen 
(F. Ch. Martens). — Woher kommen die Kinder (O. Scheli). — Diebglauben. 

BIStter lür Pommersche Volkskunde. II, N' 10. — Hochzeits-Aberglaube und 
-Gcbriiuclie aus 1'ommern (Dr A. Haas). — Volkslümliches aus Wollin. — 
Tiermarclien. — Ein Erntegedicht. — Mythologisches in Kinderreimen (O. 
Knoop). Volkslieder aus Pommeru. — Sprachliches aus Pommern. — Kleine 
Mitteilungeu. 

Zeilschrift des Vereins fUr Volkskunde, IV, ls>- 2. — Aus Grossensass. Arbeit 
und Brauch in Haus, Feld, Wald und Alm (M. Rehsener). — Graco-walachi- 
sche Sitteuund Gebrauche(G. JSajaktzis). — Der Schuh im Volksglauben (1'. 
Sartari). — Das Kinderlied vom Herrn von Kinive (J. Bolte). — Der Tod im 
Munde des meckenburgischen Volkes (R. Wossidlo). — Beitrage zur deutschen 
Volkskunde aus alteren Quellen (F. Vogt). — Tirolische Volksdiehtung (A. 
Pichler). — Die Sitten der Turken in Bulgarien (S. Ivanoff). — Kleine Mittei- 
lungen. — Bücheranzeigeu. — Aus den Sitzungs-ProtokoUen des Vereius für 
Volkskunde. 

Korrespondenzblait des Vereins für Siebenbürgische Landeskunde, XVII, K" 
7-S. — Zur Volkskunde aus Draas : a. Aeussere Erscheinung. b. Nahrung, 
Tracht und Wohnung. c. Inneres Leben : 1. Lebenssitte in und ausser dem 
Hause. 2. Rechtsformen und Kechtsgewohuheiteu. 3. Volksglaube und Aber- 
glaube. 4. Sprache. 5. Volkslieder, Marcheu und Sagen, Sprichwörter und 
Redensarleii, Namen (Johann Waguer). 

The Journal of American Folk-Lore, VII, N^ 25. — Popular American plant- 
namcs (F. D. Bergen). — IS'otes on the Mounlain Whites of the Allegnauies 
(J. H. Forter). — Three epitaphs of the seventeenth century (S. A. P. An- 
drews). — Popular medici ne, customs and superstitions of the Rio Grande 
(J. G. Bourke]. — Plantatiou courtship (F. D. Banks). — Waste-basket of 
•words. — FolK-lore scrap-book. — Notes and queries. 



3Mjknge tnt m ïlem|iktj iMntirnn, 

Brom,vr. — In de uitdrukking : cewe brom aanhebben = 
dronken zijn. Bij de Jag*er is brom slemperij. 

Garen (uitspr. goaren). — In de uitdrukking : geens van 
garen = geen van allen. Wij zijn geens van garen op de 
merkt geweest. Als ge u niet beter en wordt gedragen, zult 
ge geens van garen 'nen prijs hebben. 

Geknookt. — Geknobbeld, voorzien van knobbels, van 
knoken. Een schoon geknookte wandelstok. 

Geit, vr. — Gesneden zeug, Fr. truie chdirée. 

Grootgaan, ging en gong groot, heb grootgegaan. — Zwan- 
ger zijn, Fr. être enceinie, Oudeng. to be great. Kiliaen : Groot 
gaen van kinde. Uterum fcrre, gravidam esse : uierum gerere 
gesiae re : utero ingravesccre. 

Heiligdom, o. — Gewijd goed. Een nagel uit de paasch- 
keers, een stukje van het Agnus Dei, enz. is heiligdom. 
Sommige lieden steken heiligdom onder den dorpel, om de 
heksen te weren. 

— Reliquie. Hij heeft een doosken met heiligdom. Die leste 
beteekenis is zeer oud. Maerlant zegt in den Spiegel Historiael ; 

Si lieten de stat en sciedenre ave 

Up datmen hem daer gave 

Van sente Vintceus heilechdoeme. 

Hennen. — Henen, Friesch hinne, Neders. henne, Hgd. 
hin, Kil. hen, Teuth. hyn. Waar loopt gij hennen? Wij gaan 
hennen. 

Knoef (korte oe), m. — Harde en taaie spijs, inzonderheid 
broodkorsten, die men maar moeilijk bijten kan. Oude knoef 
van brood. 

VI 8 



142 « Ons Volksleven. » 

Knoefelen (korte oe), Icnoefclde, heh gehicefeld. — Moeilijk 
knabbelende eten, b. v. aan eene harde broodkorst. Als hij 
lang genoeg aan een roggebroodkorst had zitten knoefelen, 
gaf hij ze aan den hond en sneed eenen boterham. 

Met Imoefclen heeft men de samenstellingen afknoefelen en 
oi^hnocfelen. 

Knuifelen is bij Kiliaen knagen, afknagen, de buitenste 
randen afeten. 

Kot, o. — Opening, gat, hol, meerv. hotten, kotter. Een kot 
in den muur kappen. Een kot in eene plank boren. Er is een 
kot in uwe kous. Een kot in de haag. 

— Gevang. Eenen diefin 't kot zetten. Hij heeft drij jaar 
in 't kot gezeten. Hij is in 't kot gestorven. 

— Hok. Den hond in zijn kot leggen. Het verken heeft zijn 
kot afgebroken. Vandaar hondskot, kiekenkot, verkenskoi, 
hinnenkot, luitenkot, enz. 

— Groote vogelkevie. De ekster zit in een kot. Vandaar 
vogelenkot. 

— Schop, een houten, steenen of leemen gebouwken, waar 
men turf, hout, kolen, assche, enz. in bewaart. Vandaar 
aschkot, houtkotf kaf kot, karkot, koolkot, rommelkot, iurfkot, 
voederkof, enz. 

— Houten huisken op de jaarmerkten en kermissen, waar 
men wilde dieren of andere dingen in vertoont, Fr. haraque. 
Vandaar bcestenkot, waar wilde beesten in te zien zijn. 

— In de kinderspelen. Plaats waar degenen die in 't spel 
gevangen zijn, moeten gaan staan. Jan is er aan : hij moet 
in 't kot. 

— Dorp waar veel slecht volk. Dat dorp is maar een kot; 
er wordt alle Zondagen gevochten. 

— Slecht befaamd huis of herberg. Een kot van eene 
herberg. Hij zit altijd in dat kot. Vandaar nachtkot, herberg 
waar men 's nachts openhoudt. 

— Kleine, arme woning. Hij woont in een huizeke 'nen 
voorschoot groot; ik zou niet geren in zoo'n klein kot zitten. 
Vandaar kremmelkot, kleine, nauwe woning. 

— Huis, in uitdrukkingen als de volgende : Maakt u naar 
uw kot! Komt in mijn kot niet meer, of... Ik zal hem eens 



« Ons Volksleven. » 143 

uit zijn kot gaan halen. Ge komt van zijn leven uit uw kot 
niet, hoe kunt ge weten wat er buiten omgaat? Ik sta hier in 
mijn kot! Hij dierf mij in mijn eigen kot komen beschampen. 

— Iemand in zijn hot stouwen. Iemand den mond snoe- 
ren. Hij meende weer wat van zijnen neus te maken, maar 
ik stouwde hem in zijn kot. 

— Vit zijn Ixot komen. Heftig uitvallen. Ik zei het hem uit 
lach, maar ge moest hem eens uit zijn kot hooren komen 
hebben ! 

Mansmeusch, m. — Manspersoon, manskerel. Tuerl., 
Rutten. 

Mee. — Iemand in itfs mee zijn. Iemand in iets goedkeu- 
ren, gelijk geven. Dat ge een ander peerd wilt koopen, daar 
ben ik u in mee. Nu nog trouwen in zijnen ouden dag, neen, 
daar ben ik hem niet in mee. 

Meegeven, gaf mee, heh meegegeven. — Iemand wel wat 
meegeven. Iemand bekijven, streng berispen. Hij heeft zijnen 
zoon wel wat meegegeven, omdat hij 's Zondags zoo laat 
blijft uitzitten. 

Meehebben, had mee, heh mecgehad. — Meedragen, meene- 
men. De dieven hebben alles mee. Heeft Fransken zijne 
boeken mee naar de school? 

— Bekeven worden. Ge zult wat meehebben van vader, 
deugeniet! Hij heeft wel wat meegehad van zijnen oom. In 
deze beteekenis zegt men ook meeJcrijgen. 

— Op zijnen kant hebben. Hij heeft al de groote mannen 
van 't dorp mee. Hij zal zeker gekozen worden, want hij 
heeft strak (bijna) al de kiezers mee. 

Meekrijgen, kreeg mee, heb meegekregen. — Krijgen om 
mee te dragen. Ik kreeg 10 fr. mee om een paar nieuwe 
schoenen te koopen. 

— Overhalen om mee te gaan. Ge zult mij niet mee naar 
dat huis krijgen. Ik kan dien hond niet meekrijgen : hij 
loopt altijd terug. 

— Kijven krijgen. Z. Meehebben. 

Moefelen (korte oe), moefelde, heb gemoefeld. — Eten gelijk 
iemand die bijna geen tanden en heeft. Oude menschen en 
kleine kinderen moefelen. Z. Sch. i. v. moffelen en de Bo 



144 « Ons Volksleven. » 

i. V. miiffclen. Bij Bonman (Volkstaal in Noord-Holland) 
beteekent het « knabbelen op taai vleesch of' broodkorsten, 
van iemand die een slecht gebit heeft. y> 

Neerstulpen , stulpte neer, hel mergesiulpt. — Neerstooten, 
neerstorten, neerkappen (aarde, mest, voeder, haksel, enz. 
dat op eene kar geladen is). Stulp het haksel in den stal neer. 
Z. Sch. i. v. stulpen. 

Rijs, m. — Rijst, Hgd. reis, Eng. rice, Fr. riz. 

Schietgroen, (iiitspr. sclmtgniuv), o. — Raaploof dat laat 
in 't jaar gezaaid wordt, dat overwintert op den akker, om, 
zonder tollen voortgebracht te hebben, tot voeder te dienen 
voor 't vee. 

Schranken, schrankte, hen geschrankt. — Uit den haak 
gaan. Die deur is geschrankt, is uit den haak, hangt niet 
recht meer. 

Slachtzout, o. — Soort van grof zout, dat de slachters 
gebruiken om het vleesch te zouten, 

Snoefel (korte oe), m. — Snuit, Fr. museau. De snoefel van 
eenen hond. 

Tongreep, m. — Spanader, spannaard, tongriem, Fr. filet, 
frein de la langue. 

Vieren, vierde, heh gevierd. — Branden zonder vlam, 
gloeien, glimmen, Mdhgd. viurcn, Neders. turen, Beiersch 
feuren, Hgd. feuern. Gloeiend ijzer brandt niet, maar het 
viert. Tabak die niet viert in de pijp. Dat hout wilt niet bran- 
den : 't ligt daar maar te vieren. 

Vierigen, vierigdc, heh gcvicrigd. — Z. Vieren. De kolen 
vierigden in den heerd. Als de ketel vierigt, dan is er regen 
ophanden. 

Vremd. — Vreemd. De verwante talen hebben den korten 
klinker: Oudeng. fremd, Hgd. frenid, Deensch fremmed, Zw. 
fremmande. 

Zeeg (korte oe), vr. — Zeug, Fr. truie. Sch , Tuerl., Kil. 

Sint-Antonius [Brecht.) Jozef Cornelissen. 





fertelsete. 



5. (o2.) \^a\x mxtn armen ^djoaxmdkcr. 

"^^N zeker laud ging de eeuige dochter van den koning eene 
^M^ speelreis doen. Onderwege werd zij overvallen door roevers 

■^"^^^die haar gevangen namen en verre, zeer verre over de zee 
meevoerden. Toen de koning dit vernam, was hij om zot te worden 
van verdriet. Hij maakte een schip gereed en riep de moedigste 
mannen van zijn rijk bijeen om zijne dochter op te zoeken en te 
verlossen. Ze zochten en herzochten over zee en in vreemde landen, 
maarniets genaderd : de prinses was nievers te vinden. De koning 
liet dan uitbellen dat al die zijne dochter uit de handen van de roe- 
vers zou verlossen, heur tot vrouw zou krijgen. Velen vertrokken, 
maar keerden terug, zonder de prinses gevonden te heljbeu, zoodat 
iedereen den moed begost op te geven. 

Een arme schoenmaker alevel, die van geen klein gerucht ver- 
voerd en was, dacht in zijn eigen : " Wacht, 'k zal ik nu eens gaan 
probeeren of ik de prinses niet kan vinden en verlossen » . Hij sloeg 
pak en zak en ging op reis. Als hij nu 'nen tijd gegaan had, kwam 
hij een oud wijf ken tegen. « Ik weet waar gij op uitgaat », zei het 
wijf ken tegen den schoenmaker, « maar die gij gaat zoeken, kunt 
gij toch niet vinden. Maar ik weet waar zij is, en omdat gij er nog 
al een brave jongen uitziet, wil ik u helpen. Neemt dezen ring en 
steekt hem aan den vinger van uwe rechterhand. Als gij in nood 
zijt, hebt gij enkel te wenscheu, en door de kracht van den ring 
zult gij overal uitgeraken. Nu, de prinses is in een land verre over 
de zee, door roevers in eenen diepen kelder van hun kasteel opge- 
sloten. De l)aanstroopers zijn voor den oogenblik zouder kok, zoekt 



146 « Ons Volksleven. » 

bij hen te geraken en ii voor dezen dienst te verhuren » . De schoen- 
maker bedankte het oud wij f ken en trok naar den kant van dé zee. 
Daar legde juist een schip aan. Hij vroeg aan den kapitein of hij 
hem wilde voor matroos, en de kapitein, die juist 'nen man te kort 
had, zei ja. Als het schip 'nen heelen tijd op de zee gezwalpt had, 
kwam het eindelijk aan het land, waar de roovers de koningsdochter 
gevangen hielden. De schoenmaker kwam aan hun kasteel aan en 
vroeg om den kapitein te mogen spreken. Deze kwam voor en vroeg 
wat hij verlangde. « Ik zou mij bij u willen verhuren voor kok » , 
zeide de schoenmaker. « Toegestaan «, zei de rooverhoofdman, op 
voorwaarde dat gij alles stipt volbrengt, wat ik u opleggen zal. Gij 
zult dikwijls alleen moeten thuis blijven om het kasteel te bewaken. 
Hier onder in den kelder zit een meisje geboeid en opgesloten. Zij 
krijgt niets als water en droog brood, en daarbij geef ik haar alle 
dagen twintig stokslagen. Als wij uitgaan draagt gij haar het eten 
en geeft haar de stokslagen in mijne plaats. Begrepen? » — «Ja, 
heel goed, kapitein ». — Eenige dagen daarna zei de hoofdman der 
roovers tegen den nieuwen kok dat zij voor 'nen halven dag op roof 
uitgingen. Toen zij weg waren, gaf de schoenmaker de prinses goed 
eten en drinken en geene slagen, en deed beur beloven daar niets 
van aan den kapitein te zeggen. Na eene halve uur waren de ban- 
dieten al terug. — « Hebt ge gedaan wat ik u opgeleid heb? « vroeg 
de hoofdman. « Ja, stipt, kapitein » . — « Die mannen zitten met 
valsche streken », dacht de schoenmaker, « ik zal moeten oppassen, 
want zij betrouwen mij niet « . — Eenige dagen later zei de hoofd- 
man dat zij voor drij dagen weggingen. Toen zij vertrokken waren, 
liet de schoenmaker de prinses boven komen, gaf haar moed en 
beloofde dat hij haar zou verlossen. Daarop gaf hij haar wat goed 
eten en drinken en deed haar terug in den kelder gaan. Dit was nog 
maar juist in orde, toen de roovers daar weeral terug waren. Zij 
hadden maar eenen halven dag weggeweest. — Opnieuw vroeg de 
kapitein : « Hebt ge gedaan wat ik u opgeleid heb? » — « Ja, stipt, 
kapitein «, was het antwoord van den schoenmaker. Het liep weer 
eenige dagen aan, en de roovers zeiden dat ze voor acht dagen op 
roof uitgingen. — Als zij weg waren dacht de schoenmaker in zijn 
eigen : « Nu gaat het tijd worden dat wij er uittrekken n. Hij ont- 
deed de koningsdochter van hare boeien en zij vluchtten samen in 
de dichte bosschen waar zij zich verscholen. Eenigen tijd later 



« Ons Volksleven. » 147 

hoorden zij de roovers al vloekende en tierende achter hen zoeken. 
Gelukkig trokken zij voorbij zonder hen te vinden. Als de roovers 
nu wijd genoeg weg waren, ging de prinses met lieuren verlosser 
naar den oever van de zee om een schip te zoeken, waarmede zij 
terug naar hun vaderland kosten varen. Vooraleer op reis te gaan, 
maakte de schoenmaker een heel aardig paar schoenen, waarvan 
elk er eenen, wat hun ook mochte overkomen, zou bewaren. Daarbij 
dichtten zij samen een liedeken, waarin zij hunne lotgevallen bezon- 
gen. Als dat gedaan was, gingen zij naar een schip uitzien. Er lag 
juist een aan den kant, maar nu bemerkten zij, dat ze geen geld 
hadden voor de overvaart. De prinses bedacht heur, vertelde hun 
wedervaren aan den kapitein en zei, dat haar vader, de koning, 
hem rijkelijk zou beloonen, zoo hij hen eene plaats op zijn schip 
wou geven. De kapitein stemde toe en het schip stak in zee. Maar 
de kapitein was een valschaard. « Ik zal », dacht hij, « dien armen 
sul van kant helpen, zelf met de koningsdochter trouwen en rijk en 
machtig zijn ».Toen het ging donker worden, pakte hij onverwachts 
den schoenmaker vast en schoot hem het water in. Daarna deed hij 
de prinses zweren dat zij aan haren vader, den koning moest zeggen, 
dat hij haar van de roovers verlost had, anders schoot hij haar de 
zee in, den schoenmaker achterna. Door den nood gedwongen, deed 
zij den gevraagden eed. — Toen onze arme schoenmaker in de zee 
geworpen werd, dacht hij op den ring, dien hij van het oud vrouw- 
ken gekregen had en wenschte dat hij uit de zee mocht geraken. 
Wat hij gewenscht had, gebeurde. Hij werd uit het water opgehe- 
ven en kwam op eene rots te recht. Eenigen tijd later voer er een 
ander schip voorbij, hij deed teeken en men haalde hem van zijne 
rots. Zoo kwam hij ook in zijn vaderland terug. Hij reisde seffens 
naar de hoofdstad waar alles volop in feest was, want overal hingen 
wimpels en vlaggen. « Wat is er te doen? » vroeg hij aan het volk. 
« Wel », antwoordde men hem, «morgen trouwt de dochter van 
den koning met eenen zeekapitein die haar uit de handen van de 
roovers verlost heeft » . — « Zoo » , dacht hij , « die schurk heeft mij 
eene ferme pert gebakken, goed dat ik nog in tijds aankom ». Hij 
belde aan 's konings paleis en vroeg om oogenblikkelijk den koning 
en zijne dochter te spreken. Dit werd toegestaan. Toen hij voor den 
koning en de prinses stond, haalde hij zijnen wonderlijken schoen 
te voorschijn en begon voor beiden een roerend lied te zingen. De 



148 



« Ons Volksleven. » 



koningsdochter, die seffens haren redder herkende, sprong op van 
blijdschap, haalde haren schoen voor den dag en hielp het liedeken 
meezingen. De koning wist niet wat hij daarover denken moest. 
« Vader >?, zeide zijne dochter, « deze hier is mijn redder ; de andere 
is een schelm, een bedrieger, die op onze overvaart dezen braven 
jongeling onvoorziens in het water gesmeten en mij daarop onder 
eed doen beloven heeft, hem voor u als mijnen redder te doen 
doorgaan. Daar ik in den eerste niet wilde, wou hij mij ook in de 
zee werpen, en dan heb ik het hem beloofd «. Als de koning dit 
vernam, schoot hij in eene geweldige gramschap, en deed den 
bedrieger op staanden voet aan eene galg hangen. De prinses 
trouwde met den armen schoenmaker en ze hielden acht dagen feest 
voor al het volk. Na de dood van den ouden koning, werd de schoen- 
maker koning uitgeroepen, en leefde lang en gelukkig. 
[Gehoord te Heist-Goor). Frans Zand. 



3. (t7.)lPrtttklieö. 



Én die in Ja - nu - a - ri ge - bo - ren is, staat 



gi^i^^^a^ï^^iii^l 



op, En 



die in Ja - nu - a - ri ge 



bo - reu is, staat 



op ; En die in Ja - nu - a - ri ge - bo - ren is, Is 



wil-koin, wil - kom aan den disch. Driuk uit, drink uit, drink 
uit, Drink uit, drink uit, drink uit. 



« Ons Volksleven. »» 



149 



En die in Januari geboren is, staat op, 
En die in Januari geboren is, staat op ; 
En die in Januari geboren is, 
Is vvilkom, wilkom aan den disch. 
Drink uit, drink uit, drink uit, 
Drink uit, drink uit, drink uit. 

Degenen uit het gezelschap, die in Januari geboren zijn, 
staan recht als de eerste stroof aangeheven wordt, en ledi- 
gen hun glas of hunne " pint «. 

Daarna komen de andere maanden aan de beurt. 

Zijn er maanden, waarin niemand van 't gezelschap gebo- 
ren is, dan zingt men 't is mis, in plaats van drink uit. B. v. : 

En die in Meert geboren is, staat op. 
En die in Meert geboren is, staat op ; 
En die in Meert geboren is. 
Is wilkom, wilkom aan den disch. 
't Is mis, 't is mis, 't is mis, 
't Is mis, 't is mis, 't is mis. 



[St. Antonius) 



J. C. 



IRaotote. 



122. Ge kunt hot met 'nen wan overdekken. 
En met geen 1000 peerden voorttrekken. 

(Een bornput.) 

123. Een hemdrok zonder mouwen : 
Die hem heeft, die moet hem houen ; 
Die hem maakt, begeert hem niet; 

Die hem koopt, die wilt hem hem niet ; 
En die hem heeft, die weet het niet. 
(Eene doodskist.) 

124. 'Ne« boom zonder takken. 
'En kroon zonder blommen, 
'Ne spiegel zouder glas : 
Geraadt eens wat dat was. 

[Het kruis, de doornen kroon en Christus.) 

125. Daar staat 'en juffrouw aan de deur. 
Met e'ne' witte' veurschoot veur. 



150 « Ons Volksleven. » 

Hoe langer dat ze staat, 

Hoe meer dat ze vergaat. 

(Eene brandende heers ) 

126. 't Is niet grooter als eeu' boon 
En 't maakt heel het huis schoon. 

(Het lamplicht.) 

127. Een tonneke volgedaan, 
Zonder hol of bomgat aan. 

(Een ei.) 

128. New hoog•e?^ holle stronk, 

Daar winter en zomer bloem op komt. 
{Een windmolen.) 

129. Kort en dik ineengedrongen 
Kwam op mijn lijf gesprongen 

En zei : 'k zal u te nacht doen hokkeboUen, 
Dat ge van iiw bed zult rollen. 
{De vloo ) 

130. Mijnheer van Hukken 

Heeft een kleed van honderdduizend stukken ; 
Hij heeft wel twintig vrouwen 
En spreekt nooit van trouwen. 
{De kaan.) 

131. Daar is er een 
Zonder been 

En dieé' loopt aleen . 
{Een pier.) 

132. Ik heb het gezien en der bij gestaan, 
'Nen leefdige door 'iien doode zien gaan. 

{Eenpeerd dat men 't gareel aandoet.) 

133. Vogel Vleugelloos 

Vloog op boomken Blareloos, 
Toen kwam juffrouw Mondeloos 
En die joeg vogel Vleugelloos 
Uit boomken Blareloos. 
{De sneeuw die op den boom valt en door de zon smilt.) 

134. Daar is een ding, 

Het heeft maar éen been 
Eu 't draagt wel honderdduizend steen. 
{Een Tierzelaar.) 



« Ons Volksleven. " 



151 



(Kempen.) 



l'dö. Holder en bolder, 

Zeven katten op éeneu zolder 
En daar een oud meken bij . 
Hoeveel voeten gerade gij? 
[Tme.) 

136. 't Is in Peer, maar niet in Jan ; 

't Is in 't bier, maar niet in de kan ; 
't Is in 't verken, maar niet in 't spek : 
Ge zult het niet geraden, al wierde gek. 
[De letter r.) 

137. E wijfke 

Me(t) e rood lijfke, 
E steenen hertjen 
En e stertje. 

[Be kriek,) 

138. Van binnen eii vaa buiten zwert 

En 't heet (= heeft) 'en oog op zijne' stjet (= steert). 

[De koekepan.) 

139. Vier hoeken en twee sterten, 
Ueraadt er naar tot Siiite-Merten, 

[Een voorschoot.) 

J. c. 






êmt]m^ kt ttnétu. 




iNDS onlieuglijken tijd vereert men te Perk een 
,<^! wonderbeeld van O. L. Vrouw, die daar aanroe- 
pen wordt voor de genezing der breuken. Dit 
beeld is vermaard door talrijke mirakelen; vandaar Jiet 
gezegde : Zoekt troost in Perk. O. L. Vrouw van Perk wordt 
afgebeeld met meiklokskens in de hand, die aldaar Perkbloe- 
mekens geheeten worden. 

II. Te Lier is het St. Gommarus die aanroepen wordt voor 
degenezing der breuken. 

III. St. Druo of Drogo wordt to Bellingen op eene bijzondere 



152 « Ons Volksleven. » 

wijze vereerd. Gansch het jaar door komen er talrijke bede- 
vaarders, om door zijne voorspraak genezen te worden van 
breuken en van het steen, alsook om te bekomen dat het 
vee van alle besmettelijke ziekten bevrijd zou blijven. 

IV. In de kerk te Andennes (prov. Namen) ziet men eene 
langwerpige, vierhoekige tafel in kalksteen, waarvan de 
vier hoeken door vier ronde zuiltjes ondersteund worden. 
Een vijfde zuiltje staat in het midden van het kleine monu- 
ment, dat ] ,96™ lang, 0,60™ hoog en 0,50™ breed is. De hoogte 
der opening, d. i. de ruimte tusschen de onderzijde der tafel 
en de bovenzijde van den vloer waar de zuilen op rusten, 
is 0,38™. 

De bestemming dier tafel is zeer zonderling. Degenen die 
lijden aan eene breuk, draaien driemaal al kruipende rond 
den middelsten pilaar. 

Na dit verricht te hebben, kust de lijder de vier hoeken 
der tafel, werpt eenig geld in den nabijzijnden offerblok en 
leest een gebed ter eere van de H. Begga. 

Op den feestdag dier heilige is de toeloop van zieken er 
zeer aanzienlijk. [Annales de la Société archéologique de Namiir, 
IV, 270-271.) 

V. De Bruggeling Anselmus Boëtius, geneesheer van 
Rodolf II (1552-1632), sprekende van den cerauniasteen (i) 
(vuursteenen bijlen van onze voorzaten uit den vóórhistori- 
schen tijd), zegt het volgende : 

" De Duitschers gelooven dat de zuigende kinders die aan 
breukziekten lijden, daarvan genezen zijn, zoo men dien 
steen in hunne wieg'legt; en dat zij er zullen van bevrijd 
zijn, als zij de ziekte niet hebben. {Traite des pierres précieu- 
ses, 625.) 

VI. Men plukt ijzerkruid op St. Jansdag en draagt het over 
zich, ten einde tegen breuken, enz. beveiligd te zijn. (Core- 
MANS. VAnnée de VAncienne Belgique.) Alfried Harou. 



(1) Deze Bteen heeft dien naam gekregen, omdat de gemeene man gelooft, 
dat hii Biet den bliksem uit de lucht valt. 




lem^itBrtit lagtn. 



tl. (173.) €en tllerdcl)rtkker mn öcljxïk ^eöt0roew. 

IN 1813, wanneer de « spinningen » nog in vollen bloei 
waren, had een boerenkneclit voorgenomen de meisjes 
te verschrikken, die op eeiien avond laat van een hoe- 
renhof op het gehuciit « Rielen « onder Casterlee, waar het 
dien avond bijeenkomst was, zouden huiswaarts keeren. Om 
zijn doel te bereiken, plaatste hij zich, met een wit hemd 
over zijne kleederen getrokken, aan eene brug, waar hij 
wist dat de jongedochters moesten voorbijkomen. Doch 
nauwelijks is hij daar gezeten, of hij ziet, o schrik! nevens 
hem een spook, nog veel witter als hij. «Wie zijt gij ? " vroeg 
hij. Het spook gaf geen antwoord. Buiten zich zelven van 
benauwdheid en vrees, liep hij, zoo hard hij maar loopen 
kon, naar huis, begaf zich te bed en was 's anderendaags 
een lijk. (Gehoord ie Thielcn.) 

12. (174.) tiait cfiien Dooö5it»rtc(cu. 

BEN dertigtal jaren geleden, reden eens twee gebroeders 
des nachts om beer naar Turnhout. Al klappende den 
weg vervolgende, bleef de eene plotselings staan en zeide 
tot zijnen gezel : « Zie eens, daar rijdt een doodswagen door 
het veld; en wat groot en nobel volk is er bij, juist gelijk 
bij de begrafenis van eenen rijke in de stad ! " Zie n(^g al een, 
en daar verder nog al een, een heele stoet doods wagens! 
Ziet gij het dan niet, ze rijden dwars door het veld. Ik zie 
het zoo goed alsof het klaarlichte dag ware. Ze trekken er 



X 



6 



154 « Ons Volksleven. » 

snel van door en zullen kortelings uit het gezicht verdwenen 
zijn. «^ — De andere keek zijne oogen blind, maar zag niets. 
— Dien man was zoo iets meermalen overkomen, zonder dat 
de bij hem zijnde personen iets bemerkten. 

{Gehoord ie Thielen.) 

13. (175.) i)et öpooK kr « i^ellegatbeek. » 

p de grenzen van Isschot en Heesten, twee gehuchten van 
Itegem, loopt eene beek, de « Hellegatbeek « genaamd. 
De plaats waar zij onder de baan doorloopt, was eertijds 
bekend als eene spookplaats en wierd daarom van menigeen 
des nnchts geschuwd. Een brave inwoner van Itegem kwam 
daar eens op oenen Zondag, rond middernacht, voorbij en 
zag op de brug eene allerschoonste geplekte kat zitten. 
« Minnekepoes. waar gade gij?» vroeg de man. De kat 
antwoordde: «Jefde Weert die vraagt mij : Minnekepoes, 
waar gade gij? » Den man rezen de haren te berge van ver- 
veerdheid en het zonk hem in de beenen, zoodat hij nog 
nauwelijks gaan kon. Halfdood van schrik kwam hij thuis 
aangeloopen. Naarde kat had hij niet meer durven omzien 
en wist alzoo niet waar zij gebleven was. (Ifegem.) 

14. (176.) (^OTSJpronq en (BesdjWifms ïrer €ttpel 

vm #. £, iïr0uit) oon iJtjötttnïr te 'S^IjtfUn. 

TN de 14® eeuw was Thielen nog maar een gehucht, toebe- 
i hoorende aan de edele heeren van Leefdael, die niet verre 
van daar op een versterkt kasteel, met breede grachten 
omgeven, hun verblijf hielden. Te Thielen bestond te dien 
tijde noch kerk noch kapel, en de inwoners waren des 
Zondags verplicht naar Gierle te gaan, een nabijgelegen 
dorp, om er hunne godsdienstplichten te vervullen. Tegen 
de groote bann langs waar men kerkwaarts ging, op het 
gehucht « Prijstraat ", ter plaatse waar nu de kapel staat, 
hadden onze godvruchtige voorouders aan eenen in den 
grond geplanten staak een klein kapelleken gehangen, 
waarin een O. L. Vrouwebeeldje geplaatst was met den titel 
van O. L. V. van Bijstand. Tal van lieden namen hunne toe- 
vlucht tot dit beeld en kwamen er de Moeder Gods vereeren 



« Ons Volksleven. »» 155 

en haren bijstand afsmeeken. Velen wierden er geholpen, 
zoodat weldra liet beeld wijd en zijd vermaard en als won- 
derdadig aanzien werd. Eenige inwoners van Lille, die 
daarover jaloersch waren, stolen op zekeren nacht, ten jare 
1447, het beeld om het in hunne kerk te plaatsen. Maar wat 
gebeurde er? Op het grondgebied van Lille gekomen, werden 
zij ineens met blindheid geslagen, zoodat zij niet meer voort- 
konden en den weg niet meer vonden. Ten einde raad deden 
zij de gelofte aan Onze Lieve Vrouw, bijaldien zij het gezicht 
wederkregen, het Moedergodsbeeld aanstonds terug op 
dezelfde plaats te dragen waar zij het weggenomen hadden. 
Op denzelfden oogenblik werden zij van hunne blindheid 
genezen en volbrachten daarna hunne belofte. Deze wondere 
zaak kwam ter ooren van de edele heeren van Leefdael, en 
deze godvruchtige edellieden deden nog hetzelfde jaar, ter 
eere van het mirakuleus beeld, op dezelfde plaats eene kapel 
bouwen, die den naam ontving van kapel Onzer Lieve Vrouw 
van Bijstand. Zij werd bij gebrek aan pannen of schallen 
met strooi gedekt. Niettegenstaande dat Thielen later eene 
parochiekerk kreeg en een vrij aanzienlijk doip werd, nam 
do toeloop van volk tot de kapel, alsook de giften, nog van 
jaar tot jaar toe, zoodat men welhaast in staat was, deze 
merkelijk te vergrooten en te verbeteren, en beur het uit- 
zicht te geven, dat zij tegenwoordig nog heeft. Ook werd er 
in 't vervolg, tot op den dag van heden toe, door den 
pastoor van Thielen alle Vrijdagen eene mis gelezen. 

15. (t77.) ^uöödjen tuife ilurcn. 

0p eene eenzame plaats in de " Mechelbaan :> (i) waar vroe- 
ger een kanadaboschje stond tusschen de eertijds ver- 
maarde herbergen « 's-Gravenhage » en « Holland «, hebben 
meermaals lieden, wanneer zij 's nachts rond twaalf uren 
daar voorbijgingen eene zoodanige hitte gevoeld, zonder 
nochtans iets te zien, dat de zweetdruppelen op hun voor- 
hoofd kwamen, juist alsof zij tusschen twee heeie vuren 
doorgingen. Dit duurde maar een twintigtal stappen en dan 
voelde men niets meer. (Heisi-op-den-Bcrg ) 

(1) Ziet Ons Volksleven, 5« jaargang, 7« aflev., bladz. 122. 



106 « Ons Volksleven. » 

16. (t78.) JÖi^Jokmj öp mie ^oet>c. 

TN de « Bellestroat " te Kessel, niet verre van het zoo prach- 
1 tige kasteel, staat eene vrij aanzienlijke hoeve, waar het 
overeen twintigtal jaren verveerlijk spookte. Rond midder- 
nacht hoorde men daar meermaals een vreeselij k gerucht en 
een gerammel van hachten of kettingen, dat de bewoners 
den grootsten schrik op het lijf joeg. Het eene ongeluk 
volgde ook het andere op. Op zeer korten tijd stierven er 
acht koeibeesten, zonder dat men de kwaal kon gissen of er 
merkelijke ziekte aan ondervond. Uit de melk kon men bijna 
geene boter meer krijgen, bij zooverre dat de pachter niet 
meer wist wat aanvangen. — Op zekeren Zondag zegt hij 
tegen zijne vrouu- : « Ik ga vandaag naar Lier om onzen 
heer die ongelukkige zaak eens uit te leggen, want als die 
spokerij blijft duren, kunnen wij onmogelijk nog boeren en 
gaan volkomen ten onder.» De pachter ging dan naar de stad, 
belde bij zijnen eigenaar aan en maakte hem met zijne onge- 
lukken bekend. Deze aanhoorde hem zeer vriendelijk, stelde 
hem gerust en beloofde binnen eenige dagen eens te komen 
zien. — Drij dagen daarna kwam de heer op de hoeve aan 
en vroeg eenen man van goeden wil, om den volgenden 
nacht met hem de wacht te houden. Eene goede kennis van 
den boer stemde toe. Toen de nacht aanbrak, verscholen 
beiden zich in het voederkot en grendelden de deur langs 
binnen dicht. Rond middernacht hoorden zij het gedruisch 
en gerammel bej^ innen en er kwam zelfs iet aan het voeder- 
kot rammelen, dat er poogde binnen te geraken, doch dit 
gelukte niet. — " Wacht eens «, zei de heer tegen zijnen 
makker, " ik ken die mannen; ik, zal ze eens vermoeide 
beenen geven, met ze twee of drij honderd uren van hier weg 
te zenden. » Daarop bewogen zijne lippen, langzamerhand 
verwijderde het gerucht en sindsdien heeft men van geene 
spokerij op de goeve meer gehoord. Ook de ongelukken 
hielden op. Edoch, nu verleden jaar heeft opnieuw een 
persoon die rond middernacht langs de hoeve ging, eene 
zwaar geladen hooikar door de geopende schuurdeur recht 
den schelft op zien rijden. De kar kwam uit de dreef van het 



« Ons Volksleven. » 157 

kasteel, en er stond geen peerd in, maarzij reed alleen, doch 
een gi'oote zwarte hond liep er nevens. 

[Gehoord ie Kessd.) 

17. 179. €ett 3agcr, Zroarte-kuiiöteuaar. 

TN vroeger tijd ging men veel naar het Hageland jagen of, 
1 beter gezegd, stroopen. Men trok daar 's nachts met een 
heel gezelschap op af, dat, zooais men wel denken kan, uit 
de raarste en aardigste mannen bestond. Een dezer, sterke 
Jan genaamd, muntte vooral uit door zijne zwarte kunsten. 
Op zekeren nacht, het was in den herfst, waren zij weer op 
strooptocht en kwamen, rond twee uren van den nacht, 
voorbij eene boerenhofstede. « Dat wij nu maar wat te eten 
hadden «, kloeg er een uit 't gezelschap, « want mijn beer 
begint te dansen ».« Is het anders niet!» riep sterke Jan 
uit, « wij zullen te eten hebben. De boer van deze hoeve 
heeft gisteren avond brood gebakken en daarna zijnen oven 
vol peren gesteken, die nu reeds goed moeten gebraden zijn. 
Het ergste van de zaak is, dat de boer er met zijnen grooten 
doghond bij te slapen ligt. Maar kom aan, dat is toch niets, 
wij zullen de peren wel krijgen. Niemand van ulieden spreke 
één woord, zoolang ik het eerste niet zeg». De stroopers 
gingen naar het bakhuis en vonden daar alles juist, zooais 
Jan had gezegd. De boer lag in eenen hoek te slapen, maar 
de hond lag beneden vóór den oven, juist waar men moest 
gaan staan, om de peren uit den oven te kunnen nemen. Jan 
was daarmede niet verlegen : hij pakte den hond bij den 
steert en sleurde hem wat op zij, waarna hij de peren een 
voor een uit den oven nam en aan de anderen overgaf. Daarna 
zette hij het scheel terug voor den oven en trok den hond 
met den steert op zijne eerste plaats, waarna de schelmen 
vertrokken. Toen zij een heel eind ver gegaan waren, zegde 
Jan : « Nu zult ge den hond achtereen wel hooren bassen ». 
Het woord was maar nauwelijks gesproken, of de hond liet 
zich hooren. 

Op eenen anderen keer dat sterke Jan aan 't jagen 
was, werd hij door de gendarmen achtervolgd en deze 
sloten hem in, aan een der talrijke bochten van den Demer. 
Zij dachten, nu zullen wij hem wel beet hebben, maar Jan 



158 « Ons Volksleven. » 

legde heel stntig zijn geweer op het water, ging er op staan, 
en op één, twee, diij, was hij aan den overkant gedreven, 
waar hij de harenmutsen eens terdege uitlaclite. 
{Gehoord ie Heisi-op-den-Berg.) Frans Zand. 



litiktrijmtn. 



Jooske, wilt ge schole gaan? 

- Ik en heb geen kouskeus of schoentjes aan. 
Steekt uw vaders pantoeffeltjes aan. 

- Mijn vaders pantoeffeltjes zijn te groot. 
Steekt er een busseltje hooi strooi in. 

- Waar zal ik 't busseltjen hooi strooi halen? 
Achter de boerkens hunnen wagen. 

Het eerste wagensken dat daar aankwam, 
Daar trok Joosken een busseltje van : 
Moeder, heb ik eu genoeg? 

- Jooske, gij hebt veel te veel, 
Drangt een bussellje hooi strooi weer. 

- Moeder, ik en durf niet. 
Jooske, wil ik raedegaan ? 

Zij pakte Joosken bij de hand. 

Zij leidde hem langs 'ne waterkant, 

Op dat w aterken stond een brugsken 

En op dat brugsken stond een huis. 

Klop ! Klop ! Is Mijnheer de Bruyn niet thuis? 

Mijnheer de Bruyn, ik besteed u mijn kind ; 

üij moogt het niet slagen, of hij heeft het verdiend ; 

Gij moogt het niet laten naar huis toe komen, 

Als 's morgens ten elf uren 

En 's nachternoens om vier uren. 

- Jooske, kom zegt uw les eens op. 
Meester, ik en kan ze niet. 

- Joosken, ik zal ze u leoren. 
Meester, ik kan ze beter als gij. 

't Is maar een blaaiken om te keeren. 
De meester pakte zijn pennenics bloot, 
Hij stak er Jooske van achter mee dood. 



« Ons Volksleven. » 159 

De jongens sloegen de boeken toe, 
Zij liepen naar Jooskes moederken toe. 
Jooskes moeder was niet thuis, 
Zij zRt van achter in 't zomerhuis; 
Het zomerhuis was gesloten. 
Kruipt dan door de goten, 
De goten liggen zoo vuil en nat, 
Kruipt dan door het mozegat. 
{Turnhout.) J. C. 

dragen m aatiteekeningen. 

9. (84.) Berijmd Gevelopschrift. — Verledeue week was ik 
in Holland ; te Breukelen, tussclien Utrecht en Amsterdam, moest 
ik stil houden voor de brug die over de Vecht ligt en toevallig was 
opengedraaid. Voor mij zag ik den winkel van eenen bakker en 
daarboven het volgende opschrift : 

De tarwe, 't edelst graan dat op den akker groeit, 

Door 's bouwmans vlijt gekweekt, door 's Hemels dauw besproeid, 

Bak ik tot smaaklijk brood, beschuit en krakelingen, 

Voor burger, boer en heer en ook voor vreemdelingen. 

De tijd liet mij niet toe mij te vergewissen of het versje ook 
waarheid sprak, maar 't scheen daar al lange jaren te staan. Mis- 
schien, dacht ik, was die dichterlijke bakker in vroegere tijden, de 
leverancier van de historische, in de nabijheid liggende kasteelen 
{oï huiden zoo als men in Holland veel zegt) Oudaan, Nyenrode en 
Gunterstein. J\ L. 

10. (85.) Gambrinus, de Koning van het bier. — De bier- 
drinkers dienen dit jaar in het oog te houden, daar wij thans in het 
ster^aar van koning Gambrinus leven. 

Wie het bier uitgevonden heeft, zal wel altijd verborgen blijven, 
doch de volkssage wil het evenwel weten ; zij kent de eer er van aan 
zekeren Vlaamschen koning, Gambrinus toe. 

De geschiedvorschers houden het er voor, dat deze sage in de 13*^ 
eeuw ontstaan is. Destijds regeerde Jan 1 als hertog over Brabant; 
in den volksmond hiet hij Jan en in 't Latijn noemde men hem Jan 
I of Primus. 

Hij was een beschermer der ambachten en liet zich ook overhalen 
om de weerdigheid aan te nemen van het eerevoorzitterschap der 
brouwersgilde te Brussel. De dankbare brouwers plaatsten daarom 
zijne beeltenis in hunne gildezaal, waarop de hertog wordt voorge- 
steld met eenen bokaal schuimend bier in de hand. 

Jan Primus werd na dien tijd als beschermheer van het bier ver- 
eerd, vooral omdat in die dagen het bier geduchte tegenstanders 



160 « Ons Volksleven. » 

vond hij de wijnboeren en ook op vele plaatsen voorliet eerst eene 
bierl)elasting werd ingevoerd. 

Uit Jan Primus ontstond in de legende liet woord Gambrinus, en 
uit den hertog groeide een koning, wien men niet alleen de bescher- 
ming, maar ook de uitvinding van het bier toeschreef. Jan Primus 
stierf juist GOO jaren geleden, in 1294. De sterfdag is niet bekend. 
Toch bestaat er aanleiding genoeg om ter eere der nagedachtenis 
van dezen verdienstelijken vorst een glas meer te ledigen. 

Gezondheid dus, en eere aan de nagedachtenis van Gambrinus ! 

{Uit de dagbladen.) J. C. 

Sittjaiiö mm Cijferjiriften. 

Volk en Taal, YII, N'"2. — Het versierou onzer woningen (A. van Heuver- 
swyu). — Bijdrage tot deu Dietscheu taalschat. De Blokmakerij (M. de Schry- 
ver). — Vlaamsche Spreuken en Zegswijzeu (M. E. E. Amri). — Vertelsels. 
Klippels uit den zak (Th. van Heuverswyn). — Van 't Manevenije (P. B ) — 
Uit de Kinderwereld (A. v. H ). — Luiden en Wiegen (A V.) — VolkBspelcn 
(A. V ). — Volksbijgeloof (P. B,). — Dietsche belangen. 

Het Belfort. LX , IS'"' 8. — Het socialismus en ons huishoudkundig leven (E. De 
Gryse). — Mgr. Freppel (E. Pauwels) — Seute Augustinus regule in dietsche 
(\V. de Vreese). — De sterren (Fr. A. V. H ) — Vaderlaudscli lied (Kr. de P.). 

— F. W. Web(>r's «< Marienblumen » (E. De Lepeleer). — Uit de pathologie 
der taal (H. Meert). — De dans in 't Freiburger dal (J. Truyts). — Boeken- 
nieuws en kronijk. 

Mélusine, Vn, N"" 4. — Lo cinqcentenaire de Mélusine (7 Aoüt 1894) (H. 
Gaidoz). — La Frateruisation (H. üaidoz) — L'Etymologie populaire et Ie 
folk-lore (H. G). — Saint Elui (H. Gaidoz). — Bibliographie. 

Revue des Traditions populaires, IX, Is" 6-9. — L'Epopée argonautique(Ch. 
Ploix). La Belle ii la iontaine. H (M"'* Destrichée) — Légendes. Croyances 
et supeistitioiis de la Corse (J. Filippi). — Les rites de la construction. XX 
(R. Basset). — Ustei siles et bibelots pop. IV. (A. Ponchon). — Miettes de 
1'olk-lore parisien XXVII (A Certeux). — X. A 1'Fxposition d'Anvers (A. 
Jlarou). — Les Empreii.trs merveilleuses LVl-LVII (R. Basset) — Contes de 
l'Extrême-Orieut. V-XV (R. Basset), — 1'èlerins etpélerinages. XIII-XVIII 
(L. Morin, G. Fouju, A. Harou, P. M. Laveuot. — Petites légendes chrétien» 
nes. VIIlM. de 1'Estourbeillon). — Le gargon vendu au diable (P. Sébillot). — 
Les Vêtemenls. I-IV (A. Harou). — Superstitions des civilisés. V (P. S.). — 
La iemme obstiuée. VI (A. Ponchon). — Les Métiero et les Professions (P, 
Sébillot). — Los El seignes I p]nseignes des perruquiers (A. Certeux). — 
Le peuple et 1'histoire (G. M. O. Beauregard). — Légendes lataviennes. XXII- 
XXIV (H. Wissendorff). — Moeurs épulaires, III Chanson après le repas 
(J. Tiersot). — Traditions et suporst. des Ponts et Chaussées. Vil (II. Basset). 

— Poésies sur dos thèmes pop. XXXII (L Boivin). — Allusion u des contes 
pop. XI V-XV (P. S.). — Les fêtes pop de l'Anjou au XVP siècle (L. Bonne- 
mère). — Quelques locutions d'Ardèche (F Feriiault). — Noms et gestes dea 
doigts. XVII-XX (G. Fouju, A. Ponchon, G. de Rialle, M Lecocq). — Les 
ürdalies. Suite (R. Basset). — LaBrouette qui parle, conté. MI (Morel-Relz, 
P. Sébillot). 




iii Btrijh met k €mi nu lieterji-33elgiL 

{Vervolg). 




^et <êesiacl}t ^er zdiBt. naamwoov^en. 



ET onderscheid tusscheii het grammatisch 
mannelijk en vrouwelijk geslacht is uit de 
Hollandsche spreektaal sedert lang nage- 
noeg geheel verdwenen. « Alles wat zich 
niet door het duidelijk kenmerkende het 
onderscheidt «, zegt J.W. Muller in Taal 



en Letteren (i), « wordt in de spreektaal in alle nv. van 
enkelv. en meerv. door het eenvormige de voorafgegaan, 
maar is voor ons taalgevoel manlijk, zoowel levenlooze 
voorwerpen als levende dieren : niet alleen dat een timmer- 
man, van eene tafel of eene kast sprekende, zegt : hij moet 
naar den winkel of we kunnen HEM ('m) niet optillen, en dat 
iemand die in de plaats daarvan dorst zeggen ^ij, uitge- 
lachen of niet begrepen zou worden, maar ook alle levende 
wezens (uitgezonderd de mensch), zelfs de zoo onmiskenbare 
vrouwelijke huisdieren als de kip en de >toe heeten hu; ja, 



(1) 3^ Aflev., 1891, Spreektaal en Schrijftaal in het Nederlandsch, bl. 202, 
VI 9 



162 « Ons Volksleven. » 

indien ik mij niet bedrieg", zeggen zelfs de boeren van eene 
koe dat hij (i) moet kalven! Alleen de kat of poes wordt wel 
eens liefkoozend pj genoemd. Kortom, alleen het onzijdig 
geslacht wordt nog werkelijk onderscheiden, het taalkundig 
vrouwelijk geslacht van dieren en voorwerpen bestaat nog 
in de spraakkunst en de letterkunde : in twijfelachtige 
gevallen kan men niet meer met de levende taal te rade gaan, 
maar moet het geslacht van een woord bepalen naar doode 
taalregels of naar het gebruik bij oude schrijvers. " (i) 

Men mag dus zeggen dat de Hollanders bijna alles wat 
niet onzijdig is, mannelijk nemen. Eene uitzondering wordt 
enkel gemaakt voor de namen der vrouwen en, ofschoon in 
verre na niet algemeen, voor de namen van vrouwelijke 
dieren, die eenen afzonderlijken naam dragen. 

Desniettegenstaande komt de vrouwel. genitief ^er, de:(er, 
mijner in de schrijftaal zoo dikwijls voor, dat men hem meer- 
maals zelfs voor mannelijke woorden, behalve voor persoons- 



(1) Bi.i 't vaststellen van het geslacht der dier- en zaaknamen en der afge- 
trokken naamwoorden hebben deHollaudsche spraakkunstenaars dus volstrekt 
geen rekening gehouden met de gouwspraken, die nochtans het oude en echte 
geslacht van zeer veel woorden bewaard hebben. Veel zelfst. naamw. hebben 
dan ook in de gesprokene taal van Dietsch-België een ander geslacht dan in 
de Woordenlijst van de Vries en te Winkel. Eeuige voorbeelden : j?^g5/, vr. 
(ook in 't Latijn); berst, vr. ; boek, m ; booi, m. ; boterham, m. ; brok, vr. ; dood, 
vr. ; gedachtige), o. ; gesp, vr.; ketting, vr. ; mest, o. ; moord, vr.; oog, vr. ; oor, 
vr. ; plicht, vr. (ook in 't Hgd ) ; romp, vr. ; schotel, vr. (ook in 't Hgd.) ; strot, 
vr. ; vasten, m. ; venster, vr. (ook in 't Latijn); uur, vr. (ook in 't Lat.); zwaan, 
vr., enz. enz. 

Ons geslacht mogen wij stout gebruiken, waneer het op de oudheid steunt 
ot' algemeen in België gehoord wordt. 

« By de hoUandsche schrijvers », zegt Jan van Beers in zijne Nederduitsche 
Spraekleer (.3* uitgave, bldz. 45 en vlg.) « vindt men een aental woorden in een 
ander geslacht gebruikt dan in de gesprokene tael van Nederduitsch België. 
Het dunkt ons dat men het geslacht zoo als het in België gehoord wordt, 
zou moeten volgen in de woorden, welke hier te lande het geslacht behielden 
dat zy oudtyds hadden... Ook in woorden wier geslacht in al de provinciën 
van Vlaemsch-België het zelfde is, zouden wij liever ons spraekgebruik dan de 
IloUandsche schryfwyze volgen; wai.t het komt ons voor dat het geslachts- 
verloop door den invloed van uitsprack on andere omstandigheden, in Holland 
veel aenzieulyker dan ten onzent ie geweest. » 



« Ons Volksleven. » 163 

en diernamen aantreft (i). Zegt men van eene aardigheid : 
^ ik vai hem niet», men schrijft niettemin: « iiet fijne der 
aardigheid » en eene enkele maal zal men zelfs zoo spreken. 
En ieder oogenblik kan men in geschriften genitieven lezen 
als : « het moeilijke de:^er arbeid », « het gevolg fijner angst, » 
enz. (2). Vandaar dat Kollewijn aan die woorden een gemengd 
geslacht toekent : mannelijk, zoo men het kenmerk van het 
geslacht zoekt in het gebruik der persoonlijke voornaam- 
woorden en der bezit telijke bijvoeglijke woorden ; vroumelijk, 
zoo men het zoekt in den genitief der lidwoorden en bijvoeg- 
lijke woorden. 

Bewijst nu echter liet gebruik van den vrouwelijken 
genitief voor de niet-onzijdige voorwerpsnamen en afge- 
trokken naamwoorden dat deze een gemengd geslacht heb- 
ben, d. i. in 't eene geval mann. en in 't ander vr. zijn? 
Volstrekt niet. Het kenmerk van het geslacht moet gezocht 
worden in het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord 
en het bezittelijk bijvoegl. woord, en niet in den genitief, die 
in de levende taal niet meer bestaat. 

« Er bestaat eenvoudig, zegt J. M. Hoogvliet (3), » in onze 
schrijftaal een oratoris'e of versierende Genitivus met het 
voorvoegsel der. Dit der was oorspronkelijk een Genitivus- 
vorm van het lidwoord de voor het vrouwelijk enkelvoud en 
het gehele m^eervoud. Daar echter de completerende pen- 
dantvorm, die voor de' mannelijke' en neutere' Genitivus, nl. 
des, behalve in eenige M^einige spreekwoordelijke uitdruk- 
kingen zelfs in onze schrijftaal niet meer bestaat, ligt het 
voor de hand, dat de oratoris'e Genitivus met der nu en dan 
ook wel gebruikt wordt van woorden, die volgens de lang 
vervallen geslachtsonderscheiding in onze taal (lees : Hol- 
landsche taal) eigenlijk mannelijk waren en dus met het 
voorvoegsel der oorspronkelijk niet konden worden verbon- 
den. » 



(1) Toch spreekt D' R. Krul in den Tijdspiegel (1893, bl. 302) van den 
dienst der hond. 

(2) Voorstellen tot vereenvoudiging , enz., hl. 20. 

(3) Kollemjn's taalbeweging toegelicht en verdedigd, bl. 27. 



164 « Ons Volksleven. » 

Het is dan klaar dat de zelfst, naamwoorden die, zoo 't bij 
Kollewijn heet, een gemengd geslacht hebben, inderdaad 
altijd mannelijk zijn. 

Volgens de aanhangers der nieuwe spelling zal men dus 
schrijven van eene overwinning : <i hij is duur gekochte, 
« men heeft hem duur gekocht »», « ^ijn vruchten zullen niet 
uitblijven», maar ook — waneer men om de eene of de 
andere reden den genitief wil bezigen — « de vruchten der 
overwinning». Zoo ook van eenen strijd : « hij duurde niet 
lang » naast : de uitkomst van de strijd of der strijd », enz. 

Eene uitzondering moet enkel gemaakt worden voor de 
niet-onzijdige stofnamen, die in de eene streek mannelijk en 
in de andere vrouwelijk gebruikt worden. Zoo hoort men in 
Holland, als er spraak is van soep, zoowel : « ^e is te heet », 
als : « hij is te heet ». Van wijn : « hij is lekker », maar ook 
« ^e is lekker ». Daarom wordt hier aan de schrijvenden alle 
vrijheid gelaten, (i) 

Staat het in de Hollandsche spreektaal met de geslachten 
zoo treurig geschapen, geheel anders is de toestand op dat 
punt in de andere Dietsche gouwspraken. Vlamingen, Bra- 
banders, Limburgers — al de Dietschsprekenden misschien, 
behalve de Hollanders — hebben trouw hét onderscheid 
tusschen het grammatisch mannelijk en vrouwelijk geslacht 
bewaard, al is dan ook het geslacht van sommige zelfst. 
naamw. niet overal hetzelfde. 

Van eene kas zeggen wij : « ik heb jj-e zelf gesloten » ; van 
eene ovenvinning : « zij hebben ^e duur moeten betalen » ; zoo 
ook : «die tafel staat niet recht op heur' pooten ! Natuurlijk, 
wij kunnen niet anders. Hoe verbaasd zou hier te lande de 
ongeleerdste mensch opkijken, moestet gij hem zeggen op 
zijn Hollandsch : 't die taf el staat niet recht op ;f(/V pooten, 
ge moest hem 'nen voet of twee verschuiven! » He geloof dat 
hij op zijne lippen zou moeten bijten, om niet in 'nen lach te 
schieten, en wie weet aanzage hij u niet voor eenen Waal of 
eenen anderen vreemdeling, die Vlaamsch geleerd heeft, 
maar het nog niet goed spreken kan. 

(1) Voorstellen tot vereenvoudiging, eiiz., bl. 21. 



« Ons Volksleven. » 



165 



Niet enkel door het gebruik van de persoonlijke voornaam- 
woorden en de bezitielijke bijvoeglijke woorden, wordt het 
vrouwelijk van het mannelijk onderscheiden, ook in de 
bijvoeglijke woorden, die het naamwoord voorafgaan, 
hoort men duidelijk het kenmerk van het geslacht. Gewoon- 
lijk komt het bijv. woord dat vóór een mann. naamw. staat, 
in eenen anderen vorm voor, dan waneer het vóór een 
vrouwelijk naamw. geplaatst is. Dat is voornamelijk het 
geval met de bezittelijke en aanwijzende bijvoeg!, woorden, 
met een (telwoord en onbep. bijv. woord), en ook, ofschoon in 
mindere mate, met het lidwoord en de hoedanigheidswoor- 
den (z. verder Verbuiging.) 

Besluit : Wij mogen hoegenaamd niet dulden, dat de 
geslachtsonderscheiding, eene der kostelijkste eigenschap- 
pen onzer moederspraak, uit de algemeene schrijftaal worde 
verbannen. Wat nog springende levend is bij de overgroote 
meerderheid der Dietschen, mag niet begraven worden. 

[H Vervolgt). Jozef Cornelissen. 



ie fnm en k ^en iti jiet f nltegelnnl 

(Vervolg). 



(1) 



00 de haan kraait tusschen 4 en 5 uren 's morgens, 
oftusschen 10 en 11 uren 's avonds, is er verande- 
ring van weer ophanden (Thuin). 

— Het weer zal veranderen zoo de haan kraait, waneer 
het nog nacht is (Taintignies). 

— Men vreest het gekraai van den haan op St. Pietersdag, , 
want het is de voorbode van slecht weder. 

— De haan speelt eene groote rol in de tooverij en de oud- 
noordsche godenleer. 

In de Edda leest men dat een haan met gouden kam de 
helden wakker maakte. 



(1) Z. Ons Volksleven, V, 193, 226. 



166 « Ons Volksleven. » 

Een zwarte haan kraait in de onderaardsche wereld. 

Een haan uit de Edda, Vidhofnir geheeten, wordt door Fin- 
Magnussen (Lex. myth. 824, 1090) met den haan vergeleken, 
die de meiboomen versiert (Grimm., 387.) 

De Hunnen of Magyaren, de Romeinen, de Germanen en 
Kelten hechtten godsdienstige denkbeelden aan den haan. 

In de Kempen komen zwarte en geheimzinnige hanen, in 
den nacht van Allerzielen, driemaal kraaien op het dak van 
het huis, waarvan de eigenaar of de voornaamste huurder 
na éen jaar en éenen dag zal sterven. 

In zijn werk over de Duitsch-Russische provinciën der 
Baltische zee, spreekt Kohl over de offeranden van hanen en 
hennen die de Esthlanders gewoon zijn te doen onder heilige 
boomen, in den nacht van Sint-Joris, Sint-Jan en SintMichiel. 
(CoREMANS. L'Annéede VAncienne Belgique.) 

— De haan was bij onze voorouders een geluksvogel, in 
dezen zin dat zijn gekraai de booze geesten verdreef. Dit 
denkbeeld leeft nog onder het volk. In de overlevering over 
de schuur van Gallemaarde verjaagt hij den duivel. (Core- 
MANS. Buil. de la Comm. royale d'hist. VII, 173). 

— Waneer men op Sint-Jan den rooden haan den kop 
afkapt, bewaart men dien kop, als een beschermmiddel tegen 
den bliksem. (Coremans. VAnnée de VAncienne Belgique). 

— Het spel van den haan-profeet is bij ons als gezelschaps- 
spel bekend. Men zet hem op eene tafel en vindt eene kaart 
die vier en twintig letters, 'tzij runisclie, 'Lzij gothieke, voor- 
stelt in even zooveel hokjes, met graan gevuld. 

Ieder graantje dat de haan pikt, verbeeldt eene letter, die 
woorden vormt welke de toekomst voorspellen. [ld.), 
{'t Vervolgt). ' Alfried Harou. 





HH 


■IBHI 


IPI 


M^l 


hA 


^^H 


I^mI 


|Ë^!^| 


B 


i^H 




t# 




{Vervolg). 




3. (35.) 'Sl^urnljaut : Be iHug^eiibluBöcljeró. 

N den nacht van den 27"^ tot den 28° Januari 1687 hadden 
de Mechelaars met iever en moed de maan gebhischt, en 
's anderendaags, zoo de kwatongen zeggen, zorgvuldig de 
assche van Sint-Romboutstoren verzameld. 

Op den 19" December 1722 viel hetzelfde voor aan de kerk van 
Sint-Germanus te Thienen. 

Den 14:^ Mei 1746 zweefde er tegen den avond, rond den toren der 
St.Egidiuskerk te Brugge, eene dichte wolk vliegjes of muggen die, 
door de stralen der ondergaande zon verlicht, aan eenen dikken 
rook geleek. De Bruggelingen, schadebeletters en burgers, vielen 
ook dapper den toren aan 't blusschen. 

Hetzelfde dat den Bruggelingen overkomen was, geschiedde ook 
aan de Sint-Pieterskerk te Turnhout, den 6° Juni 1755. Ook hier, 
zoo min als elders, bleven de Turnhouters ten achter en bluschten 
moedig, totdat alle gevaar voorbij was. 

Eenige nijdigaards, die zeker dachten dat het tijd genoeg was om 
te gaan blusschen als de brand gedaan was, vonden het zeer geestig 
den naam van Muggenblusschers aan de Turnhouters te geven, 
maar deze ontvingen de hertelij ke gelukwenschen van alle welmee- 
nende burgers en namelijk van hunne rampgenooten de inwoners 
van Mechelen : 

TUENHAUTO MITTIT MeCHLINIA NOSTfiA SALUTEM. 

A.0. 

(1) Z. Ons Volksleven, Y, 132-135, 152-153, 139-192,215-216, 228-229; VI, 
90-91. 



168 « Ons Volksleven. » 

4. (36.) i3ni00el : ïre ^itktufvetexs. 

DIE spotnaam dagteekent van over verscheidene eeuwen. Onder 
Wenceslas (XIV° eeuw) hadden vele ridders zich vereenigd 
om den hertog van Gulik te bestrijden, die de rooverijeu en 
strooptochten begunstigde. De ridders Averden verslagen. Volgens 
Froissard was dit verlies te wijten aan de Brusselaars, die hunne 
peerden volgehangen hadden met flesschen, vleesch en levensmid- 
delen van allen aard en voornamelijk met kiekens, zoodat de dieren 
in hunnen gang belemmerd waren. Vandaar de spotnaam Kieken- 
freters, die de Brusselaars tot den huidigen dag bewaard hebben. 

5. (37.) lUiüür^ : öe i^oöcljutUu. 

|EN geeft aan de inwoners van Dworp (Brabant) den naam 
van Boschuilen, omdat het omliggende land een wild en 
woest uitzicht heeft. (A. Wauters. Hist. des Environs 
de Brüxelles, III, 714.) Alfried Harou. 



'M JlintitiEton iti k Blann. 



n 




ENE der oudste en meest verspreide legenden is zeker die 
van den man in de maan. Plutarchus reeds schreef eene 
verhandeling over het verschijnsel van een aangezicht en 
en kringen in de maan en Clemens van Alexandrië beweerde 
dat in de maan de ziel eener Sybil huist. De middeleeuwsche dich- 
ters kenden de legende, en Dante spreekt op twee plaatsen over 
denman in de maan; bij hem is het Kaïn, die daar verblijft. 
Chaucher zinspeelt op het sprookje van den maanmensch en 
Shakespeare vermeldt meermaals eenen man in de maan, nevens 
wien men eenen hond en eenen doornstruik ziet. In Noord en Zuid, 
Oost en West, bij beschaafde en onbeschaafde volken, overal hoort 
de legende thuis, maar de voorstelling die men zich maakt van het 
beeld dat men in de maan meent te ontwaren, is in alle streken van 
de wereld niet dezelfde. Terwijl de bewoners van Oostelijk-Azië en 
de Indiaansche stammen van Noord- Amerika in de maanvlekken 
eenen haas of een konijn meenen te erkennen, zien de andere 
aardbewoners er eene menschelijke gedaante in. 



« Ons Volksleven. » 169 

Het ware een nuttig werk zoo volledig mogelijk de sprookskens 
te verzamelen die op die oude en eerbiedweerdige overlevering 
betrekking hebben. Dit wil ik beproeven met de medehulp van onze 
lezers, die belang stellen in deze zoo merkweerdige stof. 

Twee belangrijke opstellen over het manneken in de maan ver- 
schenen in Volkskunde, I, bldz. 217, en het Duitsch tijdschrift Am 
C/ir- Qwe// heeft overtijd een onderzoek, eene Umfrage geopend, 
waarin het reeds tamelijk veel bescheiden over dit onderwerp in 
't licht heeft gebracht. Dat alles zullen wij in ons artikel benuttigen. 

Wij beginnen met de legenden die in ons land bekend zijn. 

I. 

In den ouden tijd was er eens een man, die op 'neu Zondagmorgen 
naar het bosch ging om hout te rapen. 

Toen hij eene heele bussel dood hout bijeenhad, laadde hij die 
op zijne schouders en ging naar huis. 

Onderwege kwam hij 'nen ouden man tegen, die zijne zondaag- 
sche kleeren aanhad en naar de kerk ging. Die ouderling was Onze 
Lieve Heer zelf. 

« Weet gij niet « , sprak hij tot den houtraper, " dat het vandaag 
Zondag is, en dat gij 's Zondags niet moogt werken? » 

— « Bah! ,) spotte de andere, « wat gaat mij den Zondag aan!... 
Zondag of Maandag, dat is voor mij juist hetzelfde ! » 

— « Wel ! » zei Onze Lieve Heer, « is het zoo, dan zal het voor u 
in 't vervolg altijd Maandag zijn, en gij zult voor uwe straf in de 
maan zitten tot aan den lesten dag des oordeels ! » 

En zie ! oogenblikkelijk vloog onze houtraper uaar de maan,waar 
gij hem alle avonden nog ziet zitten met zijne houtbussel op den rug. 

n. 

Een manneken moest hage (i) gaan snijden voor zijn vaders 
biekorven. 

Als hij weerkeerde, was hij zoo zwaar geladen dat hij bijkans 
niet voortkost. 

't Was al avond en helder maneschijn, want 't was volle maan. 

Ons manneken zuchtte als hij gewaar wierd dat hij zoo moe was, 
en als hij peinsde dat vaders huis nog zoo verre stond. 

Hij keek eens op naar de maan. 

(1) Bramen, doornranken. 



170 • Ons Volksleven. » 

— Wat is zij schoon ! zeide hij ; ik wou dat ik er met mijnen 
bunsel in zate ! 

Dat woord was nog niet koud, of zie! hij vloog hij waarlijk naar 
de maan. 

Daar zat eene oude vrouwe met 'nen grooten hond. 

— Gij moet mij, zei de vrouw tot het manneken, een schoenen 
biekorf maken, eer moogt gij niet naar huis gaan. 

De jongen maakte 'nen biekorf, maar de hond trok hem in stuk- 
ken; de jongen maakte 'nen tweeden, maar de hond vernietigde nog 
eens zijn werk. 

— Gij moet in de maan blijven, zei de vrouwe dan, zoolang de 
wereld staat. 

En ja! kijkt in de maan als zij vol is, en gij zult hem nog zien 
zitten. 

En, als de hond het manneken zijnen biekorf laat afmaken 

Dan zal de wereld vergaan. 
Zoo luidt het vertelsel van 't manneken uit de maan. (i) 

III. 

Er was eens een man die eenen bundel stroo gestolen had. Hij 
werd aangehouden, doch hield bij hoog en leeg staan dat hij 
onplichtig was. Zie ! zei hij, als 't waar is dat ik dien bundel stroo 
gestolen heb, dan wenschte ik, dat ik in de maan vloog. 

Die woorden waren nog maar uit zijnen mond, of o wonder! hij 
vloog omhoog met zijnen bundel stroo, recht de maan in ! 

Als 't volle maan is, zegt het volk, ziet gij hem nog altijd staan 
met zijn buudelken op zijnen rug. (2) 

IV. 

Daar was eens een boer die al zijne bramen laten uitsteken had. 
Maar op zekeren keer zag hij dat er eenige bundelkens van weg 
waren. Toen hij 's anderendaags aan 't hekken van zijne hoef stond, 
kwam er daar een arm, oud en gebogen manneken afgestapt met 
een bundelken bramen op zijnen rug. 

— Dat zijn mijne bramen ! riep de boer. 

— 't Is niet waar, zei 't ventje. 



(1) Amaat Joos. Vertelsels van hel Vlaamscke Volk, eerste reeks, bldz. 28, 
n"- 6. — (2) Volk en Taal, III, bldz. 278. 



- Ons Volksleven. » 



171 



— 't Is zeker! donderde de boer. 

— Hewel, als het de uwe zijn, mag ik in de maan vliegen ! zwoer 
't ventje. 

Die woorden waren nog niet koud, of 't manneken vloog met zijn 
bundelken bramen recht in de maan. En 't zit daar nog... (i) 

V. 

Men meent in de maan het beeld te zien van eenen man, Pharao 
geheeten. 

Deze Pharao, zegt de legende, ging op zekeren donkeren nacht de 
rapen van zijnen gebuur stelen, maar werd eensklaps in zijn eerlijk 
werk gestoord, doordien dat de maan plotseling helder begon te 
schijnen. 

Vreezende ontdekt te worden, nam Pharao met zijne gaflel eenen 
doornen mutsaard op en maakte zich gereed om er de maan mee 
dicht te stoppen, toen God hem, voor zijne straf, in de maan trok. 

Men onderscheidt in de maan nog bescheelijk den rapendief met 
zijnen doornen mutsaard, dien hij met zijne vork omhoog houdt. (2) 

{H Vervolgt). Jozef Cornelissen. 




Ie litkl in liet f nltegelnnf m k f nlkiiöageti/'- 



'Vervolg). 




E legende verhaalt dat de kerk van Hakendover bij Thienen 
verschillende keeren door den duivel omvergeworpen 
werd. Zekeren nacht had een engel eenen draad rond de 
toekomstige kerk gelegd, waardoor deze zonder verdere ongevallen 
kon voltrokken worden. 

Over dezelfde kerk verhaalt men nog eene andere legende, waar- 
van de korte inhoud luidt : Aan den bouw der kerk werden twaalf 
werklieden gebezigd, maar 's Zaterdags, op den betaaldag, waren er 
altijd dertien. De dertiende was Onze Lieve Heer. 

(1) Yolhen Taal, VII, bldz.27. 

(2) A. Haeoxj. Le FolMore de Godarville (Hainatit). bldz. 2. 

(3) Z. Ons \olhs leven, III, 52; IV, 125. 



172 



« Ons Volksleven. » 



— Men verhaalt dat de duivel de kapel van O. L, Vrouw van 
Walcourt, door den H. Materuus gesticht, in brand stak. (Société 
d'Arch. de Namur, III, 315). 

{H Vervolgt.) Alfried Harou. 



f nltegthruiken en êemnnEta in J|nnriï-35rahant. 

I. 




t. d^ermattiiöfl) '^^tföperk. 



^E godsdienstige feesten der Germa- 
nen waren tevens volksvermaken. 
Zij vierden ze in het heilig bosch, 
waar ook de volksvergaderingen ge- 
houden werden. Die plaats was even 
veilig als heilig, de godsvrede rustte 
er op ; het was een Frijt- of Vfijhof, 
eene plaats van vrede en vriendschap. 
Men wil dat hierom nog in de middeleouwen beweerd werd, 
dat de wereldlijke rechter niemand mocht vatten binnen den 
omtrek van dertig schreden rondom de kerken, omdat deze 
plaats de Vrijhof was (i). 

Nadat onze heidensche voorouders tot Christenen bekeerd 
waren, gingen zij, wegens hunne gehechtheid aan voorva- 
derlijke gebruiken, nog daar om vreugde te bedrijven en 
bijeenkomsten te houden. Toen de bosschen niet meer beston- 
den en christene kerken de oude heiligdommen vervangen 
hadden, zijn nog langen tijd daarna bijeenkomsten, kermis- 
sen en spelen op de kerkhoven gehouden. 



(1) Nijhof's Bijdragen, Kieuwe Reeks, Dl. II, bl. 204. 



« Ons Volksleven. » 173 

Onze heidensche voorzaten voerden in plechtigen optocht 
hunne goden door akkers en velden (i). Van deze goden 
verwachtten zij eenen rijken oogst. Al waren ze later van 
hunne oude vereerders verlaten, toch daalden ze, in hunne 
verbeelding, nog des nachts op de aarde neder en reden, 
hier en daar, met hunne wagens rond, waarvan op vele 
plaatsen sprookjes over eenen hellewagen, eenen vurigen-, 
eenen ijzeren- en andere wagens zijn overgebleven. 

Het dansen rond vuren en 'L springen over en door de 
vlammen was bij de Germaansche feesten een onmisbaar 
vermaak. Oud en jong danste om die vuren en zij zongen er 
liedjes bij, w^aarvan niemand een meer kent. Wie meedanste, 
deelde in den zegen hunner goden. Deze waren te meer over 
hen tevreden, naarmate ze vroolijk dansten en hoog spron- 
gen. Na de invoering des Christendoms bleven deze vuren 
als Paasch-, Pinkster-, St. Jans- en St. Maartensvuren aange- 
naam opvlammen. Bij de hervorming poogden de kerkeraden 
en synoden, die — dwaas genoeg — deze vuren « super- 
stitiën van het Pausdom « noemden, ze uit te dooven, maar 
't gelukte hun evenmin als de eerste Evangeliepredikers. 
Wel heeft de tijd ze op menige plaats doen verdwijnen, maar 
op vele plaatsen wordt er nog als vóór eeuwen rondom 
gedanst. (2) 

Bij de gastmalen der Germanen w^erd altijd gevochten, 
want de eereplaats kw^am den dapperste toe. En na den 
maaltijd, zoodra er maar bier genoeg gedronken was en een 
paar gasten twist kregen, begonnen de vechtpartijen 
opnieuw, hoe meer, hoe schooner; als er niet gevochten 
was, zouden ze geen plezier gehad hebben. En die oude 
Germaansche gewoonte, zegt J. ter Gouw, zit er bij ons 
gemeen nog diep in. Menige verjaar- of bruiloftsdag levert er 
soms nog de schilderachtigste bewijzen van. (3) 

Ter eere van de dooden hadden de Germanen ook gastma- 
len, om te drinken, te zingen en vroolijk te zijn; dat deed de 



(1) Volksvermaken, door J. ter Gouw. 

(2) Volksvermaken, totbladz. 19. 

(3) Ibid.,bl. 21. 



174 « Ons Volksleven. » 

ziel van den afgestorvene nog eens vermaak, meenden zij. 

Als een jongeling tot man verheven werd, gaf dit ook 
aanleiding tot een vroolijk feestmaal, met vechtpartijen 
opgeluisterd; want hij moest toch toonen dat hij met de 
wapens wist om te gaan en ook, dat hij als een man drinken 
kon. Men zegt dat het rondloopen der lotelingen voor de 
militie — met het nummer voor den hoed, wel beschonken 
en zingende— de hedendaagsche vorm van dit oude gebruik is. 

2. Hf Mx^fMmmen. 




EUWEN lang had het Christendom te strijden tegen 
de oude heidensche gebruiken, gewoonten en ver- 
maken. De vrome Evangeliepredikers vernietigden 
dé altaren, de boomen, enz. der Heidenen, doch vermochten 
niet gemakkelijk de herinnering daaraan uit den geest des 
volks te roeien. 

Vele gebruiken en vermaken die nog eeuwen later in 
zwang waren, worden door het landvolk bij trouwpartijen, 
in sommige stroken van Nederland nog onderhouden, zooals 
hetstiooien en versieren, het rondrijden der bruid door den 
omtrek, het dansen rond het kroontje der bruid en het 
«bruiloft! bruiloft!» roepen, het schatten der bruid en al 
wat diesmeer zij. Deze gebruiken meent men uit den Ger- 
maanschen tijd afkomstig te wezen. En evenzoo de eerste 
beginselen der kinderbieren en doopmalen. Al waren de Ger- 
manen heidenen, toch doopten zij hunne kinderen in wateren, 
door hen als gewijd aanzien. In Noord-Brabant bestaan nog, 
of werden vóór korten tijd althans kuilen of putten gevon- 
den, door de eerste geloofsboden tot doopplaatsen gewijd, 
en waarin -wellicht ook heidenen zullen gedompeld zijn. 

Zij vermaakten zich met steen- en spieswerpen, springen, 
bal-, lot- en dobbelspel, klimmen, wedloopen en schaatsen- 
rijden. 

Jagen, vogelen en visschen zal toen wel de eene voor den 
kost de andere voor het vermaal: verricht hebben. 

De adel hield zich liefst met tornooien of steekspelen bezig, 
welk vermaak uit de wapen- en krijgsspelen voortgekomen 
is. De vorsten gaven deze spelen nabij hun hof of op ruime 



« Ons Volksleven. » 175 

pleinen. Hel was een wezentlijk volksfeest, waar alle standen 
des volks deel aan namen en waar ieder naar moest komen 
kijken. Deze spelen verloren na de uitvinding van 't buskruit 
hunne beteekenis en vervielen in de zestiende eeuw geheel. 

Dejacht was een ander zeer gezocht vermaak van de 
edelen. Jagen en vliegen door bosch en hei, met honden en 
valken, deden de gravinnen en edelvrouwen even geerne als 
de graven en heeren.VanKarel den Groote's tijd was't reeds 
den geestelijken verboden. Door 13*^®-eeuwsche zedenmees- 
ters werd ook al den vorsten en edelen verweten, dat ze zich 
te veel aan dat vermaak overgaven (i). Rondom Postel is dit 
jachtvermaak lang door voorname personen uitgeoefend. 
(Welvaarts.) 

Verder vonden de edelen op hunne kastoelen genoegen in 
schaak- en dobbelspel en, in de 13® eeuw, in zang, dans en 
muziek. Schaatsenrijden was mede eene geliefkoosde uit- 
spanning van den adel. 

Het kaartspel kwam hier in de 14® eeuw in gebruik. Toen 
vermaakte men zich ook reeds met bommen of trommen, 
cimbalen, trompetten, bazuinen, fluiten, harpen, vedels, 
luiten, enz. en ook andere speeltuigen die thans niet meer 
bekend zijn. 

In de vroegste middeleeuwen, toen er nog weinig steden 
bestonden en de poorters eerst opkwamen, verschilden de 
spelen en vermaken der stedelingen weinig of niet van die 
der dorpers. Aan hunne vermaken, gedeeltelijk uit den 
heidenschen tijd overgebleven, werden nieuwe christelijke 
toegevoegd, waaronder de mysteriespelen en de kermissen 
de voornaamste waren. De tornooien werden opgevolgd door 
de schuttersfeesten, die vooral in de 15® en de 16® eeuw, heel 
de Nederlanden door, prachtig gevierd werden. Onedelen en 
adellijken vermaakten zich met kaatsen, boogschieten, kege- 
len, klootschieten, klotsen, beugelen, ringrijden of ringste- 
ken, enz. 

In de herberg zitten was in de middeleeuwen niets schande- 
lijks, een waar vermaak, dat niet enkel in drinken en spelen 



(1) Volksvermaken, bl. 27-31. 



176 « Ons Volksleven, j» 

bestond, maar waar ook veel belangwekkends te zien en te 
hoorenja zelfs veel te leeren viel. Daar kwamen allerlei 
kunütenaars, vreemde kramers, die zeldzame en kostbare 
dinc;'en uit andere landen meebrachten, enz. 

Drinkgelagen namen overigens in de middeleeuwen eene 
eerste plaats in. Niet alleen in herbergen, maar ook in de 
woningen van groeten en geringèn, van poorters en dorpers, 
zoowel onder vrouwen als mannen, in de gildekamers, enz. 
hadden ze plaats. 

Gastmalen kw^amen bij alle gelegenheden te pas : eten was 
de hoofdzaak, vermaak het doel. Om dit laatste kwam men 
er alleen. Men zeide: « Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. » 
Elk bracht het zijne uit eigen keuken, kelder of kast mede, 
aan welk oud gebruik veel weerde gehecht werd. 

In de IS*" eeuw verlichtte men bij feestelijke gelegenheden 
de huizen op driederlei wijzen : met flambouwen, lanterens, 
of met keersen voor de vensters. In de 14^ eeuw vermaakte 
men zich al met het afsteken van vuurwerk. 

Nooit zijn de Nederlanders zanglustiger en muzikaler 
geweest dan in de middeleeuwen, bepaald van de 14^ tot de 
16® eeuw. 

In de 14'' eeuw heerschte ook in ons land eene danswoede, 
die van het eene gewest naar het andere oversloeg. Men 
noemt het de Sint-Veits- of Sint-Jandans, ook « St. Jansevel. » 

3. Ita öe ücrkl^eroormtn^ 0f lief0rmötie. 




OEN de Hervorming was ingevoerd, werden verschei- 
dene oude gebruiken, als « oimutte superstitiëu », 
hetzij als « ongeregeldheden » verboden, althans in 
de steden. Op het platteland viel het handhaven van dit 
verbod moeilijker. Veel geraakte, ook hier in de 17^® eeuw in 
onbruik, wat nog in de 16''^ in volle tier was. 

Op het laatst der 16'' eeuw vermaakte men zich, vooral op 
de Zondagen, met kaartspelen, kaatsen, klotsen, zingen, 
dansen, rederijken, enz. 

De vrouwen hadden ook hunne kransjes, waar veel gebab- 
beld werd. 



■» 



« Ons Volksleven. » 177 

De voorraad van liederen nam in getal toe, doch verloor 
veel aan zeden en weerde. 

In deze eeuw begonnen de koffiehuizen op te komen, waar 
deftige burgers vergaderden om te drinken, te rooken en te 
spelen. 

Het tabakrooken, hier in het laatst der 16^ eeuw in gebruik 
gekomen, nam in de volgende zeer toe. Uit pijpjes van aarde 
en klei gebakken, met kleine koppen, en stelen, niet langer 
dan een vinger, rookte men toen. 

Thee, omtrent het jaar 1650 alhier in gebruik gekomen, 
was de koffie omtrent 20 jaren vóór. Deze tw^e dranken hier 
allengs meer in zwang komende, dronk men minder bier. 

In 't midden der 17® eeuw waren de zeden bedorven. De 
geleerde schrijver P. C. Hazart, Jezuïet, meldt in zijnen 
« Triomph van de Christelijke Leere » P deel, 1683, dat 
ouders hem hadden verklaard, dat de jonkheid nooit zoo 
bedorven was geweest dan in dien tijd. 

{'t Vervolgt.) P. N. Panken. 



"^tmtMïikt %ïtkitn. 



DE vuren die met Sinksen op de hoogten ontstoken wor- 
den, verjagen de pest, de besmettelijke ziekten en de 
andere kwaaddoende geesten, (Coremans. L'Année de 
VAncienne Belgiqiie.) 

— Waneer eene besmettelijke ziekte op het punt is van uit 
te bersten of alreeds heerscht, beweert men dat de vogels 
vertrokken of naar andere niet besmette streken verhuizen. 
Zij hebben een voorgevoel van hetgeen er gaat gebeuren. 
(Fait-lez-Seneffe, Henegouw.) 

Waneer eene besmettelijke ziekte onder het vee uitbrak en 

groote verwoesting aanrichtte, ontstaken de boeren van de 

omstreken van Gent vuren, om den geest te verjagen die er 

de oorzaak van was. Die vuren bieten Nood vier. 

Op den bepaalden dag, zetten zij aan hunne deuren een 



178 



« Ons Volksleven. » 



komfoor, en ieder huis of hoef was gehouden een bepaald 
aantal brandhouten te leveren, die men verplicht was op eene 
vooraf aangewezene plaats ie dragen ; daar sloeg men in den 
grond eenen eiken paal, waarin een gat was geboord, in het- 
welk men een houten haspel stak; vervolgens besmeerde 
men den paal met vet, opdat hij beter branden zou en rond- 
om stapelde men het brandhout op en stak het in brand. 

Iedereen ging vervolgens naar huis en keerde weder met 
al zijn vee dat men driemaal rond den brandstapel deed gaan. 
Na deze ceremonie namen verscheidenen eenen brander mee 
naar huis dien zij fijnstampten en onder het voedsel der die- 
ren mengden. [Message)- des sciences hist . , XXVIII, 338.) 

Deze feiten doen zien dat het volk geloofde, dat de besmet- 
telijke ziekten het werk zijn van den boozen geest. 

Alfried Harou. 



lem^iferlie ^agen. 



18. (180.) Öau ffiieii i30erenknecl)t Vit k\»(i\it perteu kou. 



ANNEEE men den Aarschotschen steenweg verlaat en rechts 
afslaat om naar Begijnendijk te gaan, komt men aan eene 
hoeve, waar reeds lange jaren geleden een boer woon- 
de, die eenen knecht had, die standvastig den Zondag en Maandag 
dronk. Omdat hij anders nog al goed oppaste en dubbel werk ver- 
richtte, liet de boer hem blijven wonen, hoewel hij hem over zijn 
slecht gedrag meermaals berispte. Op zekeren Zondag middag zegde 
hij aan den knecht : « Peeter, nu moest ge toch eens zorgen van 
morgen vroeg op uwen post te zijn, ik zou Donderdag geerne met 
eene vracht koren naar de merkt rijden, en dan hebt ge uwen tijd 
noodig om die gereed te maken. De knecht zei ja en ging naar de 
kermis in het naburige dorp. Het werd Maandag, Dijnsdag en 
Woensdag, maar geen knecht te zien. Donderdags 's morgens kwam 
mijnheer afgestapt. De boer speelde op zijnen poot en verweet hem 



/ « Ons Volksleven. » 179 



zijne dronkenschap, maar de knecht zei niets anders als dat de hoer 
zich maar zou gereed maken om naar de merkt te rijden, dat daarte- 
gen alles wel zou gereed zijn. De knecht ging op den korentas en 
zooveel schooven hij kon afwerpen, zooveel werden er door onzicht- 
bare geesten of duivelen afgedorschen en opgehouden. Het graan 
werd gezuiverd, in zakken gedaan en op de kar geladen, zoodat, 
toen de hoer reisveerdig was, de kar graan ook gereed stond. Ge 
kunt wel denken dat de boer verslagen stond en dat hij zijnen knecht 
eenigen tijd later deed vertrekken. {Gehoord ie Boisschot). 

19. (t8I.) €ctt öolbaat Vu Xoüuxtw kow. 

TK heb het mijnen grootvader meer dan eens hooren vertellen. 
1 In den tijd dat hij soldaat was, behoorde er een tot zijne kom- 
pagnie, die tooveren kon. Des nachts zat hij schier altijd in 
boeken te lezen en zoo men hem vroeg hoe hij dit zoo altijd, zonder 
bijna te slapen, kon volhouden, was zijn onveranderlijk antwoord : 
« Ik wenschte ook zoo goed en gerust als gijlie te kunnen slapen. » 
Wierd hij gestraft, dan wilde hij niet dat de deur van het gevang 
gesloten bleef, alhoewel hij geene moeite deed om er uit te geraken. 
« Ik wil den dag zien, en weten wat er in de kazerne omgaat», 
zegde hij. Geviel het nochtans dan men de deur sloot, dan wierp hij 
er met zijne policiemuts tegen en zij vloog dan met zulk geweld 
open, dat zij op hare hangsels kreesch. In dien tijd bestond het 
gebruik dat de gestrafte soldaten tot hunne schande, met kapoot of 
tuniek omgekeerd moesten uitgaan. Dit wilde hij nooit doen. Men 
gebruikte dan somtijds geweld om hem te dwingen zijn kleedsel 
averechts aan te trekken, maar zoohaast hij zijne armen uiteensloeg, 
vloog het aanstonds andersom. Iedereen had schrik van dien soldaat 
en men was genoodzaakt hem zijnen zin te laten doen. 

{Gehoord te HeisUop-den-Berg.) Frans Zand. 



f ragen m Inntekenitigen, 

11. (86.) Oude Rechtsgebruiken. — Een reglement der stad 
Antwerpen van het begin der lé''*" eeuw beveelt dat « alle tavernen 
potten... sullen wesen eenen goeden, dwersen duim meerderen 



180 « Ons Volksleven. »» 

hooger clan de gereghte mate es ofte gedraecht op die peyne van \ 
scellingeu en de potte on twee gesleghen van de coremeesters. » 

Dezelfde schikking vindt men in een reglement van Maastricht 
van 1380. Gelukkige tijden!! (Costumen van Antwerpen, uitgave 
van 1872, boekdeel I, N^" 52. — Costumen van Maastricht, uitgave 
van M. Crahay, N'^ XLVIII.) Zie Handelsblad van den 26" 
Juni 1894. A. O. 



Siijinitó itati Cijkrjiriftett. 

Dietsche Warande, VII, N"" 5. — Vau de Idealen in de kerkelijke schilder- 
kunst (S. Beissel) — Alle begin is moeilijk. Schets uit het leven van Conradius 
Kreutzer (E. 1'olko). — Het katholieke Duitsche kerkelijk lied tot op de 19® 
eeuw (M. B.). — Lessen en raadgeviegen uit een handschrift van Jan de Neve 
(J. Broeckaert). — Daniël Seghers, van het Gezelschap Jezu, bloemschildor. 
1590-1661 (J. F. Kieckens). — De groote Uutzet of Wereldtentoonstelling te 
Antwerpen (A. De Ticheler). — De gebruikskunst in de Wereldtentoonstelling 
te Antwerpen (P. de Mont). — Boekenkennis. — Omroeper. — Bijlagen. 

Het Belfort, IX, N'^ 9-10 — Baron Bethune (G. van den Gheyu). — Mgr. 
Freppel (E. Pauvvels). — Sente Augustijns Regule in Dietsche (W. de Vreese). 

— Broer-Jan (P. Dauco). — Gladstone (J. Feskens). — Landjuweel vau 1479 
(Fr. de Potter). — Stultitia Crucis (E. de Lepeleer). — Driemaandelijksch 
overzicht (J. Cl ). — « Gent door de eeuwen heen » (A.). — Vacantiefeesten 
(E. S.). — Boekeiinieuws en kronijk (X.). 

Annalesdela Société d'Archéologie de Bruxelles, VIII, N"" 3. — Quelques 
réflexions sur la persistance et la transmissibilité des types iconographiques 
(Goblet d'Alviella). — Un chef d'ceuvre ignoré (G. Lefèvre). — Découverte et 
fouille de puits et de galeries préhistoriques d'extraction de silex, a Avennes, 
prov. de Liége (B"" A. de Loë). — La publication des anciens textes (G. Hecq). 

— Documents relatifs a des tapissiers d'Audenarde, Bruxelles, Paris, etc. 
(E. J. Soil). — Les plus anciens échevins de la viUe de Bruxelles. Essai d'une 
liste complete de ces magistrats pour les temps antérieurs a 1'année 1339 
(A. Wauters), — Procès-verbaux des séances. — Mélanges. 

Zeitschrifl des Vereins für Volkskunde, IV, N"" 3. — Das Ei als kosmogonische 
Vorstelluug (Ur F. Lukas). — Die Zahleu im danischen Brauch und Volks- 
glaubcn (H. F. Feilberg). — Die Holle auf Island (K. Maurer) — Die Sitten 
der Turken in Bulgariën (S. Ivanoff). — Haus- und Hofmarken (F. Ilwof) — 
Der Schuk im Volksglauben (P. Sartori). — Der volkstüraliche Kalender- 
glaube in Ungarn (A. Hermann). — Kleine Mitteilungen. — Bücheranzeigen. 








Ie mtmt ïÉllimÖHrjie ^^lellmg, 
in 0trijh met k €u[ iian iiet0rji-36eigfl 

(Vervolg). 

E hoofdverandering, » zegt de heer Kolle- 
wijn, " die wij in de verbuiging niet alleen 
der lidwoorden en bijvoeglijke naamwoor- 
den, maar ook van vele voornaamwoorden 
en telwoorden wensen in te voeren, bestaat 
in de gelijkmaking van de derde en vierde 
naamval aan de eerste. Deze wijziging 
volgt almede uit ons streven, om de schrijftaal meer te doen 
overeenstemmen met de spreektaal » (i). 

De spreektaal maakt inderdaad geen onderscheid tusschen 
Nominatief, Datief en Accusatief, en dit is niet aleen het 
geval in Holland, maar in geheel Nederland en Dietsch- 
België. Om de bedieningen der woorden aan te duiden, 
beschikt de gesproken taal maar over één enkelen vorm, die 
voor alle naamvallen volkomen dezelfde is. Hierin komen 
alle gouwspraken met de beschaafde Hollandsche spreektaal 
overeen. Zoo men echter de Hollandsche verbuiging der 
bijvoeglijke woorden vergelijkt met de wijze waarop ze in 
de Vlaamsche en Brabantsche gouwspraken verbogen wor- 
den, dan ziet men, dat er in dit opzicht een nog al aanmer- 
kelijk verschil bestaat tusschen het Hollandsch en het 
(1) Voorstellen tot vereenvoudiging onzer spelling en verbuiging, bladz. 21. 



182 «* Ons Volksleven. » 

Zuidnedcrlandsch taaieigen. lu hot beschaafde Hollandsch 
toch, hebben alle bijvoeglijke woorden onveranderlijk den- 
zeitden vorm, onvei'schillig of ze vóór een mannelijk, vóór 
een vrouwelijk of vóór een meervoudig naamwoord staan, 
terwijl zij integendeel in 't Vlaamsch en 'tBrabantsch een 
mamielijken en een vrouwelijken vorm hebben. 
De volgende voorbeelden zullen dit klaar doen zien. 

Veebuiging van het lidwoord en het iiof.danigheidswookd 
Mannelijk enkelvoud. 
In 't Vl. eu Brab. : In 't beschaafde Holl. : 

N., D. en A. Den dikken tak. De dikke tak. 

— Den hooge stoel. De hooge stoel. 

— De zwakkeu boom. De zwakke boom. 

— De zieke jongen. De zieke jongen. 
Aanmerking. — Het bijvoegl. w. gaat uit op n, telkens het 

volgende woord met b, d, h, r, t of eenen klinker begint, (i) 
Vrouwelijk enkehoiid. 
In 't Vl. en Brab. : In 't beschaafde Holl. : 

N., D. en A. De groote kerk. De groote kerk. 

Aanmerking. — De hoedanigheidswoorden, uitgaande op eenen 
klinker of op ö?, /, m, n, r en w, missen in 't Brabantsch vóór 
vrouwelijke naamwoorden den uitgang e, waneer een lange klank 
die medeklinkers voorafgaat. Ook waneer m van eenen anderen 
medeklinker voorafgegaan is. Hetzelfde heeft plaats in 't meervoud. 
'En lui vrouw, lui vrouwen; 'en goei moeder, goei moeders; 'en 
vuil straat, vuil straten; 'en ruim ^aal, ruim ^alen ; 'en arm stad, 
arm steden; 'en schoon bloem, schoon bloemen; 'en :^uur peer, 
^uur peren ; 'en grauw kat, grauw katten. 

Ik en kan niet verzekeren, of dit verschijnsel ook in het Vlaamsch 
waar te nemen is. 

Ontijdig enkelvoud. 

In 't Vl. en Brab. : In 't beschaafde Holl. : 

N., I). en A. Het wit schaap. Het wit(te) schaap. 

Aanmerking. — Ik heb opgemerkt, dat in 't Brabantsch het 
hoedauigheidswoord in 't onz. den manu. vorm kan aannemen. 



(1) In Boramige streken alecii voor f?, h, t of coucu Klu.kcr. 



« Ons Volksleven. » 



183 



Zulks gobourt dikwijls, waneer het voorafgegaan is van :{oo een 
(zulk). Zoo e vette vleesch, ^oo'n dunne garen, ^oo e slappen bier, 
:{Oo'n heete vier. 

Meervoud. 

In 't Vl. en Brab. : In 't beschaafde Holl. : 

M., D. en A. De dikke takken, groote kerken, witte schapen (i). 



Verbuiging der 


BEPALENDE BIJVOEGLIJKE WOORDEN. 


Mann. enk. 


Vrouw. 


enk. 


Onz. enk. 


Meerv. 


Vl. A Br. : 


Holl : 


\\..lfi 1!r. : 


Holl.: 


Vl.knBr : 


Holl. : 


Vl. en Br.: 


Holl. 


V.,D en A. Mijiie(n) 


Mijn 


mijn 


mijn 


mij(n) 


mijn 


mijn 


mijn 


— Uwe(n) 


UW 


uw 


uw 


uw 


uw 


uw 


UW. 


— Zijne(n) 


zijn 


zijn 


zijn 


ziJ(Q) 


zijn 


zijn 


zijn. 


— Heure(n) 


heur 


heur 


heur 


heur 


heur 


heur 


heur 


— ' ()iize(ii) 


ouze 


ons 


onze 


ons 


ons 


ons 


onze 


— HuDne(n) 


hua 


hun 


hun 


hun 


hun 


hun 


hun. 


— Deze(n) 


deze 


dees 


deze 


dees 


dit 


dees 


deze. 


— r)ieë(ri) 


die 


die 


die 


dat 


dat 


die 


die. 


— Ééiie(n) 


één 


één 


één 


éé(n) 


één 


— 


— 


— E'ue(n), 'ae(n) 


een V 'on) 


'en 


een( 'en) 


e(n) 


een('eu) 


— 


— 


— Geene(n), enz. 


geen 


geen 


geen 


gee(n) 


geen 


geen 


geen. 


Aanmerking! 


.N. — 


- 1. Vo( 


)r het 


mann. 


geslac 


ht volgen d 



bepalende bijv. woorden denzelfden regel als het lidw. en de lioeda- 
nigheidsw., en hebben dus den uitgang n, telkens dat zij van b, d, 
h, r, t of eenen klinker gevolgd zijn. Mijneji duim, :[ijnen raad, 
'nen boom (2). 

2. Die wordt in sommige streken diene{n). 

3. De n van mijri, ^ijn, één (telw.), 'en (onbep. bijv. w.) ^xvgeen 
valt in 't onz. weg vóór ƒ, g,j, k, l, m, n, p, s, v, iv en \. Mij 
geld, pj peerd, e kind, gee volk. 

4. Waneer de bezitt. bijv. w. aleeii komen vóór de woorden 
vader, moeder, papa, mama, grootvader, grootmoeder, stiefva- 
der, bj'oer, luster, halfbroer, halfzuster, koiiJ7i, schooiibroer, 
schoonzuster, ppager, nemen zij den vorm aan van 't onz. enk. 
Mij vader, ^ij ^uster, heur broer, hun puager. 



De bepalende voornaamwoorden volgen dezelfde regels als de 
bijv. woorden : 



(1) Ziet de aanmerking onder Vrouwelijk enkelv. 

(2) Ziet de nota aan den voet van bldz. 182. 



184 



« Ons Volksleven. » 



Mann. enk 

Vl. & Br. : 

N., D. en A. De niijii(eii) 

— Den ii\ve(ii) 

— Dezelfde(n) 

— Degeiie(n), en/,. 





Vrouw. enk. i 


Onz. 


enk. 


Mee 


HOLL. : 


Vl. &Bb. : 


llOLL.: 


Vl. & Bb. : 


HoLL. : 


Vl. & Be. : 


de mijne 
de uwe 

dezelfde 
degene 


de mijn 
de uw 

dezelfde 
degeen 


de niüne 
de uwe 

dezelfde 
degene 


het mijn 
lift uw 

hetzelfde 
hetgeen 


hot mijne 
het uwe 

hetzelfde 
hetgeen 


de mijn 

de uw 

dezelfde 

degeen 



IIOLL. : 

de mijne. 

de nwe. 
dozelfile . 

degene. 



Uit bovenstaande tafels blijkt dat wij. evenals de Hollan- 
ders, voor de onderscheiding van den Nominatief en Accu- 
satief of Datief niet bet, minste g-evoel hebben. Maar, is de 
naamvalsbuiging- uit onze gesproken taal verdwenen, wij 
hebben nog eene verbuiging tot onderscheiding van geslacht 
en getal, die in de bescliaafde HoUandsche spreektaal niet 
en bestaat. Ik zeg, in de beschaafde HoUandsche spreektaal, 
want men verbeelde zich niet, dat de mannelijke vorm maar 
aleen in België zou gehoord woorden en in Nederland vol- 
slagen onbekend zou wezen! Integendeel, in de meeste 
Noordnederlandsche gouwspraken komt men hem tegen. 
Roorda getuigt dat die vorm gebruikt w^ordt, niet enkel in 
het Zeeuwsch, dat zoo nauw met het Vlaamsch verwant is, 
in het Bommelsch evenals in het Noord brabantsch, in het 
Tielsch en in het Betuwsch, alsook in het Dordtsch, waarin 
men zelfs e'nen os en e'nen haan zegt; maar ook aan gene zijde 
van Rijn en Lek, op de Veluw% in het graafschap Zutfen en 
in het Overijselsch. Zelfs in het eigenlijke HoUandsch is het 
gebruik van den uitgang «, wel niet overal, maar toch in 
veel streken, vrij menigvuldig (i). 

Zoodat de volle mannelijke vorm op n, dien de Kollewij- 
nianen willen begraven, nog leeft op de tong van de groote 
meerderheid der Dietschen, al bezigen zij hem zoowel voor 
den Nominatief als voor den Datief en Accusatief. 

Kollewijn en zijne volgelingen willen gaan schrijven : Zet 
die stoel in de hoek, breng die man eens in de tuin. Goed. Maar 
als wij het ons nu eens in 't hoofd staken te schrijven : De^en 
hof is grooter als dew tingen, :{ij'ne ^oon is eenen oppassende jon- 
gen, wat zouden die heeren daarvan wel zeggen? 

Wat het niet verbuigen van de bezittelijke bijv. woorden, 



(1) Verhandeling over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming tus- 
schen spreektaal en schrijftaal, inzonderheid in onze moedertaal. Leeuwarden, 
G T. N. Suringar. 



« Ons Volksleven, n 185 

van het telw, één en de onbepaalde een en geen betreft, 
iedereen weet dat dit geene nieuwiglieid is. Reeds in 1858 
deed Roorda (i) den voorstel om die woorden, met uitzonde- 
ring van onie, geregeld onverbogen te laten. De meeste Hol- 
landsche schrijvers doen het dan ook en zetten : in ^ijn tijd, 
aan een heer, geen kans, uit mijn oogen, welke taaiverminking, 
zegt Hoogleeraar J. te Winkel, meer dan eenige andere te 
betreuren is. Maar waneer wij nu ook eens dees schoon 
stad, ons warm kleeren en andere afgesleten vormen in de 
schrijftaal gingen overbrengen, hoe zou dit de voorstanders 
der Kollewijnsche spelling aanstaan? 

Ik meen dat wij best zullen doen ook in zake van verbui- 
ging het hekken aan den ouden stijl te laten hangen. Maar, 
zou hier een aanhanger van het Kollewijnsche stelsel kun- 
nen opwerpen, de verbuiging die thans in de schrijftaal 
gevolgd wordt, is evenzeer met uwe spreektaal als met de 
onze in strijd! Het Zuidnederlandsch weet zoo min als de 
beschaafde Hollandsche spreektaal van een onderscheid 
tusschen de naamvallen! Heel waar. Maar gemelde verbui- 
ging erkent onzen mannelijken vorm, dien we niet geerne 
zouden opofferen, en dat doet de uwe niet. 

De Hollandsche verbuiging en deugt niet voor ons, en de 
onze en deugt niet voor de Hollanders. Laten wij, Dietschen 
uit Noord en Zuid, ons dus maar blijven behelpen met de 
gewone verbuiging, die alleen op de oudheid steunt en 
daarenboven het voorrecht heeft de duidelijkheid in ons 
schrijven te bevorderen. 

(Y Vervolgt.) Jozef Cornelissen, 



(1) Verhandeling over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming 
tusschen spreektaal en schrijftaal. 



186 « Ons Volksleven. y> 

f nltegehntikEn iti lfitóii-13nilinnt, 

[Vervolg). 



16. Bc patQttenf0ot. 




EN bewijs dat de landbouwers, als ze wat weelde 
hebben, er ook goed van leven, biedt ons depatat- 
tenfooi, die naar het zeggen der oudjes, reeds in 
1805 bestond. Gedurende eeno week, heeft de pachter met 
zijne werkmansploeg gesteken (2) en een schoonen kuil 
aaidappelen bijeengebracht. Aan het gewoel en gejoel der 
werklieden is 't te zien dat ze vóór den avond gedaan krijgen 
en dat het er zal spannen op het pachthof. Inderdaad, de 
avondklok luidt nog, als reeds het volksken rond de groote 
tafel zit, waar wel 20 tellooren vol gebrokte karnemelk staan 
te dampen. Na dit gerecht, dient men van alle soorten van 
aardappelen met stokvisch op. en ten laatste verschijnen de 
diepe kommen met stijve gesuikerde rijstpap, zoo koud als 
ijs. Of er dan binnengespeeld wordt? Om te sluiten, brengt 
de pachter 2 of 3 potten bier boven, die onder 't zingen 
uitgedronken worden. Alf. J.C. 

De aardappel- of patattenfooi bestaat ook overal in de Kempen, 
met dit verschil, dat het werkvolk er niet onthaald wordt op stok- 
visch en gesuikerde rijstpap, maar wel op pannekoeken of koeken- 
bak met koffie. Hier en daar is het gebruik in zwang, eenen koek te 
bakken met verward vlas in. Deze koek is bestemd voor de « patat- 
tenklos d, d. i. voor hem of voor haar,' die op het veld den lesten 
aardappelstruik heeft lütgesteken. Jozef Cornelissen. 

17. De ia0fficf00i. 

BIJ de geboorte van een kind, zijn de kinderen uit de 
geburen van de straat niet te keeren, omdat er suikei' 
gaat uitgedeeld worden. — Na beuren kerkgang noodigt do 



(1) Z. Ons Volksleven, Yl, bl. d6, 528. 

(2) yS^e^ew =1 aardappelen uitdoen — iuoogsten. 



<* ÖNS Volksleven. » 187 

moedei' peier, meter, verwares (i) en kennissen uit om 's Zon- 
dags 's achternoens bij haar te komen koffie drinken. — 
Gesuikerde krentenboterhammen met koffie trekken nogal 
aan en de koffiewijven ontbreken dus niet op het feestje. Van 
dien dag af zegt men : 

« Moeder X lieeft haren koffie (café) gegeven». Hetzelfde 
gebeui t bij een huwelijk, dan is 't de vrouw die aan de jonk- 
heid uit de geburen haren koffie geven moet. Alf. J. C. 

* 

Dit gebruik is insgelijks iu de Ivempen, onder de meer begoede 
boeren en burgers, in zwang. Na beuren kerkgang onthaalt de 
kraamvrouw bloedverwanten en vriendinnen op rijstpap met suiker 
en krentenboterhammen met koffie. Eertijds at men op dit feestje 
de traditionneele '' zuipe «, eene heete biersoep met beschuit, waar 
de suiker en de eieren niet iu gespaard waren, een gebruik dat thans 
aan 't uitsterven is. Jozef Cornelissen. 

18. jÖtj öc Cerötc Commuute. 

BIJ de kinderen, die geen kerzelaar (2) zijn, — een ding dat 
ge uw leven lang moogt hooren, — bakken ze daags vóór 
de eerste Communie — een Zaterdag — wafelen. Des Zondags, 
na de plechtigheden, komen de eerste communicanten uit 
het dorp elk met eenen maat (die ver van de kerk woont) 
naar huis middagmalen, waarna zij in de bijzonderste huizen 
een bezoek afleggen. Daar wordt al eens gevraagd of ze 
diepe tasschen (zakken) hebben en de kinderen, wetende dat 
er altoos wat afvalt, staan gereedelijk toe dat de moeder of 
vader des huizes er eens in taste. Na het lof gaan zij samen 
's pastoors wijn proëVen en in zijnen hof een poosje spelen. 
Rond den vijven echter gaan zij rond in de huizen van al de 
eerste communicanten waar hun wafelen, bier en andere 
lekkernij wordt aangeboden. Alf. J. C. 

Dezelfde gebruiken bestaan ook in de Kempen. Te St. Antonius 
en andere omliggende dorpen worden de eerste-communicanten 

(1) Yo'wares = vroedvrouw, baker, voedster. 

(2) Kerzelaar zijn = uitgesteld ziju oui redeu vau deuguieterij ofouweteud- 
heid. 



188 « Ons Volksleven. » 

« gepaard )), de jongens met de jongens, en de meiskens met de 
meiskens. Die verre van de kerk wonen, krijgen eenen maat uit het 
dorp, bij wien zij na de mis gaan koflftedrinken. Ook wordt er voor 
gezorgd, dat de armste kinderen Ijij de meer begoede kunnen gaan 
middagmalen. 

Te Vorst, waar de kinderen hunne Eerste Communie doen op 
Palmenzondag, worden de eerste-communicanten, bij hunne intrede 
in de kerk, door den geestelijke, vergezeld van de misdienders, met 
palmtakken ingehaald. Jozef Coenelissen. 

DE dienstboden, zoowel als de meesters, willen hunnen 
verlofdag, den derden Mei, op hunne manier vieren. Dan 
is 't een gelach, en geschater; een gerij en gerots, een gerol 
en gegrom, als ware heel de wereld logelaten. Hier ziet ge 
onbehendige meesters, nu met de handen vol werk, alles 
verkeerd behandelen, terwijl knechten en meiden kommer- 
Joos feesten; daar rijden dienstboden mot hunne kist op 
kruiwagen of kar naar eenen nieuwen post. Waar ge 's mor- 
gens een vergramden meester en een barschen dienstbode 
ziet scheiden, zult ge 's avonds 'nen baas en 'nen knecht 
lachend met de beenen onder de tafel zien zitten. Zij, die niet 
van woonst veranderen, trekken tegen avond, naar een 
naburig dorp waar al de dienstboden gewoon zijn derden 
Mei te vieren. Of er daar gesprongen en gedronken wordr, 
hoeft niet gezeid; slechts laat in den nacht keeren de ker- 
misvogels huiswaarts en droomen daar van vreugde en 
vermaak totdat 's meesiers geroep hen al vroeg in den 
ochtend uit den slaap zal wekken. Om te weten wat er dan 
in hen omgaat, als ze weer een lang' jaar werkens voor hen 
zien liggen, moet ge zelf geen dienstbode wezen. 

28. De örie illaaubagcn. 

6p de Maandagen van Opdorp-, Londerzeel- en Bornhem- 
kermis, wordt er drij uren in de ronde niet gewerkt. Van 
oudsher verrichtten de naburige di)rpe!ingen dan geen slag. 
Vele van hen gaan naarde kermis; de andere, in hun werk- 
mansplunje, nemen in hun dorp deel aan verschillige spelen, 



- Ons Volksleven. » 



189 



zooals het bollen of het kaatsen, waarin vleesch, voorsten, 
kleederen, enz. voor eenen kleinen inleg te verkampen staan. 
Op vele plaatsen bakken ze op die dagen ook koeken en 
wafelen. 

21. He Mishemvs in he (i^0eïre-tUeek. 

TT IER en daar doen heden nog, lijk eertijds overal, de 
il misdienders hunne jaarlijksche ronde. Dit gebeurt in de 
Goede-Week. De oudste misdiender draagt eenen korf, de 
tweede houdt de beurs, een derde opent en sluit telkens de 
deur. Overal zijn die brave jongens welkom : hier ontvangen 
zij eieren, dnar geld, elders worden zij onthaald op bier of 
boterhammen. 

{Lippeloo, St. Amands, Breendonk, Willebroek, Oppuurs, 
Malderen en omstreken.) 



['t Vervolgt.) 



Alf. J. C. 



Eertijds gingen iu de Kempen, niet enkel de misdienders, maar 
ook de koster, de pastoorsmeid (voor den pastoor) en de veldwachter 
in de Goede-Week om eieren rond. 

Ik kan niet verzekeren of dit gebruik nog ergens in zwang is, 
maar 't is wel te denken. Over een veertigtal jaren bestond het te 
Zoersel en de meeste dorpen uit de streek en, nog geen tien jaar 
geleden, haalden te Vorst de misdienders en de koster iu de Goede- 
Week eieren rond. In dit laatste dorp en in de omliggende plaatsen 
zal dit nog wel het geval wezen. Jozef Cornelissen. 



[Vervolg). 

VI. 

EN man, Bazin geheeten, ging 's nachts uit stelen op 
het veld van zijnen gebuur. Deze was op zijne hoede 

en hield eeneoogin 't zeil. Van zijnen kant had de 

dief alle voorzorgen genomen, om niet gezien te woideii : 

(1) Z. Ons Volksleven, VI, bl. 16S. 




190 « Ons Volksleven. »» 

zelfs had hij eenen mutsaard dorens meegebracht, om er de 
maan, die juist vol was, mee dicht te stoppen. Maar de 
eigenaar van het veld betrapte hem op heeterdaad. Bazin, 
om hem schrik aan te jagen, riep meteene holle stem: « Ik 
ben uit, mijn graf opgestaan en kom hier, in den naam van 
God, om de kleine en de groote mee te nemen w. De andere 
op den loop en Bazin kon gerust ajuin en rapen uittrekken. 
Maar, zoo hij er al in gelukte aan d(^ menschelijke gerech- 
tigheid te ontsnappen, aan de straf van God ontkwam hij 
niet. Hij weid veroordeeld om in de maan te zitten met zijnen 
bundel dorens. Het samengetrokken gelaat dat wij in de 
maan zien en dat zoo treurig de aarde bekijkt, is het gelaat 
van den dief. De moeders maken hunne kinderen bang voor 
Bazin als voor Croquemitaine en zeggen hun, waneer zij iets 
misdoen : «Kijk! Bazin heeft u in de oog!" (Luiksche 

legende) (i). 

VII. 

In de maan, zegt mon te Florenville (Luxemburg), ziet men 
het aangezicht van Kaïn, die, beschaamd over zijne misdaad, 
zich in den dag niet durft vertoonen. 't Is daarom dat de 
maan mnar aleen 's nachts schijnt. 

Somwijlen, om zich beter aan het gezicht der menschen te 
onttrekken, verbergt Kaïn zich achter eenen doornstruik. 
Men onderscheidt zijnen mond, zijnen neus en zijne ooren, 
dat is, wat wij de vlekken in de maan heeten (2). 

VIII. 
Men ziet in de maan Kaïn, die eenen kruiwagen voort- 
stoot. Hij is veroordeeld om dien kruiwagen te voeren tot 
aan het einde der wereld, tot straf voor zijne misdaad 
(Chassepierre, Luxemburg) (3). 

IX. 

Een groentenverkooper, zoo vertelt men in Groningen, 
sprak eens onwaarheid ten opzichte van zijne koopwaar en 



(1) A. Harou. Mélanges de Tradüionnisme de la Belgique, bl. 2-3. 

(2) A. Haroü. Mélanges de Tradüionnisme de la Belgique, bl. 3. 

(3) Mededeeling vau deu heer A. Harou. 



" Ons Volksleven, y* 191 

voegde er bij, dat hij met juk en groentenmanden naar de 
maan mocht vliegen, zoo hij gelogen had. Nauwelijks had 
hij dit gezel d, of hij werd met heel zijnen rommel naar de 
maan verplaatst (i). 

X. 

Volgens de Geldersche boeren is de man in de maan een 
arme drommel geweest die op Kerstnacht met zijnen hond 
uitging om hout te stelen, en voor zijne straf met houtbussel 
en hond naar de maan vloog (2). 

XI. 

Een dronkaard lag aan de helling van eenen heuvel met 
zijn hoofd op eenen takkenbos te slapen, toen de opkomende 
maan, die juist sikkelvormig was, met de punt van haar 
benedensten hoorn zoowel in het touw^ van den takkenbos 
als in den broekzak van den zatlap haakte, en beiden van 
den grond lichtte en met zich naar de hoogte meenam. De 
vent, in die hangende positie wakker wordende en vree- 
zende naar omlaag te zullen vallen, werkte zich op en 
plaatste zich overeind tusschen de hoornen van de maan, en 
nam den takkenbos op zijnen nek, hopende, na eene uur of 
wat, als de maan onderging, er bedaard weer uit te stappen. 
Dat is hem echter tot heden niet gelukt, en tot schrik van 
alle dronkaards, moet hij ten eeuwigen dage in de maan 
blijven pronken (3). 

XII. 

Volgens anderen is de man in de maan de eerste tabaks- 
rookei' geweest, die tot straf, dat hij de menschen tot 
schoorsteenen maakte, door den schoorsteen naar de maan 

gevlogen is (4), 

XIII. 

Te Salzwedel in Altmark verhaalt men dat in de maan een 
meisje, zit te spinnen. In een dorp uit de buurt woonde eene 
weduwe met hare dochter, de beste spinster uit den omtrek. 



(1) Navoi'scher, Bijblad, 1855, bldz, 26. — (2) J. Van Lennep en J. tkb 
Gouw. De Uithang teekens, D. II, bldz. 222, — (3) J. Van Lennep en J . ter 
Gouw. De Uithangteehens, D. II, bldz. 221. — (4) Ibid , D, II, bldz. 222. 



192 - Ons Volksleven. » 

Zij verdiende daardoor voor zich zelve en hare moeder den 
kost. Maar het meisje had een gebrek : zij was verzot op 
spel en dans en dat wierd haar ongeluk ; want op eenen 
Lieve-Vrouwedag (waarop naar het volksgeloof de ongehoor- 
zame kinderen dadelijk na eene overtreding van het vierde 
gebod gestraft worden) was zij gaan spinnen en had hare 
moeder beloofd vóór middernacht thuis te zijn. Onderwege 
naar huis hoorde zij echter, dat ergens muziek gemaakt en 
gedanst wierd ; zij bleef dansen en springen tot verre na 
m.iddernacht. De moeder wieid eerst ongeduldig, toen 
ongerust, en zeide : " Ik wou dat het ongehoorzame kind in 
de maan zat en daar spinnen moest! » Dadelijk wierd deze 
wensch vervuld en nog heden zit zij in de maan, waar zij de 
fijne draden spint, die in den herfst op de aarde vallen (i). 
('t Vervolgt.) Jozef CORNELISSEN. 






fBttdöelö. 




6. (53.) iRöote, kaooe! gaat o^j en Xot\ 

'en oud manneken ging hout rapen in 't bosch. Terwijl hij 
bukte om een taksken op te rapen, hoorde hij onder in den 
grond eene zware mansstem zeggen : 

Kavie ! kavoe ! 
Gaat op en toe ! 

Die woorden waren nog maar pas uitgesproken, of daar gaat, op 
eenige stappen van hem, een perksken gras omhoog gelijk eene val. 
Het was daar de ingang van een roovershol, en er kwamen drij 
zwarte mannen uitgekropen. Ge kunt denken hoe ons ventje ver- 
schoot! Hij had nog maar hun haar gezien, of hij zat al vol schrik 
achter 'nen strunk. Zoogauw als de roovers weg waren, kwam ons 
manneken achter zijnen boom uit, en ging nieuwsgierig naar de val 
kijken. Ze was toe. Hij probeerde om ze op te lichten, maar 't was 



(1) Nolkslunde, I, bldz. 217. 



« Ons Volksleven. » 198 

verloren moeite. « Hoe hier binnengeraakt? « peinsde hij. Terwijl 
liij daar al stond te verz innen, wierd hij ineens denken op de aardige 
woorden die de roovers uitgesproken hadden, en hij zei : 

Kavie! kavoe! 
Gaat op en toe ! 

Die woorden waren nog niet koud, of de val ging omhoog, en het 
ventje daalde langs eenen trap in het hol. Hij komt in eene groote 
zaal uit, die vol zilveren geld ligt ; hij komt in eene tweede vol 
gouden geld ; in eene derde, waar voor duizenden en duizenden 
franks bankbriefkens opeengestapeld liggen. 

Het gouden geld stak nog meest van al het ventje zijne oogen uit : 
hij ging algauw zijn hout uitschudden, en laadde zijnen zak vol 
gouden geld. Toen hing hij hem op zijnen rug en trok af met zijnen 
buit, al sleurende zooveel hij maar sleuren kost. Op de woorden : 

Kavie ! kavoe ! 
Gaat op en toe ! 

ging de val weer omhoog en viel achter zijne hielen toe. Thuis 
gekomen, schudde het ventje zijn geld allemaal in zijnen kelder. 
De volgende dagen ging hij nog verscheiden keeren terug, totdat hij 
eindelijk 'nen heelen berg goudstukken in zijnen kelder had liggen 
en zoo rijk was als het water diep is. 

Nu wou hij zijnen schat eens gaan natellen, maar als hij al 'nen 
halven dag lang geteld had, zag hij nog niet, dat hij iet gevorderd 
was. « Wacht, peinsde hij bij zijnzelven, r 't is beter dat ik het 
meet. Hij ging dan naar zijnen gebuur den mulder om eene meu- 
kensmand te leenen. Toen hij ze 's anderendaags wederom droeg, 
vond de mulder twee goudstukken tusschen de wijmen zitten en, 
als eerlijk man, wou hij ze teruggeven. 

« Houdt gij die maar w, zei het ventje, « 't komt er bij mij op geen 
goudstuk op aan : ik weet er nog zooveel liggen ! v 

— « Wat! n riep de mulder verblijd, *> weet gij goudeu geld 
liggen? Willen wij er samen eens naartoe gaan? » 

— « Ja, dat wil ik wel doen r , antwoordde het oud manneken. En 
zij gingen getweeën naar den rooverskuil in 't bosch, en trokken 
ieder met 'nen zak vol bankbriefkens en goudstukken naar huis. 

's Anderendaags kwam de mulder het ventje uitroepen, om nog 
een reisken naar den geldkelder te doen. 



194 « Ons Volksleven. » 

— « Ga nu maar aleen, «zei 't manneken, « ge weet nu den weg; 
ik ga niet meer mee, want ze zouden ons wel eens kunnen vastgrab- 
belen. » 

De mulder trok dan maar aleen naar 't rooversliol en laadde zijnen 
zak alweer vol gouden geld. Ineens hoort hij de roovers van verre 
aankomen en wilt zich spoedig uit de voeten maken, maar eilaas ! 
hij is de wondere woorden vergeten, die de val kunnen doen open- 
en toegaan. Hij vindt van alle aardige gezegden uit, die er iet of wat 
op trekken; hij stoot en stampt, maar niets genaderd : de val blijft 
gesloten. De roovers komen al dichter en dichter, en de mulder, 
niet wetende waar blijven, vlucht vol angst in eene kas. 

De roovers zeggen : 

« Kavie! kavoe! 
Gaat op en toe ! » 

— " Dat is 't, zucht de mulder. 
Maar 't is te laat ! 

Hij hoort de roovers ondereen zeggen : « Zie ! ze hebben weer aan 
ons geld gezeten : daar staat nog een volle zak ! . . . De dief moet hier 
zijn, want 'k riek menschenvleesch ! . . . Daar in de kas! » 

— « Nu ben ik er aan, » peinst de mulder. De moordenaars ruk- 
ken de kas open en trekken er den sukkelaar uit, die meer dood was 
als levend. 

— « Ha! ha!)) grijnzen de schelmen," 't zijde gij, mulderken, die 
ons besteelt! -> 

— " Neen... 't is... 't is... 't oud... 't oud ventje uit mijne gebu- 
ren, y hakkelt en snikt de mulder. 

— « Wacht ! we zullen u leeren ! » zeggen de zwarte mannen en 
meteen pakken zij den armen bloed vast en kappen hem den kop af. 

En daar kwam een verkeu met 'nen langen snuit en mijn vcrtel- 
selken is uit! 

(Schelle.) Lenaard Leh km bke . 

Dit vertelsel is eene episode van het ^volbekend Arabisch sju-ookje 
A H-Baba en de veertig- Roovers uit De Diiiiend en éénen Nacht, 
waaraan het ongetwijfeld, hoewel niet reclitstreeks, ontleend is. 
Bijna letterlijk hetzelfde vertelsel is te vinden in Sébillot's Contri- 
biitions a P étude des contes popiilaires 2" deel, Contes popiilaires 
de la Haute-Bretagne qui présentent des ressemblances avec des 




« Ons Volksleven. » 195 

contes imprimés), onder den titel Seciindum, ouvre-toi, maar de 
episode van den gebnur,die door de roovers in liet hol gedood wordt, 
ontbreekt. J. C. 



36t0metelijke %k\{\m, ^'^ 

[Vervolg). 

ANEER gedurende den nacht van den P Januari de wind 
geweldig waait, moet men zich aan de pest verwachten. 
(Tuinman. Voorteekenen van het ipeder, bldz. 3). 
Waneer er op Lichtmisdag mist hangt, heeft men besmettelijke 
ziekten te vreezen (de Rkinsberg, Calendrier beige, I, 91.) 

— Op Lichtmis ontsteekt de Kempische landbouwer de gewijde 
keers en laat drij dru})pels was lekken op en achter de oor van ieder 
zijner ossen, peerden en koeien, om ze tegen alle besmettelijke 
ziekten te vrijwaren {Ibid., I, 91.) 

— De rijmspreuk der Fransche boeren : 

De S*« Pharaïlde la chaleur, 
c'est sa colère et not' malheur 

heeft betrekking op den 1P° nacht (11 nachten na Kerstmis), waar- 
aan in de Laustz nog het geloof verbonden is, dat waneer de regen 
dien dag door zonneschijn gevolgd wordt, dit de pest en andere 
besmettelijke ziekten doet voorzien. (CoKE.:\rANS, La Fête de Joul, 
23, 24.) 

— In veel plaatsen zeide men eertijds dat de voorbijgang van den 
Wandelenden Jood samenviel met de verschijning van de cholera. 
In zijne Histoire des environs de Briixelles haalt A. Wauters een 
voorbeeld aan, tot staving van die bewering. 

— Het is goed op Sinksen de stallen te reinigen door middel van 
vuren, waarin men geneverbeziën werpt, en op dien dag vuren te 
ontsteken op de hoogten ; want dergelijke vuren verjagen, naar het 
volk gelooft, de pest en de kwaaddoende geesten. (Cokemans, 
UAnnée de l'ancienne Belgique, 23, 81-82.) 



(1) Z. Ons Volksleven, VI, bl. 177. 



196 « Ons Volksleven. » 

— Te Gallemaarden, een dorp bij Geeraardsbergen, was het 
eertijds op den 25" Januari het gebruik, dat een man, met een wit 
hemd over zijne kleederen, te peerd de straten van het dorp en die 
der naburige dorpen doorreed, en onder het volk kleine boUekens 
van roggemeel met zout wierp, terwijl hij deze woorden uitsprak : 
« Zout, ik werp u met de hand die God mij heeft verleend. » De 
boeren verzamelden gretig die bollekens en gaven ze aan de beesten 
te eten, vastelijk overtuigd dat zij de kracht hadden om het vee 
tegen alle besmetting te vrijwaren, (de Reinsbekg, Calendrier 
beige, I, 76.) 

Heiligen, die tegen besmettelijke ziekten 
aanroepen worden. 
Te Anderlecht wordt de H. Guido aanroepen tegen den buikloop, 
de besmettelijke ziekten en de ziekten van peerden en vee. 

— In België zijn elf kerken toegewijd aan St. Sebastiaan, den 
machtigen beschermer tegen de pest. {Ibid., I, 66.). 

— De H. Rochus, wiens voorspraak men inroept tegen de pest, 
wordt veel vereerd in België. 

In de stad en het bisdom Luik wordt hij vooral gediend. Nevens 
de hoofdkerk is eene plaats, die aleen tijdens eene wreede besmet- 
ting van de ziekte bevrijd bleef, ter oorzake van een beeld van den 
heilige, dat zich daar bevond. {Ibid., II, 102.) 

— De H. Macarius wordt insgelijks aanroepen tegen de pest. 

— Te Meerbeek wordt deH. Berlinde vereerd, wier voorspraak 
men bijzonderlijk inroept tegen besmettelijke veeziekten, (/è/^. ,1,99.) 

— De H. Antonius is mede een beschermheilige tegen ziekten van 
menschen en dieren. 

Te Merchtem in Brabant, gaat den 17" Januari eene plechtige 
processie, ter eere van den H. Antonius en ter gedachtenis dat het 
dorp eertijds, door zijne voorspraak, van de verwoesting dor pest 
werd bevrijd. {Cal. Beige, I, 61.) 

— Te Leuze (Henegou w) werden de reliquieën van den H. Badilo 
ten tijde van besmetting, openbaar uitgesteld. Dien dag verlieten 
de kinderen vroeger dan naar gewoonte de school en gingen naar 
de kerk, waar zij, binnentredende, zegden : « Goeden dag, St. 
Badilo! » 

Hetzelfde geljeiirde, waneer de reli(|uickas weggebracht werd; 
dan zegden ze : « Tot wederziens, St. BatHlo ! » 



« Ons Volksleven. » 197 

— De kermis vau Bergen dankt haar ontstaan aan eene proces- 
sie die voor den eersten keer in 1349 uitging en ten gevolge waar- 
van eene besmettelijke ziekte, die sedert verscheidene maanden 
in de stad heerschte, geheel verdween. 

Uit dankbaarheid voor eene zoo groote weldaad, stelden de gees- 
telijkheid en het magistraat eene jaarlij ksche processie in, tereere 
van de H. Drievuldigheid en Sinte-Waudru. (Ibid., I, 380.) 

— Onder den titel van " Troosteres der Bedrukten » wordt te 
Deysbeke bij Sotteghem een Lieve- Vrouwebeeld vereerd tegen de 
kwaadaardige koortsen en de besmettelijke ziekten. (Ibid.,) II, 160.) 

— Eertijds zag men te Thienen een wonderbeeld der H. Maagd, 
die er voornamelijk aanroepen werd tegen de pest, omdat door hare 
voorspraak de inwoners in 1597 verlost werden van deze ziekte, 
die alsdan vreeselijkin de stad woedde. (Ibid., I, 354.) 

Alfried Harou. 

f nlfegekuiken tu êtmmim m Muü-^Mémi 

{Vervolg). 

3. (Gebruiken nt lïerntaken tn onzen tijö. 

LLE oude lieden zeggen dat het hier in liimne jeugd 
veel vermakelijker toeging dan tegenwoordig, en er 
zelden een geruime tijd verliep, waarin niet eens 
of meermalen eene vroolijke partij plaats had, zooals ik die 
in vele handschriften mededeelde. Voor al dit gemis bestaan 
echter eenige andere genoegens, als liedertafels en zangers- 
feesten, harmonieën en muziekuitvoeringen, landbouw- en 
veeteeltfeesten, tentoonstellingen, vuurwerken, schitteren- 
der dan ooit in eene vorige eeuw, pleizierreizen, mastklim- 
men, zakloopen, enz. 

Tot dezen tijd kwamen de kermissen in de eerste plaats in 
aanmerking. Hiernaar verlangt vooral de mannelijke en 
vrouwelijke jeugd zoo zeer, hoofdzakelijk met het oog op het 




198 « Ons Volksleven. " 

dnnsen, hetwelk daarbij steeds onafscheidelijk was, en nu 
niet meer als in vorige eeuwen, alleen om het vermaak, maar 
veelal uit drift zou geschieden. De R. K. geestelijken raden 
het kermishoudon meer en meer af, en 't vermindert thans 
ieder jaar in dit oord. 

De jaarlij ksche kermis werd tot omstreeks het jaar 1870 in 
deze landstreek nog schier in elke parochie met onbedwon- 
gen vroolijkheid en luidruchtigheid gevierd. Tot vóór 
weinige jaren namen nog alle standen deel oan de kermis, 
waarbij het gemeen soms zoo uitgelaten en opgewonden is, 
dat het de verbazing der vn emdelingen opwekt. 

Evenals in meerdere oorden onzer provincie, wordt soms 
de kermis, daags of 's Zondags daarna, begraven. De kermis, 
door eene pop voorgesteld, wordt onder gejoel en het nutti- 
gen van sterke dranken begraven. Te Goorle, bij ons Kem- 
penland, geraakte bij dat gebruik. Zondag 17 Sept. 1871, de 
gemaakte stroopop in brand in eene schuur der herberg, 
waardoor het gansche gebouw de prooi der vlammen is 
geworden. (Z. Meief^ijsche Courant yan 23 datum). 

4. (iDpmerktugett non «eröfljUUuöen aarï». 

PEL en vei'maak zijn voor den mensch onmisbaar; 
doch, worden zij te veel genoten, dan ontaarden zij 
niet zelden in ergerlijke misbruiken. Afschaffingen 
verbod vermochten altijd minder dan de verspreiding van 
beschaving en godsdienst. « De woeste bekkesnijders en 
dolle vastelavondsgekken van weleer», zegt J. ter Gouw, 
« waren door geen keuren of plakkaten en evenmin door 
preeken en tractaatjes te verdrijven, maar zij weken vanzelf 
terug, waar de volksbeschaving veld won. » 

Men kan de kenmerkende karaktertrekken eener natie 
veel beter leeren kennen uit de volksgebruiken en -verma- 
ken, dan uit staatsinstellingen; want de gebruiken en ver- 
maken hebben invloed op dezeden des volks, en de zeden op 
de vermaken en gebruiken. 

Van den vroegsten tijd af waren de volksgebruiken en 
volksvermaken van grooten invloed op taal en spreekwijzen, 




« Ons Volksleven. » 199 

on tovens — de kinderspelen vooral — een open boek, waar- 
aan leeraars, wijsgeeren en dichters vergelijkingen, lessen 
en voorbeelden ontleenden. 

De spreekwoorden zijn de sprekendste bewijzen van de 
indrukken, die het levendigst op 's volks geest gewerkt 
hebben. Honderden spreekwoorden zijn ontleend aan — of 
toegepast op kermis en Vastenavond, Paschen en Pinksteren, 
drinken en dobbelen, tornooien en bekkesnijden, zang, dans 
en muziek, schietboog en tooneelspel, jagen en visschen, 
bal- en kaartspel, kegelen, beugelen, kaatsen, kolven, 
knikkeren, slootspringen, stokpeerdje en pop, enz. Zij 
bewijzen hoe onze voorouders aan spel en vermaak dachten 
en dit overal bij te pas brachten. 

Van de volksvermaken kregen ook plaatsen en straten 
hunnen naam. 

In het vroegste tijdperk zijn de volksliedjes slechts eenvou- 
dige en korte deuntjes, die van mond tot mond gaan en, 
telkens gewijzigd of, onder latere indrukken, weer vergeten 
en door andere vervangen worden. Aan die deuntjes ont- 
breekt doorgaans alle kunstvorm : poëten kunnen ze zoo niet 
maken ;'t is de wildzang van het volk.Eene opgave van volks- 
liedjes hoort hier niet thuis : ik heb ze ook elders verzameld. 

Schraal en dikwijls erg verward zijn de berichten nopens 
oude volksgebruiken en vermaken. Hetgeen daaromtrent 
uit het volksleven nog had kunnen opgeznmeld worden, 
heeft men laten verloren gaan. IJdel is het jammeren 
daarover, dewijl dit toch niet meer op te sporen is. Men 
moet tevreden zijn met hetgeen men nog kan te weten 
komen. 

Dat vele oude gebruiken en vermaken in den Germaan- 
schen voortijd wortelen, is zeker; maar van alle daar de 
herkomst te willen vinden, is dat oudheidzucht niet wat al 
te verdrijven? 

Zeer veel is overal, schier in elk tijdvak, doch wellicht 
nooit zoo menigvuldig en aanmerkelijk dan binnen de laatste 
halve eeuw, ook hier veranderd ; langzamerhand worden 
gebruiken en gewoonten van vroegere dagen verdrongen en 
afgeschaft. 

(t Vervolgt.) P. N. Panken. 



200 « Ons Volksleven. « 

Sujinitó turn Cijkrjjriften, 

Volk en Taal, VII, N"" 5. — üuze Vlaamsche dagwijzers ( A. van Ileuversvvyn). 
— Bijdrage tot den Dietscheu taalschat (M. de Schrijver). — Spinderslied 
(M. E. E. Amri). — Vertelsels (R. S.)- — Uit het kin 'erleven (N. van Nieu- 
vvetihuyse). — Fransche tijd te Oudenaarde. 

Biekorf, V, N-- 19. — Meire-Linde (E N.), — De Diedrick's Sage (L. B.). — 
Van de Mare bereden (J. Fové). — Mingelmaren. 

Volkskunde, VII, N"" 8. — Oüze oude liederen, 1-3 (1'. de Mont) — Een 
herinnering uit mijn kinderjaren. St. Eloy, patroon tegen de nagelgaten. — 
Sagen (l'. d. M.). — De legende van den Goeden-Vrijdag — Vragen on 
Aanteekeningen. 

Dietsche Stemmen, II, N'" 6. — Landverhuizing. Yervolg. [A. Y . S^ .). — 
Feestmalen in vroegere eeuwen (Th. Sevens). — Constans Clerus (J. W. Van 
Ghf-nck) — Het Kind, lierzang (ld ). — Jonckbloet's «Multatuli» en de 
critiek. — Beschouwingen over Anthropologie. — Een twistpunt in de 
Staatsleer (J. van Mierlo). 

Het Belfort, IX, N"" 11. — Van Koetsveld's papieren nalatenschap (A. J. 
Oostdam). — De stem der gratie (B. Mets). — De linnenweverij in vroegere 
eeuwen te Kortrijk (Th. Sevens). — Een sterreken (Fr. Stockmans). — 
Gladstone (J. Feskens). — Uit de pathologie der taal (H. Meert). — Het vuur 
van den hemel (O. Loosen). — Boekennieuws en Kronijk. 

Wallonia, II, N'' 11. — La Toussaint et Ie Jour des Ames. I-II (.1. Lejeune, 
O. Colsoii). — Recettes médicales (L. Detrixhe). — Chansons sur les mariage. 
I-Il ( J. Médard, L. Colson). — Les Pourquoi. VI-VII (Ch. Bartholomcz, Z. 
Henin). 

Revue des Traditions populalres, IX, N"" 10. — La scène de 1'Avocat et du 
berger dans la farce de Tathelin (S. Prato).— Les Meudiaats. II (H. Marlot). — 
La Mort du mari. II-IV (L. Morin). — Les Météores. VI. La mer phospho- 
rescente (R. Basset). Tradit. et superst. du Bocage normand et du Cinglais 
( A. Fatry). — L'enfance du pêcheur. II-III (B. Vigon, P. S). — Ustensiles et 
hibelots populaires. Vil (P. S.). — Les rites de la construction. XXl-XIlI (W. 
Gregor, A. Harou, Hersart de la Villemarqué) — Coutumes de mariage. 
(XVll-XXIII (L. Morin, G. Fouju, H. Heinecke, A. Patry, A. Certeux, H. 
Marlot). — Les Métiers et les professions. II-III (P. S., J M. Carlo, W. 
Grégor, M™« Destriché). — Contes de rExtrême-Orient. XVI XXI (R. Basset). 
— Les fées de Montretemps (R. Gratïit)]. — Tradit, et superst de la Creuse 
(Auriooste de Lazarque). — Les Ecrivaiiis francais et les tradit. pop. XIII 
(P. Sébillot). —Necrologie (F. S ) — Bibliographie. — Notes et Enquêtes. 

Mélusine, VII, N"" 5. — La Biche blanche (G. Doncicux). —Le Mariage en 
mai (H. Gaidoz). — Un chant de Quête du Brivadais (P. Le Hlanc). — La 
Fascination : c), Thérapeutique. Suite (J. Tuchmann). — L'Etymologie 
populaire et le Folk-Lore (H. G). 

BiatterfürPommersche Volkskunde, III, N-- 2. — Wode und Wodelbier (O. 
Knoop). — Pommersche Marchen(W. Koglin). — Pommersche Volksratsel 
(Df A. Brunk). — Volkstümliche Buchinschriften (D-" A. Haas). — Feuersegen 
(Dr A. Haas). Abzahlreime (O. Knoop). — Volkshumor (Gadde) — Neue 
Volkssagen aus Pommern (O. Knoop). 



m Btrijh met k €u{ mu lieterti-IJelgfê, 



{Slot. 



llerbutgtttg {Vervolg.) 

xTLr blijft ons nog een woord te zeggen over de verbuiging 
^* van hetpersoonl. voornaamw. van den 3" pers. meerv. 
en over den meervoudsuitgang der zelfstandig gebruikte 
voornaamwoorden . 

MetKollewijn wonschen wij liet onderscheid tusschen hett 
en hu7t te zien verdwijnen. Dat onderscheid is inderdaad 
geheel willekeurig en werd door de spraakkunstenaars van 
later tijd in de schrijftaal ingevoerd. Hen en hun zijn niets 
anders dan wisselvormen als spel en spul, gij ^ult en gij :{elt. 
Bij mijn beste weten is de gedaante hen in België volslagen 
onbekend. 

De HoUandsche spraakkunsten geven voor het vrouwelijk 
meerv. de vormen haars, harer en haar in strijd met de 
levende taal, die van geen onderscheid weet tusschen de 
verbuiging van het mann. en het vr. meerv. Wel hoort men 
hier in 't meerv. somwijlen /lez/r gebruiken, doch dit geldt 
evenzeer voor het mann. on het onz. als voor hetvr. geslacht. 

Hetzelfde dient gezeid van het bezitt. bijv. woord van den 
3° pers. meerv. Men zegt ja : « die vrouwen heur' kinderen «^ 
naast « hun {hullie, hulder = hunlieder) kinderen » ; maar ook : 
«die menschen heur huis, die kinderen heur moeder», 
nevens : « die menschen hun {hullie, hulder) huis, die kinderen 
hun {hullie, hulder) moeder ". Trouwens, het bezittelijk bijv. 
woord van den 3" pers. was oudtijds in 't meerv. voor de drie 
geslachten haar. 

VI 11 



202 " Ons Volksleven. » 

Volgens D*" Kollewijn en A" nemen de bepalende bijv. 
woorden en voornaamwoorden, zelfstandig gebruikt, in het 
meerv. nooit den uitgang n. Maar waarom krijgen de hoeda- 
nigheidswoorden, zelfstandig gebezigd, dien uitgang wèl? 
Waarom in 't meervoud ook niet geschreven de ^ieke, de 
goede, de arnie'^. 

Een van de hevigste voorvechters der nieuwe spelling, de 
heer J. M. Hoogvliet, zogt daarover : « Heeft de kommissie 
wel bedacht, dat zij dan konzekwent ook als meervouden 
moet gaan schrij ven de :{ieke, de afgestorvene, de goede, de 
bo^e, enz.?.... Ons persoonlijk komt het zeer aannemelijk 
voor, dat inderdaad het gehele substantivis'e meervoud bij 
de adjektieven, algemene telwoorden, enz. een zuiver ver- 
zinsel zou zijn van de taalleraren, die in de laatste eeuwen 
over onze spraakkunst schier onbeperkte heerschappij heb- 
ben gevoerd. Wanneer wij de zustertalen raadplegen, vinden 
wij daarin van zulk een substantivis' meervoud geen spoor. 
In 't Engels' wordt sommigen beweren vertaald door some 
pretend, velen onderstellen door many siippose, velen, allen, 
sommigen wordt weergegeven door many, all, some (people\ 
dezulken door such, the like (people), de mijnen door mine (Enk. 
en Mv.), de oni^en door onrs (Enk. en Mv.) en eveneens de 
gieken, de afgestorvenen door the sick, the deceased enz. (i) In 
de Skandinavis'e tab-n is de toestand volkomen d zelfde. Ook 
in het Duits', dat nimmer ren n aan het woorduiteinde laat 
vallen, wordt veleii :^eggen, weinigeii geloven, allen begrijpeji 
vertaald door manche sagen, wenige glaiibeji, alle versteen, 
zonder n. Ook blinrlen ^ien is Blinde seën zonder;? en wanneer 
de blindeji wordt uitgedrukt door die Blinden met n dan 
begrijpt ieder, die in de Duiis'e vormleer geen vreemdeling 
is, dat deze n geen meervoudsteken maar een algemeen 
verbuigingstoevoegsel is, dat in het Enkelvoud eveneens 
voorkomt. Zoeken we in 't Middeleeuws'e Nederhuid's de 
verklaring, het stelt ons al weder te leur : menighe segghen 
heet het daar zonder de n. En ook in de alleroudste Germ 
talen vinden we 't zelfde. Wij zouden er dus inderdaad zeer 



(1) Slechts othtrs (auderenj is eeu Mi crvoud. 



« Ons Volksleven. »» 203 

voor zijn in al deze gevallen de opgedrongen n te laten 
vervallen ^ (i). 

De volkstaal geeft ons nopens dat punt geen klaar 
bescheed. Men zegt : «de^oef (goeden) moeten het met de 
kwaai (kwaden) bekooprn «, « iedereen moot sterven : de 
rijke zoowel als de arme», «daar zijn er veel die dat gelooven^, 
« daar zijn er ander die dat niet aannemen », maar ook : « de 
heiligen in den hemel », «de rijken hebben veel voorrechten», 
« eenige7i uil het dorp », « sommigen in de stad », « we zaten 
de eersten aan tafel . » 

In 't mann. enk. worden de zelfstandig gebruikte hoeda- 
nigheidswoorden als bijvo^^gl. woorden verbogen en hebben 
dus den uitgang n, die echter vóór de meeste medeklinkers 
wegvalt : « de peken is bijkans genezen », « 'nen blinden is 
meer te beklagen als 'nen dooven », s^ ik was den eersten en 
gij waart de lesten », « den dikken heeft zijn huis verkocht» (2). 

Hiermede meen ik voldoende te hebben bewezen, dat D"" 
Kollewijn's voorstellen, op weinige uitzonderingen na, 
vijandig zijn niet enkel aan ons taalgevoel, maar aan dat van 
de groote meerderheid der Diotschen, en indruischen tegen 
het algemeen heerschende spraakgebruik. 

Wij bestrijden dus uit al onze krachten het verholland- 
schen onzer taal. Wij verzetten ons tegen het verminken 
onzer geliefde Dietsche taal, vooral tegen het eender spellen 
der zuivere en gemengde es en o's, het opheffen der geslachts- 
onderscheiding en het afschaffen der verbuigingsuitgangen. 

Veel, zeer veel opofferingen hebben wij ons getroost om 
met de Hollanders tot de eenheid van spelling te geraken; 
talrijke eigenaardigheden uit onze spreektaal hebben wij 
prijsgegeven ter wille van die eenheid. Wat zullen nu 'al 
onze toegevingen en opofferingen baten, waneer men in 
Holland Kollewijn's spellingsstelsel zal gaan volgen? Dan is 
het uit met de zoo moeilijk verkregen eenheid. Men verwijt 
de leveraars voor het taaieigen van Dietsch-België dat zij de 

(1) Kollewijn's taalbeweging toegelicht en verdedigd, bl. 39-40. 

(2) De zelfst. uaamw. christene, getuige, Jieidene, naaste, petere, sekepene, 
eindigen ook op n, waneer zij door h of eenen klinker gevolgd zijn. 



2Ö4 " Ons Volksleven. » 

noodige eenheid, de noodige toenadering tusschen Noord en 
Zuid tegenwerken, maar wie werkt er nu de eeniieid togen? 
Moeten wij dan alles toegeven en de Hollanders niets'^. 

u Eenheid, toenadering, 't is allemaal goeden wel; doch 
om gauwer bijeen te komen dient men van beide kanten te 
naderen », zegt Jan Bols in zijne studie Verschil in uitspraak 
tusschen de ^iiivere [lachtlange] en gemetigde (scherplange) E en O. 

Ja maar, zoo verstaan de dwepers met de hegemonie van 
Holland het niet. « Zij blijven maar altijd in dat lioeksken 
van « Holland » en wenken er al de Zuid- en Noord-Neder- 
landers heen » (i). 

Sprekende over het streven van D"" Kollewijn om het 
onderscheid tusschen de zuivere en gemengde e's en o's uit 
de schrijftaal te verbannen, zeide de heer Jan Bols in de 
Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde 12) o. a. : « Wij 
kennen chauvins, welke, niettegenstaande die meerderheid 
(niettegenstaande dat de meerderheid der Dietschen onder- 
scheid maakt tusschen de zachte en de scherpe e's en o's) 
bedoeld onderscheid volstrekt willen verbannen uit de 
beschaafde spreektaal. Meerderheid? dat telt bij hen niet. 
Geene redenen gelden, zoohaast eenige taairechters uit de 
provinciën Holland aan al de overige Nederlanders van Noord 
en Zuid hebben toegeroepen : « In het algemeene (?) 
beschaafde (?) Nederlandsch neemt men dat onderscheid niet 
aan. « Hoogleeraar Vercoullie, tot onze verwondering, 
spreekt in denzelfilen zin {Nederlandsch Musewn, 1891-92, X, 
bl. 214), en anderen spreken hem na. Zij beweren dat 
« zoohaast men eens aan 't wijzigen gaat, de eerbied voor de 
afleiding door een wijziging min of meer niet kan gebaat of 
geschaad worden « (ibid., bl. 215). Maar, met dat stelsel, 
« abyssus abyssum invocat 55, of, volgens den Hebreeuuschen 
tekst, de eene « vloed » roept den anderen; de eene « taai- 
schennis " roept de andere. Vandaag in 't krijt gesprongen 
«(ibid., bl. 218) tegen het wevsch'ü in uitspraak, tvekl men, 
hier ook, morgen ten strijde (zoo vrees ik) tegen het verschil 
in spelling. » 

(1) Jan Bols. Verschil in uitspraak, ouz. 

(2) Zitting van den 6" November 1&92. 



« Ons Volksleven. » 205 

Gelukkig dat er, ook in Holland, taalg-eleerden gevonden 
worden, mannen van gezag, die de buitensporige hervor- 
mingen van eenen KoUewijn, eenen Buitenrust Hettema 
eenen Hoogvliet niet kunnen goedkeuren en het goede 
recht der gouwspraken in de algemeene schrijftaal erkennen 
en verdedigen. Het volgende geven wij ter overweging aan 
de voorstanders der nieuwe richting : 

« De overweging dat de schrijftaal op menig punt, waar 
wij Hollanders hetzij later van haar afgeweken zijn, hetzij 
vanouds ons anders hebben uitgedrukt, wel degelijk nog 
heden gesteund wordt door dezen of genen tongval buiten 
het eigenlijke Holland, de^e overweging is ook geschikt om ons 
voorpchtig te maken 7net betrekking tot mogelijke al te revoliiti- 
onnaire pogingen tot hervormijig, verdere verhollandsching der 
schrijftaal in luoordenschat, grammaticale vormen en spelling. 
Evenmin als jpij Hollajtders m. i. het recht hebben de onholland- 
sche uitspraak on^er taal door niet-Hollanders te gispen, even- 
min hebben wij het recht om te eischen dat in de schrijfwij{e 
on\er taal alles juist naar on:[en :{in geregeld worde. Van ons 
Standpunt zou men b. v. de afschaffing der onderscheiding 
tusschen e en ee, on en au, van het niet meer gebruiken van 
woorden als gij, naar, gaarne, enz. wenschelijk kunnen ach- 
ten, maar de bewoners vaji andere streken van Noord- eji Zuid- 
Nederland gouden daartegen met evenveel recht kufinen opkomen. 
De tegenwoordige toestand moge in vele opzichten lastig 
zijn en onloochenbare bezwaren en nadeelen medebrengen, 
vooral voor kinderen; in andere gewesten ondervindt men 
weder andere bezwaren, en voor eenheid van schrijftaal, gelijk 
voor eenheid van staat, is, gelijk gelegd, ^ekere opoffering eyi 
toenadering van alle jijden twodig. Eerst wanneer iets in geefi 
enkelen tongval, in geeji enkelen kring meer gelegd wordt,- eit 
dus werkelijk nergens meer leeft, mag mett iets af schaffen ; ésai 
dient de schrijftaal te volgen, op straffe van eene doode taal 
te worden. « 

Wie heeft dat geschreven? Een van Nederland's uitste- 
kendste taalgeleerden, de heer J. VV. Muller, in zijne merk- 
weerdige studie Spreektaal en Schrijftaal in het Neder landsch. 

Jozef CORNELISSEN. 



206 « Ons Volksleven. y> 

ie f ngden in jiet f nlbgelaal ^'^ 

VI. 



Be Zroalutt» {vervolg.) 




E zwaluw beschermt het huis, waar zij haren nest 
gebouwd heeft, tegen het hemelsch vuur. (Omstre- 
ken van Dinant eii hier en daar in de Kempen.) 

— Het is een gelukkig voorteelien, waneer eene zwaluw- 
in den stal nestelt. (Henegouwen Kempen.) 

— Waneer men de eerste zwaluw ziet, moet men de aar- 
de die onder heuren rechterpoot ligt, nemen en die in 't bed 
leggen. Dat is een middel tegen de vlooien. (Gehoord te 
Seraing.) 

— Om een gelukkig nummer te trekken, moet men in de 
linkerhand een stuk van eenen zwaluwnest houden, en met 
de rechter het nummer uit de bus halen. (A. Hock. Croyances 
et Remèdes pop. au pays de Liège.) 

— Een stuk zwaluwnest, met honing gemengd, is een 
alles overtreffend middel tegen keelziekten. [Ibid.) 

— De Luikerwalen heeten de zwaluw ouhê de bon Dju 
(vogel van den goeden God). 

— Het volk gelooft dat de zwaluw 's winters in eenen 
staat van vordooving verkeert en den winter doorbrengt 
onder het slijk der vijvers, in holle boomen en in rotssple- 
ten. [Buil. de la soc. lieg. de litt. wall., 2^ s., XH, 23.) 

— Te oordeelen naar de overeenkomst die er bestaat tus- 
schen de gebruiken der oude bewoners van Engelland en 
die der oude Germaansche Belgen, is het te veronderstellen 
dat de 15^ April, die in Engelland den naam bewaard heeft 
wanSM^allowdax, ook in België aan cei'emoniën gewijd w^as, 
die ten doel hadden de aankomst d'T zwaluwen te vieren. 

De zwaluwen waren heilige vogels of :{ielvogels en gelden 
nu nog voor gelukaanbrengende dieren. Hunne nesten be- 
schermen de M-oningen tegen alle ongelukken ; ze uittrekken 

(1) Z. Ons Volksleven, II, bl. 50, 65, 73, J35 ; III, bl. 92; IV, bl. 186; V, bl. 
110; VI, bl. 28. 



« Ons Volksleven. »• 



207 



is een misdrijf dat dengene onteert, die er zich aan plichtig 
maakt. (De Reinsberg. Calendrier Beige, I, 256 ) 
(Y Vervolgt.) Alfried Harou. 



Caalkiinh. 



J—^^ 


~~ — 




W3 




m^ii 



EN tantefèer (zware e) is een moeial, iemand die zicli veel 
beweging geeft en niets of weinig verricht (i). Iedereen 
verstaat het woord ; zeer weinigen waarschijnlijk, ik zoo 
min als iemand, hebben ooit aan zijne afkomst gedacht. Tamelijk 
groot was mijne verwondering, toen ik het woord onlangs toevallig 
tegenkwam, onder het woord voeren in den Thesaurits teutonicce 
linguce, Schat der nederdiiytscher spraken, door Plantiju in 1573 
uitgegeven. 

Voere beteekende oudtijds gewoonte, gebruik, ^ede, handeling 
(zie Meter's Woordenschat, 3" deel, — Oüdemans Taalkundig 
woordenboek in de werken van P, C. Hooft). 

Plantijn vertaalt veel voere maken door avoir beaucoup de 
tantaffaires. In de Rijmkronijk van Melis Stoke, 7" Boek, vers 

1075, leest men : 

Ende Elisabeth die ontfiiic 
Si decte hare maenden vive 
Na die voere van scamele wiven, 

d. i. naar de gewoonte van eerbare vrouwen. A. O. 

tlÏ0UDerteu. 







p bladz. 205 van Ons Volksleven (1893) leest men « van twee 
« touveressen.... dat sy op die selve tyd gevangen worden als 



(1) ]l de Kempen beteekent het w. iemand die nergens zijne handen Mn 
afhouden, die overal aanzit. In dien zin hoorde ik het onlangs gebruiken door 
eene moeder legen heur zoontje. « Jef », zei ze, « wat zijde toch 'nen tantefèer ! 
Ge kunt ieverans nie' af bb'jven ! » (Het manneken was zijn vaders bak met 
timmermansgereedschappen aan 't uitladen). 

Hei v^Qrkfi. tantef éren, overal met de handen aanzitten, aan alles trekken 
of alles in de handen nemen, is hier ook bekend. . J. C. 



208 « Ons Volksleven. ». 

« waerseggerssen ende insgelics mits huerder vouverien... soo heeft 
« (de Schouteth) deze in gracie genomen mids geloeften... mit 
« liuerer vouverien (of bouverien) nymmermeer omme te gane. « 

De schrandere en geleerde Heer de Raadt vraagt wat het woord 
vouverien of bouberien eigentUjk heteekent. Ik beken dat als men 
een woord niet weet thuis te brengen, het zeer gemakkelijk is te 
zeggen dat het eene druk- of schrijffout is ; ik ben nochtans genegen 
te denken, dat zulks hier het geval is en dat men moet lezen 
bouverien ; geheel de samenhang der zinnen bewijst het. Bedoelde 
vrouwen werden gestraft, niet alleen als « waerseggerssen n, maar 
ook voor hunne andere boeverij en d. i, voor hunne andere bedrie- 
gerijen en schelmerijen, of zooals Mellema in zijn woordenboek 
zegt : meschanceté, coquinerie , ribauderie. Iedereen weet dat die 
verschillige stieltjes gewoonlijk samengaan. Misschien zelfs — maar 
het schijnt mij onwaarschijnlijk voor de eerste lettergreep vou — 
is het woord vouverien of bouberien geene druk- of schrijffout, 
maar eene dier menigvuldige letterverwisselingen, zoo gemeen in 
onze taal. Er dient opgemerkt te worden, dat in het Hoogduitsch 
het Vlaamsch woord boeverij vertaald wordt door Büberei. 

A. O. 
\^oxfX {uitspr. Dörft). 

VOLGENS den Heer C... (Ons Volksleven^ 1891, bladz. 137) 
heteekent dit woord de binnenplaats vóór of achter de woning 
en de stallingen eener boerderij. 

Ik ben te zeer overtuigd van de grondige taalkennis van den Heer 
C..., om niet aan te nemen dat dit woord in zijne streek in dien zin 
gebruikt Avordt. Hij gelieve nogtans mij toe te laten te zeggen dat in 
het rechtsgelüed Mechelen ik het altijd heb weten gebruiken voor 
de plaats die vóór de woning en stalling gelegen is. 

Mijns dunkens is het die laatste betèekenis die best overeenkomt 
met hetgeen ik denk de afleiding te zijn van het woord. Vörft 
inderdaad schijnt mij eene verkorting te zijn ofwel van voorhof, 
d. i. de erve die vóór het huis gelegen is, ofwel van voorhoofd, d. i. 
(\.Q plek grond die langs voren het huis van de straat afscheidt, 
in 't Fransch : a front de rue. 

Voor het woord voor/zo/ vind ik bij Plantijn, Schat der neder- 
duytscher spraken, anno iSyS, de woorden porcho, parvis, die 
portaal, ingang, voorplein beteekenen. 



« Ons Volksleven. » 209 

Bij Halma is voorhof laparvis, het voorhof van den tempel. 

Bij Weiland : een ongedekt plem vooraan binnen den omtrek 
van een gebouw. 

BijOLTNGEE en anderen : Voorhof, avant-cour, d. i. cour qui 
se trouve devant Ie bdtiment. 

Wat het woord voorhoofd betreft, ik ontken niet, dat het hier 
nog al vreemd voorkomt ; ik beu het nogtans in die beteekenis meer- 
maals tegengekomen. 

In de Costiwien der stad Geiit, uitgave van 1868, Boekd. I, bldz. 
68 en 258, leest men : een hujrs ten voorhoofden der strate. 

In de Costumen van Aalst en Geer aar dsber gen, uitgave van 
1878, deel III, rub. IX, 7 — vindt men : ter voorhoofde ter straten. 

Gaillard, Glossaire flamand de l'Inventaire des Archives de 
Bruges, bldz. 743, spreekt als volgt: Voorhooft, la partie de la 
voie publique touchant immédiatement d lafacade d'une maison; 
voorhooft , f acade — een huys ten voorhoofde in de strate — een 
huys voorhoofdende in de moerstrate. 

De Bo zegt : het voorhoofd van eene markt of andere openbare 
plaats is de kajit er van die tegenover den voorgevel ligt van het 
stadhuis, van de halle of van een ander stadsgebouw . Hij woont 
te Thielt op 't voorhoof d van de markt, d. i. rechtover de voor:{ijde 
van het stadhuis; — een groot schoon woo7thuis ten voorhoofde 
op de Academieplaats. 

Hooft, Nederl. Hist. Amsterdam, 1820, 3" boekd., bldz. 239, 
gebruikt zelfs het woord bevoorhoofden voor tegenover stellen, in 
't Fransch confronter. 

Uit dit alles blijkt volgens mij dat, niettegenstaande het tegen- 
strijdig gebruik, door den Heer C... aangehaald, het woord ' örft bij 
voorkeur moet toegepast worden op den grond die vóór de woning 
gelegen is. A. O. 

De eigent lij ke beteekenis van het w. vörft is inderdaad, zooals 
de heer A. O. opmerkt : de opene plaats die vóór de woning gelegen 
is, en in de Kempen wordt het w. ook meest in dien zin gebruikt. 

De meeste Kempische hoeven bestaan uit een hoofdgebouw, dat 
het woonhuis van den boer en de stallingen voor het vee bevat. 

Recht tegenover dit gebouw staan kleinere gebouwkens, dienende 
tot bergplaats voor het voeder, den turf, de assche, enz., alsmede 



210 « Ons Volksleven. » 

voor de karren, ploegen en andere landbouwgereedschappen, zoodat 
er tusschen die afhankelijkheden en de hoeve een open plein blijft, 
dat den naam draagt van vörft. 

Sommige boerenhuizen echter, b. v. die vast tegen eene straat 
liggen, hebben geen open plein vóór, maar wel achter de woning. 
Die achterplaats heb ik ook vörft hooren noemen. 

Het komt mij voor dat aleen de eerste beteekenis de echte is. 

Wat de afleidingen betreft die de heer A. O. opgeeft, nl. dat 
vörft zou gekrompen zijn uit voorhof, ofwel uit voorhoofd, mij 
dunkt dat de eerste waarschijnlijker is als de tweede. 

Dat vörft zou voortkomen van voorhoofd, is niet aan te nemen, 
waneer men bedenkt 1" dat voorhoofd onz. en vörft mann. is en 2° 
dat het w. voorhoofd in de Kempen altijd veurhood, veurhuëd 
uitgesproken wordt. 

Uit voorhof, dat onz. maar ook mann. is, zou vörf kunnen 
ontstaan zijn, welk woord eene onlidmatige t zou kunnen bijgeno- 
men hebben. Vergelijkt sc/ze//" en 5c/ïe//y, we) f OW werft, teemsen 
teems t, enz. 

Ik dien hier bij te voegen dat de vörft in andere plaatsten der 
Kempen werf, werft, wörf en jpörft geheeten wordt. J. C. 



7. (54.) Df llttDtnïrtng öer Zaa^. 

Qme duivel was kwaad op Sint-Jozef en besloot dezen eene 
Jp^ poets te spelen. In dien tijd kende men het gebruik 
van de zaag nog niet, en de timmerliê moesten het hout 
doorsnijden met groote messen. Eens dat Sint-Jozef zijn 
werk voor eenige oogenblikken verlaten had, nam de dui- 
vel het mes, dat de heilige bij zijnen arbeid gebruikte, en 
sloeg met eene helsche vreugde vele stukskens uit de snede. 
Toen Sint-Jozef terugkwam en zijn gereedschap zoo deerlijk 
geschonden zag, hadde hij wel willen weenen van spijt. 
Maar hij troostte zich en zeide : « Ik kan er mij misschien 



« Ons Volksleven. » 



211 



toch nog mee behelpen.» Hij nam eene vijl en begon de 
snede uit te vijlen, zoodat er vele tanden in waren. Daarop 
zette hij zich aan 't zagen, en zie! dat ging woderwel. De 
zaag was uitgevonden. 
Dat de duivel groen lachte, hoeft niet gezeid. 

[Rumpst.) Jozef CORNELISSEN. 




(^m m%t nnk Irjinnlgebrmton. ''^ 

(Vervolg). 

N het land van Aalst, alwaar onder de scholieren 
groote kerels waren van twintig jaar, werd de 

meester met Sint-Thomas i21 December) op zijnen 

stoel gebo; den en zoo naar de herberg gedragen. Hij had 
geen ander vooruitzicht om uit zijnen lastigen toestand ver- 
lost te geraken, dan eene ton bier te beloven en koeken, 
broederkens geheeten. Daarom gebeurde het dikwijls, dat de 
schoolmeesters zich op dien dag niet lieten zien. 

Te Oosterzeele, Haaltert en in verscheidene andere dor- 
pen, had het gebruik van den meester aan de deur te sluiten 
niet op Sint-Thomas, maar 's Maandags na Driekoningen 
plaats. (DE Reinsberg. Cal. beige, II, 320.) 

— Op sommige plaatsen in Vlaanderen, namelijk te Pete- 
gem, hadden de scholieren insgelijks het recht hunnen mees- 
ter te binden, met het vooruitzicht van door hem op eenen 
druppel genever of siroop onthaald te worden. 

In den namiddag gingen zij met den meester naar eene 
hoeve uit den omtrek, waar zij bier dronken en mastellen 
aten en er zich vermaakten tot aan het vallen van den 
nacht. {Ibid., I, 166.) 

— In de omstreken van Luik hadden de scholieren het 
recht hunnen meester aan de deur te zetten, en deze was 
gehouden hun 's avonds een feestje te geven. {Ibid., I, 165.) 



(1) Z. Ons Volksleven, V, bl. 70. 



212 



« Ons Volksleven. y> 



— De 6^ December, zijnde de feestdag van St. Niklaas, is 
voor de Luiksche scholieren een Wettige verlofdag. {Buil. 
de la Soc. lieg. de litt. tPalL, 2^ s., XI, 145.) 

— Te Estiiines (Henegouw) werd over eenige jaren nog, 
daags voor Driekoningen in de scholen een koning getrok- 
ken, die op Verloren Maandag zijne medeleerlingen moest 
trakteeren. (Lejeune. Hist. d'Estinnes. Ann. du eerde arch. 
de Mons, XV, 150.) 

— In de Ardennen en vooral in de omstreken van Dinant, 
gingen de meisjes die de school bijwoonden, op St. Cathrien 
eene omhaling doen, evenals de jongens op St. Gregorius- 
dag. Zij kleedden zich geheel in 'l wit en een hunner, ge- 
sluierd en versierd met bloemen en linten, verbeeldde de 
H. Catharina. Het lied dat zij zongen, was een klaaglied op 
de dood der heilige, (de Reinsberg. Cal. beige, II, 283.) 

— In veel dorpen van Waalsch-Biabant benoemde eertijds 
de koster een der hem onderhoorige kerkdienaars, die ge- 
houden was de school te openen. 

(Y Vervolgt.) Alfiied Harou. 



Imprjie lagm. 




20. (182.) Spokerij 0^) ttw fkasXtd. 

et aloude historisch kasteel ^ Ter Borcht » te Ite- 
gem, waaraan deze gemeente haren naam ontleent, 
was een zestigtal jaren geleden, sinds langen tijd 
onbewoond gebleven Op zekeren nacht i-eden eenige boe- 
ren door het dorp met hunne hieën, om deze hoogerop in 
de Kempen, op de heidebloem neer te zetien. Zij reden dan 
voorbij het kasteel en zagen op het tweede verdiep aan de 
buitenste venster een groot en schitterend licht. Zij vonden 
dit nog al aardig, omdat het rond middernacht was en ieder- 
een sliop. In het naar huis koeren, spanden zij uit en dron- 
ken een glas bier in de afspanning recht tegenover het 



<^ Ons Volksleven. »» 213 

kasteel. Het geval van het licht aan eene der kasteelvensters, 
dat zij in den nacht gezien hadden, kwam ook ter sprake en 
zij vroegen aan den baas wie er op het kasteel woonde en 
daar zoo laat opbleef. Deze zeide dat het sedert lang onbe- 
woond was. Den volgenden nacht stond de baas rond 12 
uren op, om zich te verzekeren of dit licht weer zou te 
zien zijn. Ja, het schitterde weer aan dezelfde venster! 
Later zagen ook nog andere lieden dit verschijnsel meer- 
maals. Wat deed men? Men krabde het voorhof overal schoon 
op om te zien of er geene voetstappen zouden te bespeuren 
zijn van iemand, die somtijds op het kasteel zou kunnen 
sluipen. Het licht verscheen weer, doch op het hof was 
geen enkele voetstap te zien. Dit geval kwam aan de ooren 
van den pastoor, die iemand belastte hem te komon waar- 
schuwen, zoodra men weder het licht zou zien. Er verstreken 
niet veel dagen, of men kwam hem reeds boodschappen dat 
het licht weer te zien was. De pastoor stond op, ging de 
poort van het kasteel binnen, bleef daar eenen zekeren tijd, 
zonder dat iemand zag wat hij verrichtte, doch sedert dien 
was de spokerij op het kasteel geëindigd. [Itegem.) 

2t. (tB3,) €ene llootierljekö. 

't Is twiniig jaar geleden. Een vijftienjarig boerenmeisje 
ging te Heiselt, tegen het vallen van den avond, naar het 
veld om nog eenen kruiwagen klaver te snijden. Onver- 
wachts stoiid bij haar een oud onbekend vrouwken, met 
eenen zwarten kapmantel om. « Wel kind «, zei het, « 't is 
niet noodig dat gij u zoo afslaaft en u zoo spoedt, ge kunt 
dat veel genjakkelijker gedaan krijgen. Hier is een briefken, 
lees het en ge zult aanstonds klaver genoeg hebben. » 
Daarop was de oude verdwenen. Het meisje zette zich onwil- 
lekeurig op haren kruiwagen neder en begon te lezen. 
Toen zij opzag, lag hij geheel vol klaver. Verschrikt liet zij 
het briefken vallen en reed geheel verdwaasd met het voe- 
der naar huis. Toen het meisje daar kwam, stonden al de 
koeien los in den stal te brullen. Des anderendaags was het 
meisje ziek en moest te bed blijven. De ziekte nam van dag 
tot dag toe, zoodat men den pastoor ontbood en dezen het 



214 * Ons Volksleven. >» 

geval uitlegde. De geestelijke sprak het meisje moed in en 
zeide dat het nu wel spoedig zou gedaan zijn. En inder- 
daad, korten tijd daarna was zij volkomen genezen. 
[Herselt.) Frans Zand. 

II. 




CHTTiEN eeuwen is het vieren van den eersten dag 
des jaars hier al oud, want onze heidensche voor- 

ouders vierden reeds den overgang van 't oude en 

't nieuwe jaar. Zij richtten alom drinkgelagen en gastmalen 
ann, en maakten daarbij zooveel gedruisch mogelijk met op 
horens te blazen en op trommels en ketels te slaan, want dit 
hielden zij voor het beste middel om de booze geesten te 
verdrijven, die anders het nieuwe jaar al dadelijk bedorven 
zouden hebben. 

Sommigen lieten zich door eene oude vrouw koeken bak- 
ken ; rezen die goed en vielen ze wat dik uit, dan voorspelden 
ze daaruit een goed jaar. Vele eeuwen bleef dat koekenbak- 
ken in si and, en nog in onzen lijd was het in sommige 
plaatsen de geliefkoosde bezigheid onzer huismoeders, in 
afwachting van het gewichtig uur van twaalven. 

Zoodra de nieuwjaarsdag aangebroken was, haastten onze 
Germaansche voorouders zich, elkander een aangenaam 
geschenk toe te zenden, als een voorteeken van een gelukkig 
jaar. Al zingende, spelende en dansende, trok het jonge volk 
de plaats of wijk rond. Ons is geen enkel der liedjes 
bewaard, die zij zongen. 

In de middeleeuwen vierden « 't ouwe in 't nieuwe » de 
deftige poorters in hunne woningen onder vrienden en 
verwanten, de schutters op de doelen, de gildebroeders in 
hunne gildehuizen en 't gemeen in de taveernen. Allen 



« Ons Volksleven. » 215 

dronken er nog" op oud-Germaansche wijze elkaar heil toe. 
Vei kleed en vermomd zwierde ook soms veel volk langs de 
straten. 

Sedert lang schijnt zulks echter alhier niet meer plaats 
gevonden te hebben; wèl het oud en eerweerdig gebruik 
van nieuwjaar zingen langs de huizen, waarbij nu geen 
hoidensch gezang meer, maar christelijke liedjes gehoord 
werden, b. v. : 

Nu singhet en clinghet met groot geluut 

Al in den Nyeuwen jaereu, 

Den Jekers jaeghet al uut en uut, 

Her Jhesus moet ons bewaren. 

Voorzeker geschiedde het met groot geluid, namelijk met 
grove trommelen en rinkelbommen, waarmede de Nikkers 
moesten verjaagd worden; na de uitvinding van het buskruit 
deed men hei " met daverend busgeknal. » 

Tot omtrent het jaar 1820 was het hier en daar — o. a. te 
Bei'geik — nog het gebruik dat de vorster op Nieuwjaars- 
nacht, vóór de huisdeur der welgestelde ingezetenen, of van 
degenen van wie hij een gesciienk verwachtte, een schot, 
gewoonlijk met een pistool, loste. Doorgaans begon hij met 
het middernaclitsuur te schieten en haalde bij hen, die hem 
niet in huis noodigden, des daags een fooitje op. De klepper- 
man, de veldwachter, enz. komen op vele plaatsen nog met 
open hand « een zalig Nieuwjaar » wenschen. 

Kindervermaken bestaan nog op eigenaardige wijze te 
Luiksgestel. 

Met Nieuwjaar gaan daar jongens en meisjes samen langs 
de deuren zingen, elk met eenen korf a;in den arm of eenen 
sloof VOO! gebonden ; M'at zij dan inzamelen, houdt elk voor 
zich. leder kind wordt volgens de gunst der menschen gege- 
ven. Züo krijgt een onbekend eene mop, een paar noten of 
ietsderg.lijks; eenig bekend kind eene mastel, twee of drie 
moppen, nuar gelang men geven wil; een klant, b. v. van 
eenen wiiikeliei', krijgt gewoonlijk een (meer afzonderlijk 
genoemde) Nieuwjaar of eenen peperkoek. Bij oomen en 
tanien krijgen zij ook doorgaans een dezer twee dingen. De 
kinderen, na eene gift ontvangen te hebben, zingen vóór 
de deur dit deerlijk verminkte lied : 



216 « Ons Volksleven. »» 

Met dezen Nieuwejare 

Zullen wij vroolijk ziju. 

Met dezen Nieuwejare 

Geboren een kindje klein. 

Wie zal dat kindje kussen 

Met zijnen roozenmond ? 

't Is zoo ziek van herte 

En 't zal niet meer worden gezond (stc). 

Den Hemel is gesloten 

Al voor (iuizend jaar 

En wordt niet meer opengelaten 

Voor dezen zaligen Nieuwejaar 

Het nieuwjaarschrijven op de deuren waar jongedochters 
of meiden woonden, bestond over weinige jaren nog te 
Borkel, Vulkensweerd, Dommelen en andere dorpen in dit 
oord. Men teekende 's avonds te voren of des nachts een 
rondom versierd liart, soms ook een ander zinnebeeld, 
dikwijls fraai geveifd, als nieuwjaarsgeschenk. De maker 
hiervan, zijnde gemeenlijk de minnaar der bedoelde maagd, 
omving van haar op Nieuwjaarsdag een geschenk, dat te 
Borkel en eldeis doorgaans bestond in een mikje of tnrwe- 
broodje van 10 cents. Met het schrijven dezer figuren begon- 
nen de vrijers voor de helft aan eenen hoek of een gehucht, 
en de tweede partij aan een ander punt of aan 't begin van 
't dorp, en kwamen alzoo in 't midden bijeen. Hadden zij te 
voren hunne broodjes ontvangen, dan aten zij die op in eene 
herberg bij koffie of bier. Een der best ervarenen schreef 
soms wel al de harten of nieuwjaars op de deuren. 

Rumoer of lawaai maken bij den overgang van liet oude in 
het nieuwe jaar bleef in deze streek ook hier en daar, sedert 
het heidendom tot nu toe voortduren, schoon niemand meer 
wist, waar 't eigenlijk om gedaan werd. 

In schier alle plaatsen zijn er nog personen en gezinnen, 
die ondereene vroolijke partij, van oudejaarsavond tot aan 
het begin van het nieuwe jaar te zamen zitten, om elkander 
den nieuwjaarswensch zoo spoedig mogelijk te kunnen 
toevoegen. 

Op Nieuwjaarsdag wenscht ieder bij zijne eerste ontmoe- 
ting een « zalig Nieuwjaar », of men doet zulks in de woning 



« Ons Volksleven. >• 217 

van familie, buren, vrienden, enz. Sinds vele jaren is het 
onder den deftigen stand ook gebruikelijk elkander eenen 
nieuwjaarsbrief of naamkaartjes te zenden, wat thans schier 
algemeen is geworden. 

Er heerscht op dien dag wel meer levendigheid en drukte 
als anders, doch bijzonder veel vertooning ziet men niet op 
de meeste plaatsen. Na den hoogdienst in de kerk of in den 
laten voormiddag, ontvangt elke bezoeker der herberg bij 
zijn borreltje, namens den hospes, een sneedje peperkoek. 

Klokgebrom en tromgeroffel verneemt men hier nergens 
meer bij den overgang van het oude in het nieuwe jaar. 

Vroeger werden op vele plaatsen der Meierij op Nieuw- 
jaarsdag aan de schoolkinderen wittebrooden uitgedeeld. In 
de dorpsrekeningen van Valkensweerd vind ik van 1721 tot 
1743 daarvoor jaarlijks f. 6 uitgetrokken. 

2. ^0ppermaanbag. 

«^^E beteekenis van Kopper is op zeer vele wijzen ver- 
klaard. Oudtijds duidde men daardoor een vroolij- 
ken maaltijd aan : die er deel aan namen, heetten 
« koppelkens » d. i. vieugde- of pleziermakers. Het oud 
werkwoord « kopperen » vereenigt de drievoudige beteeke- 
nis van smullen, drinken en pret maken in zich. 

Kopper — , elders ook Verloren- oi Raasmaandag genoemd, 
werd oudtijds overal in ons land en België, op sommige 
plaatsen vrij luidruchtig gevierd, des Maandags na Drie- 
koningen, en hier en daar nam men er wel den Dinsdag bij. 

Men noemde hem Verloren Maandag, omdat het volksge- 
loof leerde, dat alle, op dien dag verrichte arbeid, ongeluk- 
kig en verloren was. Later wilden sommigen die benaming 
verbinden met het evangelie van den vorigen Zondag 
« Jezus te Jeruzalem verloren » 

Wij lezen ook van het vieren van een Geiworen of Ver^wo- 
ren Maandag in ons land. In sommige streken was deze 
dezelfde als Kopper- of Verloren Maandag. 

De geschiedkundige oorsprong van den Koppermaandag 
is niet meer bekend. Vermoedelijk is hij heidensch, want 
traditionneele volksgebruiken en begrippen, aan den Maan- 




218 « Ons Volksleven. » 

dag verbonden, klimmen algemeen tot die oudheid op. In het 
naburig België wordt in vele streken, door sommige perso- 
nen, vooral ambachtslieden, eiken Maandag of een gedeelte 
daarvan, schier in ledigheid en drinken doorgebracht, 
hetgeen in onze landstreek wel eens wordt nagevolgd. 

Ongunstig stond de Maandag in de middeleeuwen aange- 
teekend, en strafte men de misdaden, namelijk zulke, als 
welke schier overal het gevolg der dronkenscap waren, op 
de Maandagen gepleegd, erger dan die op gewone dagen 
geschiedden. Zie « Belgisch Museum »,I, 316. 

(t Vervolgt.) P. N. Panken. 



Mt leun m k 3m in liet f nltegelnai ^'^ 

( Vervolg). 

lE eieren, op den Goeden Vrijdag gelegd, zijn een behoed- 
middel tegen lichaamsbreuken. (Cokemans. L'Année de 
Vancienne Belgique.) 
Een ei dat op Goeden- Vrij dag gelegd is, bederft niet (Floren- 
ville, Lux.). 

— In Vlaanderen bewaart men de eieren die op dien dag onder 
den goddelijken dienst gelegd zijn, en men beweert dat een brand 
uitdooft, zoo men er een dezer eieren in werpt, (de Reinsbeeg. 
Calendrier beige, I, 236). 

— Twee eieren nuttigen, die op Goeden- Vrij dag gelegd zijn, is 
een behoedmiddel tegen de koorts. (A. Hock. Croyances et 
Remèdes pop.) 

— Op den buiten gelooft men algemeen, dat het kieken, geboren 
uit een ei, op Goeden- Vrij dag gelegd, ieder jaar van kleur verandert. 
{Bulletin de la Soa. lieg. delitt. xvall., 2'"'^ série, IX, 84). 

— De witte hennen veranderen van pluimen op Goeden- Vrijdag. 
(Familleureux, Henegou w.) 

— Volgens Body, zijn, naar het zeggen der Ardensche boeren, de 
eieren die gedurende de maan van Augustus gelegd zijn, aleen goed 
om te bewaren. 




(1) Z. Ons Volksleven, V, lüD. C26; VJ, bl. 165. 



« Ons Volksleven. »» 



219 



— Men mag 's Vrijdags geeae eieren te broeden leggen, want dan 
komen er ongelukshennen uit, die kraaien gelijk de hanen. (Limb.) 

— De eieren, gelegd in de 12 nachten, worden in Vlaanderen, 
evenals in Brabant, aanzien voor gelukaanbrengende eieren. Onder 
de klokken gezet, komen er allerschoonste kiekens uit. (de Reins- 
BERG. Cal, beige, II, 328). 

— De eieren die men den 7" Januari onder de hen legt, bederven. 
{Coremans, 76). 

— Sint-Pieter en Pauwei daarentegen is een goede dag om eieren 
te laten uitbroeden. (Ibid.) 

— Men beweert dat de spitse eieren hanen, en de andere, hennen 
bevatten. 

— Op den 2" Januari (9® nacht) moeten de hoenders met acht 
soorten van granen gevoederd worden. (Ibid.) 

— Waneer eene hen klokt in het huis van eenen zieke, zoo zal 
deze weldra sterven. (Familleureux, Henegou w). 

— In den Kerstnacht is men gewoon wat haver en wat voeder 
vóór de staldeur te leggen, welke zaken op klokslag van midder- 
nacht gewijd zijn. Het hoen dat van de gewijde haver pikt, is tegen 
den vos en al de kleine vleeschvretende dieren beveiligd. (Questiann. 
defolkl. walL, 152). 

(Y Vervolgt.) Alfried Harou. 




Ceti ILiteta^ije tiaar ê^%m eti f lentijt, 

EVOLG gevende aan eene uitnoodiging van den heer 
Baron A. de Roye van Wichen, mijn medelid van 
het Oudheidkundig Genootschap te Brussel, vertrok 
ik op een dag in de maand Augustus (1894) naar het schoone 
dorp Eppegem, aan den spoorweg van Brussel naar Antwer- 
pen gelegen, tusschen Vilvoorde en Meclielen. 

Ter plaatse van bestemming wachtte mijn gastheer mij 
aan de standplaats van den ijzerenweg op, en, volgens het 
voorop gemaakt plan, gingen wij dadelijk te voet naar de 
gemeente Elewijt, om daar het vermaarde Kasteel « de Steen » 



2Ö0 « Ons Volksleven. » 

te bezoeken, het voormalig zomerverblijf van Rubens, die in 
1635 daarvan eigenaar was geworden. 

Een fraaie weg door landerijen verbindt Elewijt met 
Eppegem. Na eene wandeling van een groot kwartier, zagen 
wij het park van het landgoed, dat ons doel was, voor ons 
liggen, en weldra bereikten wij het kasteel zelf. 

Daar werden, zooals de heer Victor Joly zegt, die ver- 
maarde coui s van kunstenaars gehouden, wier groote vasal- 
len waren van Dijck, Jordaens, Teniers, Theodoor van 
Thulden, Rombouts, de beide Zeghers, Jan Weldens en 
zoovele anderen. Vorsten beijverden zich om tot die bekoor- 
lijke en belangwekkende bijeenkomsten te worden toege- 
laten. 

Het kasteel «de Steen» stond altijd open voor de niet 
door de fortuin begunstigde kunstenaars; de milddadige 
meester der Vlaamsche school liet hen nooit met ledige 
handen gaan. 

Het door Carpentier oordeelkundig herstelde en door van 
Loo met kunstsmaak gemeubelde kasteel is thans het 
eigendom van de familie Coppens. Het voorplein en de tuin 
zien er keurig uit. 

Hi zal mij niet ophouden met eene beschrijving van dat bij 
oudheidkundigen en toeristen welbekende verblijf. Liever 
verwijs ik den lezer naar de Histoire des environs de Brtixelles 
van A. Wauters, en naar het verslag, door den heer Hipp. 
Mahy, van het uitstapje, door het Oudheidkundig Genoot- 
schap te Brussel op den 20 September 1888 gemaakt naar 
Peuthy, Perck, Elewyt en Mechelen (i), in welke geschrilten 
men belangrijke bijzonderheden omtrent de geschiedenis 
van dat verblijf en zijnen tegenwoordigen toestand, vinden 
kan. 

Daar de lucht begon te betrekken, zagen wij ons genood- 
zaakt ons oponthoud op « de Steen » te bekorten. Maar, 
niettegenstaande den spoed, dien wij maakten, om naar 
Eppegem terug te keeren, overviel ons de stortbui onder- 
weg en maakte ons door en door nat, ten spijt van onze 



(1) Annales de la Soc. d'arcliéologie de Brux., II, l&ü-l[)u. 



« Ons Volksleven. » 21^1 

regenschermen, onzen oudheidkundigen iever aldus op 
bijzondere wijze bekoelende. Na een oponthoud van een 
half uur in de keuken van een gastvrij boerenhuisje aan 
den ingang van het dorp, waar wij onze doorweekte klee- 
ren zoo goed mogelijk droogden, begaven wij ons naar het 
M'oonhuis van den lieer de Roye van Wichen. 

Dit gebouw, thans onjuist het kasteel Eetvelde genaamd, 
is zijnen naam verschuldigd aan de oude Brusselsche fami- 
lie van den Heetvelde, die in de XVP eeuw het goed bezat, 
ais leen van de heeren van Grimberghe, mei een leenhof van 
twee manschappen. 

Het is een groot, nieuu-erwetsch buitenhuis, omgeven 
door een groot en schoon park, dat de tegenwoordige eige- 
naar eenige jaren geleden geërfd heeft van eene bloedver- 
wante, de gravin van Villegas. 

Aan het ontbijt, dat wij haastig gebruikten, want wij 
zouden nog de overblijfselen van het kasteel Indevelde 
gaan zien, vesiigde mevrouw de barones de Roye van 
Wichen, geboren burggravinVilain XIIII, mijne aandacht op 
de iwee getallen XIIII, die de alliantiewapens Maldeghem 
en Lalaing vergezellen boven den ingang van het tegen- 
woordige boerenhuis Indevelde, en verzocht mij haar uit 
te leggen, hoe in die wapens dat geheimzinnige getal voor- 
komt, dat een onafscheidbaar deel uitmaakt van den fami- 
lienaam mijner bevallige gastvrouw. Een uur later stonden 
wij voor dat heraldieke raadsel, en ik overtuigde mij, met 
eigen oogen, tot mijne verrassing, dat de beide vermelde 
wapens, het eene met een kruis, gekantonneerd van twaalf 
zoomsgewijze geplaatste mereltjes, der van Maldeghems, 
en het andere met de tien ruiten der Lalaings, vergezeld 
zijn van twee XIIII, het een boven, het ander onder; twee 
leeuwen dienen als schildhouders. Alles is van pleister. 
Het bovenste gedeelte der leeuwen is gebroken. Die gedeel- 
telijke vernieling, zoo zeide ons de pachter, was geschied 
« in den kozakkentijd »! Het door dit wapen vertegenwoor- 
digde huwolijk dagteekent van deXVIIPeeuw. Wat betee- 
kent die XIIII ? Doet het niet, zijns ondanks, denken aan den 
cri de corps sans dme, toch zoo zeldzaam voorkomende in de 



222 « Ons Volksleven, j» 

middeleeuwsche zegels, en sedert door bijna alle geslachten 
verloren, wier voorouders er zich van bedienden? 

Maar welke is dan de beteekenis van dat XIIII in den naam 
van het geslacht Vilain, Vilain sans reproche? Wat is er al 
inkt verbruikt,, om er uitleggingen van te geven, de eene al 
vernuftiger dan de andere! Wat mij betreft, beken ik, dat 
geene van alle mij heeft kunnen voldoen. De eerste, die zich 
met het vraagstuk in een gedrukt werk heeft bezig gehou- 
den, is, dunkt mij, David Van der Linden, de geschied- 
schrijver van Dendermonde, in zijn in 1612 gedrukt werk 
(Davidis LiNDANI, Gattdavensis de Teneramonda libritres, bldz. 
199), dus lang vóór de geboorte van den Roi-Soleil, aan wien 
eenigen den oorsprong van het XIIII der Vilains hebben 
willen toeschrijven. Ten tijde van dien schrijver had de 
familie dat getal nog niet aan haren geslachtsnaam toege- 
voegd, maar voerde het ter weerszijden van het wapen, ob 
tot Comités Gandenses et Alostenses junctim, et totidem Ganden- 
ses Castellanos, qiios una hcec familia dedit. De schrijver noemt 
die graven van Gent en Aalst en die burggraven van Gent op. 
Hoewel op het onbewezene van die naamlijsten wijzende, 
heeft echter nu wijlen kanunnik de Smet, in een opstel 
in de Bulletins de V Académie royale de Belgique, die uitlegging 
niet beslist verworpen. Lindanus zelf geeft haar ook niet 
voor meer dan zij is, want hij voegt er nog tM'ee andere bij, 
waarvan alleen de eerste onze aandacht verdient. Volgens 
een lid van de familie van Maldeghem, zegt hij, had dat 
getal zijnen oorsprong ineen oud zinnebeeld, dat door ver- 
bondene edelen was aangenomen {ex antiquo quodam symbolo 
confoederatae nobilitatis !) ie weten het getal XIIII omgeven 
door eenen krans van wijngaardranken, met het devies : 
Verdien in loon; eene tamelijk naïeve woordspeling. 
Kanunnik de Smet vermeldt deze uitlegging, zonder die 
evenwel als waarschijnlijk te willen aannemen. Maar eene 
belangrijke bijzonderheid ontgaat hem, namelijk dat Linda- 
nus er bij voegt, dat dit symbool eertijds ook in het geslacht 
van zijnen berichtgever in gebruik is gedweest: {audivi},... 
illumque etiam genti Maldeghemice OLIM usitatum. 



« Ons Volksleven. » 223 

Het hier bedoelde familielid, aan wien men dat bericht 
verschuldigd is, is, naar alle waarschijnlijkheid, Robert van 
Maldeghem, die gewoonlijk voorkomt onderden naam van 
den heer van Grimarez, krijgsman, schepen, later burge- 
meester van het Vrije van Brugge, geboren in 1573, gestor- 
ven in 1654, Als groot beminnaar van geschiedenis en 
geslachtskunde, onderhield hij vriendschapsbetrekkingen 
met verscheidene geschiedschrijvers. Hij voerde briefwisse- 
ling met Christ. Rutkens, A. Duchesne, Vredius, en was 
medewerker aan hunne geschriften, door hun talrijke 
inlichtingen te verschaffen (i). 

Deze persoon was dus in de gelegenheid om goed onder- 
richt te zijn, en men behoort, naar het mij toeschijnt, zijne 
getuigenis niet a priori te verwerpen, hoe onbestemd ook 
de bewoordingen zijn, waarin Lindanus het ons vermeldt. 

Als men de woorden van Lindanus letterlijk opvat, dan 
zouden de Maldeghems, in zijnen tijd, het getal XHII niet 
meer bij hun wapen hebben gevoerd. Hoe dit dan ook zij, 
de overlevering leefde voort, omdat het opnieuw verschijnt 
in de XVHP eeuw, zooals wij het zien boven de deur van het 
boerenhuis te Eppegem. Het vraagstuk betreft dus evenzeer 
de familie van Maldeghem als die van Vilain, en is belang- 
rijk genoeg om te worden opgelost. 

Het vorenstaande was reeds geschreven, toen mij in han- 
den kwam het voortreffelijke werk Maldeghem la Loyale, een 
boek, waarin Mevrouw de Gravin van Lalaing, geboren 
Gravin van Maldeghem, aan haren neef op boeiende wijze, 
maar geheel volgens archiefstukken, het roemrijk verleden 
van haar geslacht verhaalt. In dat boek vond ik de verkla- 
ring van ons raadsel aldus opgegeven (bl. 87 en volgende) : 

Van eenen der burchtheeren van Maldeghem, die in de eer- 
ste helft van de XV® eeuw leefde, Philip, VHP van dien naam, 
zegt men, dat hij behalve het devies Maldeghem la Loyale, 
nog een ander devies voerde, bestaande in het getal XIHI, 
omgeven door twee hopranken. Volgens Robert van Grima- 
rez, voegde Philip zich bij de Ridderbroederschap, die toen 



(1) Biographie Nationale, T. XIII. 



224 « Ons Volksleven. » 

in Vlaanderen bestond (en waarvan, naar het schijnt, een 
Vilain het hoofd was), en dit zinnebeeld gekozen had, dat 
beteekent : Veert hien in hoppe = Verdien in hoop, npour ainsy 
s'animer et esvertuer a genereusement seporter au service de 
Dieu et de leur prince et des dames «.Volgens denzelfden Robert 
van Grimarez, zou Philip dit kenteeken aangenomen hebben 
op grond van zijn huwelijk, want de moeder zijner tweede 
vrouw, Geert ruida van Reimerswaal, was Geertruida van 
Gavere, en de leden der familiën van Gavero, Vilain, Mirabelle 
en andere verbondenen zouden allen hetzelfde zinnebeeld 
gevoerd hebben. 

Is deze uitlegging nu de ware? en zou het werkelijk zoo 
moeilijk zijn, hieromtrent tot volkomene zekerheid te 
geraken? 

In plaats van zich te begeven op het uitgestrekte vold 
der gissingen, — een tocht vol gevaren, waarbij men onge- 
lukkiglijk niet altijd luistert naarde waarschuwingen voor 
voetangels en klemmen, — waarom raadpleegt men niet 
eenvoudig de handvesten der thans levende familie, de 
betrekkelijk jonge bescheiden? Daar zal men vinden wat 
men zoekt. Men zal het er vinden, zonder eenigen twijfel. 
Het onderwerp staat in verband met de geslachtskunde. En 
op het gebied der geslachtskunde zou men zich aan groote 
ketterij schuldig maken, door te beginnen met onderzoe- 
kingen naar voorouders in de middeleeuwen, om achtereen- 
volgens, afdalende van geslacht tot geslacht, de afstamming 
van een persoon uit oen lat^r tijdvak vast te stellen. De 
omgekeerde richting behoort men te volgen ; uitgaan van 
het bekende, om de x te vinden, die door de onbekende 
voorzaten wordt voorgesteld. Door anders te willen hande- 
len, zou men zich aan de ergerlijkste dwalingen blootstellen. 

Voor het oogenblik moet ik er mij bij bepalen, om de 
vraag te stellen. Laat ons hopen, dat deze regels weldra tot 
eene juiste uitlegging van dat zinnebeeldig getal zullen 
leiden. 

Hoewel dit eigenaardig toekomt aan twee (of meer) adel- 
lijke geslachten, is toch ook eene familie uit den meest 



« Ons Volksleven, n 225 

bescheiden burgerstand in het bezit daarvan, echter in een 
eenigszins afwij kenden vorm. 

Ik wil spreken van een persoon, die vroeger juwelier te 
Brussel was en die als pasgeboren kind op den 2^" Januari 
1822 te Leuven was gevonden. Men had hem Emmanuël tot 
voornaam gegeven en tot geslachtsnaam Joli XIV, die ver- 
volgens ook door zijne nakomelingen werd gedragen (i). 

Als meerderjarige zoon van eenen onbekenden vader en 
eene onbekende moeder, trouwde E. Joli XIV, destijds 
wonende te Brussel, in de Nieuwe Pachecostrnat, n° 28, te 
dier stede, op den 7" April 1862, met Maria Catharina Baeck, 
juponnenaaister, geboren te S*-Jans-Molenbeek in 1827, 
weduwe van Alexander Felix van Blommen. 

Ten gevolge van welke zonderlinge gril werd die vonde- 
ling begiftigd met den vreemden naam van Joli XIV? 

Menig lezer zal zeker het bestaan eener familie van dien 
naam niet geweten hebben. Ik vond deze zeldzame bijzon- 
derheid merkwaardig genoeg, om haar bekend te maken. 

* 

Maar, wij keeren terug tot de heerlijkheid Indevelde, 
thans cene fraaie boerenplaats met 63 hectaren land. Zij 
hoort toe aan de familie van Lalaing, die haar heeft ver- 
kregen van de Maldeghems. Deze werden er eigenaren 
van door het huwelijk van Eugenius Ambrosius van Malde- 
ghem, baron van Lijsschot, met Isabella Clara Eugenia de 
Cliamps, gezegd van Kesseler, dochter van Magdalena 
Levina Micault, wier overgrootvader, ridder Jan Micault, 
een Bourgondiër van afkomst, haar had gekocht in het begin 
vandeXVP of op het einde der XV^ eeuw. Hij had ook, 
omstreeks 1511, van M"" Hugo van den Heetvelde, het vroeger 



(1) In het jaar 1800 twee en twintig, op den tweeden der maand Januari, 
is in deze Stad, in de Brusselsche straat, bij de brug van het Hotel de Cologne 
(Hof van Keulen), een kind van het mannelijk geslacht gevonden, gewikkeld 
in een nieuwer, gebreiden wollen lap, gekleed in een oud katoenen jurkje, geel 
met witte strepen, en een oud hemdje ; op het hoofd had het een oud bomba- 
zijnen mutsje. Het kind was pas geboren. Wij hebben het dadelijk in het 
register ingeschreven met den naam en voornaam van Joli XIV (Emmanuël). 

(Burgerlijke stand ; stad Leuven). 



226 « Ons Volksleven. >» 

vermelde kasteel van Heetvelde gekocht. Zonderlinge 
samenloop : eene andpre bezitting van baron de Roye, het 
kasteel van Niel, welks verleden ik elders beschreven heb, 
had insgelijks aan Jan Micault toebehoord. Hij zelf, of zijn 
zoon Nicolaas, lid van den Geheimen Raad, bekend door 
verschillende gezantschappen, die hem werden opgedragen 
door Maria van Hongarije en Eleonara, koningin van Portu- 
gal, later van Frankrijk, heeft het kasteel Indevelde ge- 
bouwd. Het wapen van Micault, dat vroeger boven den 
ingang van dat buitenverblijf stond, bezorgde het den 
dagelijkschen naam van het Kattenhuys of Kattenhof, die 
met de duurzaamheid van volksbenamingen, het bij de 
bewoners van den omtrek op de ofRciëele benaming heeft* 
gewonnen, zoodat de naam Indevelde er bijna onbekend is. 

Groot was mijne verbazing, toen ik op het voorplein van 
het boerenhuis den toren van het Kattenhuys zich somber 
zag verheffen. Eene ware opstanding in mijne oogen ! Want, 
de heer A. Wauters, zegt in zijne Histoire des environs de 
Bruxelles (1855), nadat hij eene beschrijving van dien toren 
gegeven heeft, dat hij onlangs is afgebroken. Blijkbaar is 
aan dezen geschiedschrijver, eenigen tijd na zijn laatste 
bezoek aan de plaats, een onbestemd bericht gegeven, dat 
tot verwarring heeft geleid. Niet de toren is toen afgebroken, 
maar een gedeelte van het woonhuis, dat op vrij grooten 
afstand daarvan stond. Die toren uitdeXVP eeuw, waarvan 
het bovenste gedeelte als heerlijke duiventil diende, draagt 
nog den oorspronkelijken windwijzer, een mooi stuk smids- 
werk, versierd met vier zittende katten, die aan het wapen 
van Micault ontleend zijn. 

Van liet woonhuis, dat vroeger verschillende verdiepingen 
had, bestaat alleen nog een gedeelte van de benedenverdie- 
ping met de kelders en eenige sporen van den trap, die naar 
boven leidde. Een torentje, dat vroeger mot het huis ver- 
bonden was, is ook verdwenen. Bij het opruimen van het 
terrein had men, eenige dagen voor ons bezoek, vijf steenen 
gevonden van 1 Va voet op 1 voet, die in de buitenmuren 
ingemetseld waren. Drie daarvan hadden het opschrift: 
Naer dit I Een beter, de beide andere Sola | virtus. Deze 



« Ons Volksleven. »» 227 

laatste woorden zijn het devies van Nicolaas Micault, zooals 
men die zag op zijn graf in de S'® Gudulakerk te Brussel. Het 
portret van dezen man, en die zijner ouders, broeders en 
zusters, zijn tot ons gekomen op de vleugels van een triptiek, 
in het museum te Brussel, waarvan het middenpaneel, eene 
Opstanding van Lazarus, niet meer aanwezig is. Dit triptiek 
diende vroeger tot versiering van het altaar van dien heilige 
in de genoemde kerk. 

Het kasteel van Indevelde, dat na den slag van Neerwin- 
den (1693) vorstelijke bezoeken ontving, had ten tijde van 
Descamps, — zoo vermeldt de heer A. Wauters, — een 
vertrek met geschilderd behangsel, door Siger van Helmont, 
op de manier van Teniers. Een gedeelte van dat schilder- 
werk was nog voor betrekkelijk korten tijd in het kasteel 
aanwezig, maar werd toen, volgens zeggen van den pachter, 
weggenomen door eenen rentmeestei', die het zich toeëi- 
gende. 

Tijdens het verblijf des heeren op het kasteel, werd er de 
mis gelezen in de slotkapel. In onze dagen zijn de toren en 
de puinhoopen de eenige getuigen van den vroegeren roem. 
Gedachtig aan de ijdelheid van het ondermaansche, verlieten 
wij dat hoekje gronds, dat zoolang het geliefde verblijf 
geweest was van geslachten, waarvan eenige leden in de 
geschiedenis des lands zijn bekend gebleven. 

In het voorbijgaan wierpen wij nog eenen blik op het 
kasteel Impelveld, een nieuwerwetsch landhuis van den heer 
Norincx, dat vroeger aan de familie van Reynegom toebe- 
hoorde, en zagen in de verte de oude pachthoeve Rollekorthof 
liggen, of, zooals de heer Wauters, denkelijk volgens docu- 
menten, zegt, 't Hof te Rollecoten, en het Rollekensbosch oï 
Rolkartbosch, en keerden naar het dorp terug, om nog de 
kerk van Eppegem te bezoeken. Zij is gewijd aan Paus Sint- 
Clemens, van wien er reliquiën bewaard worden, maar is 
voor de oudheidkunde van geen belang. Dicht bij het altaar 
aan de linkerzijde, ziet men een fraai marmeren borstbeeld, 
door Geerts vervaardigd, een geschenk van de barones 
Maria Regina Gislena Josephina Charlé van Waspick, 
geboren barones van Reynegom (1838). 



228 « Ons Volksleven. » 

Daar men in de kerk aan het witten was, ontbrak mij 
de gelegenheid om de opschriften af te schrijven van eenige 
grafzerken, waarop ik in het voorbijgaan de wapens van 
Absolons, Paffenrode, enz. opmerkte. 

Onder den toren in den buitenmuur rechts, staat nog het 
grafmonument in witten steen, van Jan Andreas Josephus 
Gislenus, baron van Reynegom, heer van Heetvelde, majoor 
der stad Brussel, fin 1788, wiens moeder eene Pipenpoy was, 
en « wietts voorouders hunnen naem hebben vercregen ten jaere 
6go door het Reinigen der afgoderyen in 't gr aef schap van 
Kennemerland, alwaer ten jaere yg2 stirf op ^yn hof van 
Reynegom Rabod II, koninck der Vriesen. » 

Deze kluchtige uitlegging van den naam Reynegom, door 
dat grafschrift vereeuwigd, doet niet onder voor andere 
woordafleidingen, die door de geleerdste werken worden 
aan de hand gedaan. 

Een half uur na ons kerkbezoek verliet ik Eppegem en 
mijnen gullen gastheer, en vertrok met den trein naar Ant- 
werpen, om mijne oudheidkundige studiën te vervolgen in 
die merkwaardige nabootsing van de XVP eeuw, die men 
« Oud-Antjperpen » genoemd heeft. J. Th. de Raadt. 



i»»S@^mö®S^®5«g5^S0SÖÖ^_S^]S©^^iS^ÖSBS^S^Ö^SSSfö©®S^ 



®oeklie0|irEkmg. 



E. J. OssENBLOK. — Eene Lezing over D^ F. W.Weber's 
« Dreizehnlinden » volgens de vertaling van Eug. De Lepe- 
leek. — Antwerpen, Jan Boiichery,30, Hopland, 1894. — Boekd. 
van 113 bl. 12«; prijs 1 frank. 



Het zal menigen vriend der Vlaamsche letterkunde genoegen 
gedaan hebben, te vernemen dat de getrouwe en toch zoo eigenaar- 
dige vertaling van D"". Weber's meesterlijk gewrocht door Eug. De 
Lepeleer, op min dan 3 jaren eene tweede uitgave beleefde. In 
onzen tijd van geldbejag en schaarschheid aan dichterlijk gevoel, 
is het eene zaak, die niet van zeker belang ontbloot is, dat een 
werk als Dertien-liuden, het moge dan nog een meesterstuk zijn, 
met zooveel welgevallen door het lezend publiek is ontvangen. 



« Ons Volksleven. » 229 

Doch hoeveel lof en bewijzen van hoogschatting den Vlaamschen 
vertaler mochten te beurt vallen, ze zijn niets in vergelijking met 
den geestdrift die het boek bij zijn verschijnen, en later nog, in 
Duitschland verwekte. Op weinige jaren zagen een honderdtal uit- 
gaven het licht, en geen beschaafde Duitscher, of hij kent Weber's 
« Dreizehnlinden ». 

Ook hier te lande verdiende 't prachtige gedicht bekend te wor- 
den, en toen de beide uitgaven van den Hr, De Lepeleer's vertaling 
verschenen waren, koos de Hr. E. J, Ossenblok haar tot onderwerp 
zijner voordracht in de letterkundige vereeniging Jan Frans Wil- 
lems. Het zou ons te verre leiden, moesten wij den spreker en 
schrijver volgen in zijne beschouwingen, die den man van studie 
en kennis verraden. Men leze zijn werkske dat gansch het dichter- 
lijk vei'haal ontleedt, de fraaiste gedeelten broksgewijze doet ken- 
nen, en benevens eenen schat van bemerkingen als 't ware eene 
bloemlezing aanbiedt van 't schoonste dat er in « Dertienlinden » 
te vinden is. J. B. Veevliet. 

J. Th. de Raadt. — Une commande de Tapisseries Bruxel- 
loises en 1701 suivie d'une note sur Daniel Stroobant, 
seigneur de Terbruggen (1671-1710). — Vlugschr. van 
13 bladz. 8°. 



Tusschen de verschillende takken van vaderlandsche kunstnijver- 
heid heeft in vroegere eeuwen het tap ij tw even steeds eeuen eersten 
rang bekleed. De woelige tijdsomstandigheden waaronder België 
zoo dikwijls gebukt ging, droegen echter niet zelden bij tot het 
verval der kunst, en met deze ging ook menige bron van voorspoed 
en welvaart te niet. Dit was ook het geval met het tapijtweven, 
dat nog slechts zeldzame sporen van vroegeren bloei heeft nagela- 
ten, zooals de werken van A. Wauters, den graaf de Laborde, Fern. 
Donnet, en anderen het ten overvloede bewijzen. 

Elke bijdrage op dit gebied is dus eene welkome aanwinst voor 
de geschiedenis der kunst in onze gewesten, en hoe beknopt de 
mededeeling des Heeren de Raadt ook moge wezen, toch heeft zij 
haar belang, niet het minste voor hem die eens de moeielijke taak 
zal aanveerden, eene volledige geschiedenis van het tapijtweven in 
België te schrijveü. 



230 « Ons Volksleven. » 

Geschiedkundige aanteekeningen en verdere uitweidingen over 
Daniel Stroobant, die de bewuste tapijtwerken deed uitvoeren, 
vermeerderen nog het belang dezer verhandeling. 

J. B. Vervliet. 

Helnrich Merkens. — Was sich das Volk erzahlt. Deut- 
scher Volkshumor. — Jena, Hermann Costenoble, 1892. 
(3 Mark, 280 bladz.). 

Met zeer veel genoegen vestigen wij de aandacht der lezers van 
dit tijdschrift op dit boek. Er zijn weinige rubrieken onder de volks- 
kunde welke zoo veel genoegen verschaffen als de « humor ». 
Daarin bestaat vooral de folklore der volwassenen. Spotverhalen, 
domme gezegden, geestigheden, hebben steeds bij de menigte in 
hooge gunst gestaan : de mensch heeft altijd zoo gaarne op zijn 
gebuur gesmaald ! Uit geheel deze klasse van vertellingen spreekt de 
hem ingeboren spotzucht met meer kracht dan uit de voortbrengse- 
len der letterkunde. Wat deze laatste ontleend heeft aan den aiouden 
schat van humor bij het volk verspreid, ware overigens een hoogst 
belangwekkend onderwerp van studie ; en dat de ontleening op 
groote schaal gebeurde, daarvan getuigt onze middeleeuwsche 
komische letterkunde. 

Voor wie zich door het even aangeduide onderwerp zou aange- 
trokken voelen, heeft het boek van Merkens een hoog gewicht. Het 
is niet alleen een rijke verzameling van allerhande grappen, uit het 
volk afkomstig en ten koste van lange opzoekingen bijeengebracht. 
De schrijver heeft er tevens goede nota's bijgevoegd en voor talrijke 
nummers verwezen naar oude werken, welker lijst als bibliographie 
der komische letterkunde zeer welkom moet zijn. Niet alleen in 
Duitschland, maar ook hier te lande. Want bij 't doorbladeren van 
dit boek blijkt het eens te meer, hoe de.menschelijke geest overal 
dezelfde is, ook in de uitingen zijner spotzucht. Wij meenen wellicht 
alleen te staan, als wij iets vertellen op de kap der boeren van 
Ooien, of van Hillegem in Oost- Vlaanderen. Even goed bespot de 
Duitscher Bopjingen of Ganslosen in Zwaben; of Weilheim in 
Beieren ; of Schilda in Saksen ; of nog andere plaatsen naar gelang 
der gewesten ; en daarbij komen steeds dezelfde geestigheden voor 
den dag. De boeren willen hun kerk verschuiven ; of zich tellen ; 
of ze visschen naar de maan, en zoo voorts. 



« Ons Volksleven. »» 231 

Als spiegel van het volk en zijn denkwijze is een dergelijke 
verzameling van het hoogste gewicht. Wij zien er dat volk in al zijne 
waarheid. Een schildering naar de natuur kan nooit kwaad. 
« Wie geen lachen verstaat, hoeft maar niet onder de menschen te 
komen ». Daaraan heeft de schrijver gelijk. Die eerlijke waarschu- 
wing was echter niet noodig : er zal wel niemand zijn, die zijn werk 
niet een plezierig en nuttig boek zal noemen. A-Ug. Gittée. 

Paul Sébillot. — Contributions k TEtude des Contes 
populaires. I. Contes de la Haute-Bretagne qui présentent des 
ressemblances avec des contes imprimés. II. Contes résumés de 
la Haute-Bretagne. (Extrait de la « Revue des Traditions popu- 
laires », T. IX, n°« 1 a 6). — 89 BI. gr. 8°. 



Een der onvermoeibaarste vorschers op het gebied der Fransche 
volkskunde, vooral in het vak der gesproken letterkunde, is voor- 
zeker de heer Sébillot. Tot hiertoe verzamelde hij, in Opper- 
Bretanje aleen, ruim 600 vertelsels, waarvan er, van 1880 tot 1894, 
478 het licht zagen. Weinigen kunnen, als hij, zich beroemen een 
zoo rijken oogst van volkssprookjes opgedaan te hebben. 

Het werk, dat hierna besproken wordt, bevat een ruimen voor- 
raad bescheeden voor de studie der volksvertelsels. 

In het eerste deel somt de schrijver de vertelsels op, door hem 
verzameld, die 'tzij voor den grond van het verhaal, 'tzij door 
bijkomende omstandigheden, eene zekere gelijkenis met de sprook- 
jes van Perrault en met andere geboekte vertelsels vertoonen. Van 
de vertelsels die hij reeds vroeger liet verschijnen, worden enkel de 
titels opgenoemd en de werken aangeduid, waar zij te vinden zijn. 
Van de niet-geboekte geeft hij den korten inhoud : zoo beknopt 
mogelijk voor de episoden die enkel varianten zijn ; meer uitgebreid 
voor deze die meer oorspronkelijkheid hebben. 

Het tweede deel begrijpt varianten, in 't kort samengevat, van 
vertelsels, reeds vroeger door den schrijver uitgegeven. Op elk 
nummer volgen aanteekeningen over den typus, waarmede het in 
verband staat, over de episoden die men in een of meer zijner 
vroeger uitgegeven vertelsels weervindt en over de ongeboekte 
episoden. 

Dit deel bevat 70 nummers,waaronder wij zeer veel varianten van 
Vlaamsche sprookjes aantreffen. Jozef Cobnelissen. 



232 « Ons Volksleven. »• 

Paul Sébillot. — Dix Contes de la Haute-Bretagne. 

(Extrait de la « Revue de Bretagne, de Vendée et d'Anjou »). — 
1894. — 20Bl.gr. 8°. 

De vijf eerste nummers zijn plaatselijke of historische legenden. 
N"" 6 gelijkt op het in Dietsch-België zeer verspreide vertelsel De 
Koning van Zevenbergen (z. Volkskunde, I, bl. 121), De Ameri- 
kaansche Tooveraar (z. Am. Joos. Vertelsels van het Vlaamsche 
Volk, II, bl. 177). Ik herinner mij, in mijne kinderjaren in de 
Kempen eene andere gedaante van dit vertelsel gehoord te hebben, 
getiteld Klarisken en Ouden Demus, maar ik kan mij dat sprookje 
niet meer te binnen brengen. N"" 10 is eene variante van het eerste 
deel van Wolfjonk en de gevangen Koningsdochters. (Z. Ons 
Volksleven, II, bl. 63). Jozef Cobnelissen. 

Paul Sébillot. — Légendes du Pays de Paimpol (Extrait de 
la « Revue de Bretagne, de Vendée et d'Anjou »). — 1894. — 
8 Bl. gr. 8". 

Dit vlugschrift bevat 5 nummers die wel is waar geen zeer 
groot belang opleveren, doch waarin men meldensweerdige bijzon- 
derheden aantreft, die tot nu toe nog niet opgeteekend waren. 

De belofte van elkander, dood of levend, te trouwen, maakt het 
onderwerp uit van de eerste legende, die verwant schijnt met de 
sage, waar Burger de stof voor zijne heerlijke ballade Lenore aan 
ontleende. 

De tweede legende is eene eenvoudige spookgeschiedenis ; in de 
derde komt een wit schaap voor, dat gewoonlijk een kwelgeest of 
een duivel is, maar hier den engelbewaarder verbeeldt. 

In de twee leste verschijnen kwelgeesten, die op spottenden toon 
alles herhalen wat hun gezeid wordt. Jozef Cobnelissen. 



^^^sye^i 



ONS VOLKSLEVEN 

VII. 



TIJDSCHRIFT 
voor ^aal', ^olks- en §üdheidkünde 



ONDER LEIDING VAN 

JOZ. CORNELISSEN & J. B. VERVLIET 

Onderwijzer Letterkundige 



te S' Antonius-B recht. 



te Antwerpen, 



« El is nog een rijke oogst op licl veld der gowestspraken voorliaudeij ; 
vele volkenitdruUkingeii dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
8childeracl)tigheid of oudheid verdienen in de sclirifttaal opgenomen en 
bewaard te blijven, i 

Zuidnedevlandsche Maatschappij tan Taalkunde, Wedstrijd 1874. 
• Do Bludie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen, 
in één woord, het tolk Eooals hei is. » 

Vraagboek voor Vlaamsche Volkskunde 



1895 



TE BRECHT, 

BIJ L. BRAECKMANS, DRUKKER EN UITGEVER. 



Medewerkers aan den zevenden jaargang 
(1895.) 



P. D. S. 

J. Feskens 

Avig. GiTTÉE 

Alfried Harou 

Jani Vlunius 

Alf.J. C. 

F. L. 

Lenaard Lehembre 

Dr A. L. P. 

L. Mees 

Frans Meeus 

P. NoTELTEIRS 

A. O. 

P. N. Panken 
Fr. Peters 
A. V. P. 
J. F. ViNCx 
Frans Zand 



te Hoogstraten. 

» Glossop (Engelland). 

» Luik. 

)) Antwerpen. 

» Lier. 

)) Lippeloo. 

» Brussel. 

)) Schelle. 

» Lier. 

» Hingene. 

» Oostmalle. 

» Brussel. 

» Antwerpen. 

» Bergeik (Noord-Brabant.) 

» Leuven. 

» Sint-N iklaas. 

» Mechelen. 

)) Heist-op-den-Berg. 



Bijzonderste Drukfeilen. 



Nota. — Enkele feilen werden reeds vroeger verbeterd. 
Op bldz. 56, 3o" r. staat : in ; lees : en. 

» » 91, 18" r. » Lombeek; » 

» » 99, 4" r. )) Se; ■ » 

)) » 102, 33" r. » te gepaste; » 

» )) i83, 34" r. » xreemde ; » 
In de 6^= aflev. werden de bldz. verkeerd genummerd ; het art. 
Grappen en Kluchten moet met bl. io5 in plaats van met bl. i65 
beginnen. Zoo telt men voort totbl. i25. 

Andere drukfouten gelieve de lezer zelf te verbeteren. 



Homheek. 

De. 

ten gepasten tijde. 

vreemde. 



IlfH©llB) 



TAALKUNDE. 



Bijdragen tot een Kempisch Idioticon, 
27, 29, 6g, 70, i33, 170, 195 
Tantefèèr, pottefeèr 33 

Blauw, blauwen 5i 

Kruidnamen 69 

Medezitter of bijzitter? 78 

Volksnamen der influenza 84 



Volksbenamingen van muntstukken 

125, i85 
Over de uitspraak der klanken i33, 170 
Du en de enclit. voornaamw. df (/e), 

dt'gij, degijlic, em. en en i 195 

Barp-oensch 233 



VOLKSKUNDE. 



De kuil. Kinderleven en historie 5 

Het manneken in de Maan 

16, 79, 93, 144, 197 



26, 148 
3i, i36 

33, 57 

34, 96 
5i 

66,68 

69 

86 

89, 148 

io3 

112, i36 

186 

148 

149 



126, 



Het vuur in het volksgeloof 

Spreuken en spreekwoorden 

De taal der vogelen 

De wind in het volksgeloof 

Blauw, blauwen 

De processiën 

Volksgeloof in Klein-Brabant 

Kabylische vertellingen 

Raadsels 

Kabouters 

De zinneloozen 

De muntstukken 

De haan en de hen 

Oude luimige grafschriften 

Het groeten bij verschillende volke 
ren 154, 197 

Bijgeloof in de Antwerpsche Kem- 
pen 190 

Volksgebruiken en wangeloof te 

Lier 191 

Schraminkel jagen 196 

Waarom heeft St-Antonius een ver- 
ken bij zich? 207 

Volksgeneeskunst 159, 192, 209 

De duivel in het volksgeloof en de 
volkssagen 

Engelsche kinderrijmkens 

Dierenprocessen 

Inhoud van tijdschriften, ontvangen 
boeken 24, 44,64,84, 124. 162, 2o3, 236 
Sprookjes en Vertelsels : 

Het manneken in de maan 

16, 79. 93, 144, 197 

Van den boer en den advokaat 58 

De zingende bloem 82 

Van eenen koning die drie dochters 

had 85 



209 
212 
219 



86 

87 

87 

129 

146 

i65 
201 

221 



Van eenen knaap en eenen uil 

De schorpioen en de uil 

Leugens 

Keizer Karel en de rijstpap 

St. Job van Mariekerke 

Dries Veer, Jan den Beer en 

Slij kneus 
Geeraard de knecht 
Lompe Jan 

Grappen en Kluchten : 



Van den boer en den advokaat 58 

Eene studentengrap io5 

« Merci » is een leelijk scheldwoord 106 
Van den pastoor en de eend 107 

De vermenigvuldiging der brooden 108 
Waar moet ik hem zetten ? 109 

De grappen der boeren van Ooien 129 
St. Job van Mariekerke 146 

Een afdoend middel 201 

Boer Kees en de chocolat 220 

Lompe Jan 221 

Spotnamen op Steden en Dorpen : 

Gent : de stropdragers 9 

Glabbeek : de Turken 11 

Schaarbeek : de ezels 11 

Goyck : de telloorlekkers 11 

Lennik : de poorters , 12 

Eisene : de hondenknagers 12 

St. Gilles bij Brussel : de Koolenkap- 
pers 12 
Huisinghen : de heeren 12 
Spotnamen op eenige andere dorpen in 
Brabant 12 
Belcele : de Kloklappers i3 
Nieuwkerke ; de schapen i3 
Beersel : de Beerselsche brekken 89 
Spotnamen op eenige andere dorpen in 
Antwerpen en Brabant 91 



Eikevliet : de « Groote Suite » i52 
Ze komen van achterna gelijk die 

van Heist i54 

Rethy : de Kortooren 172 

Hamme : de Hamsche wuitens 174 

Zele : de kloddemans 174 
Grembergen : de Grembergsche 

zandeters 174 
Aalst : de ajuinen, de draaiers, de 

witvoeten 175 

Ninove : de wortels 175 

Ronse : de Ronsche zotten 176 
Geeraardsbergen : de bergkruipors 176 
Onkerzele : de Onkerzeelsche too- 

verheksen 176 
Winkel-St. Kruis : de scheeweië- 

ters 176 
Mendonk : de palingstroopers 177 
Desteldonk : de trotters 177 
Spotnamen op eenige andere ge- 
meenten in Oost-Vl. 177 
Westmeerbeek : de karleespoorders 188 
Ramsel : de poteerddabbers 188 
Hingene ; de eters van Hingene 188 
"Wintham : de Winthamsche kazak- 

ken 189 

Liezele : de Liezelsche pieren 189 

Kempische Sagen: 

Van een spokend schaap 35 

Een spookbosch 36 

Een soldaat weergekomen 92 

De herberg « 's-Gravenhage n 92 

Eene Geestverschijning ii5 

Spokerij in een kasteel 116 
Overleveringen uit den Franschen 

tijd 118 
Het behekst geweer igS 
Geschiedkundige volksoverleverin- 
gen 194 
Sagen uit Klein-Brabant : 
De klokken van Bornhem 179 
Op Mie's bessem gezeten 179 
Wondere gedaanten 180 
Het wit spook in den boschkant 180 

Icpersche Sagen : 

De Beurzestraat te leperen 81 

De Nekkerstraat 81 

De Kalverstraat , 82 

Verspreide, niet genummerde Sagen: 

Eene legende over Sint-Jan 119 

Eene duivelsbrug in Zwitserland 210 

Volksliederen met muziek : 

Zatte Katrijn 14 

Zangwijskens i3g 

Gezelschapslied 229 



Volksgebruiken en Gewoonten in 
Noord-Brabant : 

Eerste April 17 

De eerste koekoek, zwaluw, enz. 18 
De eerste Mei. De meiboom, enz. 19 
Kerstmis 37 

Driekoningen 38 

Vastelavond 39 

Palmpaschen of Palmzondag 61 

Paschen, paascheieren, enz. 73 

Pinksteren, pinksterbloem, enz. gg 

St. Jan, St. Janskronen, enz. iig 

St. Maarten, St. Maartensvuren, 

enz. 120 

Sinterklaas of St. Nikolaas 140 

Over eenige andere heiligdagen 141 
Verschillende gebruiken met kerke- 
lijke feesten en plechtigheden in 
verband 181 

De Rederijkersgilden i83 

De schuttersgilden 198 

Van de andere gilden 200 

Gebruiken bij verhuizingen, huwe- 
lijken, geboorten, kerkgang, enz. 224 
Volksgebruiken in de Antwerpsche 

Kempen: 
Verloren maandag 178 

De eerste April 178 

De tweede Paaschdag i7g 

Gebruiken bij Overlijdens 222 

Het patroonfeest der kantscholen te 

Turnhout 223 

Volksgebruiken in Klein-Brabant : 
De schippers van Hingene log 

Bij een afsterven 109 

Over betalingen 110 

Nieuwjaarsgiften iii 

Verkoopen en leveren ii2 

Het vlas en de vlasoogst 216 

Kerkofferanden in natuur 218 

Andere Gebruiken : 
Meitakken op de wonmgen van jon- 

gedochters 20 

Meimannekens 22 

Leggen van den eersten steen 43 

Gewijde palm 01,179 

Versiering der straten bij processiën 66 
Militaire processiën 67 

Gilden in de processiën 68 

Paascheieren 7^ 

De patronen van den wind g8 

St. Dympha, patrones der zinneloo- 

zen ii3 

liet groeten i54, 197 

Zonderlinge begrafenis i58 

De echtscheiding bij de Chineezen 160 
Katten de ooren afgesneden 173 



Geld onder het volk geworpen i86 

Munten in de grondvestingen i86 

liet huwelijk en de munten i86 

De merkten 187 

De g"odspenning- 187 

Loon der dienstboden 187 

Schraminkel jagen 196 

Offeranden aan den H. Antonius 2o5 

Kwanselbier, enz. 226 

Kinderspelen : 
Koppekentrap, katteken en katte- 

kenbuk i3o 

Kaartspel i56 

De « steenen brug » 210 

Bijgeloof: 

Eieren die eenen brand uitdooven 25 
I^ehoedmiddelen tegen brand 25, 26 

Middelen tegen den bliksem 26 
St. Janskruid 26, 120 

Draaiwinden 34 
Personen die den wind kunnen 

draaien 34 

Bijgeloof in China 43 

Het zuiverend vuur 54 

Voorwerpen in het vuur geworpen 54 

Voorspellingen door het vuur 55 

Het vuur en de ziekten 55 
Andere begrippen aangaande het 

vuur 56 
Processiestrooisel, middel tegen 

ratten en muizen 65 
Beeld der H. Maagd in de processie 66 
Processiestrooisel verjaagt de mus- 
se hen van de tarwe 68 
Eieren op Haltoogst gelegd 69 
Insecten sterven den 8" Sept. 69 
De maan en heure gestelten 6g 
Voorspellingen door den wind g6 
Voorteekens van wind 97 
Winden en stormen op zee g8 
Zinneloosheid 112, 114, ii5 



Oude munten als talismans 

Doorboorde muntstukken 

Gewijde muntstukken 

Valsche weerde aan sommige munt- 
stukken toegeschreven 

liijgeloof bij ongeloovigen 

Een wonderdokter 

Bijgeloof en misdaad 

Het eerste bloemeken op een graf 

Il et geld en de tooverij 

De munten en de boter 

Dwaallichtjes 

Middel om te kunnen tooveren 

Padden 

Weerwolven 

Wisseltanden 

Als er iets in de oog gevlogen is 

Wratten verdrijven 

Middelen om bij 't loten een goed 
nummer te trekken 127, 

Om een zwijn van het roodvonk te 
genezen 

Lijkstroo 

Bijgeloof in Sagen 35, 81, 92, n5. 

Vragen en Aanteekeningen : 

Gebruiken bij 't leggen van den 

eersten steen 
1 ijgeloof in China 
Alles verkeerd 
Volksnamen der influenza 
Menschenoffers bij 't leggen eener 

brug 
Zonderlinge begrafenis 
I ijgeloof bij ongeloovigen 
Een wonderdokter in Holland 
De echtscheiding bij de Chineezen 
Bijgeloof en misdaad 
De torenblusschers van Neerpelt 
De « vlucht )) en de « slagvelden » 
Het eerste bloemeken op een graf 



127 
127 

127 

128 
iSg 
i5g 
160 
162 
186 
187 
igo 
igo 
igo 
igo 
ig2 
ig2 
ig2 

ig3 

206 

222 

179. 
193 



43 
43 
43 

84 

i58 
i58 
i59 
i59 
160 
160 
161 
162 
162 



GESCHIEDENIS EN OUDHEIDKUNDE. 



De kuil. Kinderleven en historie 6 

De stropdragers van Gent 9 

Heraldiek en kunst (met 5 platen) 45 
Overleveringen uit den Franschen 

tijd 118 



Oude luimige grafschriften 
De (c Vlucht » en de k Slagvelden » 
Geschiedkundige volksoverleverin- 
gen 
Dierenprocessen 



149 
162 



194 
'219 



BOEKBESPREKINGEN. 



tl. CoNiNCKx. — Geschiedkundige 
aanteekeningen, betreffende 
Mechelsche gebruiken, gewoonten, 
instellingen en gebouwen 33 

Karel Quaedvlieg. — Simon de 

Toovenaar 41 

Is. Teirlinck. — L( folklore flamami 62 



De Diedrick's 



ViN'CEXT LeFERE. 

Sage 102 

— De Verdwijning der Auwelen io3 
Paul Sébillot. — Légendes et Curio- 

site's des Métiers 122, 232 

Is. Teirlinck. — Maria in de 

Plantlore 122 



Edm. Geudens. — L'Hópital Sf<^ Eli- 
sabeth d'Anvers d travers les sièchs i33 

H. Roes. — Een dertigtal meest 
tweestemmige, gemakkelijke ker- 
kelijke Melodieën 202 



Edm. Geudens. — Het Antwerpsch 
Knechtjeshuis §edert zijn voorhisto- 
risch tijdperk tot op onze dagen 23o 

— Limburgsch jaarboek (ie, 2e en 
3ejb.) 233 





XIJDSCHI^IFX 

uooF T^aal-, YoU^I- k Oudheidl^unde. 



« Er is nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhanden ; vele volks- 
uitdrukkingen dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, schilderachtigheid of 
oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen en bewaard te blijven. » 

Zuidiiederlandsche Maai schappij van Taalkunde, Wedstrijd 1874 
« De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen ; in één woord, het volle 
zooal.1 het is » 

Vraagboek voor Vlaamache Volkskunde. 



Kinderleven en Historie 




EN bekende grap in de wereld waarin Tom 
Sawyer te huis behoort. Wie — tenzij 
hij, geHjk Fransje in Beets' kernig plei- 
dooi voor den Hollandschen jongen, 
onder een klok werd groot gebracht — 
was er niet eens het slachtoffer van? Als 
men er zich niet gewillig toe leende,, of 
soms eenig wantrouwen aan den dag 
legde, liet zich altijd een goede makker 
vinden om u te brengen waar de snaken u hebben wilden. 

Men weet waarin de kuil — de bedriegput zegt men in Vlaande- 
ren — bestaat. 

Men maakt een gat in den grond, dat men met water vult, en 
daarna omzichtig toedekt met wischjes of twijgen, terwijl alles 



6 « ÓNS Volksleven. • 

met een laag aarde zoo goed mogelijk met den overigen grond 
gelijk wordt gemaakt. De vriendelijke makker neemt u bij den 
arm, vertelt u een — o zoo belangwekkende ! — geschiedenis, en 
onder zijn leiding kunt gij onmogelijk anders dan den voet op het 
gevaarlijke punt zetten. 

Deze in schijn onbeduidende grap heeft, gelijk zoovele andere 
zaken uit het kinderleven, een zeer eerbiedwaardigen leeftijd. 

Uit de berichten der reizigers omtrent de levenswijze der natuur- 
volken weten wij, dat de kuil nog heden behoort tot de listen 
welke zij aanwenden, 't zij om een dier te vangen, 't zij om een 
vijand te verschalken. Dit middel dagteekent wel uit de bescha- 
ving van den primitieven mensch. Zoodra de behoefte aan vleesch 
zich deed gevoelen, moest de mensch op middelen bedacht zijn, 
om zijne hand kunstmatig te wapenen. Met dieren van een zekere 
grootte, tot die van den wolf b. v., kon hij den strijd wel aangaan, 
doch met grootere schoot zijn kracht al spoedig te kort, en moest 
hij noodzakelijk tot list zijn toevlucht nemen. De kuil, die er op 
de oppervlakte nagenoeg uitzag als de gewone grond, behoort tot 
de zaken waaraan hij het eerst moest denken. Bij onze Germaan- 
sche voorouders vinden wij dit middel in gebruik. Sigurd ver- 
bergt zich in een kuil op den weg, waar een zekere draak placht 
voorbij te kruipen wanneer hij drinken ging, dekte den kuil toe 
met takken en bladeren, en doorboorde aldus het monster met 
zijn zwaard. 

Bij de wilden doet de kuil nog heden dienst als oorlogsmiddel. 
Stanley, op zijn ontdekkingstocht in het Congogebied, moest 
onder andere ook met deze list kennis maken. Met kuilen poogden 
minder gastvrije volksstammen hem steeds te hinderen en tegen te 
houden. Het pad was namelijk zeer dikwijls doorsneden met 
ondiepe putten, waarin scherpe spitsen, rechtstaande, zorgvuldig 
onder breede bladeren verborgen waren. Zijne dragers, welke 
blootsvoets reisden, geraakten er vaak in, en hadden daarbij 
ondraaglijke pijnen te doorstaan ; want soms werden hunne voeten 
aldus geheel doorboord, of bleef de spits in de wonde steken, 
waardoor zelfs koudvuur ontstond. 

In den loop der eeuwen heeft de bedriegput een meer onschuldig 
karakter verkregen ; anders dan als kindervermaak bestaat hij 
thans niet meer in de beschaafde maatschappij. Dat hij evenwel 



« Ons Volksleven. » 7 

tot onze oudheid behoort, en oorspronkelijk met hetzelfde doel 
werd aangewend als nog tegenwoordig bij de wilden, zagen wij 
uit het voorbeeld ontleend aan het Germaansche epos. 

Gelijk met den kuil ging het menig ander voorwerp uit onze 
stoffelijke beschaving. Zoodra het in den geleidelijken vooruitgang 
der menschelijke kennis nutteloos geworden was, geraakte het 
buiten het practisch gebruik, zonder dat het daarom in eens 
geheel ophield te bestaan : dikwijls daalde het af tot de kinderwe- 
reld. De jperktnigen va?i een vroeger geslacht \ijn aldus het 
speelgoed van eefi later geworden. 

Als speelgoed kende men ze misschien zelfs terwijl ze nog in 
't werkelijke leven bestonden. Immers, tal van zaken die behooren 
tot het kinderleven, hebben hun ontstaan te danken aan de zucht 
tot nabootsen, den mensch en vooral den kleinen mensch ingebo- 
ren. De kinderen houden « school » ; ze kleeden zich als vader en 
moeder, ze a bakken brood » met zand en een vingerhoed, of 
maken, de meisjes althans, een gansch diner gereed. Zelfs bij 
natuurvolken is deze neiging werkzaam : vele reizigers hebben 
vermeld, hoe de kinderen der wilden met poppen, uit klei ver- 
vaardigd, buffels en andere dieren voorstellen en daarmee een 
jacht inrichten. Door een nabootsing der jacht bleven boog en 
pijl, de wapens van den primitieven mensch, bij onze kinderen 
als speelgoed bewaard. Als wezenlijke weermiddelen laten zich 
deze voorwerpen door de eeuwen heen vervolgen. De middel- 
eeuwsche mensch had ze van uit zijn wilden toestand behouden ; 
ten gevolge van den gedanen vooruitgang, hoofdzakelijk door de 
uitvinding van het buskruit werden zij verdrongen, doch leefden 
voort als kinderspeelgoed. Met den kruisboog, een betrekkelijk 
late en locale verbetering van den boog, ging het niet anders ; 
evenzoo met den slinger. Menig gebruik, dat vroeger tot de 
gewone levenswijze behoorde, kunnen wij aldus nog leeren ken- 
nen uit de kinderspelen welke er de nabootsing van zijn. Voor- 
malige huwelijksplechtigheden laten zich op die wijze nog onder 
sommige vermaken der jeugd terugvinden. 

Vaneen andere zijde waren de spelen, welke tegenwoordig tot 
de kinderwereld beperkt zijn, in vroeger tijd ook wel daarbuiten 
in eere. In onzen tijd gebeurt het hoogst waarschijnlijk niet meer 
dat volwassenen met de knikkers zouden spelen. Vóór een dertig 



8 " Ons Volksleven. « 

jaar was dat evenwel tot in grootere steden gebruikelijk. In mijne 
jeugd gebeurde zulks nl. nog te Gent. Het is waar, het was in den 
tijd toen men nog eiken avond 's zomers de koeien der stadsbewo- 
ners uit de gemeenteweide naar huis kon zien leiden, terwijl de 
stadsherder door de tonen van zijn toethoorn al de kinderen naar 
de straatdeur lokte. De koeien der stadsbewoners behooren thans 
tot het verleden, evenals wel het knikkeren bij anderen dan bij 
kinderen. Welke jongeling, wiens lip begint overschaduwd te 
worden, zou zich heden nog zoover durven vergeten? 

In vroeger eeuwen vinden wij tal van spelen, thans tot de 
kinderen bepaald, onder klein en groot, oud en jong in gebruik. 

Huig de Groot vermaakte zich op Loevestein met tollen. Zoo 
iets stelt de negentiende-eeuwer zich slechts met moeite voor. Dat 
het jonassefi, d. i. het opwerpen en opvangen van een heer uit 
het gezelschap op een wollen deken, nog in de zeventiende eeuw 
in Nederland tot de bruiloftspret behoorde, wijst niet alleen op 
grooter uitgelatenheid bij feestvieren vroeger ; tevens mag men er 
uit afleiden, dat ook volwassenen op het punt der vermaken slechts 
geringe eischen hadden. Dit blijkt weer uit het feit, dat de hof- 
dames van Koningin Elisabeth van Engeland zich den tijd zochten 
te verkorten met een spel, dat nog heden onder den naam van 
barley-break, doch alleen bij de jeugd, bekend is. Froissart 
noemt in zijn Espinette amoureuse een gansche reeks spelen op, 
waarmede de edele heeren van het hof van Frankrijk zich vermaak- 
ten. Hoewel het ons met de eenvoudige vermelding van den naam 
niet altijd mogelijk is het spel juist te bepalen, toch weten wij dat 
daaronder behoorden zeker spel met krieksteenen (aiix pierrettes), 
het volgertje {keuve leu leu), alsook een ander dat goed op ons 
verstoppertje geleek (i). 

Zoo verandert de tijdgeest. Het nieuwe geslacht vermaakt zich 
met wat het oude eerde en prees. De werktuigen eener vroegere 
beschaving zijn telkens een sport lager gedaald in de achting der 
volwassenen, en eindelijk bij de kinderen te recht gekomen. Heb- 
ben dus vele zaken uit het kinderleven een merkwaardige geschie- 
denis achter zich, gerust mag men tevens aannemen, dat de 
mensch uit vroeger tijd eenvoudiger, kinderlijker was van gemoed 
dan thans. Aug. Gittée. 

(i) W. W. Newell. Games and Songs of American Children. New- York 
i8«4. (p. 233) 



« Ons Volksleven. » 9 

(Spotnamen op Steden en (Dorpen, (') 




l. (36.) ©ent : ^t Btropbra^crij. 

jiEHiER nog een niet onaardig Latijnsch versje over de 
spotnamen van eenige onzer steden ; de schrijver is waar- 
schijnlijk een Brusselaar en daarom heeft hij vergeten 

te zeggen, onder welken spotnaam de Brusselaars sedert eeuwen 

wezentlijk bekend zijn. 

NoBiLis Bruxella viris, Antverpia nummis, 
Gandavum laqueis, formosis Bruga puellis, 

LOVANIUM DOCTIS, GAUDET MeCHLINIA STULTIS. 

Letterlijk in 't Vlaamsch : 

Brussel prijkt met zijnen adel, Antwerpen met zijne schatten. 
De Gentenaar heeft zijne strop, Brugge zijne schoone meisjes, 
Leuven heeft zijne wetenschap en Mechelen zijne zotten. 
Dit meesterstukje is door Becanus vertaald en een weinig uitge- 
breid als volgt : 

Brussel pronkt met zijn edeldom 

(Van kiekenfretters zwijgt men stom) 

Antwerpen met zijne centen, 

De Gentenaren met de strop 

aan den hals en met blooten kop, 

En Brugge met meiskens djente; 

Leuven is trotsch op wetenshcap 

en zijn studenten altijd knap, 

en 't schoone Mechlen met zijn zotten, 

maar meest als men het loof ziet botten. 

Men ziet, zooals gewoonlijk zijn de Mechelaars en de Gente- 
naars de wees. De eerste, hoe zot of maanzuchtig dat men ze 
beweert te zijn, hadden te veel verstand om zich aan die knipjes, 
spotternijen en puntdichtjes veel te storen en zij wisten de eerste 
de beste gelegenheid waar te nemen, om met hunne geburen 
poets wederom poets te spelen. 

Zoo gebeurde het dat den 29ii Juli 1714 de toren van St. Niklaas 

(i) Z.Ons Volksleven, Y, bl, i32-i35, i53-i53, 189-192, 2i5-2i6, 228-229; 
VI, bl. 90-91; 167-168. 



10 « Ons Volksleven. » 

te Brussel inviel. Het duurde geen drij dagen of men hoorde te 
Mechelen en omstreken een spotliedeken zingen, waarvan 't slot- 
rijmpje was : 

Het is beter te blusschen zonder brand 

Als torens te bouwen zonder verstand, 

en dat met geestdrift door al de omstanders herhaald wierd en 
ook, bij de minste zinspeling op St. Romboutstoren, den Brusse- 
laars toegesnauwd wierd. 

Hetzelfde gebeurde met de Antwerpenaars, toen in 1754 de 
toren van St. Andrieskerk instortte. Ook den Sinjoor was nu 
de mond gestopt en de Mechelaars waren gerust en tevreden. 

Geheel anders was het met de Gentenaars. Men weet aan welke 
droevige gebeurtenissen zij den scheldnaam van Stropdrag'ers ver- 
schuldigd zijn ; zij hadden geweigerd hun aandeel te betalen in 
eene geldheffing van twaalfhonderd duizend gulden, om den oor- 
log tegen Frankrijk voort te zetten. De Groote Raad van Mechelen 
had hun ongelijk gegeven ; verre van zich te onderwerpen, namen 
zij de wapens op en dreven de blinde roekeloosheid zoo ver, dat 
ze eenen hoofddeken, die hen tot rede wilde brengen, deden ont- 
hoofden. Spoedig volgde de straf, en zij was schrikkelijk. Den 14" 
Februari 1540 kwam Keizer Karel te Gent aan het hoofd van 
een leger; eerst wierden de belhamels aangehouden, en den 29" 
April wierd de stad schuldig verklaard aan de misdaad van ge- 
kwetste Majesteit; al hare voorrechten en costumen wierden ver- 
nietigd ; de inwoners wierden veroordeeld tot de betaling van 
i5o,ooo gouden Carolus eens, en van 6000 gouden Carolus 's jaars 
ten eeuwigen dage, onverminderd hun aandeel in 1,200,000 gul- 
den, dat zij geweigerd hadden te betalen ; zestien der aanleiders 
wierden ter dood verwezen en ontlroofd ; menigvuldige andere 
wierden verbannen en hunne goederen verbeurd. 

Boven dat alles wierd de stad nog veroordeeld om eereboet te 
doen jegens den keizer. Een groot getal inwoners van alle standen, 
gekleed met lange zwarte hangende tabbaarden, blootshoofds, en 
vijftig hunner, met de strop om den hals, moesten voor den Kei- 
zer verschijnen en hem op hunne knieën verzoeken en bidden hen 
in genade en bermhertigheid te willen ontvangen. 

Dat gebeurde zoo, en de spotnaam van Stro^dragers is den 
Gentenaren bijgebleven. 



«* Ons Volksleven. >» 1 1 

Men begrijpt welken indruk die schandige straf in het gemoed 
der Gentenaren moest nalaten en welke hunne gevoelens van 
haat en vijandschap moesten zijn tegen degenen die hun hunne 
schande herinnerden en hun de hoonende beleediging van « strop- 
dragers » naar het hoofd wierpen. 

Ook reeds den 3^" Augustus 1840 wierd zekere de Meyere, om 
dit gedaan te hebben, veroordeeld om in zijn hemd, blootshoofds 
en op zijne knieën God, Heer en Wet vergiffenis te vragen en 
wierd daarenboven voor 3 jaar uit de stad gebannen. 

En op den 8^" derzelfde maand wierd aan alle de stadspoorten 
een gebod afgekondigd aan iedereen, wie het ook zij, verbiedende 
van het « Stropdragen » te spreken, op straf van lyfpelick vervolgd 

te worden. 

Drijhonderd vijftig jaren zijn sindsdien verloopen en nog is die 
wond bloedend, en heden nog zou het gevaarlijk zijn in sommige 
wijken der stad Gent het schandewoord « Stropdragers » uit te 
spreken. A. O. 

2. (37). mabbcek : h( hurken. 

Men geeft somtijds aan de de inwoners van Glabbeek (Brabant) 
den spotnaam van Turken, waarschijnlijk omdat ze in hun 
proces tegen het domein, voor lasthebber eenen advokaat hadden, 
welke dien naam droeg (i). 

3. (38). 0ii)aarbeek : öe Cselfi. 

De inwoners van Schaarbeek heeten de Eifels. 

Inde Histoire des Environs de Briixelles door A. Wauters 
3*2 deel, bl. 5o, leest men : Evere. a Een gebruik dat eigen is aan 
Schaarbeek alsook aan Evere, gebruik dat aanleiding gegeven 
heeft tot menige spotternij, is het bijna uitsluitend aanwenden van 
den ezel voor trek- en lastdier » . 

Eertijds gaf men aan de weetnieten den naam van « leerlingen 
der hoogeschool van Schaarbeek » . 

4. (39). d^ügck : öe 'S^elloorlfkkera. 

De inwoners van Goyck hadden eertijds den spotnaam van Tel- 
loorlekkers. Zou die benaming voortkomen van eene zekere 



(i) Tarlier en Wauters. Hixtoiredes Communes belges, Glabais, bl. 23. 



12 « Ons Volkslïeven. y> 

neiging tot onbeschoftheid die men bij hen had opgemerkt ? (i) 

5. (40) Cenntk : Be poorterö. 

Dit dorp was oudtijds eene belangrijke gemeente. Vandaar de 
spotnaam Poorters of burgers (2). 

6 (41) (Elöcite : ^e ijonöenknogeröi. 

De inwoners van Eisene worden door die van Etterbeek Hon- 
denknagers geheeten, wellicht omdat ze tijdens eenen hongers- 
nood, zich met hondenvleesch voedden. 

Om zich te wreken, werpen die van Eisene de Etterbekenaars 
den spotnaam Botermelk\akken naar het hoofd (3). 

7. (42) öint-(^illeö bij Örusóel : ï>e €oolenkopperö. 

De inwoners van St. Gilles winnen veel geld door het aankwee- 
ken van groenselen, bijzonder van de Brusselsche spruitkoolen, 
die er een zeer lekkeren smaak hebben. Vandaar de spotnaam 
Koolenkappers (4). 

8. (43) ^uiöiu^ljeu : öc ijcereii. 

De inwoners van dit dorp worden gemeenlijk de Heeren van 
Hiiisinghen geheeten, waarschijnlijk omdat hun dorp vroeger eene 
aanzienlijke gemeentewas (5). 

9. (44) öpotnamen op miigc ouöere Il0rpen in Brabant. 

Esschene : de Patatenboeren. 

Hekelghem : de Zotten van Hekelghem, 

Meldert : de Heeren. 

Baardeghem : de Varmkdorschers. 

Maxenzeele : de Bessembinders . 

Molhem : de Koeien. 

Anderlecht : de Boeren van Sint-Wijen. (e) 

Alfried Harou. 



(i) A. Wauters. Histoirc des Environs de Bruxelles, I; bl. 5i3. 

(2) Ibid.. bl. 539. 

(3)I/)id., III, bl. 283. 

(4) Ibid., III, bl. 552. 

(5)Ibid., III, bl. 731. 

(6) Ibid.,l, hl. 5i4. 



« Ons Volksleven. « 13 

Wie kan mij bescheed geven over den oorsprong van boven- 
staande spotnamen ? J. C. 

* 

10. (45) Öclcele : be i^loklappcrö. 

De inwoners van Belcele (Waas) heeten de Kloklappers. Waar- 
om ? In 't jaar 1722, verhaalt de Kroniek van Daniël Braem, is te 
Belcele, in 't land van Waas, eene aardige klucht voorgevallen van 
eenen vagebond, geboortig van Stekene, de wethouders wijsma- 
kende dat hij een groot kunstenaar was, bijzonder in het stuk van 
klokkenlappen, en alzoo zij eene klok hadden, die bij ongeluk ge- 
borsten was, hebben zij hem dezelve besteed te lappen ; maar de 
vrouw van den griffier die het bedrog gewaar wierd, mits hij onder 
de klok tweemaal 24 uren daar hout onder gestookt had, zagen zij 
dat het een guit was ; hij heeft hen met de gescheurde klok laten 
zitten en is stillekens weggetrokken, met eene goede som gelds, 
die zij hem op voorhand gegeven hadden ; over dezen kluchtigen 
toer werden zij door hunne geburen uitgelachen, en worden nu 
altijd gedoopt met den naam van Klokkelappers. 

Twee jaar later werd de klokkelapper te Sint-Niklaas gevangen 
en om zijne schelmstukken gebannen. 

Het volk vertelt die gebeurtenis als volgt : 

Over veel jaren was er te Belcele eene klok gebersten. Op zeke- 
ren dag kwam er een ketellapper in 't dorp, die beweerde de klok 
te kunnen maken. Men vroeg hem wat hij daartoe noodig had. 
« Klokspijs van goud en zilver,» antwoordde hij, « bezorgt mij 
die, en gij zult nooit schooneren klank gehoord hebben ». 

Al spoedig werd hem al het goud en zilver gebracht dat er in 
het dorp voorhanden was, en den volgenden dag zou de kunste- 
naar met zijn werk beginnen. Men raadt het overige. Op den be- 
paalden dag was er geen ketellapper meer te hooren noch te zien. 
De Belcelenaren kregen nadien den spotnaam van Kloklappers, 
waarom zij somtijds dapper aan den slag geraken. 

n. (46) tticuiokerkc : bc öli)a^Jnï. 

De inwoners van Nieuwkerke in "t Land van Waas, zouden 
geerne van hunnen pastoor af geweest zijn. 

Om het den man moe te maken, riepen zij hem altijd achterna 



14 



Ons Volksleven. » 



en blaatten achter hem geHjk schapen. Zoo zijn de Nieuwkerke- 
naars aan hunnen spotnaam geraakt. Wanneer men hen dien 
naam geeft, zijn zij doorgaans zoo zacht niet als schapen. A. v. P. 



üölksliedercn. 



4. (18.) Eatte iaotrtjn. 

p bladz. 25-20 van den 2" jaargang (1892) van ons tijd- 
schrift deelden wij brokstukken mede van het toen nog 
ongeboekte volkslied « Zatte Katrijn ». Wij zijn er 
eindelijk in gelukt den volledigen tekst te bekomen en laten hem 
hier volgen met de zangwijze, tevens doende opmerken, dat de 
nieuwe lezing hier en daar eenig verschil, zonder belang nochtans, 
oplevert, ook nog overal Kathelijne stelt, waar wij in den vroege- 
ren tekst Katrijn schreven. 

Dit Kathelijne zou aan eene Mechelsche lezing kunnen doen 
gelooven, doch de vrouw die het lied volledig verschafte, is te 
Antwerpen gewonnen en geboren en heeft nooit hare geboortestad 
verlaten, waar zij, kind zijnde, het lied aanleerde. 

Het lied is ook te St. Antonius, in de Kempen, bekend, maar 
het refrein wordt er anders gezongen dan te Antwerpen. 

Matig 3 ^ 

Zat - te 



Ka - trijn die was 




dron-ken 



Al van 



^=^: 



glaas -ken Rijn-schen wijn 



gz^=EiE=^ |5^ g^ ;^ ,g^^^ 



i^^^l: 



Zat - te Ka 



trijn lag ziek te 



bed - de En zij ont 



bood den su - re 



-M- 



zijn Van ran - tan- 



^'-EE^'^Efe^-EÈ^EEjiEE^EË^gEE 



tie 



ter - ke. Baas nog e 



li - ter - ke ^^^og ee - nen 



«« Ons Volksleven. » 15 



keer En dan drin-kenwij niet meer Van ran-tan - tie - ter-ke Baas nog e 



li - ter - ke Nog ee - nen keer en dan drin-ken wij niet meer 
Antwerpsche zangwij ze 



^^pilüliÏEiil^iü^ 



li-ter - ke en zingt dan vroo - lijk van op- sa 



Zatte Katrijn die was bedronken 

Al van een glaasken Rijnschen wijn. 

Zatte Katrijn lag ziek te bedde 

En zij ontbood den surezijn (i). 
Refrein. a) Te St. Antonius. Van Rantantieterke, \ 

Baas nog e literke, f 

Nog eenen keer ' 



En dan drinken wij niet meer. 
B) Te Antiverpen. Van Rantantieterke, 
Baas nog e literke, 
En zingt dan vroolijk van opsasa. 



De surezijn is bij haar gekomen. 
Hij verbood haar den drank van wijn. 
Wijn te drinken dat is mijn leven, 
Dat zal ook eens mijn einde zijn. 
Refrein. Van Rantantieterke enz. 



3. 

Kwam dat kraantje maar te lekken, 
Dat zou voor mij een verfrissching zijn 
Komt dat vaatje eens te bersten. 
Dan zal ik zwemmen in den wijn. 
Refrein. Van Rantantieterke, enz. 



(i) Chirurgijn, heelmeester, hier gebruikt voor genceslieer. 



16 « Ons Volksleven. >» 



4- 
Als ekik zal komen te sterven, 
Zal de kelder mijn begraafplaats zijn ; 
Met mijn hoofd zullen zij mij leggen 
Al onder 't kraantje van den wijn. 
Refrein. Van Rantantieterke, enz. 



Op mijn begraafplaats zullen zij schrijven : 
Hier leet begraven een zatte Katrijn. 
Die :;eleefd heeft gelijk een verken 
En g 2storven is gelijk een zwijn. 

Refrein. a) Tc St. Antonius Van Rantantieterke 

Baas nog een literke, 
Nog eenen keer 
En dan drinken wij niet meer 
b) Te Antwerpen Van Rantantieterke 
Baas nog e literke, 
En zingt dan vroolijk van opsasa. 

J.B. Vervliet. 



J^el ^annel^en in de J^aan ^'^ 

XIV. 

In de omstreken van Jevenstedt is de man in de maan een 
houtdief. Een man, zoo vertellen de oudjes, had eens hout 
I gestolen. De diefstal kwam echter uit, maar de dief loo- 
chende hardnekkig en zei : " Als ik dit hout gestolen heb, dan 
wil ik ten eeuwige dage in de maan zitten. » Sedert dien zit hij in de 
maan, met zijne houtbussel op den rug (2). 

XV. 
In het landschap Schwansen in Sleeswijk, alsook in de omstreken 
van Börnhöved in Holstein, verhaalt men, dat eens een man op eenen 
Zondag in den maneschijn dorre takken raapte en ze op zijnen rug 



(1) Z. Ons Volksleven. VI. bl. 168-171 ; 18.1-192. 

(2) Am ür-Quell, III 11. 290. 



« Ons Volksleven, y 17 

naar huis droeg. Onderwege ontmoette hij Onzen Lieven Heer, die 
hem vroeg of hij het 3® gebod niet kende. Daar de houtraper neen 
antwoordde, zeide de Heer dat hij gestraft moest worden en vroeg 
hem of hij niet liever in de maan als in de zon wou zitten. « Vermits 
ik gestraft moet worden, » sprak de man, « zoo wil ik liever in de 
maan bevriezen als in de zon verbranden. » En zoo is het ook 
gebeurd (i). 

XVI. 

Op het eiland Sylt vertelt men dat de man in de maan een reus is, 
die tijdens den vloed gebukt staat, omdat hij dan water schept en 
dit over de aarde giet. Tijdens de ebbe staat hij evel recht en rust 
van zijnen arbeid uit, zoodat het water weer wegloopen kan (2j. 

xvn. 

De man in de maan is een visscher die op eenen Zondag gevischt 
had en voor zijne straf met zijn vischnet in de maan gezet wierd. 
(Ditmarschen). (■^) 

(7 Vervolgt.) Jozef Cornelissen. 



Ijnlksgehniikni tu irinnnnto in 3Önnrii-33riilinnt 

IL 



(4) 



3. eerste :2lpnL 

Op den eersten April 

Stuurt men de gekken, waar men wil, 

is een oud gezegde, hetwelk ook hier eenieder bekend is. 
« Vroeger «, zegt J. ter Gouw, « stuurden ze elkander liefst, 
waar een pak slaag op te loopen was -^ ; thans doen ze 't met 
onschuldiger grappen af. Behalve schooljongens en vroolijke 
lieden, houden zich hier niet vele menschen met dit aloude 
gebruik bezig. Oudtijds de deftigste lieden. Deze zond bespot- 
telijke geschenken rond, gene noodigde gasten op feestmalen 
die niet gegeven werden ; hier ontmoette men onnoozele 



(1) Am Ur-Quell. 111, bl.291. 

(2) Ibid., lil, bl.291 

(3) Ibid., III, bl. 291. 

(4) Z. Ons Volksleven, VI, bl. 172-177; 196-199; 214-218. 



18 « Ons Volksleven. » 

halzen, die om belachelijke boodschappen gezonden waren; 
daar anderen, op de zotste wijze toegetakeld, en met troepjes 
als Aprilgekken rondzwevende. Met éen woord, op den 1" 
April liep de straat weleer vol gekken. 

Sommige geleerden beweren dat de Aprilgekheid veel 
ouder dan 't Christendom is. Er zijn zoo verbazend veel ver- 
klaringen aan gegeven, dat het hier te breedvoerig zou 
wezen ze te beschrijven. Zie de « Volksvermaken «, bl. 126. 

4. Be eerste üoekoek, Zwaluro, eiu. 




ROEGER maakte men, vooral de jeugd, op de dorpen 
meer werk naar den ee;sten koekoek, leeuwerik, 
enz. to luisteren, naar den eersten leeuwerik, de 
eerste zwaluw te zien, den eersten meikever te zoeken, enz.; 
want al die dieren golden als voorboden van den lieven 
zomer. 

De verschijning van den eersten leeuwerik zag men ook 
als de nadering der lente of het einde des winters aan. Nog 
zegt ieder hier : « Met de Lichtmis (2 Febr.) springt de leeu- 
werik op den horst. » 

Jongens en meisjes vlochten vroeger op sommige plaatsen 
een kranske van groen, wanneer ze den eersten koekoek 
gehoord hadden, wonden dien krans om hun hoofd, en 
zoodra de vogel zijn geroep aanhief, begonnen zij te zingen : 

Koekoek ! 

Trouw knecht, 

Zeg recht, 

Zeg waar, 

Hoeveel jaar 

Zal ik nog dit kranske dragen? 

Tevens telden zij dan hoeveel maal de koekoek riep, want 
hierdoor wisten zij, hoe oud ze zouden worden. 

Evenals in Friesland (i) en elders, voelden velen, thans nog 
wel eenige bijgeloovigen, in hunnen zak en zagen bungeld 
na. Als dit er toevallig veel of tamelijk was, zouden ze het 
gansche janr daarvan ruim voorzien wezen; maar onge- 
lukkig als zij weinig of niets bij zich hadden, omdat het er 
in dit geval slecht voor hen uitzag. 

(1) Navorscher, XlX, bl. 109. 



« Ons Volksleven. « 19 

5. 0f cerötc iWet. — Be illetbo0m. 




ET Meifeest was een der liefelijkste en vroolijkste 
feesten van den ouden tijd, waaraan de smet der 
dronkenschap en zwelgerij minder schijnt gekleefd 
te hebben dan aan menig- ander volksverinaak. Men leest 
daarbij wel van kransen en dansen, zingen en springen, 
kussen en stoeien, maar niet van de eerstgemelde ondeug- 
den (i). 

Wellicht zijn twintig eeuwen heengegaan, sinds dit feest 
in deze streken het eerst gevierd werd. Onze Germaansche 
voorouders plantten op den Meidageenen metgroengeurige 
slingers omwondf^^n Meiboom in den grond. Met zang en 
dans werd hij ingewijd. De woningen, waar langs de vroo- 
lijke en aangename meitocht ten velde trok, had men soms 
overvloedig met kransen en bloemen behangen. Zöö en op 
andere wijzen vierden de heidenen het aanbreken der lente 
en gaven op den Meidag met al de genoegens van den 
meitocht het afscheid van den guren wintertijd (2). Toen de 
Germanen tot het Christendom bekeerd waren, hebben deze 
gebruiken nog zeer vele eeuwen bestaan en, zijn ze thans ter 
nauwernood bekend, toch trekt bij 't eerste gloren der 
meizon, op sommige plaatsen een blijde muziek door de 
straten. De Meidag met zijnen meitocht is tot vóór ruim 50 
jaren, ook alhier nog in de « Meikens kerremis « blijven 
bestaan. 

In de middeleeuwen maakte men den meiboom tot het 
symbool der H. Maagd. Ann haar werd de Meimaand bij 
uitnemendheid toegewijd. Te harer eer werden altaren 
opgericht en versierd. 

Zeker schi ijver (de Grave) is van gevoelen, dat Meimaand 
zooveel Si\s Maagdenmaatid, d. i. maand aan de maagden, en 
dus aan de liefde toegewijd, beteekent, waaraan gevolgelijk 
het gebruik der vrijers, om tie huizen der huwbare dochters 
met meii>n te versieren, kan worden toegeschreven. 

Van de Meivuren, die in vorige eeuwen ontstoken werden. 



(1) Volksvermaken, bl. 132. 

(2) Hofdijk ; ook Houben. 



20 « Ons Volksleven. y> 

weet hier niemand, zelfs van vóór lang-en tijd, nog te spre- 
ken. Ook niet van den Meidrank, d. i. kruidenwijn, dien men 
op den eersten dag- van Mei, bepaaldelijk in de 14^ eeuw, 
placht te drinken. 

Een ander schrijver zegt : « Licht de eerste dag der 
blozende Meimaand, de maand der vreugde aan, dan worden 
er bloemen geplukt en kransen gewonden en meiboomen 
opgericht, en dan schalt het alom van het lied van den 
rondedans : 

Hei ! 'l was in de Mei zoo blij ! 

Hei ! 't was in de Mei ! » 

Het aloude gebruik om meitakken op de huizen te planten, 
had hier over eene halve eeuw in alle dorpen en gehuchten, 
en thans nog in eenige, plaats. Dan klommen de jongelin- 
gen op de daken der woningen van huwbare meisjes en 
plantten er zooveel meien op, als er dochters in huis woon- 
den. Deze meitakken zijn van verschillende beteekenis. De 
lichtzinnige deerne, op wier leven eene smet kleefde, ontving 
een dorren tak; de dartele meid, die eens of meermalen 
eenen vrijer voor den gek had gehouden, kreeg eene strooien 
pop; de rijke boeredochter, die zich te trotsch gedroeg, 
eenen vogelschrik; de sulachtige meid, eene bies. Op zeer 
vele dorpen dezer landstreek, duidde echter het planten de 
volgende soort van jongedochters aan : een berketak eene 
deugdzame of geachte; ook voorde beste of onbesprokene 
eenen mast of den, omdat die altijd groen is. 

Het gebeurde menigmaal dat, hoezeer deze beklimming 
zoo voorzichtig mogelijk plaats had, de eene of de andere 
jonkman door het wat slechte strooien dak viel en zoo op 
den zolder, op de schelft, in den stal, enz. te recht kwam, 
waarover somwijlen nog kluchtige voorvallen verhaa'd 
worden. Vele vrijsters konden natuurlijk dien nacht niet 
slapen en gingen al zeer vroeg zien, welke vereering of 
schande hun was ten deele gevallen. De takken dezer laatste 
soort werden al spoedig weggeruimd. 

In eenige dorpen zag men toen, reeds vóór dag en dauw, 
soms zooveel takken op de huizen, als er jongedochters in 
het dorp waren. Elders in onze provincie versiert men op 



« Ons Volksleven. » 21 

Meinacht de deuren van de woningen der huwbare meisjes, 
die des morgens ook al vroeg bij der hand zijn, om te zien, 
of er ook dorens en andere stekelachtige zinnebeelden weg 
te nemen zijn. 

Niet overal worden juist dezelfde zinnebeelden gekozen, 
en het fatsoen van sommige vrijsters wordt daarbij ook niet 
oltijd genoegzaam geëerbiedigd. Zoo ziet men soms op eenige 
dorpen nog voor eene praatzieke, eenen klejipeimolen; voor 
eene bedp. ster, eenen elzetak ; voor eene drup- of snuifneus, 
eenen wilgetwijg; voor eene slechte of ontuchtige, eenen 
biezesti uik (deze wordt ook geplaatst voor eene min onzedige 
dochter, doch die met eiken jonkman verkeert); die zich 
verloopen heeft, krijgt eene strooien pop of eenen strooien 
man; eene kwade of lastige, eene braam. 

Tot omtrent het jaar 1814 werd in schier elk dorp dezer 
streek, gemeenlijk vóór de herberg, waar den eersten Zondag 
in Mei kermis of danspartij gehouden wei'd, eenen Meiboom 
geplant. Deze was gewoonlijk een berk, omdat aan deze 
boomsoort doorgaans de eerste nieuwe scheutjes of botten 
te bespeuren zijn. Ontbraken deze, dan werd hij wel eens 
door het heerdvunr of door dat, hetwelk in de opene lucht 
tot dat einde ontstoken werd, getrokken, waardoor er dan 
eenige jonge scheuten voor den dag kwamen. Een groote 
troep jongelingen gingen 's namiddags of 's avonds zulken 
boom op den eigendom der gemeente of op dien van bijzon- 
deren omhakken en met veel vreugdebetoon en geraas naar 
de bestemde plaats dragen, en met groen, bloemen, limen of 
strikken getooid, aldaar in den grond planten. Eenen denne- 
boom bestemde men ook meermalen hiertoe, en oudtijds, 
naar ik gis, eenen esch, die ons naar de Germaansche wou- 
den terugvoert : de esch was bij de heidenen een gewijd,e 
boom. Somwijlen werd de meiboom naar de genoemde her- 
bei g op eene kar vervoerd. Oudtijds zal hij hier wel, zooals 
in andere oorden gebruikelijk was, op eenen versierden 
wagen vervoerd zijn, door al het jonge volk uit het dorp 
gevolgd, de joi g ns in hun zondagspak, de meisjes veelal 
in 't wit met krai,sen op het hoofd en bloemen op de borst. 
Denkelijk liepen hier dan ook wel jongens met eigen 



22 « Ons Volksleven. y> 

geraaikte waldhorens en fluitjes vooruit, lieijes uit den 
aiouden tijd zingende (z. deswege de Volksvennaken, bl. 1361 

Wij weten niet wat onze heidensclie voorouders bij den 
nieiboom gezongen hebben. Later schijnt één meiliedje in 
gebruik geweest te zijn, hetgeen ook niemand meer kent, on 
welk gemis de heer J. ter Gouw duiz(>ndmaal bejammert. 
Hei « Patertje langs den kant « even algemeen bekend en 
verspreid, is in 1566 te Antwerpen uitgevonden. Drie eeuwen 
geleden vielen die dansende paier en non, vooral bij 't 
gemeen der afgevallen Roomsclien, zeer in den smaak en 
werden de oorspronkelijk*» woorden van het lied er om 
Vergeten. Zeker is het veel ouder dan de 16^ eeuw, want wij 
vinden er nog een spoor van in een oud kluchtspelleken der 
14® eeuw. Zie de Volksvermaken, bl. 141. 

Uit de middeleeuwen en lateren tijd kennen wij ver- 
scheidene geestelijke en wereldsche liederen, die men ver- 
spreid bij vele schrijvers aantreft. 

Niet alleen was de meiboom het vreugdeteeken wegens de 
komst des zomers, maar ook het zinnebeeld der liefde en 
van het geluk. Om dit laatste te genieten, zond men oudtijds 
elkander eenen meitak, of bracht de eene aan den anderen 
eenen zoodanigen. Hierom plant men nog eenen meitak op 
het dak, eer het gebouw voltooid is. Voor dien gelukwensch 
hebben dan ook de werklieden een vroolijken dag of een 
fooi. Op vele plaatsen steekt men nog eenen meitak op de 
laatste kar hooi, graan, enz., wat hier over eenige jaren nog 
algemeen gebruikelijk was. 

Het planten van den meiboom was vroeger niet enkel het 
werk van 't gemeen : de deftigste lieden namen er ook deel 
aan. In de steden M^erd het halen, van den meiboom in de 
bosschen der gemeenten of eigenaren al lang verboden, 
doch in deze streek, tot in 't begin dezer eeuw, meestal 
toegestaan, wanneer men het ook hier en daar begon te 
verbieden. 

Onder de mindere klasse bestaat nog te Helmond het 
gebruik om op den eersten Zondag van Mei, in den vroegen 
morgen zoogenaamde meimannekens van papier gemaakt, 
ook wel van brood gebakken, soms uit eene andere stof 



« Ons Volksleven. »» 23 

vervaardigd, in eenen boom te plaatsen. Hierbij voegt men 
meestal opschriften, die dikwijls verachting op dezen of 
genen ten doel hebben. Wegens een dezer spotfiguren 
gebeurde aldaar in 1869 een ongeluk (i). 

(7 Vervolgt.) P. N. Panken. 



Boel^Toesprel^ing, 

Hyac Coxtnckx. — Geschiedkundige Aanteekeningen 
betreffende Mechelsche Gebruiken, Gewoonten, Instel- 
lingen en Gebouwen, ontleend aan onuitgegeven plaatse- 
lijke Archieven en Kronijken. — Meclielen, L. en A. Godeuue, 
1894. — Boekd. van 34 bl. er. 8^ 



De uitvoerige titel dien wij komen over te schrijven, duidt reeds 
genoegzaam aan op welk gebied de schrijver zich beweegt, en wat 
het onderwerp zijner opzoelvingen uitmaakt. 

Benevens enkele oudheidkundige mededeelingen, zooals die over 
de Oude St Niklaaskerk buiten de Koepoort, en het Collegie der 
Jesuïeten,teMechelen, levert hij ons eene belangrijke folkloristische 
bijdrage, waarvan de meeste gegevens uit oude handscluiften getrok- 
ken, enkele bijzonderheden echter aan den volksmond ontleend zijn. 

Zoo deelt hij opvolgeus een en ander mee over de mysteriespelen 
in vroeger tijd, later, namelijk te Mechclen, vervangen door de 
begrafenisprocessie van Goede?! Vi-ijdag. Hier te Antwerpen, 
noemde men ([-aX'-^ den ii^ eg omgaan. v\)-2ii\ volgen het Paasch- 
kroontje en De Meimaand (Bloemcnmaand) voorheen en thans, 
punten Avaarover wij ook een en ander, voor Antwerpen, hebben 
opgeteekend, en die wij mettertijd aan onze lezers zullen meedeelcn. 

Verders spreekt de schrijver over de Zielebroodje^, de Sinte 
Mertensvuren, Allerkinderejt- en Drij konirigendag ; over eigen- 
aardige gebruiken, vroeger te Mechelen in zwang, bij di} geboorte 
van ii^ettige ett onwettige kinderen, straffen toegepast op het 
overspel en andere misdrijven tegen wet en goede zeden, enz. De 
oorsprong en de beteekenis van het oude spreekwoord (1367.) Y Is 
al beggine?i voeren ; het is haerliedeji eerst, het moght wel hun 
beste syn, volksspreuken en weersvoorspellingen besluiten het 
boekske dat, hopen wij, door meer andere van dien aard zal gevolgd 
worden. 

Schrijftrant en taal laten eenigszins te wenschen, wat door den 
schrijver in 't vervolg echter gemakkelijk zal vermeden worden. 

J. B. Vervliet. 

(1) E indhoutsche Courant vau dat jaar (8" Mei.) 



24 « Ons Volksleven. » 

(Inhoud van tijdschriften. 

The Journal of American Folk-Lore, VII, Nr XXVII. — The Walpi 
flute observance : A study of primitive dramatization (J. Walter Jewkes). 
— African races (Heli Chatelain). — African fetishism (Heli Chatelain'. — 
Superstitions from Georgia (Ruby Andrews Moore). • — • A ceremony of the 
Quichnas of Peru (Geo. A. Dorsey.) — Cradle-songs of negroes in North 
Carolina (E. M. Backus). — Folk-tales of Angola (W. "W. N.). — Louisiana 
folk-tales. Folk-lore scrap-book. Notes and Queries. Local meetings and ether 
notices. Bibliographical notes. 

Zeitschrift des Vereins für Volkskunde, IV, Nr 4. — Zwei Episoden aus 
zwei tibetanischen Novellen in der orientalischen und occidentalen Ueberliefe- 
rung D^S. Prato. — Die Zahlen im danischen Brauch und Volksglauben 
(H. F. Feilbergi. — Altes und Neues zur Melusinensage (L. Frankel). — Der 
volkstümliche Kalenderglaube in Ungarn 1 A. Hermann). — Zwei Erinnerun- 
gen, an den Handel der Hamburger mit Island lO. Davidsson). — Der Schuh 
im Volksglauben iP. Sartorii. — Eine türkische Erzahlung in einem italieni- 
schen Schwanke (Dr G. Amalfi . — Zwei Flugblatter von den sieben Schwa- 
ben (J. Bolte . — Das Lied vom Pater Guardian (A. Englert). — Kleine 
Mitteilungen. 

Revue des Traditions populaires, IX, Nr 12. — Contes et tradit. du Haut- 
Zambèze. I-VIII (E. Jacottet). — L'Habillement des statues. I-II (G. E. 
Godden et P. S.). — - Moeurs épulaires. IV. (L Desaivre). — Les Métiers et 
les Professions. VI. — Blason : les Tailleurs (T. Volkov, L' Morin). — 
Magons, cordonniers, menuisiers; Ch. des tailleurs de pierre (J. M Carlo) — 
Chanson des gargons charpentiers iP Sébillot). — Chanson de la petite lingère 
(L. Morin; — VIII. Bruits des métiers. IX. Superst des outils (L. Morin) — 
XIII. Les métiers en enfer (T. Volkov). — ■ XIV Fêtes des métiers XV. Icono- 
graphielP S ) — Miettes de folklore parisien XXIX iFra Deuni) — Les 
empreintes merveilleurs LVIII-LXXI (R. Basset) — Allusions a des contes 
populaires XIII (P S.) • — Le Tsar dans les proverbes russes )P Masson). 
Tradit. et superst. de la Loire-Inf II. (A. Certeux). — Les Ongles IX-XI. 
(R. Basseti. — Médecine superst. 'Dr P. Aubry) — Le jeu de la chaise. I-IV. 
iL. Morin, P Y. Sébillot, A. Harou). — Les Ordalies. ^uite [R. Basset). — 
Solaïman dans les légendes musulmanes VII. Siule (R Basset). 

Am Ur-Quell, V, N"^ 12. — Steinerne Tabakkachel (A Treichel). — Songs 
of the Indian Ghost Dance (J Mooney) — Wie sich Volkmarchen verbreiten 
IH F Feilberg) — Mitteilungen aus dem Bremischen VolklebemDr A H. 
Post) — Das Kind im Glaube und Erauch der Pommern iD^ Haas). — Die 
wilde Braut I Dr Ph Golbergeri — ■ Bienenzauber und Bienenzucht (C O 
] oije of Gennas) — Die Lösung des Zungenbandchens (H Carstens u 
Asmus) — Das Ausbuttern (H Hofmann u Asmusi — Zur Kuffhausersage 
von Kaiser Friedrich (R Ofterding) — Vom Bahrrecht (L Frankel 1. — Der 
Mann im Monde (H Volksmann). — Volklied (O Heilig) — Sympathieformeln 
aus Mecklenburg (O Glödej — Woher kommen die Kindej?(0 Schell). — 
Mag3'arische Hochzeitbrauche in Siebenbürgen (A Hermann) — Hahn auf 
der Tonne werfen (N. Krause). — Diebglauben (J j Broders u H. Volks- 
mannl. — • A-B-C-Spiel (H A. Carstensen;. — Volktümliche Heilkunde der 
Juden (J. Charap) — Kleine Mitteilungen. 

Blatter für Pommersche Volkskunde, III, Nr 4. — Pommersche Ge- 
schlechtssagenlH Kaeker) — Pommersche Marchen (B. Kay) — Schwank und 
Streich aus Pommern (A Archut u. Gaddei — Zur Geschichte der Wölle in 
Pommern A Archut). — Sprachliche Mitteilungen (O Knoop) — Der Bauer 
im pommerschen Sprichwort (Dr A. Haas). — Die Vornamen in Pommern 
(O. Knoop). — Kleine Mitteilungen. 




Het Vaar in het Volksgeloof. 

I. ©oröproug mix l)ct Öuur. 

Het is het winterkoningsken, dat het vuur op de aarde gebracht 
heeft. (Godarville, Henegouw.) 

II. Be i^rauöni. 

Een ei, op Goeden Vrijdag gelegd, dooft onmiddellijk eenen brand, 
wanneer men het er in werpt. (Florenville, Luxemburg.) 

— De eieren, op Witten-Donderdag gelegd, worden bewaard. 
Worden zij met Paschen gewijd, dan beschermen zij tegen den 
bliksem en, in het vuur geworpen, dooven zij den brand. (De Reins- 
BEEG. Calendrier beige, I, 225.) 

— In Vlaanderen bewaart men de eieren die op Goeden- Vrij dag 
onder den goddelijken dienst gelegd zijn, en men beweert dat een 
brand uitdooft, waneer men er een van deze eieren in werpt. 
{Ibid.,1, 236.) 

— De eieren, op Sinksendag gelegd, worden bewaard, evenals 
die op Witten-Donderdag gelegd zijn. Men werpt er een van in de 
vlammen, waneer er een brand uitberst, opdat het vuur geene 
macht meer zou hebben. {Wodana, 112.) 

— Oudtijds kapte men op den Kleinen Zavel te Brussel den roo- 
den haan den kop af en bewaarde dien, om tegen brand beveiligd 
te zijn. 

— De kolen van het Sint-Jausvuur worden bewaard. Men gelooft 
dat zij een behoedmiddel zijn tegen brand. {Qiiest. defolkl. xi^alL, 
nr 1787, bl. 147.) 

— Te Theux, alwaar men op St. Jansdag nog kolenvureu ont- 
steekt, verzamelt men de overblijvende kolen. Deze kolen worden 



26 « Ons Volksleven. » 

gewijd, en men gelooft dat zij tegen brand beschermen. (A, Hock. 
Buil. de la Soc. de litt. walL, 1'" série, XII, 140.) 

III. J^ct j^emclöfl) Öuur. 

In Vlaanderen, alwaar men gelooft dat de donder niets anders is 
dan het gerucht dat de booze geesten maken, terwijl zij door de 
lucht varen, bidt men, ten tijde van onweder, de litanie van den 
H. Donatus. (De Reinsbeug. Calejid. beige, II, 213.) (i) 

— Eene zekere plant, Huislook of Donderbladeren geheeten, die 
op de daken groeit, bevrijdt het huis tegen het hemelsch vuur. 
(Holtz, Grooth. Luxemb.) (gj 

— Het huis waarop donderbladeren groeien, is tegen den bliksem 
beschermd. (Coeemans. UAnnée de Vancienne Belgique.) 

— Een kruisken van was, dat men van een stuk gewijde keers 
maakt, beschermt insgelijks tegen den bliksem, zoo men het achter 
de ingangsdeur des huizes plaatst. (Holtz, Grooth. Luxemb.) 

— Het St. Janskruid, 's middags op St. Jan geplukt, beschermt 
tegen den bliksem. De boeren uit de omstreken van Contich (prov. 
Antwerpen) maken er busseltjes van, die zij aan de zoldering van 
hun huis ophangen. Zij beweren dat dit kruid, op St. Jansdag ge- 
plokken, nooit verslenst, maar integendeel verdort, zoo het op 
eenen anderen dag verzameld wordt. (Vrehulst. Handschrift aan- 
gehaald door DE Reinsbero, Cal. beige, I, 216.) 

— Het gebruik van eenige takjes gewijden palm in het vuur te 
werpen, waneer de donder rommelt, is zoowel in de steden als ten 
plattenlande bewaard gebleven. (De Reinsbeug. Cal. beige, I, 216). 

— Het water 's middags op St. Jansdag uit de rivier geschept, 
is gewijd. Het gansche jaar dooi' bedient men er zich van om zich 
te wasschen en om er gewijde palmtakken in te dompelen, alvorens 
die te verbranden bij het naderen van een onweder. 

— Spreuk : 



(1) De H. Donatus is in België de bijzonderste patroon tegen donder en blik- 
sem. Waneoi- een onweder uitberst, ontsteekt men in de Kempen de sjewijde 
keers en bidt men de litanie van den H. Donatus oï den Huiszegen. Men be- 
spi'enkelt het huis en de uitgangen met wijwater en verbrandt in den lieerd 
het taksken gewijden palm, dat gediend heeft om wijwater te sproeien. 

J.C 

(2) Dit wordt ook door enkelen in de Kempen geloofd. Sommigen meenen 
ook dat het huis, waar eene zwaluw haren nest gebouwd heeft, door den blik- 
sem niet kan getroffen worden- J. C. 



« Ons Volksleven. » 27 

Vriendeu, let wel op uw vee, 

Den eersten donder baertveel wee. 

[Gentschen Comptoir Almanak, 1769.) 

— De gewoonte van op Witten-DouJerdag groene spijzen te eten, 
beschermt tegen het hemelsch vuur. (Cokemans, 78.) 

— De eieren, op Witten-Donderclag gelegd, zijn insgelijks een 
behoedmiddel tegen den bliksem. (De Reinsb. Cal. beige.) 

— Naar het volksgeloof is het werk, op O. H. Hemelvaart ge- 
maakt, altijd door den bliksem bedreigd. (Ibid., I, 341.) 

— In verscheidene streken van Luxemburg worden de klokken 
nog geluid om het onweder te verdrijven. 

— Op St. Jansavond maken de boeren kransen van St. Jans- 
bloemen, die men op het dak werpt. Zij beletten den donder op het 
huis te vallen. (A. H''>ck. Buil. de la Soc. lieg: de litt. wall., 
P« série, XII, 140.) 

— Men bewaart een stuk van den kerstblok en legt dit onder het 
bed, om zijne woning tegen den bliksem te beveiligen. {Cal. beige , 
II, 326-327.) 

— Het overschot van den kerstblok, onder het bed gelegd, be- 
schermt tegen den bliksem. (Wodana.) 

— Eiketakken beschermen de velden tegen het hemelsch vuur, 
den hagel, enz. (Coremans. Buil. de la Comm. royale dliist., 
Vn, 148.) 

— Het vuur verwijdert den bliksem. (Bergen.) 

(V Vervolgt.) Alfried Harou. 



Bijdrage tot een ^empiègh Idiotigon. 

Woorden in gebruik te Heist-op-den-Beeg (i). 

Bit, m. — Biest, bist, biestmelk, het eerste melk der koe, nadat 
ze gekalfd heeft. 

Beenen zetten. — Hard loopen. Daar zat een dief aan de appe- 
len, maar ge hadt hem moeten zien beenen zetten, toen hij mij zag ! 
{Ook in 't N. en 't W. der Kempen, o. a. te St. Antonius.) 

Babbeleguitjes, o. (Altijd in 't meerv. gebruikt). — Onnoozele 

(1) Meegedeeld door den lieer A. A. 



2S " Ons Volksleven. >• 

praat. Dat zijn allemaal babbeleguitjes die ge vertelt. {Ook te 
St. Antonius.) 

Botterik, m. — Botterikken noemt men de staken met een berd 
bekleed, die op twee rijen tusschen de doelen geplaatst zijn. Men 
zegt ook blinde(n)s. 

Dots, m. — Denappel, de vrucht van den denneboom. Te 
St. Antonius dop, mastendop, in 't N. O. der Kempen ook tod, 
mastetod. 

Draksel, o. — Draagsel. Ge hebt draksel aan uwe oog. 

Drukkelijk zien. — Ik heb dat voor een drukkelijk zien 
gekocht = voor eenen niet. 

Dievekoot, m. — Deugniet. Onze Jan is toch 'nen dievekoot : 
hij heeft weeral gevochten ! 

IJligheid, v. — Beuzelachtigheid, kinderachtigheid. Dat is 
ijligheid van daarvoor te schreien. 

Kesteren, kesterde, heb gekesterd. — Sissen, knetteren, b. v. 
van bradend vleesch of vet. Het vet kestert in de pan. 

Lichter, m. — Handvatsel om de eg op te lichten, terwijl men egt. 

Moosbank, v. — Steenen bank op de moos, waar men potten en 
pannen opzet. (Ook te St. Antonius.) 

Manneken, m. (Altijd in 't meerv. gebruikt), Fr. garnisaire. 
Hebt ge 't nieuws al gehoord ! De mannekens liggen bij den burge- 
meester. (OokteSt. Antonius.) 

Offeren, offei'de, heb geofferd. — Eeue kat offeren = ze ver van 
huis meenemen en ze daar neerzetten, zoodat ze den weg niet meer 
en vindt. Onze kat had een kieken gepakt : ik heb ze geofferd. 

— Iemand op zijn achterste slaan. (In die twee beteekenissen ook 
te St. Antonius.) Waneer de kinderen iemand offeren, zeggen ze 

dit rijmken : 

Offer, offer 

Den uil is dood. 

Al die niet pjeofferd en is, 

Die zal geofferd worden. 

Overnemen, ovej-nam, heb overnomen. — Omvatten, 'tzij met 
de hand, 'tzij met de armen. Kunt go mijnen arm overnemen? Een 
boom, zoo dik, dat ge hem niet kunt overnemen. 

{Ook te St. Antonius.) {'t Vervolgt.) 



« Ons Volksleven. » 29 

Woorden en Uitdrukkingen als Limburgsch 

DiBTSCH GEBOEKT IN " 't DaGHET IN DEN OoSTEN », DIE OOK 
MONDSGEMEEN 7JJN IN DE AnTWEEPSCHE KeMPEN. 

Af en toe. — Nu eu dan. Ik kom af en toe in dat huis. Geh. te 
Calmpthout en te Esschen. 

Afgaan. — In de uitdrukking : dat gaat hard af= 't gaat 
lastig, 't valt hard. Eerst den heer gespeeld hebben eu nu op zijn 
daggelden moeten gaan, dat gaat hard af. Geh. te Vorst. 

Best. — In de uitdrukking :^ij?i best = zooveel het kan. Het is 
z'n best aan 't regenen. Hij is z'n best aan 't schrijven. Zij was z'n 
best aan 't kijven. Gehoord te St. Antonius. 

Blak. Onder water. De straat staat blak. Die wei staat blak. ld. 

Boef (korte oe). — ■ Bots. Iemand boef op zijn lijf loopeu. lever- 
ans boef blijven staan. Men zegt ook poef . Geh. idem. 

Boete, V. Noveen. Boeten onderhouden van eenen heilige. Idem. 

Boorsel, o. Het uitgeboorde. Kuischt dat boorsel van de tafel. 
Idem. 

Dikken, dikte, ben en heb gedikt. — Verdikken, dikker worden. 
Die boom zal niet veel meer dikken. Idem. 

- In 't kaartspel. Kaarten bij smijten die veel tellen. Met eene 
tien, een aas dikken. Idem. 

Door. — Wijd door \ijn = bijna dood zijn. De zieke is wijd 
door. 

Eer, V. — Prijs, weerde. Iets aan halve eer verkoopen. Onze 
aardappelen zijn dees jaar maar halve eer, d. i. maar de helft 
zooveel weerd, van veel slechter hoedanigheid als op andere jaren. 
Idem . 

Fluksch. — Fleurig, kloek. Wat 'ne fluksche mensch voor die 
jaren! Mijn vader is al bij de tachtig, en toch is hij nog fluksch. 

Grootsigheid (uitspr. grötseghet), v, — IJdelheid, hoogmoed. 
Idet7i . 

Zassen, jaste, heb gejast. — Wegjagen, Fr. chasser. Ik zal u 
van de deur jassen. 

Wegjassen = wegjagen. Jast dien hond eens weg. Idem. 

Kleppermeulen, m. — Een kleppend moleken, dat men in de 
hoven zet om de musschen te verjagen. 

Spr. : Heure tong gaat gelijk een kleppermeulen = ze babbelt 
zonder ophouden. Idem. 



30 « Ons Volksleven. » 

Knap. — Fraai, bevallig, pront. Een knappe jongen. Een knap 
meiskeu. Idem. 

Meerkat, v. — Waterdier gelijk een paling en geel van kleur 
met zwarte plekskens. Idem. 

De Kempische boeren hebben eeue meerkat in een glazen bokaal 
zitten voor barometer of weerwij zer. 

Welk is de kuustnaam van dit dier ? 

Ondersteken, onderstuk, heb ondersteken. — De kaarten 
ondersteken = de kaarten mengen. 

Oorweg. — ■ In de uitdrukking : Er is iet in oorypege (uitspr. 
orwege), d. i. er is iets ophanden, dat niet goed is. Idem. 

Overgapen, overgaapte, heb overgaapt. — B. v. Een koek, zoo 
dik, dat ge hem maar slecht overgapen en kunt. Idem. 

Piet, m. — Klophengst, L. equus semicastratus. Idem. 

Reep, m. — Ruif, waar de peerden hun hooi uit trekken. Idem. 
Te Brecht zegt men resteel, rasteel, o. 

Rot. — Een rot weer = een mistig, regenachtig weer. Idem. 

Spie, V. — Snede. Eene goede spie brood, kaas, enz. Idein. 

Strak. — Omtrent, bijna. Ik ben strak genezen. 

— Straks, fluks, later. Ik zal strak eens komen. Idem. 
Streen, (zuivere e), v. — Eenige vadems afgedraaid garen, gelijk 

het door een schuinsloopenden draad is gedeeld. Eene streen saai. 
Een streentje garen. Idem. 

Toer, m. — De plooikens van de muts die het gezicht omlijsten. 
Eene muts met 'neu enkelen, 'uen dobbelen, 'nen drij dobbelen toer, 

enz. Idem. 

Toezeggen, ^ei toe, heb toege^eid. — Met zekerheid beloven. 
Idem. 

Uitlander, m. — Vreemdeling. Ik weet niet of die man een Rus 

of een Pruis is : 't is altijd een uitlander. Idem. 

Vandoen. — Noodig. Dat is niet vandoen. Gij hebt altijd geld 
van doen. Idem. 

Verhaal, o. — Vat, grijp. Hij is mij nog over de honderd frank 
schuldig, maar daar is geen verhaal op zoo'n volk ; brengde ze voor 
't gerecht, ze betalen toch niet. Doe gij maar 'nen kei de huid af! 

— Ruimte, plaats. Daar is hier geen verhaal genoeg om dien 
wagen te draaien. Idem. 

Verzinnen, ver:{07i jnij, heb mij verwonnen. — Zich bedenken. 

Weet gij niets meer van die zaak? Verzint u eens goed. Idem. . 



« Ons Volksleven. » 31 

Voorvoet (uitspr. vörrevoef), m. — Op de v'órre voeten, zegt 
't Daghet, beteekent : op de kousen of op de zokken. 

Vörrevoefen zijn hier halve kousen, die maar een gedeelte van 
het been bedekken en die elders slobben heeten. 

Doet uwe vörrevoeten aan. Vörrevoeten van woUegaren. Idem. 

Zjer, zjeer, m. — Brui. levers den zjeer van geven. levers den 
brui, den bras, den bliksem van geven. Idem. 

{'t Vervolgt.) Jozef Corneltssen. 



(Spreuken en Spreekwoorden uit ^lein- (Brabant 

[Vervolq] (i) 

Ziekte. 

i3. In de goot, in de i^eppe litten : zeer ziek zijn. 
14. Onze gebuur |zY in 's meesters hatiden : hij doktoort, hij 
meestert. 

i5. De pieren grol leji op hem : hij is een levende-doode. 

16. Met een been ^at hij in den put; maar dan hemokte het : 
hij lag op zijn uiterste, toen hij eensklaps begost te beteren. 

Hoogmoed. 

17. Hij ipilt den koning voor :^ijn va{d)er niet meer kemien : 
hij hangt den grooten Jan uit, ge zoudt zeggen, hij is van edele 
afkomst. 

18. Ze fitten er allemaal hoog in : ze vi^illen groot zijn, al heb- 
ben ze het niet noodig. 

19. Veel schijn ponder licht : veel pracht op de straat en geen 

geld in den pot. 

Vet en Mager. 

20. Hij heeft eene goede ka^ak aan; hij is hard vet. 

21. De kuiper heeft op dat peerd gebeten : ge ziet zijn ribben 
liggen. 

22. Hij {iet :{ypert van magerigheid. 

23. Nu 't gaat winteren, :{al mijn lieskoek laden :' met den 
winter wordt ik vetter. 



(i) Z. Ons Volksleven. VI, bl. 96. 



32 « Ons Volksleven. y> 

24. Ziet hoe mager heur man is; ge kimt hem in brand steken ; 
7 is maar 'ne :[aagstoel; 't is visch of vleesch. 
■25. Het verken is slijk-, smodder-, spekvet. 
Vriendschap- Vijandschap. 

26. Die werkman is de vriend van zijnen heer : hij staat er wit 
mee. 

27. Maar 't loopt dikwijls niet lang aan of 7 va? w o/ ; of ze 
liggen overhoop. 

28. 't Is al dat 't kan ^ijn : het zijn de beste vrienden van de 

wereld. 

Ondeugd-Kastijding. 

29. Jan heeft daar eenen kapoen loopen : daar snijden geen 
messen op : hij is onverbeterlijk; 

30. Daar is noch dijken noch dammen aan, daar is niets aan 
gebergd ; daar is niets aan te doen. 

3i. 't Is een stJ^op, een vel; hij is zoo erg als 't hout van de galg. 

32. Doch hij zal van eene kale reis komen; hij ^al den dekker 
dienett. 

33. Hij ^alvoor den borger komen; — hij zal er weten van te 
spreken : hij zal troef krijgen. 

Luiheid-Arbeid. 

34. Hij is te lui dat hij pet, dat hij ^ich veriette. 

35. Hij heeft Kliidde op pjn lijf, op :{ijnen 7-ug. 

36. Daar zal hij geen hand voor omleggen ; geen strooiken voor 
verleggen : hij zit er niets mee in. 

37. Deze kieskandidaat heeft gewerkt als een peerd, leven 

sta-bij. 

Milddadigheid. 

.38. Die geeft wat hij heejt, is weerd dat hij leeft. 

.3g. Een cent langs ééne deur buiten, komen er tien langs de 
andere binnen. 

40. Die vrouw :^ou haar hemd weggeven, dat is toch beter als 
de beest uit te hangen. 

{'t Vervolgt). Alf. J. C. 



** Ons Volksleven. » 33 

§e gaal der ^ogelen.^'^ 

3n ^Inu-Örabont. 

De \jvaluw zingt ; 

Als ik hier lestmaal was, 
Vond ik hier koorn en vlas ; 
Maar nu en vind ik niets, 
't Is allemaal vertierelierd. 

De koekoek roept in 't begin van Meert : 

Welkom, Meert, laat mij leven, 

Ik zal u te Mei een van mijn jongskens geven. 

Maar op 't einde van Meert : 

Adieu, Meert! 

Ik geef u geen pluim uit mijnen steert ! 

De kerrekiet : 

Kerre kerre kerre kiet kiet kiet ! 

Ik woon in 't riet, riet, riet. 

Ge kunt mij niet vinden 

Om den duvekote niet, niet, niet ! (2) 

(Klein-Brabant.) Lenaard Lehembre. 

0[^a.a.ll:^u.ncie. 



Tantefèer. 

Een woordje voor de Heeren A. O. eu J. C. over Tantefèer, 
blz. 207, 12'' afl. 1894 van Ons Volksleven : 

Het woord tantefèer heeft wezenlijk beide door hen aangeduide 
beteekeuisseu. Het wordt gezegd van : 1° iemand die nergens zijne 
handen kan afhouden, die overal aanzit » — un touche-d-tout. 

2° Iemand die gebaart veel bezigheid te hebben en navenant 
weinig verricht, la mouche du coche bij La Fontaine. 

Naar mijn inzien is dit woord afkomstig van het Fransch : 

01 j'ai tant d faire. 



(i) Z. Ons Yolksleren, I, bl, 96-97. 

(2) Bezorgd door den Heer Leopold Meeus, gemeenteraadslid en oud-onderwijzer te Hingene 

(Eikevliet). 



34 « Ons Volksleven. y> 

Vandaar -.C'est un tant-a-faire^ in verbasterd Vlaamsch een tante- 
fèer of taffeleer, die langzaam en moeilijk aan iets werkt. 

Zoo zegt men ook pottefèer — pot-d-faire — afstammende van : 
Pas de pot d faire '! — voor een' pannelap of r «ndzwervenden 
pannen- en ketellapper, die ketels, potten, pannen, schotels, telloo- 
ren, lepels en vorketten vermaakt. P. Notelteirs. 

(§e ^ind in het Volksgeloof. 




E gevleugelde reuzen en dwergen van den wind, evenals 
de menschen tot den hemel behoorende door hunnen 
vader, en tot de aarde door Hertha, hunne moeder, 
maakten zich somtijds meester van de jonge meisjes, terwijl zij 
groote wervelwinden deden opstijgen. 

Dit denkbeeld is onder ons bewaard gebleven, en de Brabant- 
sche boer verzuimt nooit, waneer dergelijke draaiwinden hem op 
het veld overvallen, een kruisteeken te maken en te zeggen : « Dat 
is de iinndbruid l » 

— De draaiwinden, de woede van den storm, de windhozen 
doen bij den Vlaamschen boer het denkbeeld van eenen strijd 
ontstaan : « Het is de moer en de vaèr die vechten, de Tvolken 
:{ullen het betalen. » (Messager des sciences hist., XXVIII, 329). 

— Op Sint-Paulus' Bekeering (25 Januari) leveren de vier win- 
den tegen middernacht elkander een hevigen strijd op het kruis- 
punt der vier wegen. De wind die op klokslag van middernacht 
heerscht, zal gedurende hetgansche jaar heerschen. (Virton, Lux.). 

Te Florenville (Lux.) is het den laatsten dag des jaars, dat de 
winden strijd voeren. 

— De pastoor kan den wind draaien. Daartoe heeft hij enkel 
zijnen tik te verzetten naar den kant van waar hij verlangt dat de 
wind kome. (E. Monseur. Quest. defolkl. jvalL, 68.) 

In de Kempen en elders wordt geloofd, dat de pastoor den wind 
kan keeren, waneer er ergens brand is. 

Waneer bij eenen brand het vuur de aanpalende huizen 
bedreigt, doet de pastoor den wind draaien, met een kruis te 
maken. {Grooth. Lux.) 



• Ons Volksleven, y 35 

— De Vlaamsche boeren schrijven aan de Recolletten nog de 
macht toe om in geval van brand den wind te keeren en de vee- 
ziekten te doen ophouden. (De Reinsberg. Calendrier beige, II, 

20I.) 

— Te La Roche (Lux.) zegt men aan de kinderen waneer de 
wind fluit : « s'è Dj'an d'a vin n, 't is Jan de wind. (E. Monseur. 
Quest. defolkl. wall., 68.) 

— Als de wind hevig in de schouw huilt, mag men verzekerd 
zijn dat de duivel er zijnen woon gekozen heeft. (A. Harou, Le 
Folkl. de Gudarville, 5.) 

— Om de kinderen te beletten buiten te loopen, waneer het 
slecht weder is, zegt men hun te Somme-Leuze : « Viz a vo, vla 
Dj'han di bise! Vla mohon a rodj bètch! Pas op, daar is Jan de 
wind! Daar is de musch met den roodenbek! (Monseur. Quest. 
defolkl. walL, 68.) 

— De appelen mogen niet geplukt worden, alvorens den in- 
vloed van den octoberwind ondergaan te hebben, anders houden 
zij niet. (Fayt-lez-Seneffe, Henegouw.) 

(t Vervolgt.) Alfi'ied Harou. 



I^empi^ghe Sagen. 



t. (184.) llöit uw öpokeiib öcljoap. 




ijNA vijftig jaren geleden, kwamen er rond middernacht 
twee vroolijke makkers van Oosterwijk kermis. Te Bois- 
U schot, aan den ingang van het dorp, stond toen ter tijde 
een groote doornstruik, 't Was heldere maneschijn en dicht bij 
den struik gekomen, zien zij er een schaap uit te voorschijn treden 
en voor hen henengaan. Doch 't scheen dat het meer voortdreef 
als voortging. « Wacht eens », zeide de eene, « wij gaan dit 
schaap zien te pakken d. Zij achtervolgden het dier, doch het 
draaide rechts de kerk om en zoo het hofveld in, altijd op de 
hielen gevolgd door de twee mannen, die het niet konden inhalen. 
In het midden van 't veld gekomen, was het schaap plotseling 
spoorloos verdwenen. De twee gezellen werden daarop met zoo- 



36 •* Ons Volksleven. » 

danigen schrik bevangen, dat zij met de koorts op het hjf te huis 
kwamen. Na dien nacht heeft geen van beiden nog eene gezonde 
uur beleefd en ze zijn korten tijd daarna gestorven. Andere Heden 
hadden dit schaap ook meermaals gezien. (Boisschot.) 

2. (183.) €cn öpookboöd). 




VER weinige jaren bestond nog een dennenbosch tegen de 
baan van Heist-op-den-Berg naar Schriek, deelmakende 
van de uitgestrekte « Rashoevenbosschen » en op gansch 
zijne lengte door de lieve en kronkelende « Rashoevenbeek» 
bespoeld. Het had den naam, dat het 's nachts daar niet geheel 
pluis was. Door het bosch liep een weg. — Een timmerman moest 
op zekeren Maandag nog al ver gaan werken en ging 's morgens 
vroeg, nog lang met den donkere, door het genoemde bosch. 
Opeens ziet hij twee beesten, van de grootte en gedaante van kal- 
veren, door eene sloot van het bosch gaan. Hij zag ergeene beenen 
aan, doch zij waren zoo dicht achter elkander, dat het eene zijnen 
kop achter op den rug van het andere had liggen. Zij moesten 
omtrent gelijktijdig met hem op den wegkomen, doch toen zij hem 
bespeurden, haastten zij zich meer, zoodat zij hem voor waren en 
spoedig langs den anderen kant van het bosch verdwenen waren. 
— Een andere maal zag een persoon die daar 's avonds voorbij- 
ging, eene gedaante als een groot wit peerd, door het bosch zwe- 
ven. — Iemand ging eens 's avonds laat door het bosch en had 
zijnen hond bij zich. Deze bleef weldra achter. De persoon floot 
er op, doch niet te doen, de hond kwam niet. Hij keerde dan weer 
en vond dezen in 't begin van 't bosch als met schrik geslagen 
staan. De hond wilde niet mee. Wat deed de man? Hij had 
gelukkig een stuk touw in den zak, hetwelk hij den hond aan 
zijnen halsband bond. Nog moest hij het dier om zoo te zeg- 
gen voortsleuren, of het wilde nog niet vooruit. Toen zij uit het 
bosch waren, schoot de hond eensklaps vooruit en was spoedig 
uit het gezicht verdwenen. De peisoon bespeurde nergens iets. 
Wanneer hij te huis kwam, zat de hond aan de deur en toen hij, 
binnengegaan zijnde, dezen bezag, had het dier zulke verschrik- 
kelijke en verwilderde oogen in den kop, dat hij er relf bang voor 
was. De hond moest ongetwijfeld iets vreeselijks gezien hebben. 
{Heist-op-den- Berg.) Frans Zand. 



« Ons Volksleven. y> 37 



iinltegtkmken m êmwx\m in Mnorö-SÖrnhnnt. 



III. 



GEBRUIKEN OP GODSDIENSTIGE OF KERKELIJKE FEESTEN 




LS het hoogste feest des j aars vierde men Kerstmis. 
Nog geen halve eeuw geleden, bestond hier op alle 
plaatsen het aloud gebruik op Kerstavond (d. i. de 
avond vóór Kerstmis) een grooten post of houtblok, Kerst- 
blok geheeten, op 't vuur aan don hcerd te leggen, die 
's nachts of in den zeer vroegen morgen, wanneer de huisge- 
nooten opstonden om ter Kerstmis te gaan, nog niet uitge- 
brand was. De grootste blok, dien men van eenen gerooiden 
wal, boom of hegge in de nabijheid van zijn huis of in zijne 
eigendommen vond, werd hiertoe doorgaans gekozen, en 
soms maanden te voren daarvoor bewaard of bestemd. In 
deze streek heet hij Kerstblok of Kors — (d. i. Kevst]avond- 
stok. 

Hoezeer dit gebruik langzamerhand afneemt, worden nog 
in schier alle dorpen enkele boeren of andere personen 
gevonden, die het getrouw onderhouden, zooals in meerdere 
streken van ons vaderland, België en Frankrijk. — Te 
Susteren in Limburg, had in 1264 tegen het Kerstfeest, 
iedereen de vrijheid doode boomen uit het gemeentebosch 
te halen, om die in zijn huis te branden. 

Kerst-, volks-, kinder- en nachtwachtliedjes zullen hier 
oudtijds wel veel gezongen zijn, doch men hoort ze weinig 
meer, tenzij in de kerk de kerst- en andere liedjes. 

In de middeleeuwen kwamen Kerstgilden tot stand, om 
gezamentlijk kerstmalen te houden. Deze vindt men hier 
niet, evenmin als de versiering van den kerstboom. Vroeger 
werd, vrij algemeen, de Kerstmis op middernacht gezongen. 
Dan stroomden al de huisgenooten, die uit de voeten konden, 
naar den heerlijk verlichten tempel, na tot dien tijd den 
heuglijken nacht rond den flikkerenden heerd gewaakt en 
gebeden te hebben. 



S8 « Ons Volksleven. »» . 

2. Dnekontugen. 




EENE openbare herinnering-en van het Driekoningen- 
feest in deze str<>ek hebben wij dan het zingen van 
een toepassehjk lied, hetwelk wij in onze jeugd 
hier en daar en onlangs nog te Luiksgestel hoorden zingen- 
Men leze hol in mijne Verzameling van Volksliederen in 
Kempenland. 

Vóór de Hervorming droegen de zangers eene ster mede, 
welk gebruik denkelijk zoo oud als de mysteriespelen was. 
De sterdragers verspreidden zich eenmaal over al onze 
Nederlandsche gewesten en in België (i). 

Behalve deze gebruiken, waren oudtijds nog de volgende 
in zwang, die men genoegzaam elders beschreven vindt, o. 
a. in de «Volksvermaken» : 

P Groep langs de straat met «trekbrief en kroon». 

2° Optochten met kroontjes, w^aarin driearmige kransjes 
brandden. 

3° Elk gaf mildelijk, opdat de armen zich zouden kunnen 
vermaken. 

4° Vreugde in elke woning. 

S*' Er werd een brood of mik gebakken, waarin eene boon 
verborgen was : de boon besliste het lot van koning te 
zijn. 

6° De verschijning der drie Koningen werd soms in de 
Kerk vertoond, zooals te Delft in 149S. 

7° Het keersjesspringen door de kinderen. Zij deden zulks 
over de ''koningskeersen«,vóói" de Reformatie «gebenedijde'» 
of «heilige keersjes» genoemd, want de keersenmakers 
brachten ze eerst naar de kerk, alwaar zij door den priester 
gewijd werden. Deze k^ersjes hadden, ter eere van de drie 
Koningen, drie armen, waarvan het middelste zwart geverfd 
was en «het Moorke» of «Melekert", d. i. Melchior hiet. 

Het springen over brandende keersjes door kinderen, 
heeft hier nog in sommige huisgezinnen plaats. 



(1) In de Antwerpsche Kempen is dit gebruik nog in zwang. Ziet daarover 
Ons Volksleven, VI, bldz. 67-68. 




« Ons Volksleven. " 89 

Tijdens de Middeleeuwen prijkte veelal boven den altaar 
in de kerk, eene groote met waskeers'^n versierde en ver- 
licliiester. Toen werd ook nog de aanbidding der drie Wij- 
zen aanschouwelijk voorgesteld. 

3. Iltt0telati0nö of Ilo0tettoü0u&. 

L is de naam « Vastelavond r^ van christelijk-middel- 
eeuwschen oorsprong, de gebruiken en vermaken 
op die dagen zijn uit het heidendom gesproten. 
Gelijk de heidensche feesten gemeenlijk drie dagen duurden, 
zoo was zulks ook het geval met vastelavond 

De Zondag heette «Vette Zondag « of ^^ GrooteVastelavond w, 
de Maandag" Kleine Vastelavond ", en de Dinsdag" Leste 
Vaste